HEBREËN 4 : 1 – 3
Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd, de belofte van in Zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: „Zoo heb ik dan gezworen in mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijne rust, hoewel Zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.”
Ps. 43 : 3
De beloofde rust die Hebreën 4 : einde
l. Gepredikt wordt. Ps. 132 : 5, 9
ll. Gezocht wordt. Ps. 36 : 2
lll. Verkregen wordt. Ps. 73 : 13
Geliefden! – „Alleen God weet, wie den brief aan de Hebreën geschreven heeft”. Met zekerheid is het door ons niet te zeggen, daar de de schrijver zijn naam niet vermeld heeft. Dat ontsiert den brief niet, daar de schrijver in het verbergen van zijn naam, zeker de verheerlijking van des Heeren naam ten doel gehad heeft. Het is niet een anoniem schrijven in den verkeerden, maar in den goeden zin des woords.
Toch is deze brief geteekend, geteekend door den Heiligen Geest waardoor de goddelijke autoriteit van den Hebreënbrief verklaard en beves¬tigd is in het hart der kerk, tot op den dag van heden. Deze brief is een pronkstuk van Gods genade, waarin de inspiratie des Heiligen Geestes schittert, door de geschiedenis van Israël, met de ceremonieele bediening, geestelijk te verwerken voor ons gebruik, tot verheerlijking van Hem, die gezonden is door den Vader. Bij het licht van den nieuwen dag, laat Hij ons blikken in het leven van den ouden dag. Het is een brief, door wien ook geschreven, van God uit den hemel. Dat wil niet zeggen, dat wij er kwaad mee doen, zoo wij Paulus voor den schrijver van dezen brief houden.
De Heilige Geest onderwijst ons in deze tekstwoorden in het gebruik der beloften, om deelgenoot te worden van de rust des geloofs in den Heere. Het is de wille Gods, dat achter de kudde zal aangedrongen worden, gelijk een herder dat behoort te doen en doet om de geheele kudde in de stal der rust te drijven, waar zij veilig rusten kan. Al de Hebreën zijn in de mogelijkheid om zalig te worden; de Heere wil, dat er niet één zal achter blijven. ,,Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn". Al de leden en doopleden der gemeente worden hier gewezen op de beloften des Evangeliums, op de zalige rust der eeuwige heerlijkheid, om die te zoeken om haar deelachtig te mogen worden. Dat de gansche gemeente die rust niet zoekt, aan die beloften zich niet vastklemt, staat vast. Velen leven in hunne zorgeloosheid voort, alsof er geen eeuwigheid aanstaande is, alsof men niet gesteld zal worden voor den Rechter van hemel en aarde. Ons hart mag zich wel ontroeren over de zorgeloosheid van velen, want zorgeloosheid is de kortste weg naar de eeuwige rampzaligheid. De beloofde rust, die
l. Gepredikt wordt.
Het is waar, volkomen waar, dat Gods genade zonder ons in ons ver¬heerlijkt wordt. „Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt dien Hij wil”, Rom. 9. Gelijk wij zonder ons toedoen zijn geboren, aanzien verkregen hebben op deze wereld, zijn al Gods kinderen zonder hun toedoen in Zion geboren om den naam van Zions-kinderen te dragen. Maar dat neemt niet weg, dat onze geboorte, waaraan wij niets hebben toegedaan, staat in verband met het huwelijk onzer ouders. Zij zijn toch, vóór dat wij geboren werden, getrouwd en, naar ik hoop, biddende getrouwd voor het aangezicht des Heeren. Zeker, de Heere had dat huwe¬lijk met onvruchtbaarheid kunnen slaan, wat door al de medici met heel hun bekwaamheid, niet weggenomen kan worden, maar dat heeft Hem niet behaagd. Gelijk de Heere het natuurlijke leven verwekt langs den weg van het huwelijk, verwekt Hij ook het geestelijk leven langs den weg van het geestelijk huwelijk. De kerk leeft, levende in dadelijke geloofsge¬meenschap met haar Hoofd en Man, Jezus Christus, in arbeid om kinderen te baren. „Mijne kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge”, Gal. 4. Die leeft in geloofsgemeenschap met Christus, is in arbeid met zijn onbekeerde medereizigers naar de eeuwigheid. Die dat niet heeft, heeft wel toe te zien, of hij heeft, wat hij meent te hebben.
Gelijk elk rechtgeaard kind liefde en eerbied heeft voor zijn moeder, heeft Gods kind dat voor zijn geestelijke moeder. Toen de bruid den Bruidegom vond, is zij met Hem gegaan naar haar moeder. „Toen ik een weinigje van hem weggegaan was vond ik hem, dien mijne ziel lief heeft, ik hield hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik hem in mijner moeder huis gebracht had en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft”, Hoogl. 3. Met haar moeder heeft deze jonge dochter gesproken over de dierbaar¬heid van Christus. Nu zij Hem deelachtig is, gaat zij met Hem naar haar moeder. Daar het gezond geestelijk huwelijksleven met Christus zoo gemist wordt in de kerk, worden er zoo weinig kinderen geboren in Zion.
Gelijk de wereld zichzelf met onvruchtbaarheid slaat in het natuurlijke, doet de kerk dat in het geestelijk leven.
In deze tekstwoorden komt de Heilige Geest ons opwekken, om te letten op de beloften des Evangelies. Al de Hebreën, niet één uitgezonderd; worden hier opgewekt tot een geloovig gebruik van de beloften Gods, om deelgenoot te worden van de zalige rust der eeuwige heerlijkheid. Wij gevoelen ons gedrongen, dit te binden op het hart der gemeente, onze jonge¬lingen en jonge dochters hierin te onderwijzen en het de kinderen te vertellen. Zeker, daar zijn tweeërlei menschen in de kerk, wijze en dwaze maagden. Zoo is het altijd geweest en zoo zal het blijven tot den laatsten dag toe. Alleen de gekenden van eeuwigheid worden deelgenooten van de eeuwige zaligheid. Het leerstuk der verkiezing is ons dierbaar. Was er geen verkiezing, dan werd niet één mensch zalig, al had de Heere Jezus de zaligheid verdiend. Al de kracht, die het Evangelie heeft in het hart van den zondaar, heeft het Evangelie door de verheerlijking van Gods verkiezende liefde. „Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn, en: Een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.” 2 Tim. 2.
Maar in deze tekstwoorden belicht de Heilige Geest het zalig worden niet van Gods kant, doch van des menschen kant. De groote verantwoor¬delijkheid van den mensch wordt ons hier gepredikt. In den dag des ge¬richts zullen wij niet geoordeeld worden naar den regel van Gods verborgen, maar naar dien van Zijn geopenbaarden wil. „De verborgen din¬gen zijn voor den Heere onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid om te doen al de woorden dezer wet”, Deut. 29.
Nooit mogen wij in de prediking van het evangelie het volheerlijke leerstuk der verkiezing loslaten. Daar de mensch ligt in den staat des doods en des ongeloofs, is het niet mogelijk het Evangelie te prediken, zonder te steunen op Gods verkiezende liefde in Christus. Het is in de prediking van het Evangelie niet een speculeeren op des menschen welwillendheid, maar een steunen op de volvoering van Gods eeuwigen Raad tot zalig¬heid van zondaren. De gekenden van eeuwigheid worden zalig door de prediking van het Evangelie door het geloof in Jezus Christus.
De Heilige Geest stelt in de gemeente, tegenover de Hebreën, de prediking van het Evangelie op den voorgrond. Christus heeft gezegd, het Evangelie allen creaturen te prediken. Al de kerkgangers worden gewezen op de beloofde rust, om van die beloften een biddend gebruik te maken. Christus heeft den Vader verheerlijkt in zijn Goddelijke souvereiniteit, toen Hij sprak: „Ik dank U Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze de kin¬derkens geopenbaard. Ja Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U." Matt. 11, Hij dankt den Vader, daar de Vader rechtvaardig alle menschen had kunnen laten liggen in den staat des onge¬loofs. De Vader is rechtvaardig in het verborgen houden van datgene, wat voor de mensch verborgen is door zijn zijn in den staat des ongeloofs. Maar desniettemin heeft Christus alle menschen het Evangelie gepredikt. De Heere Jezus zegt Zelf tot een gemengde schare, gelijk Ers¬kine opmerkt: „Mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel”, Joh. 6. Maar velen hebben het ware brood uit den hemel niet aangenomen. „Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Joh. 1. Aan beide partijen, zoowel aan degenen die Hem niet, als aan die Hem wel aangenomen hebben, is Christus voorwerpelijk geschonken door den Vader.
Wij hebben het voor waarachtig te houden, dat de beloften van het Evan¬gelie elk lid der gemeente, levende op de erve des Verbonds, geschonken zijn. Zij komen ons toe van uit den mond van den Waarachtige. De Heere komt tot ons door Zijn Woord met Zijn beloften; al de Hebreën worden opgewekt, er gebruik van te maken, om deelgenooten te worden van de eeuwige rust. Het Woord, dat uit des Heeren mond is uitgegaan, is zoo waarachtig als Gods waarachtig is. Hij liegt niet, want Hij is de Waarachtige. Daar is op de wereld niet iets te bedenken, waarop wij ons kunnen verlaten, buiten het Woord des Heeren.
Wij hebben de beloften van het Evangelie voor waarachtig te houden, daar het verzegeld is door den Drieëenigen God in den Doop, dat de weg naar den hemel voor ons open staat. In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. Zal dan dit Woord, waarin al de beloften van het Evangelie vervat zijn, niet bestaan, daar het door de drie Godde¬lijke Personen bevestigd is? Wij hebben niet te twijfelen, maar het getui¬genis van God voor waarachtig te houden. Wij hebben de beloften van het Evangelie voor waarachtig te houden, daar in Christus alles te bekomen is, wat een verloren zondaar noodig heeft tot zaligheid. De ge¬nade van den Heere Jezus is toereikende voor de geheele wereld. Daar gaat niet één mensch verloren vanwege een tekort aan genade, maar vele vanwege hun onwil om er gebruik van te maken. Daar blijft voor den mensch, die verloren gaat, niet één dekmantel over. In deze belofte des Verbonds bezitten wij een goddelijke nalatenschap, die de Heere Jezus ons heeft nagelaten, toen Hij naar zijn menschelijke natuur is ingegaan in het huis Zijns Vaders met zijn vele woningen. De belofte van in te gaan in Zijn rust, heeft Hij ons nagelaten met het bevel, haar te predi¬ken de geheele wereld door, beginnende van Jeruzalem. In Jeruzalem, waar de grootste vijanden van het Evangelie woonden, moesten de be-loften van het Evangelie het eerst gepredikt worden, opdat het ons dui¬delijk zou zijn dat de grootste vijand door het Evangelie met God ver¬zoend kan worden. Geen plaats ter wereld heeft haar vijand-schap tegenover Christus meer uitgeleefd dan Jeruzalem.
De beloften van het Evangelie, zijn een Goddelijke nalatenschap, die wij drukken aan ons hart, kussen met onzen mond, omhelzen met onze armen. Het is een nalatenschap, die geheel vrij is van successierechten. Mozes kan er geen beslag op leggen, de duivel kan er geen gebruik van maken en de wereld kan ons die nalatenschap niet afhandig maken. Hij, die de beloften van het Evangelie ons heeft nagelaten, houdt er zelf de wacht over.
Uit deze nalatenschap van Gods beloften heeft de kerk geleefd tot op den stond van heden, zonder eenige vermindering van hare volheid te be-speuren. Nimmer behoefde men hier tot bezuiniging over te gaan. Waartoe wij elkander wel mogen opwekken, is dit, vanaf heden meer gebruik te maken van de belofte des Evangelies, wat tot eere is van Hem, die dezelve ons heeft nagelaten, tot zegen en zaligheid van onze zielen. Het is niet mogelijk een vruchtbaar geestelijk leven te leiden, met een karig gebruik van Gods beloften. Zij versterken het geloof, vervrijmoedigen ons in het gebed, onder de bearbeiding des Heiligen Geestes. Om verhoord te worden, moeten wij altijd met de beloften des Evangelies gaan tot den troon van Gods genade. Bidden is niet anders dan pleiten op Gods be¬loften, gelooven is niet anders, dan steunen op de beloften Gods.
Het Evangelie is Israël, trekkende naar het beloofde land gepredikt. Ge-predikt door het Woord des Heeren, gepredikt door den priester bij het altaar. Zelfs door het gebeente van Jozef werden de beloften Gods hun gepredikt. „Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der kinderen Israëls en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.” Hebr. 11. Door wolk- en vuurkolom werd het Israël gepredikt en verzekerd dat zij door God zouden gebracht worden in het beloofde land. Het water uit de steenrots, het manna uit den hemel, predikte hun Christus, in Wien al de beloften ja en amen zijn. Maar door ongeloof werd het volk opstan¬dig, werd de beloofde rust veracht, wilde het terug naar de vleeschpotten van Egypte. Het ongeloof houdt de beloften van het Evangelie niet voor waarachtig, het verdenkt God in Zijn liefde, trouw en macht. Het onge¬loof zegt ons, dat God ons niet wil geven wat Hij ons belooft. Wij zijn door Mozes en Aäron misleid, wij erkennen die mannen niet langer als predikers van de beloften des Evangelies, zij moeten gedood worden. Daar zij God niet rechtstreeks kunnen treffen, zoeken zij zich te wreken aan Zijn knechten. Het ongeloof zegt, dat God ons niet kan geven wat Hij ons beloofd heeft, daar de steden van dat land zoo sterk, de mannen van dat land zoo groot zijn. De brutaliteit van het ongeloof kent geen grenzen.
Hier worden wij door den Heiligen Geest opgewekt, te vreezen om niet in datzelfde oordeel der ongeloovigheid te vallen, om door Gods toorn ver¬delgd te worden. Laten wij toch niet van uit de hoogte op het Israël van den ouden dag nederzien, maar vreezen als het Israël van den nieuwen dag niet in hetzelfde oordeel te vallen, door de beloften des Evangeliums te verachten. Het is hier een persoonlijke zaak, de Heere stelt belang in elk lid der gemeente. Laat ons vreezende beven, want het is verschrik¬kelijk, zoo iemand van u schijnt achtergebleven te zijn. Door het woord iemand hebben wij een mensch te verstaan. Elk mensch, hoofd voor hoofd wordt hierdoor aangesproken. Wat nu schijn is, zal als het eeuwigheid wordt, werkelijkheid, een ontzettende werkelijkheid worden. God heeft gezworen in zijn toorn, dat u voortgaande in het ongeloof, geen deelge¬noot zult worden in de eeuwige zaigheid. Daar is veel, wat op dat achterblijven wijst. Onze levensopenbaring is het schijnsel van ons innerlijk leven. U schijnt achter te blijven, daar u achter blijft bij de bediening van het Heilige Avondmaal. Van Godswege is de weg voor u kerkelijk ge¬opend naar de tafel des Verbonds. Neen, dat wij u zoo maar niet noodi¬gen tot de tafel des Verbonds op klompen en schoenen, is u bekend, ook niet met de zilveren muilen van uw belijdenis. De weg is geopend, u wordt genoodigd, maar u sluit zelf den weg toe door uw onbekeerlijkheid, door uw ongeloof, niet geloovende Gods beloften.
Daar is veel wat op achterblijven wijst bij de avondmaalgangers. Het is als of het oordeel der verharding rust op sommige avondmaalgangers, daar zij zonder de verbreking des harten gebruik maken van het gebroken brood. Het is waar, die onwaardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zich zelf een oordeel, daar hij nog nooit in zijn hart het oordeel der eeuwige verdoemenis heeft aanvaard. Die achterblijvers meenen nog tijd genoeg te hebben, zij haasten zich heel langzaam, zoo er nog sprake kan zijn van eenig haasten. De dwaze maagden dachten altijd nog tijd genoeg te hebben om olie te koopen; waarom dan ook die moeite zich aangedaan om olievaten mee te dragen? Bijna in alle wijken van de stad is olie te koop, dat is toch veel gemakkelijker. En zie ... , zij kwamen te laat, voor eeuwig te laat, zij kwamen, toen de deuren reeds gesloten waren. Het is om te beven „Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan, nagelaten zijnde, iemand van u schijne achter gebleven te zijn”. De beloofde rust die:
II. Gezocht wordt.
Het is niet mogelijk, dat van de beloften des Evangeliums een tè ruim gebruik kan worden gemaakt; daar kan wel een verkéérd gebruik van gemaakt worden. Onuitputtelijk is de volheid van Gods beloften in de nalatenschap van den Heere Jezus. Hoe rijk de heer Ford ook was, die de rijkste man van de wereld genoemd wordt, zoo is zijn nalatenschap, die vergankelijk en ijdel is, toch notarieel in cijfers uitgedrukt, wat niet mogelijk is omtrent deze nalatenschap, die onvergankelijk en geestelijk is. Het kan wel gezegd worden hoe dikwijls de naam Heere in den Bijbel voorkomt, de naam Jeruzalem en vele andere woorden en namen, maar het kan niet gezegd worden hoeveel beloften er in den Bijbel staan. Daar kan en mag een ruim gebruik van gemaakt worden. Het is een gevaarlijke en ernstige ongesteldheid, als iemand een vernauwing heeft in zijn ingewan¬den, die hem doet verzwakken en vermageren. Die patiënten kwijnen weg, zoo niet operatief wordt ingegrepen. Paulus zegt, dat de Korin¬thiërs, niet letterlijk doch figuurlijk, leden aan een vernauwing in hun ingewanden. De gezonde spijze van de beloften des Evangeliums konden hunne ingewanden niet meer verdragen, maar het water der ongerechtig¬heid spoelde er nog wel door, erger dan bij de heidenen. Ruim waren de ingewanden van Paulus, zijn hart stond wijd open voor de gemeente van Korinthe, om haar de ruimte van het Evangelie te prediken tot zaligheid van zondaren.
Het is niet mogelijk een te ruim gebruik te maken van de beloften des Evangeliums, daar niet één belofte ruimte biedt voor de zonde, zij zich alle keeren tegen de ongerechtigheid des menschen. Die de belofte van het Evangelie aangrijpt, veroordeelt zich zelf tegelijkertijd als zondaar. Al de beloften hebben de verbreking van de kracht, de vergeving van de schuld en de heiliging van de smet der zonden ten doel. De wet veroordeelt de zonden in den mensch, maar het Evangelie verlost de mensch van de zonden. Wat een dierbare nalatenschap, wat een heerlijke belofte.
Zeker, daar zijn menschen die een verkeerd gebruik maken van de be¬lofte. Zij maken er een rustbank van om op te zitten, of een bed om er zorgeloos op neder te liggen. Zij denken dat de vervulling der beloften te bekomen is in den weg der zorgeloosheid. Het was den doodslager beloofd door den Heere, dat hij, gekomen zijnde in de vrijstad, niet gedood zou worden, maar als hij langs den weg ging zitten, dan had de bloedwreker het recht hem te dooden. Allen die met een belofte in zorge¬loosheid nederzitten, zullen gedood worden door het zwaard van Gods wrekende gerechtigheid.
Al de beloften hebben één doel en als met één stem wordt het ons toege¬roepen te vluchten tot den Heere, Hem om genade te smeeken. Bidden zonder ophouden is niet mogelijk zonder het gebruik van Gods beloften. Als een mensch een verzoek wil doen aan een mensch, dan gaat hij, om zijn verzoek aannemelijk te maken, dit eerst met redenen omkleeden. Zoo moeten wij, om verhooring te bekomen, onze gebeden met de redenen der belofte omkleeden. Elk gebed, dat geen belofte ten grondslag heeft, kan niet verhoord worden, zulk een verzoek is voor het hof des hemels onaannemelijk. Bidden is, zijn bede leggen op het gouden reukofferaltaar van de beloften des Evangeliums. Het gebruik van Gods beloften moet geschieden door het geloof. „Maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben”. Het woord der prediking moet vermengd worden met het geloof, om te wandelen op de weg der beloften, ter verkrijging van de eeuwige rust. Het Woord doet geen nut zonder geloof, het geloof heeft geen sterkte zonder het Woord. Het geloof is gelijk aan een klimopplant, die alleen langs den eik omhoog klimt, zich vastklemmende aan dien boom.
Het geloof, dat leeft uit den Boom des Levens, klimt door dien boom omhoog. Al de sterkte, die het geloof heeft, heeft het door den Boom des Levens. Komt het wezen des geloofs niet in aanraking, in vermenging, met het Woord, dan kan het niet worden een dadelijk gelooven. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods, Rom. 10.
Gelijk de positieve pool vereenigd moet worden met de negatieve pool om licht, vuur en kracht te verkrijgen, moet de positieve pool des Woords vereenigd worden met de negatieve pool van het wezen des geloofs, om geloofslicht, geloofsvuur, geloofskracht te verkrijgen. Die twee polen kun-nen, wat het natuurlijke betreft, door des menschen handvereenigd worden, wat onmogelijk is in het geestelijke. Als Gods knecht het Evangelie preekt en een levende, die dus het wezen des geloofs deelachtig is, luistert, komt dan daardoor het geloof in oefening? Neen, dat is onmogelijk. Als het Evangelie alleen zóó gepredikt en beluisterd wordt, dan gaat de hoorder met een dorre ziel naar huis. Het woord der prediking doet hem geen nut. Het is wèl mogelijk, dat hij eenige bevrediging heeft in zijn nieuwsgierig¬heid, eenige opwekking in zijn gemoedelijkheid, maar van dadelijke geloofs¬oefening is geen sprake. Wel is het mogelijk, dat de onderwijzingen van de Waarheid hem later tot zegen worden, maar nu niet. Hij beklaagt zich die weet wat het is geloovig te luisteren, met zegen te kerken. De vrees rijst, de eeuwige rust, de eeuwige zaligheid te moeten derven en door Gods toorn getroffen te zullen worden. Hij gaat zich afhankelijk en steeds meer afhankelijk gevoe-len van de lieve en dierbare werkingen des Heiligen Geestes. Neen, die prediker kan mij ook geen heil geven, als God er niet in mede komt. Daarom onttrekt hij zich niet aan de prediking van het Evangelie, hij gaat zuchtende op, of het den Heere behagen mocht, er in mede te komen. Alleen door den Heiligen Geest kan de positieve pool des Woords vereenigd worden met de negatieve pool van het wezen des geloofs. De Heere moet er in meekomen. Wordt de predi¬king des Woords gemengd met het geloof onder de bearbeiding des Heiligen Geestes, dan ontstaan de oefeningen des geloofs. De hoorder ont¬vangt, Gode zij dank, geloofslicht, geloofsvuur en geloofskracht.
Geloofslicht in de belofte van het Evangelie. Die beloften gaan den geloovigen hoorder schitteren in de oogen. In die beloften ziet hij ruimte om zalig te worden, ziet hij de dierbaarheid van Christus. Zijn oogen zien den Koning in Zijn schoonheid en een ver gelegen land. Hij ziet iets van het land der ruste, van de eeuwige heerlijkheid. De rijkdom van Gods ge¬nade, de algenoegzaamheid van Christus' borglijden, blijven voor zijn ge¬loofsoog niet verborgen. Met verwondering aanschouwt hij den Heere Jezus aan het vloekhout des kruises.
Geloofsvuur brandt er in de ziel, daar de prediking des Woords gemengd is met het geloof, onder de bearbeiding des Heiligen Geestes. Hij dacht, dat zijn hart nooit meer zou smelten, hij was in zijn gevoel een ijsberg gelijk; maar nu brandt er weer een vuur van liefde in zijn gemoed en hij smelt weg onder Gods goedertierenheden. Het is niet alleen een zien, maar ook een gevoelen van Gods eeuwige liefde in Christus. In de beloften van het Evangelie legt de Heere Zijn lief¬dehart bloot voor Zijn volk. De genegenheden van Gods kind kunnen branden van verlangen om te leven tot verheerlijking van den Heere. Dit doet Gods kind vurig van geest zijn, een warm hart hebben voor alles, wat dienende is tot uitbreiding van Gods koninkrijk. Daar is liefde en toegenegenheid tot het heil en de zaligheid van zijne onbekeerde medereizigers naar de eeuwigheid. Hij zegt: Kom buk mede voor Hem neer, of: Kom, ga met ons en doe als wij, of: Verlaat de slechtigheden en leef en treed op den weg des verstands.
Geloofskracht bekomt het bedrukte volk, nu de prediking des Woords met vrucht beluisterd mag worden. Het hart wordt gesterkt, het hoofd opgeheven uit de gebreken, het kruis blijmoedig gedragen. Zonder opstand of moedeloosheid wordt de reis voortgezet door de woestijn van dit moei¬tevolle leven naar het hemels Kanaän. Hier zijn geen vurige slangen, die ons kunnen bijten met een doodelijken beet, die zijn alleen op den weg van opstand en moedeloosheid. Zoo wordt de beloofde rust gezocht door het geloof, waarin aanvankelijk rust en zaligheid gesmaakt worden. Maar de Heilige Geest gaat ons hier nog dieper leiden in de oefeningen van het geestelijk leven en spreken over de inkeerende daad des geloofs. De beloofde rust die:
III. Verkregen wordt.
„Want wij die geloofd hebben gaan in de rust”. In de uitgaande daad des geloofs, in het zoeken van de beloofde rust buiten zichzelf, is genot. Daarin wordt ook eenigermate rust gesmaakt, maar daarin is niet de besten¬dige zielerust, waarvan hier gesproken wordt. De Heere Jezus is geko¬men, om die rust te verdienen en toe te passen, maar wat waren de disci¬pelen veeltijds onrustig. Zij waren onrustig, daar het naar hun oordeel verkeerd ging, als de Heiland werkelijk moest lijden en sterven. Met een onrustige ziel hebben zij alles in het werk gesteld om, was het mogelijk, dat te verhinderen en toch volgden zij Hem, geloovende in Hem. Al waren zij bruilofstkinderen, zoo leefden zij niet in de rust des geloofs. Die ge¬loofd hebben in de beloften des Evangeliums, gaan in de rust. Dat gaan in de rust is de inkeerende daad des geloofs. Het koopvaardijschip vaart uit naar het land waar het schip gevuld kan worden met levensmiddelen, wat een zaak van vreugde is, want in dat land is wat wij noodig hebben. Maar grooter is de vreugde als het schip beladen binnen komt om van deszelfs inhoud een rustig gebruik te maken. Het was den tollenaar tot vreugde, dat hij met zijn bedroefde ziel mocht opgaan in den tempel om ge¬nade af te smeeken, maar toen hij thuis kwam, bracht hij den buit mee, hij had een gerechtvaardigde ziel. Hij genoot de ruste des geloofs.
Rusten in het volbrachte werk van Christus. Die geen rust konden vinden in hunne werkzaamheden, vinden nu rust in het borgwerk van Christus. Met een rustige ziel steunen zij op Zijn borgtochtelijk lijden en sterven, op Zijn volmaakte onderhouding van de wet. Wat Hij leed, leed Hij voor mij. Wat Hij deed, deed Hij voor mij. Het is een rusten in Hem, daar de Vader Hem heeft opgewekt, gesteld in de staat der verheerlijking.
Rusten in de bevredigde gerechtigheid des Vaders. De Vader is in Hem met Zijn volk tevreden. De Vader heeft niets en niets meer op mij tegen. Het hart deelt in Zijn liefde, smaakt Zijn vrede. Met een zalige rust, rust het hart des volks in het liefdehart des Vaders.
De Vader heeft mij tot Zijn kind aangenomen, laat mij nu als Zijn kind deelen in het licht van Zijn Vaderlijk aangezicht door Christus.
Rusten in de bediening des Heiligen Geestes: „En de Heilige Geest getuigt het ons ook”, Hebr. 10. Hij getuigt in onze harten, dat de offerande van Jezus Christus is aangenomen door den Vader. De Heilige Geest verheer¬lijkt Christus, door de onderwijzingen des Woords in het hart der geloo¬vigen. En de Heere Jezus heeft gezegd: „Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en u verkondigen.” Joh. 16. Die lieve Hei¬lige Geest wijst Gods kind in elk Bijbelboek op de dierbaarheid en alge¬noegzaamheid van den Heere Jezus. Hij verheugt er zich in, wanneer wij in Hem gelooven en roemen. Hij wijst ons op dien dierbaren Christus, om door Hem tot den Vader te gaan. Rusten in de bediening des Heiligen Geestes, daar Hij getuigt van den Vader. Hij leidt de geloovigen in de eeuwige onbegrensde liefde des Vaders, ons geopenbaard in Christus. Hij getuigt van de verkiezende liefde des Vaders, door hen te onderwijzen in het welbehagen des Vaders, door hen te leiden in den Raad des vredes, in de stilte der eeuwigheid, toen de Zoon sprak: „zie Ik kom om Uw wil te doen o God.” Hebr. 10. Rusten in de bediening des Heiligen Geestes, daar Hij zijn werk komt te bevestigen. De eerste ritselingen van het nieuwe leven waren vrucht van de zalig makende werkingen des Hei¬ligen Geestes. Dat zuchten, weenen, zoeken, hopen op den Heere, was door Hem gewerkt, maar vanwege de bestrijdingen des satans en de verdenkingen des ongeloofs, was het niet voor Zijn werk te houden. Komt de Heilige Geest door zijn bediening Zijn werk te bevestigen in ons hart, dan is het ons duidelijk, dat de eerste zucht die geslaakt werd over onze ellende, de eerste traan die geschreid werd over onze zonde, in het gemis van den Heere, vrucht waren van zijn bearbeiding.
Rust, een zalige rust geniet Gods kind, als Gods zaak en Gods werk be¬vestigd worden in het hart, door den Heiligen Geest. Het is een kinderlijk vertrouwen op den Heere, een rusten in God. Hier is Gods kind in het binnenste heiligdom van den tempel des geloofs „want wij die geloofd hebben gaan in de rust”. Het is altijd een gaan in de rust, waarin de heilige activiteit des geloofs gevonden wordt. Onder de bediening des Heiligen Geestes is het een steeds verder gaan in de rust des geloofs. Het is de bede van het hart, God in Christus, door de bediening des Heiligen Gees¬tes, steeds inniger te mogen leeren kennen. 0, dat veilig zijn en zalig zijn in God „In God is al mijn heil, mijn eer, mijn sterken rots, mijn tegenweer”. Al de vijanden van Gods kerk en kind loopen zich tegen God te pletter.
Het is een gaan in de eeuwige rust, die hier genoten wordt door het geloof, maar in de eeuwigheid door aanschouwen. Die ongestoorde rust zal niet bestaan in niets doen, dat bestaat in den hemel niet, zij bestaat in het genieten en verheerlijken van God. Daar zal God eeuwig gediend en ver-heerlijkt worden, zooals Hij het waardig is gediend en verheerlijkt te worden. In deze rust is niet de ledigheid van het niets doen, maar de volheid van het alles doen, wat gedaan kan en moet worden, tot verheer¬lijking van God. In die rust geven de hemelingen zich geheel en eeuwig tot verheerlijking van God. Het is een eeuwig gaan in die rust. In den hemel houdt dat gaan niet op, de eeuwige rust doet ons niet denken aan een stilstaan, een staan op een punt, waar men niet verder kan gaan. Gelijk de Heilige Geest eeuwig werkzaam is in het onderzoeken van de diepten Gods, waar nooit een eind aan komt, daar in de diepten Gods geen grenzen zijn, zal er voor Gods kind nooit een einde komen aan dat gaan in die rust. God heeft zijne verlustiging in Zichzelf, de Goddelijke Personen hebben hunne verlusting in elkander. De Vader verlustigt zich in den Zoon, de Zoon in den Vader, Vader en Zoon verlustigen zich in den Heiligen Geest, de Heilige Geest verlustigt zich in den Vader en in den Zoon. Wat de eeuwige rust in heeft, is alleen te verstaan door eeuwig te gaan in die rust, door eeuwig met den Heiligen Geest de diepten Gods te onderzoeken, om God te verheerlijken.
Met verwondering aanschouwen wij hier de scherpzinnigheid des Ge¬loofs. Uit het Goddelijk zweren in zijn toorn, put het geloof sterkte. Het vindt zelfs een belofte in de openbaring van Zijn verbolgenheid „Want wij die geloofd hebben gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zoo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in mijn rust". God zweert dat de ongeloovigen niet zullen gaan in Zijn rust. Laten degenen die achterblijven, dit toch ter harte nemen. Haast u, haast u, want dit Goddelijk zweren in zijn toorn, verzekert u, dat u voor eeuwig buitengesloten zult worden, als de schijn van het achterblijven werkelijkheid zal worden. Zoo zeker degenen die niet gelooven, zullen gaan in de eeuwige duisternis, zullen degenen die wel gelooven gaan in de eeuwige rust. Die rust door het geloof in God schrikt niet voor een donderslag, maar zegt: Dat is de stem van mijn God en Vader. Ps. 36 : 2.
Toepassing.
Daar is geen rust buiten God. In de eeuwige rampzaligheid is het een eeuwige onrust. Waar de rook der pijniging eeuwig opstijgt, de worm niet sterft, kan geen rust gevonden worden. De mensch is door de zonde zijn eigen onruststoker. Die den Heere niet zoekt, veracht de eeuwige rust, want die is alleen in Hem.
Let toch op de beloften Gods, overdenk toch wat het in heeft, achter te blijven. Bij het doen van belijdenis, hebt u het den Heere beloofd een nieuw Christelijk leven te zullen leiden. Wat is daarvan openbaar geworden? U blijft achter, U reist met Gods kinderen niet mee naar het beloofde land. Het bedroeft ons, met een innig verlangen zien wij uit naar uw komst, dat is: naar uw bekeering. Waar blijft u, wat doet u? Meent u werkelijk nog tijd genoeg te hebben? Hebben de dingen van deze aarde meer waarde voor u, dan die der eeuwigheid? Wij bidden u, let toch op de beloften Gods, bid toch den Heere om de vernieu¬wing des gemoeds, om de bekeering des harten, eer het voor eeuwig te laat is. Nog nooit heeft de Heere tot het huis van Jacob gezegd, dat het tevergeefs is Hem te zoeken. Met een eed komt God het hier bevestigen, dat wij niet zullen gaan in de eeuwige rust, voortlevende in onze onbekeerlijkheid. Het teeken des Verbonds behoudt Zijn kracht, gelijk de ark die behield in het land der Philistijnen. Door loeiende koeien hebben zij er zich van verlost om niet langer door de ark gepijnigd te worden, maar dat zal in de hel niet mogelijk zijn. Die met het teeken des Verbonds verloren gaat, zal er eeuwig door gepijnigd worden. Let toch op het geluk dergenen die mogen ingaan, om de rust der zaligheid en de zaligheid der rust te genieten. Het heeft er allen schijn van, dat niet enke¬len, doch velen achterblijven. 0 wee, als die schijn straks werkelijkheid zal worden, dan zal het Tyrus en Sidon verdragelijker zijn. Om te weten wat de eeuwige rampzaligheid inhoudt, zullen de goddeloozen van eeuw tot eeuw steeds dieper gaan in het oordeel der verdoemenis, tot in alle eeuwigheid. Daar zijn er, die vreezen en gedurig vreezen, daar zij het bemerken, dat zij, al blijven zij niet geheel achter in zorgeloosheid, toch niet vorderen op het pad der eeuwige rust, gelijk als de ernst der zaak dat vereischt. Ik moest meer smart hebben over mijn zonden, meer treuren over het gemis van den Heere, dieper bukken in het stof der verootmoediging, meer over¬tuigd zijn van de noodzakelijkheid der verzoening met God. Inderdaad, dat moest meer en veel meer drukken. Denk er toch gedurig en grondig over na, wat het in heeft die eeuwige rust te derven. Laat u toch niet opbouwen en zalig spreken in uw werkzaamheden. Wij mogen werkelijk wel vreezen en beven voor de gevaren die ons omringen, voor den toorn Gods, die ons zal treffen, zoo wij achter blijven en te laat komen, want de hemelpoorten zullen spoedig voor ons gesloten worden, daar de tijd voorts kort is. Let toch op de beloften des Evangeliums. Zoek in het Boek des Heeren, met de bede, er een belofte in te mogen vinden voor uw inner¬lijk le-ven, om er op te pleiten voor het aangezicht des Heeren. Daar zijn heel wat menschen aan te wijzen, in en buiten de Schrift, die voor een tijd geleefd hebben met Gods volk, die zelfs voor reizigers naar het beloofde land wierden gehouden, en ... omgekomen zijn. Beproef toch uw hart wanneer het u in waarheid te doen is om den Heere, of u in oprecht¬heid pleit op zijn beloften. Daar moet drang, steeds meer drang in ons hart komen, om met meer ernst tot God te roepen. De hemel, de plaats der eeuwige rust, heeft God geschapen op den eersten dag, voor des menschen eeuwige bestemming. Tweemaal is de mensch die geleefd heeft onder het Evangelie en nu ligt in de eeuwige duisternis, in de gelegenheid geweest er deelgenoot van te worden, eerst door het Verbond der werken, daarna door het Verbond der genade, waarom wij ook met dubbele slagen zullen geslagen worden, door haar in het ongeloof te versmaden. Laat ons toch vreezen voor dat oordeel, om het met haast te mogen ontvlieden.
Is uw hart in arbeid met een toevlucht nemend geloof, is u werkzaam met de beloften Gods, dan zal uw hart gesteld zijn op die dierbare bearbeiding des Heiligen Geestes om met meer nut gebruik te mogen maken van de be¬loften des Evangeliums om met nog meer kracht den Heere aan te loopen, gelijk een waterstroom. Vergeet niet bij het pleiten op de beloften, uw zonden te belijden, te buigen onder den eisch van Gods gerechtigheid. Alleen onder de bearbeiding des Heiligen Geestes is het mogelijk, dat de predi¬king des Woords met het geloof gemengd kan worden, Het is betamelijk den Heere ootmoedig te erkennen voor de beloften die Hij ons heeft nagelaten. Het is de wille Gods er een dagelijks gebruik van te maken in het geloof. Alleen onder de bearbeiding des Heiligen Geestes kan het Woord door het geloof gepredikt en beluisterd worden. Al wordt u door het Woord veroordeeld, door de wet gevloekt, u moogt evenwel hopen op de beloften Gods, gelijk de dood-slager deed, die vlood naar de vrijstad.
Toen Adam en Eva op den zevenden dag wandelden in de hof van Gods heerlijkheid, mochten zij een rustend God ontmoeten, Die zich verlustigde in het werk door Hem volbracht. Vóór de schepping, was het bij God alleen een rusten in de heerlijkheid van zijn Wezen, een rusten in de in het Goddelijk Wezen inblijvende werken, maar nà de schepping heeft God op den zevenden dag gerust in de heerlijkheid van Zijn openbaring. Deze rust was een Vaderlijke rust, de Vader liet zijn kinderen met Hem deelen in die rust. Het was een zegenende rust, waarmede de Heere den zevenden dag gezegend heeft, waarmede de mensch eeuwig gezegend zou worden, zoo hij bleef wandelen op den weg des Verbonds, om in te gaan in de eeuwige heerlijkheid.
In deze tekstwoorden worden wij driemaal gewezen op een volbracht werk waarin alleen maar rust is te bekomen. Rust in het werk, dat door den Vader volbracht is, rust in het werk, dat door den Zoon volbracht is, rust in het werk, dat door den Heiligen Geest volbracht wordt. Eerst heeft de Vader gerust in het volbrachte werk van Zijn scheppingsopenbaring, maar nu rust Hij in het volbrachte werk van Christus. De prediking van het Evangelie is een bewijs, dat de Vader rust in het volbrachte werk van Hem, die het uitgeroepen heeft aan het vloekhout des kruises, „Het is volbracht”. Hoe heerlijk de rust ook was op den zevenden dag in en door Gods scheppingsopenbaring, veel heerlijker is de rust van Gods herscheppingsopenbaring in het volbrachte werk van Christus op den eersten dag, den dag Zijner Opstanding. Wandelende in den hof van het volbrachte werk van Christus worden wij gezegend met de rust des geloofs. Wanneer straks de laatste zal zijn ingegaan in de eeuwige heerlijkheid, zal het door den Heiligen Geest uitgeroepen worden: „Het is volbracht”. Hij is nu nog bouwende aan den tempel van Gods heerlijkheid, in het rijk der genade, maar wanneer de laatste steen zal zijn toegebracht, dan heeft Hij Zijn werk volbracht, waartoe Hij gekomen is uit den hemel op den Pinksterdag. Dan zal God eeuwig rusten in de heerlijkheid van Zijn openbaring, in de werken Zijner genade, zijn kinderen zegenen met deze zaligen hemelrust, die niet verstoord zal en niet verstoord kan worden. Wat die eeuwige rust, die eeuwige zaligheid inhoudt, kunnen wij met ons eindig verstand niet verwerken. Daar is de eeuwigheid voor noodig. Het is een gaan, een eeuwig gaan in die rust, om de volheid van die rust te genieten en te prijzen tot in alle eeuwigheid.
A m e n.