Openbaring 2:12-17 'De strijdende kerk in de wereld' prof. G. Wisse

OPENBARING 2 : 12 – 17
“DE STRIJDENDE KERK IN HET MIDDEN VAN DE WERELD”
Prof. G. Wisse

Preek over Openb. 2 : 12 – 17.
Door prof. G. Wisse

En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont. Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat. Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.

Psalm 36 : 3
Openbaring 2 : 12 - 17
Psalm 72 : 7
Psalm 73 : 13 . 14
Psalm 89 : 7

Geliefden in onze Heere Jezus Christus!

Liefelijk als het Zevengesternte in de duistere nacht, is voor de gemeente van alle eeuwen de bundel van de zeven zendbrieven uit de Openbaring van Johannes in de nacht van het lijden en strijden hier op aarde.
Wordt in het merkwaardige laatste boek van de Godsopenbaring ons in aangrijpende visioenen getekend, hoe de gemeente van God door bange wereldweeën heen haar verheerlijking met Christus tegemoet gaat; welaan, dan zal de hemelse Bruidegom, die tussen de gouden kandelaren wandelt, haar vooraf in liefelijk, ernstige en indrukwekkend schone woorden op het hart binden, hoe zij zich in dit lijden en strijden heeft te gedragen, zal zij waardig haar Bruidegom tegen treden en ontmoeten, als het geroep van de archangel weerklinkt: ,,de Bruidegom komt, ga uit Hem tegemoet.”
Ongetwijfeld ligt een historische werkelijkheid aan deze brieven ten grondslag. Met andere woorden: daar zijn werkelijk zeven gemeenten geweest, aan welke Johannes naar hemelse opdracht, en naar omstandigheden, destijds aanwezig, de lastbrieven zond. Niettemin behouden zij hun waarde voor alle eeuwen. En vinden we beurtelings iets van de toestand van de gemeente, strijden en lijden, bloei of achteruitgang in alle tijden en onder alle hemelstreken er in terug. Het leven van Gods Kerk is zo rijk geschakeerd, veelvoudig samengesteld, en aan zoveel invloed van boven en van beneden onderhevig, dat het moeilijk in één trek kan worden geschetst; vandaar wordt op zevenvoudige wijze (het getal der volkomenheid) haar beeld en wezen ons getekend, en, naar haar onderscheiden veelvuldige behoeften, uit de hemelen een woord haar toegeroepen.
In de eerste brief, aan Efeze, klinkt ons een weemoedig woord tegen van de Heere, die Zijn volk treurig verachteren ziet in de genade. Tot Smyrna daarentegen een woord van troostrijke opwekking, waar deze gemeente om ‘s Heeren naam lijdt, maar met de moed en getrouwheid van het geloof. Wat betreft de brief aan Pergamus toegezonden, troost en vermaning mengen zich dooreen, wegens een eigenaardige positie die zij inneemt, wegens een ernstig gevaar dat haar bedreigt.

,,Goede tijding uit een ver land is als koud water voor een vermoeide ziel.” Zo mogen we wel uitroepen in deze stonde, waar we gereed staan deze derde brief uit de hand van onze verheerlijkten Koning en hemelse Bruidegom Jezus Christus te aanvaarden.
De schrijver is dezelfde als die van de vorige brieven, maar de strekking is toch weer een geheel andere. Vandaar het andersluidende opschrift, de karakteristieke aanhef: ,,Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft.” Immers al naar de inhoud en het bedoelen van de brief is, noemt de Heere Jezus zich met een dienovereenkomstige naam. Hier treedt de Heere op als Rechter. Het tweesnijdend scherp zwaard is het oordeel van Zijn Woord, dat van Zijn mond uitgaat. (Openbaring 1 : 16) Liefelijk als het ruisen van de zilveren harptonen, klinkt ons uit Zijn hemel tegen het: ,,Ik weet waar ge woont.” Maar in het midden wonende van een wereld, die ons eigenlijk vaderland niet is, ja, waar alles zich tegen onze ziel samenspant, en waar de strijd tegen de zonde een onafwijsbare eis is, omdat Christus en Belial niet samen kunnen gaan: hoe is het geheel en al in de lijn van de Goddelijke orde, dat Christus Zijn gemeente dan ook ernstig vermaant, om de liefdeband met Hem niet te ontsieren door gemeenschap te hebben met de werken der duisternis. Het zwaard des oordeels zal scheiding maken tussen geest en vlees, God en wereld, Christus en Belial.

Mijne Geliefden, lees en herlees deze brief, bewaar hem als een gouden kleinood onder uw schatten, draag hem, o bruid des Heeren als een liefelijk aandenken aan uw Bruidegom op het hart. Laat u beurtelings vertroosten door de heilsbeloften, als vermanen door de ernstige waarschuwingen. Werd ons in de vorige brief de gemeente des Heeren geschetst in haar lijden in deze wereld, hier zien we haar, vooral gelijk ze te strijden heeft, om in te gaan in het Koninkrijk Gods.
Zo gaan we dan tot u spreken over een brief van de Heere Jezus aan de gemeente, die in het midden der wereld woont.
De strijdende kerk in het midden der wereld en we horen, wat Jezus te melden heeft:
1. van haar woonplaats,
2. verdrukking,
3. aanvechting,
4. overwinning.

1. De gemeente en haar woonplaats.

Een brief van vier bladzijden ligt hier voor ons. Op de eerste bladzijde lezen we van de woonplaats der gemeente; welke, ofschoon ze niet van de wereld is, toch tijdelijk in deze wereld is; doch bij Jezus bekend. ,,Ik weet uw werken, en waar ge woont, namelijk waar de troon des Satans is.”
Wie van ons wel eens een vorstelijk paleis is binnengetreden, en het voorrecht had in de troonzaal te worden binnengeleid, gevoelde niet een zachte ontroering bij het aanschouwen van de troon? Ook al is de vorst of vorstin niet in luister op die troon gezeten; van die troon zelf gaat een aangrijpende indruk uit. Want de troon is het zinnebeeld, de symbolische voorstelling van de vaste, onbeweeglijke heerschappij. In de troon ligt het zinnebeeld van de luister, de duur; van de betekenis, de onwankelbaarheid van de heerschappij. De troon spreekt u van het gezag, dat blijven zal, ook al wisselen de personen, die slechts de dragers van dat gezag zijn.
Bij Israël was daarom naar goddelijke ordinantie de troon gesteld als het symbool van de onvergankelijke Soevereiniteit. Zo was het alleen eigen aan de natie van oud-Israël. Bij andere volken was dit teken van de regeermacht gelegen in scepter, diadeem, parasol, het koninklijk gewaad van purper, enzovoort. Alleen in Juda, bij het volk van God, symboliseerde de troon door zijn pracht en duur, door zijn vaststaan blijvende grootheid en bestendigheid van de nationale orde, waarvan de koning een deel uitmaakte. Niet zonder bijzondere betekenis was dit. Immers over het huis Israëls zou een Koning opstaan, van Wie de heerschappij de eeuwigheid verduren zou. Christus, de Messias, zou een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen. Hem was gegeven alle macht in hemel en op aarde. Het Goddelijk rijksgebied waar Hij Zijn scepter zwaaien zou, zal zich eerlang uitstrekken van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde. (Psalm 72.) Alle knie zal zich voor Hem buigen in het stof, Hem begroeten als de eeuwige Triomfator. En in Pergamus, die rijke wereldstad vinden we er ook reeds van hen, die eeuwig Zijn onderdaan zullen zijn. Maar kent u dan nu nog vlijmender tegenstelling, verschrikkelijker wanklank dan hier, waar sprake is van een wonen in de schaduw van satans troon?
Satan, het is de naam van de vorst der duisternis, maar uit een bijzonder oogpunt beschouwd. Namelijk gelijk hij tegenstaat (satan betekent tegenstander) al de raad en heel het werk van God. Hij openbaart daarin, o zeker, zijn armoede. Want origineel is hij allerminst. Alleen God heeft een eeuwig, onveranderlijk, oorspronkelijk plan, dat omvat heel uw persoon, uw leven, uw huis, uw kerk, uw land, uw volk, alle koninkrijken der aarde, heel de schepping en haar geschiedenis. Maar satan moet leven van kritiek en tegenstand. Bouwt God een kerk, satan bouwt een kapel ernaast. En in die tegenstand wil hij als God zijn. Ook hij zal de koninkrijken voor zich opeisen. Ook hij heeft een troon. Het is de zinnebeeldige voorstelling van zijn grote macht en invloed, van de schijnbare vastigheid van zijn heerschappij over de hoofden, harten en handen der mensenkinderen. Christus een troon, dan hij ook. En meen niet, dat het zo weinig zegt. Zie maar eens in Pergamus rond.
Twintig uren ten noorden van Smyrna vinden we thans een armelijk oord, daar staan een duizendtal armelijke hutten te midden van talloze puinhopen. Maar in Johannes dagen lag daar op diezelfde plaats een prachtige stad. Pergamus was toen de zetel van handel en weelde, geleerdheid en dapperheid. Een bibliotheek van meer dan tweeduizend rollen was binnen haar vesting aanwezig. Vooral was Pergamus beroemd om zijn hogeschool, waar de studie der medicijnen, bekwame geneesheren vormde. Maar ziet, al die pracht en weelde, rijkdom en geleerdheid, was in dienst van satan, of althans stond onder zijn invloed. Te midden van de vele afgodstempels, verrijst er een, die in pracht en schittering boven alle andere uitmunt, een tempel, ter ere van de zogenaamde god der geneeskunde, Esculapius; jaarlijks bezocht door duizenden zieken, die hun heil en genezing helaas zochten bij heidense instellingen; niet bij Hem Die gezegd heeft: ,,Ik, de Heere ben uw Heelmeester.” In dat Pergamus bevond zich voorts een reuzenaltaar, gewijd aan de oppergod Zeus. Ten laatste, daar verrees het hoogste gerechtshof van de provincie, waar reeds zo vele christenen, door die heidenen met hartstocht vervolgd, uit vrees voor de vermindering van hun inkomsten die zij uit hun afgoderijen gewonnen, onherroepelijk hun doodvonnis, onrechtvaardig en wreed, hadden horen voorlezen.
De troon des satans, voorwaar! Maar hoe rijmt zich dat met Christus heerschappij? Is dan mogelijk de regeermacht verdeeld tussen Christus en satan? ,,Ik weet het”, ziedaar het troostend antwoord. Ook deze satans heerschappij gaat niet buiten de raad van uw God om; uw wonen in de wereld gemeente van Jezus, is niet een toevallig lot! Wat zeg ik, God heeft het aldus besteld. Neen, niet ogenblikkelijk moeten na het ,,Volbracht” op Golgotha van alle heuvelen en bergen der wereld de kruisbanieren uitwapperen, ten teken van het ,,Ik heb de wereld overwonnen!” Satan moet ook een weinig tijds zijn macht en invloed openbaren. Hem wordt een Pergamus gegeven, waar zelfs sprake is van een troon van satan. En waarom? Opdat juist in die weg Christus glorietriomf te schoner zal zijn. Namelijk satan en zonde moeten in die weg juist hun machteloosheid aantonen. Heel de zonde-energie moet uitgeput worden, opdat zo onweersprekelijk aan het licht zal treden, dat buiten God geen heil voor de mens is weggelegd. Niet alleen, niet in de eerste plaats in de weg van satan te binden, maar door hem aan het woord te laten komen, moeten de eeuwen leren, dat alle poging om de mens zonder het kruis van Christus te verlossen, op een teleurstelling moet uitlopen. Heel de macht van de zonde openbare zich, opdat zo haar onmacht mag worden aanschouwd. En zo in de historie van volken en eeuwen op dubbele wijze blijke, dat Jezus Christus overwonnen heeft, Hij alleen vrede schept; en Zijn troon dus eeuwig en waarachtig is. Ik weet dit alles, zegt de Heere. Het troost onze ziel, die anders te midden van zoveel satansinvloeden geschokt zou uitroepen: ,,O, Heere is dat nu Uw zegepraal? Maar ziet, dat er in dat Pergamus een adres is, waar deze brief kan bezorgd worden, het is reeds het triomfantelijke bewijs, dat satans troon in beginsel reeds omvergeworpen is. Iedere ziel, (al zou het er maar één zijn uit heel Pergamus,) die buigt in de schaduw van Jezus’ troon, verkondigt u toch het: ,,De Heere heeft mij overmocht; satan is overwonnen.” Ja, al werd uit heel het menselijk geslacht, ook maar één zondaar zalig gemaakt, dan stond niet in die miljoenen die verloren gingen satans, - maar wel in die ene verloste, Jezus’ triomf. Want ook voor die ene zondaar moesten de boeien en ketenen van de hel verbroken, en satan gebonden worden, en Gods toorn zijn verslonden tot overwinning. - O zeker, het is een lang niet aangename gedachte, dat Jezus’ gemeente moet wonen in dat Pergamus; dat het schamele bedehuis moet staan in de schaduw van de heidense tempels; dat de rechtvaardige dag aan dag zijn ziel moet kwellen, wegens zoveel Godverzaking rondom ons, - maar hoe zalig, daar Boven bent u bekend. Jezus weet het. Al uw werken van verootmoediging, uitvluchten tot Hem, bidden en strijden, lijden en verwachten, ze zijn Hem bekend. Een eenzame lelie bent u misschien onder de doornen; gelijk een nachthutje in de komkommerhof; het schaadt u niet, als Jezus u maar kent als één van de Zijnen. De meerderheid is bij Pergamus, bij Satans troon; de veiligheid en zaligheid bij uw God en Koning. Ziet, het is of de Heere Zijn arme bruid toeroept: ,,Waar onder de mensen mogelijk niet eens het nummer bekend is van uw nederig dak, daar bent u bij Mij uitverkoren en dierbaar.” Ik weet het wel, en zie het wel, en ook mijn engelen, de engelen Mijns Vaders, voor Wie Ik u straks belijden zal, als u daar neerknielt in het verborgen, misschien op een dakkamertje, of in een kelder, of in de eenzaamheid op het veld, en u uw hart gans hulpeloos en nooddruftig voor Mij uitstort. Zalig, wie zo bij Jezus bekend is. Laat dan de hel vrij woeden. Zou de Heere, geliefden, ook onder uw dak kunnen inkomen, met de boodschap: Hier, ook hier woont een zoon, een dochter Abrahams? Dan moet er bloed aan uw deurposten zijn. Dan moet men zich hier in dit Mesech niet meer thuis gevoelen, dan moet het heimwee naar het hemels vaderland worden gekend. Dan moet er iets van het ,,Gena, o God, gena”! zijn geleerd en beleefd; van het: ,,Och, Heer’, och wierd mijn ziel door U gered.” Maar u dan, die u nog zo thuis gevoelt hier beneden; die Jezus nog zo best kunt missen; die nog niet wegens de overtuiging van zonde en schuld de noodzakelijkheid en dierbaarheid van het borgtochtelijk werk van Christus hebt leren kennen, wat valt van u te zeggen? Ook van u geldt: Ik weet het; al uw werken. Ik weet waar ge woont; en dat uw hart niet recht is voor God. En als de Heere dan over u komt met het zwaard van Zijn oordeel, wat dan? Dan zal het bed te kort en het deksel te smal zijn, u zult niet kunnen dragen het aangezicht van Hem, die als Rechter uw Rechter, Die u als uw Borg versmaad hebt, is gezeten op de troon van Zijn heiligheid. Haast u dan, om uw levens wil!
Maar weet het, door verdrukkingen moet u ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Dat zegt ons de tweede bladzijde van deze brief, waar gesproken wordt van

2. De Gemeente en haar verdrukking.

Daar wordt ons een tafereel geschilderd, als tussen de regels door, dat wel in staat is ons te vervullen, beurtelings met ijzing en ontzetting, beurtelings met troostvolle blijdschap. Van een zekere Antipas wordt ons verhaald. Hij is een bloedgetuige geworden. Het gerechtshof van Pergamus heeft zijn doodvonnis geëist en voltrokken. Het martelvuur is hem ontstoken. Om Jezus’ naam vervolgd is hij evenwel toch zalig te roemen; de Heere gedenkt hem bijzonder in dit schrijven. De gemeente tot bemoediging en troost.
Wie is Antipas?
In de rollen van de ongewijde geschiedenis zoekt u tevergeefs zijn naam. Hij is zo’n eenzame lelie onder de doornen. Zo zijn er meer, onder de mensen weinig bekend, gering van betekenis. Maar daarboven zijn dat somtijds de groten in het Koninkrijk der hemelen.
Antipas, het is zeker een naam, die meer bedoelt, dan de drager van die naam slechts van anderen te onderscheiden. Er ligt een zinnebeeldige betekenis tevens in. Het betekent toch: ,,die tegen allen is.” U aarzelt, u twijfelt, u vraagt is dat een naam, die een christen siert? Ik weet uw bezwaar. U oordeelt, dat een christen alle mensen moet liefhebben. Dat hij zich moet kenmerken door liefdevolle verdraagzaamheid. Dat men toch goed onderscheide!
Al de christelijke deugden, die we hebben te openbaren, sluiten niet in, dat we het zondebeginsel onaangetast zouden laten. Integendeel. De christen is geroepen een getuige te zijn van Jezus Christus, en voor de eer van Gods naam op te treden op elk levensgebied. Het geloof is onverdraagzaam, namelijk tegenover leugen en zonde, satan en wereld. Indien de waarheid de leugen verdroeg, zou ze zichzelf hebben geoordeeld, en bewezen dat ze niet principieel tegenover de leugen staat. En nooit mag het christelijk geloof en leven in enig verdrag treden met wereld en zonde. Integendeel. God heeft zich een volk bereid, om Zijn lof op aarde te vermelden. Om tegen al de tempels en afgoden van ieder Pergamus uit te roepen: ,,De Heere is God, Hij alleen is onze Koning en Wetgever.” En al bent u ook de eenvoudigste en geringste onder de mensenkinderen, aan u is het recht, de bevoegdheid, de plicht zelfs, om heel Pergamus, dat daar nog neerknielt rondom de troon van satan, op te eisen voor de dienst van God, op te eisen om neer te buigen voor de glorieuze troon van koning Jezus.
Maar nu begrijpt u ook allicht, hoe het dan, als u zo tegen allen optreedt, ook wordt: ,,allen tegen u.” Dan is eerst spot, daarna hoon, uiteindelijk smaad en vervolging uw deel. Dat duldt de wereld niet, dat u hart en huis, maatschappij en staat, kerk en school, alles kortom, opeist voor de God des hemels. Die pretentie (aanmatiging) en dan van zulke verachte ,,Anti-passen” vergeeft de wereld niet licht.
Het geloof mag hoogstens geduld, als het zwijgt. Zo niet, dan de verdrukking. Een oude en een nieuwe geschiedenis!
In vorm onderscheiden, in wezen gelijk. Wie het ten einde blijft opnemen voor zijn hemelse Koning, hij wordt in zijn huis en familiekring, op de werkplaats en in de winkel, in de maatschappij en in de staat, overal waar u uw stem verheft en waar men God niet vrezen wil, gehoond en uitgeworpen.
Ja, u mag u wel goed bezinnen eer u begint, u allen die daar uitroept: ,,Wij zullen de Heere dienen.”
Maar de Heere verbergt u dit alles niet; tevens om u te bemoedigen en te troosten. Gedood is Antipas. Wat een smartelijk tafereel, als hij uit het midden van zijn gezin op die verschrikkelijke morgen door ruwe handen is weggesleurd, voor onrechtvaardige rechters gebracht, zonder pardon, of mogelijkheid van ontkomen veroordeeld, naar het schavot gesleept, om hetzij dan in de vlammen van de houtmijt of onder het zwaard van de scherprechter, voor het laatst een eeuwig getuigenis af te leggen van: Hoe lief hij Jezus had; of beter: Hoe lief Jezus hem had, Die hem tot deze ure bekrachtigde en verwaardigde. Want zalig zijn ze, die om Jezus’ naam lijden mogen. Boven het moordschavot zweven de engelen van de hemelse Vader met de martelaarskroon in de hand. En eervol wordt uit de hemelen in deze brief tot zijn gedachtenis gesproken.
De namen van zijn rechters zijn uitgedelgd en vergaan. Zijn naam wordt eeuwig in ere gehouden, zelfs onder de engelen van God. Ach, waar is ons geloof en onze moed? Ik sprak van een brandstapel; de wereld behoeft menigmaal nog slechts een lucifer te ontsteken en … u laat, als ik het zo zeggen mag, vijftig procent van uw geloof en belijdenis vallen. O, zalig zij van wie de Heere het als hier getuigen mag, dat te midden van zo’n wereld, ,,gij mijn naam houdt; en mijn geloof niet verloochend hebt.”
De naam des Heeren houden. Het geloof, als er iets schijnbaar groter tegenover staat, niet te verloochenen. Als er dus een keuze moet worden gedaan tussen de Heere en Zijn zalige dienst enerzijds, en de schatten van de wereld anderzijds. Als in de ene schaal ligt de smaadheid van het volk van God, en in de andere de schatten van Egypte. Als bijvoorbeeld de hemelse Bruidegom uw hart vraagt, en anderzijds een jongeling of jongedochter (maar die God niet vreest en met wie u niet uw God kunt dienen, maar door wie u zou afgevoerd worden op de brede, gevaarvolle stroom van de wereld en zonde) uw oog, uw hart bekoort; dan moet er gekozen worden. Ach, acht het dan voor groter zaligheid, de wereld prijs te geven, maar dat dan Jezus jubelt over u: mijn geloof niet verloochend. U kunt in uw zaken ruimer winst verwerven, maar u zou Gods dag moeten ontheiligen, het achtste gebod hebben te overtreden en dergelijke, welaan, lijdt dan liever schade, acht de smaadheid van Gods kinderen voor grotere rijkdom. De naam hebben, het is goed, maar zorgt, dat u die houdt, en er nooit daarboven (menselijk gesproken) droefheid over u moet zijn. Want beter is het de wereld te verliezen en de hemel te beërven, dan de wereldse genietingen te hebben voor een tijd, maar eeuwig schade te lijden aan uw kostelijke ziel. Beter is het, mijn geliefden, met beving uw doodvonnis te horen voorlezen in de vierschaar van rechters, die gezeten zijn in de troon des satans, en voor de troon van de Rechter van de ganse aarde zonder verschrikking te kunnen verschijnen, dan dat heel Pergamus u zou begroeten met uitbundige lof, maar de hemelse Rechter u met het scherpe zwaard van het onherroepelijke oordeel moest treffen: ,,Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.” Beslis en bepaal dan uw keuze, en daarmee uw lot in de toekomst.
Nog is het alles niet, wat de Heere u heeft te zeggen. Een derde bladzijde vraagt onze aandacht. Daar moet geleden worden, gewis, doch daar moet ook gestreden worden.

3. De gemeente en haar aanvechting.

De aanvechting van de zijde van de wereld en van het vlees. De Heere heeft bij al het genoemde toch iets tegen deze gemeente. Maar wie zal niet branden van belangstelling, om te weten, wat de Heere, de hemelse Bruidegom tegen Zijn Bruid zou hebben.
De leer van Balaäm (Bileam) wordt door de Nicolaïten in Pergamus aangehangen. Wat dit is? Bileam is hier de symbolische (zinnebeeldige) aanduiding van het beginsel door de Nicolaïten gehuldigd. Laat ons iets nader deze dingen bezien. Wie is Bileam? Bileam willen sommigen afleiden van ,,Bela” en ,,am”, twee hebreeuwse woorden, die in deze samenstelling zoveel aanduiden als: verleiding, verstrikking van het volk. U kent de droeve historie. Israël was gelegerd aan de grenzen van Moab. Balak, de koning van de Moabieten, wilde Israël door vloekspraak treffen. Bileam, die dubbelzinnige profeet, werd ontboden. Maar ziet, zegenen slechts kan hij; van zijn lippen laat Jehovah niet anders toe, dan beloften vol heil te vloeien. Ten einde raad, bezint de valse dienstknecht een list. Kan hij dit volk niet vloeken, daar is iets dat meer zegt, en het helpt wellicht beter dan tegenspoed en vloek: de verleiding. Ah! hoe kennen al Gods vromen deze bladzijde uit hun doorwandeling van de woestijn, op reis naar het ware Kanaän. Waar het zwaard van de vervolging Antipas tot blijmoedig martelgetuige maakt; daar is menigmaal de strik van de zondeverleiding, van de fijn opgezette verzoeking, van de speculatie op de begeerlijkheid van het vlees niet tevergeefs beproefd. Bileam raadt Balak, dat men in het aangezicht van de kinderen Israëls het afgodische, wellustige feest ter ere van Baäl-Peor zal vieren. Dat men de tenten wijd en breed uitspanne, dat Israëls zonen en dochters dan verlokt en gelokt worden; dat zij dan door hun afgodendienst, gepaard gaande met ontuchtigheid, de vloek van de allerhoogste God Zelf zich op de hals halen. Ach! wat jammerlijk gelukte het. Daar vermengen zich de zonen en dochters van Abraham met het heidendom; en het zwaard blinkend ter wrake gewet gaat van ‘s Heeren mond uit. Op één dag worden niet minder dan 24.000 Israëlieten gedood, op goddelijk bevel. Nu verstaat u, wat de leer van Balaäm betekent. Bileam wordt een type, een zinnebeeld van het verboden huwelijk tussen kind van God en de wereld, geloof en ongeloof; vreze Gods en zondedienst. De Nicolaïeten (van een samenstelling van de oorspronkelijke woorden ,.nike” en ,,laos”; dat dan beduidt overwinning (verleiding) van het volk) hadden dit beginsel uitgewerkt tot een stelsel, een stelsel dat in het gewaad van vroomheid gehuld, u de zonde mogelijk en gemakkelijk en geoorloofd maakte.
De Nicolaïeten waren zij, die een zeker libertinisme aanhingen. Dat wil zeggen: die de leer verkondigden, dat de christelijke vrijheid zou meebrengen een vrijheid, zelfs gewenstheid, tot zondigen. Weer andere Schriftverklaarders menen dat de Nicolaïeten alzo genoemd zijn naar de diaken Nicolaas. In zijn ,,Geschiedenis der eerste drie eeuwen der Christelijke Kerk”, zegt De Pressensé er van (deel 1, blz. 711): ,,Gelijk de prefect Balaäm en de snode Jesabel het oude volk Gods verleidden om met de afgodendienaars te heulen, zo zochten ook nu de ketters de slagbomen op te heffen, die tussen christenen en heidenen bestonden. Het schijnt dat die gevaarlijke lieden tot voorganger een man gevonden hadden, die behoorde tot degenen die het dichtst bij de apostelen geplaatst waren en dus de zuiverheid van leer en leven het meest gehandhaafd moesten hebben. De diaken Nicolaas beweerde, volgens Hippolytus en Ireneus dat de christenen zich niet van de zeden der heidenen behoefden te onthouden, maar het hun volkomen vrijstond zich aan den wellust over te geven.” Hoe dit alles ook zij, in hoofdzaak is er geen verschil; duidelijk is in beide gevallen, in beide verklaringen, dat onder Nicolaïeten worden verstaan zij, die Christus en de afgoden op enige wijze durfden vermengen. De vrijheid misbruikt tot een oorzaak voor het vlees.
In Johannes dagen reeds was dit fatale, goddeloze beginsel opgekomen in de gemeenten. De Bileams gedachte omgezet in een dogma, een zekere leer. Te vinden in deze vorm: Wilt u de zonde overwinnen, wel doe de zonde dan, treed vrij met de wereld, met de zonde met het vlees (met Moab) in gemeenschap; hoe meer u de zonde doet, hoe meer u van haar gaat walgen; veel, brutaal, onbeteugeld zondigen naar al de wens van uw vlees, is de beste manier om spoedig genoeg te krijgen van de zonde. Niet het vlees kruisigen, maar het vrij spel laten, wordt dan de weg tot overwinning. In vrome vorm dus God weerstaan, en de wereld het heidendom te voet vallen. Of het dan niet waar is, dat overdadig gebruik van spijs en drank walging verwekt? Of het alzo dan niet waar is, dat toegeven aan de zondenlust, de energie van die lust uitput? Gewis is het in zekeren zin waar. Maar slechts met deze onafwijsbare, en heel uw stelsel de bodem inslaande opmerking, dat de lust machteloos is gemaakt voor een ogenblik, maar niet daarom zelf weggenomen en vervangen door een lust en vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens. U hebt de wereld en de zonde er niet in overwonnen; neen u bent er juist door de wereld in overwonnen, en de zonde heeft u afgemaakt.
Het is het beeld van onze eeuw. Men walgt in sommige kringen schijnbaar van de zonde, men heeft genoeg gekregen van zijn stofvergoding en vleesaanbidding, van zijn materialisme en rationalisme; men moet zelfs mystiek hebben; men wordt in sommige kringen quasivroom, in andere kringen wanhoopt men aan alles; het ,,laat ons eten en drinken want morgen sterven wij”, is bij velen vervangen door een nog verschrikkelijker: ,,laat ons niet meer eten en drinken, misschien sterven we dan heden nog.” Is men de zonde inderdaad moe, heilig en waarachtig moe? Men is moe van de zonde, dat is iets nog geheel anders. Moe van het zondigen, is de levenskracht gebroken, soms in de meest letterlijke en ijzingwekkende zin van het woord. Daarom sleept zo menigeen een, ook naar het lichaam erbarmelijk bestaan voort, en opent zich het graf voor deze en die in de bloeitijd van het leven. Laat af, o huis Israëls, want waarom zou u sterven? U kunt niet God dienen en de wereld. Een ieder van ons onderzoeke zich, of hier iets van zijn beeld wordt getekend. We zouden in het kort kunnen zeggen, de Nicolaïet is hij, die met de levende God bekend, en onder Zijn verbond levende, toch een listig verdrag durft aangaan met wereld, zonde, dood en hel. Het is uw beeld, die daar geloven wil (?) met uw hart en twijfelen met uw hoofd; uw beeld, die op de dag des Heeren een steunpilaar in Zijn tempel wil vertonen te zijn, maar in de dagen der week leeft als zou er geen God zijn in de hemel en geen gebod om naar te wandelen. Uw beeld, die voor de eeuwigheid wel graag uw hart aan Jezus zegt te willen geven, maar voor de tijd u toch graag verbond aan een man of vrouw, die van Gods wegen en kinderen een afkeer heeft. Uw beeld die vroom praat en lange gebeden in de huizen van de weduwen weet op te zeggen; maar nog nooit in de verbrijzeling over uw verloren toestand voor God bent gekomen; Uw beeld, kortom van wie de Heere als in weemoedige ontroering moet getuigen: Hij of zij diende de Heere, maar niet met een volkomen hart. Zelfs kunnen we het leven in drie hoofdaanvechtingen splitsen. In de jeugd treedt Bileam op in de vorm vooral van vleselijke begeerlijkheid; in de rijpere leeftijd meestal in de vorm van valse zucht naar eer en bewieroking door de mensen; in de ouderdom in de vorm vaak van geldgierigheid. Ziedaar de dochters van Moab, die hun tenten spannen. En Bileam heeft daarbinnen zo vaak een Balak die met hem samenspant. ,,Ik heb weinige dingen tegen U.” Is het wonder, dat uw hemelse Bruidegom met dit aandoenlijke woord u tegemoet treedt? Het zijn niet altijd vele dingen. Het zijn soms verborgen zonden. Misschien is het maar één zaak of één persoon, die de oorzaak is van uw onvrede, van de breuk tussen God en uw ziel. Maar die ene verborgen zonde, die nog gekoesterd wordt, die ene afwijking, die u niet bestrijdt, die ene persoon, waaromtrent uw verhouding niet recht is, het is oorzaak, dat uw gebed lippenwerk is; dat de liefde is verkoeld; dat Gods Woord niet meer zegen afwerpt; dat er een magerheid aan uw ziel is. En dat weet uw Heiland; en dat stemt Hem als het ware tot droefheid over u, en dat doet Hem daarom zo ernstig u vermanen, omdat Hij u zo innig lief heeft. ,,Bekeert u,” roept Hij uit, en zo niet: ,,Ik zal u haastelijk bijkomen en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard mijns monds.” Hij weet het alles en mag niet eindeloos met Zich laten spotten, ofschoon God lankmoedig is, als niemand anders. Hij weet het, maar u weet het in de regel ook wel, waarom uw ziel geen leven smaakt, wanneer er een zonde wordt aan de hand gehouden. Daarom ,,bekeer u,” vernieuw het verbond met uw God, werp weg uw afgoden o Israël, belijd uw zonde, vraag vergiffenis, waag het weer met uw God, met uw God alleen. Zo niet, dan komt het oordeel. Zijn zwaard, het heeft geglinsterd boven de wateren van de zondevloed, het trilde in de vlammen van Sodom, het is dronken geworden van het bloed van de gevallenen in Moabs velden. Ach, hoe zou u ineen krimpen, als dat zwaard door uw ziel moest. Bekeer u dan van uw boze wegen, o huis Israëls, want waarom zou u sterven? En, o zeker, indien u een ten leven gegrepene bent, dan zult u zalig worden in het eind, dit staat vast; maar indien u dan toch nog voor een ogenblik, voor een tijd, God en de wereld beiden zou dienen willen, en beurtelings aan Jehovah en aan Baäl wilt offeren, dan zult u nog als een worm moeten kruipen voor uw God; verbroken moeten worden en vernederd in het stof; kortom dan zal u de zaligheid niet ontgaan, maar dan zou het wel eens kunnen dat u wel eens door diepe wegen op de rechte weg teruggebracht moet worden. Gods volk zondigt niet goedkoop. Dan kan het u vele tranen kosten. O, wees wijs en laat u gezeggen. Ook hier geldt het: Wie oren heeft, dat hij nu hore.
Heerlijk en zielszalig is dan ook de tegenstelling van deze jammerlijke Moabshistorie. De tegenstelling. We bevinden ons vele tientallen jaren later (na Bileam) weer op Moabs’ grensgebied. Daar staan op de vlakte drie vrouwen, zij heffen hun stem op en wenen. De rollen zijn nu omgekeerd. Het is niet Moab die Israël verleidt, maar Israël wordt in Naömi (want deze historie hebben we op het oog) aangekleefd door één van de dochters van Moab. Driewerf zalige en gezegende keuze, beter dan Bileams raad, is het woord, de belijdenis, de roemtaal van Ruth, waarmee zij Moab verliet om een ware dochter Abrahams te worden: ,,Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God.” Ja, dat we allen gesteld voor die keuze, de afgoderijen van de zonde leren verfoeien en met ons ganse hart mogen jubelen:
Wien heb ik nevens U omhoog.
Komt verenigen we onze harten in die belijdenis van ons geloof en van onze hope.

Zingen Psalm 73 : 13.

4. De gemeente en haar overwinning.

Geliefden, ik moet u ten slotte spreken van de zalige beloften, die aan de gemeente worden toegezegd, en die het zielvertroostend slot van deze brief uitmaken. Wie deze woorden van de Heere aanvaardt en doet, wie zich bekeert tot Hem, wie het met deze zijn Heiland en Zaligmaker alleen en geheel waagt in dit Mesech hier beneden, hij zal een zware strijd hebben te strijden. Daar moet veel strijds gestreden, veel leeds geleden, veel gebeds gebeden worden. Maar wie deze strijd in ‘s Heeren naam en mogendheden aanvaardt, hij overwint. De overwinning is in uw Heiland zelf alreeds verzekerd. En wie overwint, hij ontvangt een genadeloon, dubbel deze strijd waard. ,,Die overwint” staat er; dus er moet gestreden worden. Zeker, bij de strijd hier bedoeld behoeft, niet te worden vergeten het begin van alle ware strijd, om in te gaan in het Koninkrijk van God. De strijd namelijk die daar ontstaat, omdat bij de ontdekking aan zichzelf door de Heilige Geest, er een oorlogsverklaring aan onszelf wordt uitgereikt. Waarbij men met zijn valse rust, ingebeelde vrede en zondegenieting niet langer genoegen kan nemen. Waarbij de werking van Gods Geest in ons, ons dringt en dwingt om voor God onszelf te komen aanklagen, en de noodzakelijkheid van Christus als Borg zo diep in onze ziel wordt ingedrukt, dat er een gedurig uitvluchten tot God komt; er een Jakobs worsteling ontstaat: ,,Heere, ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent”; en de ziel het uit diepte van ellende uitroept: Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Maar toch, hoezeer dit alles er bij behoort, de Heere heeft hier nog bijzonder het oog, gelijk heel het verband, de inhoud en de bedoeling van de brief aanwijst, op die strijd, die daar door de ten leven gegrepenen, op de weg des levens zelf zal gestreden dienen te worden tegen zondeverlokking van satan en wereld. Een strijd namelijk om niet op twee gedachten te hinken, om geen verflauwing van de grenzen op enig terrein toe te staan; maar met besliste vastheid, en met vaste beslissing de Heere te volgen en te dienen met een volkomen hart. In een belijdenis en leven, die tegenover het ongeloof en de wereld geen onzeker geluid geven, niets twijfelachtigs bezitten. Het vlees te kruisigen, de zonde vaarwel te zeggen, en teer en trouw Jezus achterna te wandelen. Ja, dat is een strijd die tranen en bloed kan kosten. Als de wereld lokt, uw oude natuur en boze vlees zich laten gelden, en dan om ‘s Heeren wil ,,neen”, te zeggen, dat kost een strijd, waarbij menigmaal het oog vochtig, de ziel ontroerd, het lichaam vermagerd worden kan. En die alleen tot overwinning is te strijden in de kracht van de Heilige Geest. Met de wapens van gebed en geloof.
Maar aanvaardt die strijd graag, geliefden. Hemels loon uit genade is er aan verbonden. Drie rijke beloften, die samen, zowel onderling, als met de aard van uw strijd verband houden, worden u gegeven. Uw ziel tot troost, tot bemoediging, tot sterkte en blijdschap in God.
Vooreerst: ,,Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is.” Het manna was dat wonderlijke korreltje, dat in de woestijn uit de hemel neerdaalde, en Israël jarenlang heeft gevoed, op de reis naar Kanaän. Een gedeelte van dat manna was in een gouden kruik geborgen en gelegd in de ark des verbonds voor het aangezicht des Heeren in het heilige der heiligen. Dat zag bijzonder op Christus; het Brood, dat uit de hemel is nedergedaald. Christus is ook thans in het binnenste heiligdom bij God ingegaan, om uw Borg en Voorspreker te zijn, en uw honger en dorst voor eeuwig weg te nemen. Verborgen was (en is) het hemelse manna, Christus, reeds eeuwig in het wezen der Goddelijke Drie-eenheid. In het drie-enige Wezen van God toch lag tevens de mogelijkheid van uw verlossing in de schootzoon des Vaders, de van eeuwigheid tot een Hogepriester en Middelaar gezalfde Zoon van God. Verborgen was dat manna in de vrederaad, waar over uw verlossing de ondoorgrondelijke raadslag is gevoerd. Verborgen in de windselen der belofte, van de profetieën en psalmen. Verborgen in de schoot van Maria, in Zijn omwandeling op aarde, als Hij veracht en niet geacht was onder de mensen; op het kruis in Zijn nederdaling in helse smart, en als van de Vader verbannen, in het: ,,Eli, Eli, Lama, Sabachtani,” verborgen zelfs waar Hij opstond uit het graf, opvoer ten hemel, ging zitten aan ‘s Vaders rechterhand, maar nog niet voor aller oog is geopenbaard als de Overwinnaar der wereld; en ons leven is zelf met Christus verborgen in God. Maar dat Manna zal uitkomen, en voor aller oog zal Jezus in Zijn glorie verschijnen. Dan zult u u in nog niet gesmaakte vreugde verheugen in deze uw Heere en Koning. Wat het zeggen wil van dat Manna te ontvangen om te eten? Wel, hier was het uw gemeenschap met God in Christus als Middelaar vooral van verzoening; daar zal het zijn bovenal als Middelaar van vereniging, om nu op de grondslag van het om Jezus wil verzoend zijn met uw God, uit deze uw Middelaar de volle schat van zaligheid te ontvangen in het verzoend met God, God als God te genieten. Een vereniging met Jezus. Daarom onder beeld van eten voorgesteld. Maar met Jezus in de hoogste betekenis, om door Hem eeuwig tot de Vader te worden geleid. De volheid van de verheerlijkte Christus zal dan eeuwig door de verloste Bruid worden genoten. Uit Hem stromen eeuwig ook aan de verheerlijkte Bruid, de Gemeente, de schatten en zegeningen van het hemelse leven toe. Daarom luidt het: ,,Ik (Jezus) zal hem geven te eten.” Het kan hier in die strijd een ware woestijnreis zijn; maar wat zalige verkwikking wacht ons in dat vaderhuis daarboven. De eerstelingen ontvangen we hier wel eens te genieten; en hoe moet u dan uitroepen: Weg wereld, weg schatten, hoe zalig is het mij bij God. Hoe zalig zal het dan in alle volheid zijn! Dit geve u moed en kracht en lust, om de wereld te verlaten, de oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Men kan ook zeggen: Gelijk voor de sabbath door Israël een apart gedeelte manna werd vergaderd, zo wacht op de hemelse en eeuwige sabbath u het ontvangen van die volle weggelegde schat daarboven. Maar kan dat? Hij, die het u geven zal, is immers de Rechter? Hij heeft het ,,zwaard”? Juist daarom zal het. Want is Hij uw Rechter, en bent u waarlijk door Hem gekocht, dan is dit juist de eeuwige waarborg van uw behoud. Sion zal door recht verlost worden! En daar rolt van Zijn lippen de tweede belofte: ,,Ik zal hem geven een witte keursteen” (of lotsteen). Hier hebben we een beeldspraak ontleend aan de rechtspraak der ouden. Bij Griekse rechtbanken kwam het vaak voor, dat op de tafel stond een urn; rondom die urn lagen zwarte en witte steentjes. Iedere rechter wierp nu een van die steentjes in de urn; in geval de rechter de aangeklaagde voor onschuldig hield, wierp hij een witte steen in; oordeelde hij hem schuldig, dan een zwarte steen.
Zo kon dan uit het aantal van de zwarte steentjes straks worden geoordeeld, gekeurd, (,,keursteen”) of de aangeklaagde veroordeeld was of niet. Wie weet, hoeveel van zulke zwarte stenen de rechters in Pergamus al gebruikt hadden om Jezus’ volgelingen te veroordelen. Maar wie nu overwint, Jezus niet verloochent, en God met een volkomen hart toebehoort, voor hem nadert de dag der gerechtigheid. Als de Heere Zijn oordeel gaat uitspreken, zal dat een verrassende en eeuwig zalige beslissing zijn. Uit die grote ,,urn” van God, zal in die dag een witte steen vallen; de steen der vrijspraak dus! Dan zal God voor de oren en ogen van alle vlees, van wereld, satan, van hemel, aarde en hel, het openlijk getuigen: deze, die daar geweigerd hebben de schatten van Egypte, en gekozen voor de smaadheid van Mijn volk, het zijn Mijn kinderen, erfgenamen der eeuwige heerlijkheid. God is het dan Die rechtvaardigt, wie zal het dan zijn, die veroordelen durft? Uw zaak, als de zaak des Heeren, wordt dan voor aller oog en oor in het gelijk gesteld, zalige dag! En die steen wordt u gegeven. U zult welbewust en eeuwig verzekerd en verzegeld u in die vrijspraak mogen beroemen. Hier, hier hebt u van verre wel eens iets van die heerlijke dingen aanschouwd. Als de Heere namelijk u als het ware van uit zijn hemel die ,,urn” toekeerde, met de opening naar u gekeerd, en u dan de witte steen als voor de mond, voor de opening zag zitten. In het moment des geloofs, als u u zo geheel en volkomen aan Jezus, en aan Hem alleen, en aan Hem voor eeuwig toebetrouwde, dan zag u die steen, als de uwe; dan wist u het, in het gericht word ik vrijgesproken, dan weende uw oog zalige tranen van hemelse vreugde. Maar ach, hoe dikwijls worden die ogenblikken nog door uren, door dagen, door weken van koudheid en inzinking vervangen. Maar op die grote dag van Jezus’ wederkomst, ja feitelijk al van uw ingaan in het vaderhuis daarboven, dan zult u (o juicht Sionieten, juicht) de onverwelkelijke kroon ontvangen.
Nooit meer gaat de zalige bewustheid van uw vrijspraak, van uw rechtvaardiging weg. Eeuwig zult u die steen, blinkend en glinsterend op uw hand bewonderen. En niet het minst zal uw roem stijgen over het opschrift op die steen.
Als derde belofte toch luidt het, dat er een ,,nieuwe naam” op die steen zal staan. Immers, de vraag rijst met beving, en doe uw ziel ze haarzelf stellen: hoe kan God zondaren, verdoemden vrijspreken? De wereld, de duivel, de wet, uw eigen consciëntie, alles veroordeelt u, als u daar voor uw God uw doodvonnis leert tekenen. En dan toch vrij gesproken? Ja, met behoud van Gods recht! Uw nieuwe naam!
Het wijst er op, dat uw wezen is veranderd. In de naam ligt toch de benoeming van het wezen. U bent namelijk door het bloed, door de gerechtigheid van uw Verlosser bevrijd, niet alleen van de straf, maar ook van de schuld der zonde. Uw naam Jakob is veranderd in die van Israël. In Christus een nieuw, werkelijk nieuw schepsel geworden, ziet ook God geen zonde in Zijn Israël, geen ongerechtigheid in Zijn Jakob. Door recht wordt Sion alzo verlost. Dat zal de zaligheid van uw binnengaan zijn, dat u (als in Christus zijnde) naar recht binnengaat; en daarvan nu is uw nieuwe naam het getuigenis. Ja, nog meer, dat ,,nieuwe” dat aan u, dat in u is, moet volmaakt in heerlijkheid openbaar worden. U zult daarboven niet meer te strijden hebben tegen Nicolaïeten. Geen Balak, geen Bileam meer die u bedreigt. Een heiliging in verheerlijking zal zich openbaren op die grondslag van de volkomen rechtvaardiging in Christus. Geen wonder dan ook: die naam kent niemand, dan die hem ontvangt. In volle, niet uit te doven bewustheid zult u die zaligheid bezitten. Zaligheid alleen voor u die van ‘s Heeren Geest bent geleerd. De geestelijke dingen toch moeten geestelijk onderscheiden worden; alleen de wedergeborene zal het Koninkrijk van God kunnen zien, en daarom kunnen genieten; alleen voor hem, die van de Heere is gegrepen ten leven, bevat deze belofte onschatbare zaligheid. Hier weten we vaak niet eens welke betekenis we hebben in het geheel, in het samenstel van maatschappij of kerk, maar daar zullen we ook onze naam doorzien, kennen; dat is begrijpen en inzien, welke plaats we bekleden in de rij van de verlosten voor de troon; bij alle verscheidenheid ook daar, zal aller plaats en betekenis zijn: de drie-enige God in het teken van het Lam, de dubbele glorie van de schepping en herschepping eeuwig toe te brengen. Komt, laat ons dan de beloften van de wereld, die niet vervuld worden, de mooi schijnende voorspiegelingen van de zonde, die tegenvallen en een bittere nasmaak achterlaten, als ijdele beuzelingen, ja, als God onterende en onze ziel schadende afgoderijen leren verwerpen en verachten. De tijdgeest moet daartoe vervangen worden door de Heiligen Geest, ook in onze harten. Daar moet de reformatie beginnen. Op deze betekenisvolle brief van onze Heiland moet een antwoord teruggezonden worden. Ach, moge door genade ons aller antwoord dan zijn: Heere bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn; trek mij en ik zal U nalopen, neem mijn hart en ik zal het U geven, en houd ons gemoed voor U bereid, opdat het blij Uw komst verbeidt. Twee tronen staan daar. Eén van satan, één van Christus. In de schaduw van de eerste wandelt de meerderheid, maar in die van de andere is de veiligheid.
Schijnbare rust is bij de eerste te vinden, bij de andere is strijd en lijden uw aardse deel; doch die van de eerste is bestemd om omvergeworpen en vergruizeld te worden, en allen, die niet gewild hebben dat Jezus Koning over hun ziel zou zijn, komen ook om; maar voor die andere troon geknield in het stof ruist een eeuwige vrijspraak van de lippen van Hem, Die op die troon is gezeten. Zo kies en beslis dan. Beslis voor het eerst, beslis bij vernieuwing, beslis voor de eeuwigheid. En laat uw keuze een onberouwelijke zijn.

Amen.