Lukas 17:26-32 'De dagen van Noach' ds. P. Zwier

De dagen van Noach en Lot, heenwijzend naar de eindtijd der wereld.

Tijd-predikatie door Ds. P. ZWIER.

Ps. 73 : 14
Lezen: Lukas 17 : 20~37
Ps. 98 : 4
Ps. 49 : 4 en 7
Ps. 68 : 1
Ps. 89 : 1

Lukas 17 : 26-32.
De komende rustdag, mijne geliefden, is het, zo de Heere wil adventstijd van het jaar onzes Heeren 1952. Dan staat de kerke Gods weer stil in gebed en prediking bij de verwachting van 's Heiland komst in het vlees. En op deze sabbat, de laatste van het kerkelijke jaar worden we dan in verband met Christus komen in het vlees, als vanzelve bepaald bij Zijn wederkomst ten oordeel. Er is toch in Gods heilig Woord sprake van een tweeërlei komst des Heilands.
Eerst de heerlijkheid van: „het Woord is vlees geworden." Dit is het zalige Kerstfeit. En dan de heerlijkheid van Zijn komst op de wolken des hemels. Dit brengt mede voor Gods verloste volk, de eeuwige Kerst. Dit is Christusgenieting naar ziel en lichaam beide in de hemel der zaligheid.
Nu is : en Zijn eerste komst en Zijn wederkomst, een komen in oordeel en tevens in genade. Lezen wij niet in Maleachi's profetie: „Want ziet, die dag komt, brandende als een oven"; Hoofdstuk 4 : 1 ? En tevens in het tweede vers: „Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen." De dag die komt is de tijd van Jezus' geboorte, de dag der laatste bedeling, de dag die uitloopt op de wederkomst des Heilands. De jongste dag, de dag der dagen, inderdaad de roem der dagen dien Israëls God geheiligd heeft. De dag waarvan onze belijdenis zegt in het laatste artikel : „onze Heere Jezus uit de hemel zal komen, lichamelijk en zienlijk, gelijk Hij opgevaren is, met grote heerlijkheid en majesteit om Zich te verklaren een Rechter te zijn over levenden en doden ; deze oude wereld in vuur en vlam stellende om haar te zuiverèn. En alsdan zullen persoonlijk
voor deze grote Rechter verschijnen alle mensen, zowel mannen als vrouwen en kinderen die van de aanbeginne der wereld af tot het einde toe geweest zullen zijn gedagvaard zijnde door de stemme des archangels en door het geklank der Goddelijke bazuin." 1 Thess, 5 : 15,
Ja, de mensen zullen rekenschap geven van alle ijdele woorden, die zij gesproken zullen hebben die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht en dan zullen de verborgenheden en
geveinsdheden der mensen openbaarlijk voor alle ontdekt worden.
En daarom is de gedachtenisse van dit oordeel met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen en zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen ; dewijl alsdan hunne
verlossinge volbracht zal worden enz. Zie Ned. Geloofsbelijdenis, Art. 37. Ja, inderdaad, godzalige „de Brës", dit is naar het ontwijfe baar Woord. De goddelijk gelovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en ere. Hun zaak zal bekend worden de zake des Zoons Gods te zijn. Daarom, ja daarom, omdat het de Zake Gods is, verwachten wij die grote dag met een groot verlangen om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere.
De donderslag der goddelozen. Vreselijk te vallen in de handen des levenden Gods. Zonder wedergeboorte voor die grote God te verschijnen. Maar ook zaligheid en eeuwige vreugde voor hen die door het geloof Christus werden ingelijfd.
Aan die grote dag gaan de tekenen der traden vooraf. Laten wij dit nu mogen beluisteren, doch zoeken we eerst in gebed het Aangezicht des Heeren.
Gebed.
Zingen: Psalm 49 : 4 en 7.
Tekst: Lukas 17 : 26-32.
„En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen" enz.
In Lukas 17, 't laatste gedeelte, spreekt de Heere over de komst van het Koninkrijk Gods. En wel in antwoord op een vraag der Farizeën wanneer het komen zou. Neen, dat Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, dit is, het is met de uiterlijke zintuigen niet waar te nemen. Het is geestelijk en hemels van oorsprong en aard. Niet van beneden, doch van boven. Waarin blijkt dat zeer duidelijk? Wel het is reeds in uw midden. Het is vlak bij u. De Koning van dat Koninkrijk staat in uw midden het Woord des Koninkrijks te prediken. En de discipel van Mij, de onderdanen van dat Godsrijk, hun leven is met Mij verborgen in God. Echter door uw blindheid en dwaasheid ziet gij niets van dit alles. En wie zal deze dingen ook verstaan zonder het ontdekkend licht van de Heilige Geest? Niemand toch immers!
Met de discipelen ligt het anders. Ook zij echter leefden in de gedachte van een aards Koninkrijk. De Christus onderwijst hen. Het zullen bange tijden zijn, die er komen. De druk en de vervolging zal zeer zwaar zijn, zo zwaar dat zij menigmaal zullen verlangen naar de komst van de Zoon des mensen. Zij moeten dan leren geduld te beoefenen. Dikwerf zal het zijn, dat men zegt, nu komt Hij en toch Hij komt nog niet. Als de bliksem zal Zijn wederkomen zijn. Niet dus hier of daar, doch overal zichtbaar op de ganse aarde. Hij komt om de aard te richten en de wereld in gerechtigheid. Maar wat een kentekenen gaan aan die komst vooraf. Zien we dat. We spreken tot u over deze hoofdgedachte :
DE DAGEN VAN NOACH EN LOT, HEENWIJZEND NAAR DE EINDTIJD DER WERELD
en dan willen we u bepalen bij:
I. de openbaring der zonde in de eindtijd;
II. de prediking der gerechtigheid in de eindtijd;
III. de verdelging der goddelozen in de eindtijd;
IV. de redding der Godzaligen in de eindtijd.
En wil Gij, o God van recht en genade, in de eindtijd der wereld onze harten geestelijke rust geven in de enige Ark des behouds, Jezus Christus. Amen.
I. de openbaring der zonde in de eindtijd.
Ja, inderdaad de dagen van Noach wijzen heen naar de eindtijd der wereld.
Niemand minder dan de Heere Jezus heeft dit gezegd. Als een ernstige waarschuwing voor de tijd waarin wij leven.
Het waren de dagen van de meest brute openbaring der goddeloosheid. Wat was daarvan de oorzaak? De allerdiepste oorzaak ligt natuurlijk in Adam's diepen val. Het ganse menselijke geslacht, ook dus dat van Noach's tijd, in ons eerste bondshoofd gevallen.
Op de bodem aller vragen, Ligt der wereld zondeschuld.
Maar daar was iets, dat de zonde deed uitleven, en dat waren de gemengde huwelijken.
Daar was Seth en het Godvrezende geslacht en daar was Kaïn en zijn nakomelingschap, die zich uitleefde in allerlei goddeloosheid, en geweldenarij. Eerst zullen ze in betrekkelijke afzondering geleefd hebben, doch na verloop van eeuwen bij meerdere uitbreiding kwam er meer aanraking tussen beide en de gevolgen waren rampzalig. Gods Woord meldt ons dat Gods zonen (uit Seth) de dochters der mensen (uit Kaïn) aanzagen dat zij schoon waren en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
En deze dingen komen niet op eenmaal, doch dit leert de ervaring geleidelijk aan. De zonde is als hellend vlak, niet opwaarts doch altijd naar beneden. Gods zonen zullen eerst wel gedacht hebben, wellicht wordt Kaïns dochter wel tot God bekeerd. Dit kan natuurlijk wel gebeuren. De Heere is de Machtige. Doch zo mag men nooit handelen. Wij hebben nimmer te vragen wat God kan doen, doch voorop sta, wat God wil en eist. Onze verantwoordelijkheid worde toch ernstig verstaan en beleefd. Niet de godvrezende krijgt in een gemengd huwelijk de leiding, doch meestentijds de goddeloze. Trouwens een Godvrezende ziel zal met Eliëzer bidden: „doe ze mij toch heden ontmoeten." En ook het huwelijk is geen evangelisatie-object. De Heere zegt: „trekt geen juk aan met de ongelovigen, want wat mede deel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid" enz. Dit geldt toch zeker ook voor het huwelijksleven.
In de eerste wereld bleven de wrange vruchten dan ook niet uit. Hoe kon het ook anders? Het gezonde lichaam doodt niet het vergif, doch het vergif doodt het gezonde lichaam. Ook hier! En de Heere zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.
En wat eenvoudig wordt ons dit alles medegedeeld. Zij aten en dronken. Was dit op zichzelf zondig? Wel neen! Nodig tot onderhouding en versterking des lichaams. Maar wat wel zonde is, zo de mens daarin geheel opgaat. Als het, 't leven van 't leven is geworden. Dan gaat men er mee naar bed en men staat er mee op. Hier hebt ge de voorouders van de Faroeks en van al degenen die van de buik hun god maken.
Zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven. Ook hier weer, was dit op zichzelf zondig? Neen, het huwelijk is instelling Gods. Doel is, dat de een de ander trouw zal bijstaan in de dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven behoren. Nodig tot voortplanting van het menselijke geslacht. Alleen maar, denkt er aan geen gemengd huwelijk. Ik denk hierbij aan Gods onfeilbaar woord: „een man van den huize Levi ging en nam een dochter van Levi.
Noachs tijd kenmerkt zich door de vreselijke uitleving van het vlees, de zondaar bij uitnemendheid in het hoogtepunt der ontaarding. Zo goddeloos derhalve als ze sedert in de wereld nooit geweest zijn, of het moest zijn in de dagen van Lot in het zoutdal en als zij eerst tegen de dag van de wederkomst van de Zoon des mensen weder voorkomen zullen. Hun gedichtsel des harten was boos, goddeloos, vervuld met wrevel. Wat zij zich voorstelden, indachten, beraadden en beraamden was alleenlijk boos. En dat wel voortdurend, onafgebroken, vol van boze, onreine, goddeloze, hemeltergende gedachten en plannen. Een altijd wellende fontein was de boosheid in hun leven. Aan God werd niet meer gedacht. Bij heel het geslacht van Kaïn en Seth. Trouwens, gelijk gezegd, er was vermenging. Kaïn ging niet onder in Seth, doch Seth ging onder in Kaïn. Zoals het altijd gaat.
Al sterker openbaarde dit zich in steeds toenemende mate. In de eerste plaats als dienst van het vlees, 't welk steeds dieper deed wegzinken in zinnelijken lust. Het werd een grote braspartij. Bevrediging kon dit niet geven en de algemene onvoldaanheid leidde tot wrevel. Atheïsme was het kenmerk van de eerste wereld. Alle vlees had zijn weg verdorven. Een ongekende losbandigheid,. vreselijke openbaring der verharding. Zo was de eerste wereld in haar avondstonde. Vreselijke eindtijd der eerste wereld.
Zo was het ook in de dagen van Lot. Hoort maar het woord des Heilands. Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot ; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Aan God werd niet gedacht. Zij waren boos en grote zondaren.
Ook deze tijd was een eindtijd voor de steden Sodom, Gomorra, Aduma en Zeboim.
En waar nu Noachs dagen en de dagen van Lot heenwijzen naar de eindtijd der wereld, zo vragen we: „hoe is het thans gesteld ?"
Ach, mijne geliefden, wat beleven we thans toch wel heel vreselijke tijden. Los van God, zietdaar de overheersende trek van het wereldleven. Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. Men begeert de goederen dezer voorbijgaande wereld. Wee de landen die rijke oliebronnen bezitten, zij wonen in de gevaarlijke zóne. Men heeft het er op gemunt om zichzelf te verrijken. Brood en spelen, zo roept de menigte uit in brooddronkenheid. Het Romeinse volk ging er aan ten onder. En als God het niet verhoedt ook ons volk. Het ijdele begeren naar sport heeft een groot deel van ons volk in zondebanden gekluisterd. Wat zijn tegenwoordig de helden van onze tijd? Die het hardst kunnen lopen en het Kanaal overzwemmen. Hun namen worden met vette koppen vermeld. De zogenaamde Christelijke bladen wijden er vele pagina's aan. Het wordt begeerd zegt men en men sluit zich aan. Gelijkschakeling.
De dierbare Naam van Christus wordt hiermede onteerd. Kerknieuws in dergelijke bladen zo kort mogelijk vermeld. Gods Woord leert ons dat de lichamelijke oefening tot weinig nut is, maar de Godzalige oefening tot alle dingen nut hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven.
De Zondagsontheiliging neemt onrustbarende afmetingen aan, ook in kerkelijke kringen.
Waar is bij velen de ouderwetse Zondagsviering gebleven? Arbeid op de dag des Heeren wordt begeerd voor de uitbreiding van industrie. Er wordt niet gevraagd naar de beleving van Gods heilige
wet. O land, land, land hoort toch des Heeren Woord.
Uitgaan, feesten en pretmaken, het is aan de orde van de dag. De wereldgelijkvormigheid neemt hand over hand toe. Het fijne goud is verdonkerd. De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers? Het ware volk des Heeren beleeft bij ogenblikken smart over alle deze dingen.
Waar wordt in onze dagen veel over gesproken en geschreven? Het woningvraagstuk, zeer zeker geweldig nijpend, toch evenwel kenmerk van deze geweldige tijd. De eeuwige God moge door genade onze woning zijn of worden. Dat is toch het allervoornaamste. Zie ons hoofdstuk Lukas 17, 't laatste gedeelte. We lezen daar van twee op één bed ; twee vrouwen aan 't malen; twee op de akker.
Steeds de ene aangenomen de andere verlaten. Ziet hier. des Heeren Goddelijke vrijmacht om de ene die niet beter is te zoeken en de ander die niet slechter is voorbij te gaan. Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, doch alleen des ontfermenden Gods.
Doch vergeet ook niet, veld of akker, molen en bed, 't wijst heen naar de wereld en hare genietingen en beslommeringen. Voortplanting en onderhouding des tijdelijken levens.
Het is wel kenmerkend en teken des tijds dat de sleutelposities in de kabinetten der landen ook in ons land bij velen, ja bij verreweg de meesten, gezocht worden in de sociale sector. Financiën, sociale
zaken, wederopbouw, landbouw, visserij, voedselvoorziening. Veld, molen en bed. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
Als in de dagen van Noach, als in de dagen van Lot, als in de dagen van de Zoon des mensen. En die dagen van de Zoon des mensen beleven wij nu. Drie eindtijden worden hier getekend. De eindtijd der eerste wereld, de eindtijd van de steden van het zoutdal, de eindtijd in de meest besliste zin van het woord. Want na die tijd zal er geen tijd meer zijn. Ook de tijd is schepsel Gods.
Tot de dag op welke Noach in de ark ging. Tot de dag op welke Lot van Sodom uitging.
Tot de doorluchtige dag van Jezus' wederkomst op de wolken des hemels. Zolang en tot die dag ging en gaat het zondige wereldleven door en dan het oordeel Gods. Uw oordeel, Heere, kan niet dan vreselijk wezen.
Doch de Heere is lankmoedig en waarschuwt de mens. Dit willen we nu zien, nl.:
II. de prediking der gerechtigheid in de eindtijd.
Toen zeide de Heere: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren." Gods Woord meldt ons hier de genadetijd die het menselijke geslacht nog wordt gegeven.
In die tijd treedt Noach op als prediker der gerechtigheid.
Wie was hij? Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten, zegt de Waarheid.
Gods vrijmacht zocht hem op. 's Heeren almacht wederbaarde hem. Hij was niet beter of waardiger in zichzelven, doch de Heere zonderde hem af van het verdorven geslacht. Hij leerde Gods heilig recht bevindelijk gevoelen. Zijn onkreukbare heiligheid in het straffen der zonden. Dat recht valt hij toe. Hij wordt het met de Heere eens. Ook als hij zelf in de grote watervloed zou omkomen. Hij heeft het er naar gemaakt, 't is rechtvaardig. God is recht in al Zijn weg en werk. De liefde Gods is in zijn hart uitgestort door de Heilige Geest. Nu gelooft hij door genade de belofte Gods in het paradijs uitgesproken. Er is een band geboren tussen de Heere en zijn ziel. Door het zaligmakend geloof leefde hij uit het heil van de komende Christus. Hij wordt genoemd „rechtvaardig" ten opzichte van zijne verhouding tot God en oprecht in gezindheid en Godsvreze. Op hem is van toepassing wat de dichter belijdt :
„Rechtvaardig volk verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, raar waarde nooit te danken,
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt."
Bekleed met Christus gerechtigheid, hongerde en dorste hij nu naar de gerechtigheid, dit is naar een Godzalige wandel in de vreze des Heeren.
Noach wandelde met God. In de gemeenschap des Heeren. Wandelen wijst op een vriendschappelijk verkeer. Uitwisseling van gedachten. De Heere had veel te spreken en Gods kind had veel te vragen. Hij beminde het nabij - leven met zijn God. Er ging kracht van uit. Reuk van Godzaligheid. Evenals bij Henoch. Beiden vonden genade in de ogen des Heeren. Zijn gehele persoon en wandel was een prediking. Omdat hij zo dicht bij de Heere leefde, en dat was louter genade, hoorde hij ook veel uit Gods mond. We zouden hier kunnen zeggen: „zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe." Ook Noach mag daarin delen. God zeide tot hem: „het einde van alle vlees is voor Mijn Aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel ; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven ; want Ik, zie, Ik breng een watervloed op de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder de hemel te verderven; aI wat op de aarde is, zal de geest geven."
En dat moet Noach nu gaan prediken. Verkondigen in het profetisch getuigenis. Hij is de prediker der gerechtigheid. Gods oordelen moet hij aanzeggen. De Heere komt om de aarde te richten, De Heere is een Wreker, zeer grimmig tegen al Zijn tegenpartijden. Denkt er toch aan, laat het toch diep ernstiglijk in uw ziel doordringen: gewis daar is een God die leeft en op deez' aarde vonnis geeft. Uw feestmalen en braspartijen zullen in treurigheid veranderen en uw los van God beweging zal geen stand kunnen houden.
Noach predikte ook door het bouwen van de ark. Op Gods bevel, deed hij naar alles wat de Heere hem geboden had. Dit deed hij door het geloof. Dit geloof is van zeer bijzonderen aard. Hij werd door God vermaand aangaande dingen die nog niet gezien werden. Zijn natuurlijk oog zag niets. Er was ook trouwens met die ogen niets te aanschouwen. Geheel het wereldleven ging zijn gewone en toch feitelijk zo vreselijk buitengewone en diep zondige gang. Het oordeel Gods bleef uit, men zag eenvoudig niets bijzonders gebeuren.
En. toch, Noach zag de werkelijkheid in de geest gebeuren. Hij zag dit alles komen, met rasse schreden en wel door de ogen des geloofs.
Het geloof van Gods kinderen in het hart uitgestort door de Heilige Geest is toch een wonderbare genadegave. In de eerste plaats was de onbedriegelijke waarheid der komende oordelen Gods voor hem gelegen in het spreken Gods, en in de tweede plaats lag het voor hem vast in een geschonken geloof aan dat spreken Gods. Niet zien en toch geloven. Wie wijs is merk die dingen en geef verstandig acht, op 's Heeren handelingen zo vol van gunst als macht.
Calvijn zegt zo zeer terecht: „het eigenaardige is altijd het verborgene en voor onze zinnen verholene in Gods Woord te zien." Geloof en weten zijn dus geen tegenstellingen, want geloof is ook een, zeker weten. Noach zag het oordeel niet, doch hij wist dat het ongetwijfeld komen zou en hij geloofde. Als Noach de boodschap van het gericht verneemt, gelooft hij en dan gaat hij de ark bouwen en wordt prediker van het géricht. En als persoon en door zijn wandel, en door het woord der prediking en eindelijk door het bouwen der ark is hij de prediker der gerechtigheid.
Zo ook Lot! Een geheel andere figuur dan Noach. Als Abraham, zijn oom, hoewel de oudere hem de keuze van het land laat, dan heft hij zijn ogen op en kiest de vruchtbare vlakte der Jordaan. Zij was als de hof des Heeren, als Egypteland. Hij slaat aanstonds tenten op tot aan Sodom toe. Toch is ook Lot een rechtvaardige, dit is niet zonder zonde, zulk een is er hier niet, doch een oprechte in hart en wandel. Hij was vermoeid van de ontuchtige wandel der gruwelijke mensen. Zie wat een duidelijk kenmerk van ware en oprechtige Godsvreze. Vermoeid van eigen en andere zonde. Hoe word ik er van verlost? Nu dat heeft de Heere gedaan. Op een wondervoile wijze. Deze rechtvaardige man wonende onder hen, heeft dag op dag zijne rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hunne ongerechtige werken. En dan de toepassing van de Heilige Geest door de pen van Petrus: „zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag des oordeels om gestraft te worden." Zie geliefden, ook deze Lot was prediker der gerechtigheid in de eindtijd der steden van het zoutdal.
En voordeze tijd? O, wat toch dringend noodzakelijk om wat het bijzondere ambt in de kerk des Heeren betreft, predikers van Gods gericht te zijn. De wereld loopt op haar eind. De Heere staat te komen. Zijne ogen zijn als vuurvlammen. De Rechter staat voor de deur. Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Vreselijk, heel vreselijk zal het zijn om zonder de Borg in 't oordeel Gods te komen. Dan zal het zijn, ga weg van mij, alle gij werken der ongerechtigheid, ik heb u nooit gekend. In het eeuwige vuur dat de duivelen bereid is.
De prediking moet eschatologisch zijn, dat wil zeggen, zij moet er op gericht zijn te verkondigen de leer der laatste dingen. Dood, des mensen uiterste, graf, eeuwigheid eeuwig wel of eeuwig wee, het komende Godsgericht. Noach predikte dit, Lot niet minder en al Gods geroepen dienaren behoren dit te doen, door de krachtige bediening van de Heilige Geest.
Ook het ambt der gelovigen is hier van grote betekenis. Ieder kind des Heeren heeft te zijn een licht te midden van een krom en verdraaid geslacht. Getuige van de dierbare Borg te zijn door handel en wandel. Tot jaloersheid verwekken. Al is het dan ook door een stille wandel die kostelijk is voor God. Hun zaligheid zal groot zijn, doch de rampzalighéid voor het onherboren geslacht heel ontzettend. We zien het :
III. de verdelging der goddelozen in den eindtijd.
Zie, donkere wolken komen boven de horizon en straks is de ganse hemel van wind en wolken zwart. Een ogenblik staakt men arbeid of spel. Het leven staat een wijle stil. Allen zien naar de lucht en nemen het ongemeen en dreigend schouwspel waar. De eerste zware druppelen vallen. Een vlucht in huis, men ziet door deur of venster naar buiten. Met vreselijk geweld valt de regen neer. Watergoten worden het. Wolkbreuken. Een oorverdovend gedruis wordt gehoord. Zij verstaan elkander schier niet meer. In de lucht en in de diepte. Een rommelen en koken beneden en boven. Noodweer is het. En nu komt de nacht. De lange nacht. Volgens berekening was het half November. De morgen komt en het regent al maar door. Dringt door in de woningen. De bewoners van lagere streken vluchten, naar hogere landen. Wat is dit? Het water stijgt al hoger, van de knieën tot de heupen. De bergen bereikt men niet meer. Ze zitten al op de huizen en in de toppen der bomen. En het blijft regenen. De spotters zwijgen. Vreselijk angstig is de ganse mensheid. Men ziet al lijken van mensen en beesten. Het jammergeschrei sterft weg in het bulderen der wateren. .
Wie beschrijft de angst van vaders en moeders? Vreze des doods bij oud en jong. De wereld liet God los en nu laat de Heere de wereld los. Waar zijn nu de spotters met God en Zijn profeet? Zij lachten om de oordeelsdag, nu echter niet meer. Zij ballen de vuisten in machteloze woede en wanhoop. De vloed stijgt hoger en hoger. De laatst overgeblevenen zijn verdreven naar de toppen van de Ararat. Daar drijft statig de ark der behoudenis op de zwarte wateren. O vreselijk, ze kunnen de ark niet bereiken. Hier is alleen de dood, daar het leven. Wellicht een vastklemmen aan de ark, ze kunnen er niet in, God geeft de sleutel niet uit handen, de Heere sloot de ark en straks ook weer opent Hij de ark, de laatste krachten begeven het en zinken in de diepte van de oordeelswateren weg. Te laat, te laat voor eeuwig te laat.
Bunyan zou zeggen, toen zag ik dat er vlak bij de hemel, hier in dit geval, vlak bij de ark een weg is naar het eeuwig verderf. Veertig dagen en veertig nachten heeft het geregend. En hoor toch, de laatste schreeuw van de laatste wegstervende mens en beest en alles zwijgt. De dood van de ganse mensheid. Gewis daar is een God die leeft en op deez' aarde vonnis geeft. En daar drijft de ark op de wateren des oordeels, neen toch, voor Noach en de zijnen op de wateren der vrije genade.
Al die onsterfelijke zielen voor Gods gericht gedaagd. Zo wat de mens zaait dat zal hij ook :naaien.
Er zullen er wellicht geweest zijn, die mede aan de ark hebben gebouwd. Het is mogelijk aan Gods kerk te bouwen en toch verloren gaan. Dat de mens verloren is, is zijn schuld. Dat de mens verloren gaat is eveneens zijn schuld. Dat ligt niet aan de Heere. Hij komt met Zijn liefelijk aanbod en Zijne nodiging is Goddelijk en daarom welgemeend. Onder zulk een rijk evangeliewoord verloren te gaan is heel ontzettend. Wee de zondaar als de dag der wrake komt en die komt gewis.
De Heere wist al de spotters te vinden. Al zoudt ge uw nest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u vandaar nederstoten, spreekt de Heere. Jeremia 49 : 16.
Wedergeboorte is noodzakelijk. De eis der bekering en des geloofs werd door de eerste wereld gehoord, doch verworpen. Wat stelde' God het oordeel lang uit, doch Zijn uitstel was geen afstel. Hij komt, Hij komt om de aarde te richten.
Hoe lang? Totdat de zondvloed kwam en verdierf ze allen. Er is perspectief, vergezicht in Gods oordelen. Van 't ene vlak op 't ander vlak.
Een tweede eindtijd in onze tekst.
De dagen van Lot. De tijden van de steden der siddimvlakte. God is gelijk altijd groot van lankmoedigheid. We lezen in Genesis 18 : 20 : „Voorts zeide de Heere: dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is en, dewijl hare zonde zeer zwaar is. Zal Ik nu afgaan en bezien of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben en zo niet, Ik zal het weten." Merkt u wel dat de Heere altijd de verantwoordelijkheid van de ondergang de mens op het hart bindt.
Abraham wordt een pleiter bij God. Wat daalt hij laag af. Tot tien toe. En wat is God lankmoedig. Hij zal ze niet`verderven om der tienen wil. Maar die zijn er niet. Lot vermaant uit de stad te gaan, doch zij geloofden hem niet. Hij zelf vertoefde. Zo grepen dan die mannen zijn hand en de hand zijner vrouw en de hand zijner twee dochteren om de verschoning des Heeren over hem; en zij brachten hem uit en, stelden hem buiten de stad.
En toen kwam het vreselijke gericht. Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen van de Heere uit de hemel.
De steden worden omgekeerd en al de inwoners gedood. Lot's huisvrouw zag om en zij werd een zoutpilaar. Wat kan het toch ver gaan, mijne geliefden. Buiten Sodom en toch niet in Zoar. Buiten Moab en toch niet in Kanaan. Buiten de wereld en toch niet bij de levende kerk.
Er kan zoveel zijn, wat niets is, En er kan zo schijnbaar weinig zijn dat toch in het wezen der zaak in beginsel alles. Ook hier zien we heel duidelijk : God laat Zich niet bespotten. Er ging een rook van het land op gelijk de rook eens ovens. Gedenkt aan de vrouw van Lot.
En nu tenslotte de dagen van de Zoon des mensen. De eindtijd der wereld. Jeruzalem werd verwoest, de Joodse natie weggevaagd door het oordeel Gods over de verwerping van de Christus, Verschillende oordelen des Heeren. Alle heenwijzend naar het laatste oordeel.
Jezus komt weder om gericht te houden, Alle mensen, hoe ook omgekomen, zullen opstaan. De nog levenden in een punt des tijds veranderd worden. Die buiten Christus stierven zullen geworpen worden in de poel des vuurs. De rook hunner pijniging gaat op in alle eeuwigheid. Uitwendig godsdienstigen als -openbare goddelozen, Had ik maar geluisterd naar Gods Woord en de waarschuwing van Gods dienaren. Wroeging en wanhoop zal hun eeuwig deel zijn. Dan wordt volkomen bevestigd aan de goddelozen wat de dichter zingt en wij ook zingen, het is uit Psalm 68 : 1:
De Heer zal opstaan tot de strijd;
Hij zal Zijn haters wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid doen zuchten;
Hoe trots Zijn vijand wezen moog',
Hij zal voor Zijn ontzag'lijk oog,
Al sidderende vluchten.
Gij zult hen. daar G' in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen,
t Goddeloze volk wordt haast tot as;
t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloênde kolen..
IV. de redding der Godzaligen in de eindtijd.
Op dit gezongen psalmvers volgt: „Maar 't vrome volk in U verheugd, zal huppelen van zielevreugd, daar zij hun wens verkrijgen." Zie, dit geldt zeer bijzonder Noach. Hij vond genade in de ogen des Heeren. Zijn huisgezin, acht zielen, gespaard. Bewaard voor de wateren van het Godsoordeel. Wat zal er veel in zijn ziel zijn omgegaan: Gods rijke gemeenschap genoten. De Heere maakte onderscheid, daar waar geen onderscheid is, ziende op zichzelf. De ark was voor hem beeld van de enige ark der behoudenis, Christus Jezus. Al het gedierte door God bepaald, van verre en nabij kwam tot hem in de ark. Alles is uw zou' de Apostel later zeggen. Het moest hem dienen. Daarbij, niemand kon in de ark komen, geen goddeloze, zij kwamen allen om. Doch ook Noach en zijn gezin konden er niet uit. God had de sleutel in handen. De Heere sloot achter hem toe. De enkele Godvrezenden, die er nog waren, zij werden weggenomen voor de dag des kwaads.
Het was een jaar van wachten, door gelovig Godsverbeiden, De Heere beschaamde zijne hope niet. In de eindtijd der eerste wereld was de aartsvader geborgen in God. In vreze Gods, die kinderlijk is, deelde hij naar lichaam en ziel in zijns Vaders gemeenschap. En als aanstonds de olijftak des vredes profetie wordt van de vernieuwde aarde, dan is Noach vertederd door de liefde Gods hem zo Goddelijk rijk geschonken.
Zo ook niet minder Lot. O wat een zalige verlossing, waarin hij deelde. De Heere Zelf leidde hem uit. Vat hem bij de hand, terwijl hij nog vertoefde. Wat is de Heere groot van goedertierenheid. In en door de dierbare Borg, die zich van eeuwigheid gaf in de vrederaad, is hij behouden voor het vuur des gerichts. Niet om zichzelf!
O neen. Hij was vol van zonden, ook niet vrij te pleiten in zijn verzoek om in Zoar te mogen blijven. Het gebergte was zo heel ver, en Zoar wat dichterbij. Hij meende niet te kunnen gered worden met zijn vlucht naar het gebergte. En wat een ongeloof. Lot is behouden hier en volkomen zalig geworden hiernamaals, alleen door God om 't eeuwig welbehagen. Wat een onderscheid maakt de Heere toch waar er geen onderscheid is, Allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. En Gods kind wordt om niet gerechtvaardigd door de verlossing die in Jezus Christus is. Uit vrije genade is Lot behouden in de eindtijd der goddeloze plaatsen, zo ook al Gods gunstgenoten die deel krijgen in de erve der heiligen in het licht.
Wat een ure zal het zijn als de graven geopend worden en des Heeren gunstvolk opgewekt naar het lichaam, eeuwig naar lichaam en ziel, de Heere die hen kocht met Zijn dierbaar bloed, zal verheerlijken. Geborgen in de enige Arke des behoudenis, Christus Jezus. De hitte van Gods gramschap voor eeuwig voor hen geblust. Eeuwig zingen van Gods goedertierenheén. De vijanden voor eeuwig buiten en de vrienden voor eeuwig binnen. De zonde uitgedelgd door Jezus' dierbaar hartebloed. Geen schuld der zonde meer en geen smet der zonde meer. Er zal geen klauw achterblijven. 't Gemengde volk komt niet in het hemelse Kanaan. Alleen de ware herborenen door water en Geest. Als arm verloren zondaar in zich-zelven door God. Drieënig verlost en gezaligd. Door U, door U alleen om 't eeuwige welbehagen. De Heere sluit toe en sluit hen in. Er komt geen nagelschrapsel van de mens in aanmerking. Daar zijn ze door genade voor ingewonnen. Om God eeuwig groot te maken. Het loflied ter Ere Gods zal opstijgen. God zal zijn alles en in allen. Wat een zaligheid.
Toepassing.
Nu nog een toepasselijk onderzoek, mijne geliefden.
De tijdgenoten van Noach en Lot. Zie die dagen zijn wedergekeerd. De grote massa der mensheid leeft alsof er geen God, geen oordeel en eeuwigheid was. Men leeft voor de tijd en de dingen dezer voorbijgaande wereld. Daar denkt men over, spreekt er over en handelt men na. De wereldgelijkvormigheid neemt geweldige afmetingen aan. Het is bij velen feesten, genot en allerlei wereldse genoegens. De helden van de tijd zijn de hardlopers en allen die op enig gebied een record behalen. Zij worden bewierookt en met een lauwerkrans omhangen. Het is: „laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij." Men huppelt op een vulkaan. Dansen en pret maken. Afleiding zoeken om het geweten en ernstige dingen tot zwijgen te brengen. Straks de televisie en de bioscoop in de huiskamer. Het gaat de satan naar de zin. Het gezinsleven wordt verscheurd. De ouderwetse huiselijkheid en degelijkheid wordt steeds minder. Wordt door de ouders huiscatechisatie gehouden en de kinderen onderwezen in de leer der waarheid die naar de Godzaligheid is?
In vele kerkelijke gezinnen is een geestelijk gesprek soms niet mogelijk. Het is op huisbezoek soms ja en neen, ik bedoel er is geen geestelijk contact. Een lederen zak in de rook. Aan de andere zijde soms veel spreken en te weinig beleving. Men zegt dat het materialisrne (stofvergoding) als wijsgerig stelsel zijn tijd heeft gehad. Het zij zo. Doch in het praktische leven zeker niet. Het is de tijd van sport en spel, brood en spelen, het romeinse rijk is er aan ten gronde gegaan. De sportbladen, Maandagmorgen, vinden gretig aftrek. We zien en weten 't wel als men op reis is. Bange tijden zijn het en de horizon is bloedig gekleurd. Er is een tijd geweest dat de gesprekken in trein en autobus deze zomer liepen schier nergens anders over dan Helsinki, Faroek en Evita Peron.
Land, land, land hoort des Heeren Woord. Tot de wet en de getuigenis, zo ze niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben. Zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben. Eten en drinken, trouwen en ten huwelijk uitgeven, kopen en verkopen, planten en bouwen, altemaal noodzakelijke dingen, doch als men er in opgaat en niets anders kent, vreselijk zal het ontwaken zijn. Buiten God en Zijne dierbare Christus.
Waar leeft u nu bij en uit? Die het van de wereld verwacht zal eenmaal in de wereld met de wereld eeuwig omkomen. Totdat de zondvloed kwam en verdierf ze allen. Totdat Noach in de ark ging. Let op dat: totdat. Totdat het oordeel komt reeds bij het sterven en dan bij de jongste dag. We leven in de eindtijd der tijden. Prediking van het gericht is meer dan ooit noodzakelijk en onmisbaar. Maar ook genadeverkondiging, voor de arme ontgronde zondaar, die het heil leert zoeken en vinden in de enige Ark der behoudenis, Christus Jezus. Want daar komt het op aan. Er kan zo weinig zijn, wat in beginsel alles is en er kan zo veel zijn, wat toch in werkelijkheid niets is. En dan denk ik in de tweede plaats aan Lot's vrouw. Naar de woorden des Heilands als een diep-ernstig waarschuwend voorbeeld: „gedenkt aan de vrouw van Lot." Zij werd een zoutpilaar. En hoe kwam dat toch ? Och, zij was waarschijnlijk een ingeborene van Sodom, deelde in het brute ongeloof van haar tijdgenoten. Ze kan nieuwsgierig zijn geweest, dacht wellicht aan iets dat was vergeten in de haastige vlucht en toen keek zij om en Gods oordeel voltrok zich op eenmaal, zij werd een zoutpilaar. Bijna gered en toch geheel verloren. Zij was met haar lichaam uit de stad des verderfs, met haar hart echter was zij in Sodom gebleven. Uitwendige bekering moge tot aan de poort van het hemelrijk brengen, nooit er door. Hinken op twee gedachten is verderfelijk. Hier is een plotseling sterfgeval, ingrijpend van aard, in haar zonde en buiten Christus gestorven. Is onbegraven gebleven tot een ernstige prediking van de straf des Heeren.
Onherborenen van hart. Denkt toch aan deze ontzaglijke prediking van Lot's vrouw. Ge zijt misschien wel dooplid of zelfs wel belijdend lid der gemeente. Wellicht neemt ge deel aan het Heilig Avondmaal. Dit moogt ge niet, doch gij doet het en u vergrijpt zich aan het heilige Gods. Doch eveneens bekoort de wereld u, pret maken en feestvieren, het is de bekoring van uw hart. De wereld trekt veel meer dan de kerk. Weet wel dat het zo niet gaat. Ge gaat een eeuwig zielsverderf tegemoet. God en de wereld gaat niet samen. Christus en Belial stemmen niet overeen. De tempel Gods en de afgoden zijn tegenstellingen. Als de Heere een zondaar bekeert, dan wordt hij of zij pas goed zondaar. Een ellendig en arm volk wordt daar geboren. En de eerste ritselingen van dat nieuwe leven der wedergeboorte openbaren zich in het vluchten uit de stad des verderfs. De wereld wordt een scheidbrief gegeven. O, wat wordt de wereld daar arm. Wat wordt daar gebeden: „Wend, wend mijn oog van de ijdelheden af, verlevendig mijn hart door Uwe wegen, dat mij 't betreén dier paden vreugd verschaf." De wereld behoeft geen medelijden met Gods kinderen te hebben. Welneen, geliefden. De wereld verstaat immers niets van het geestelijke leven. Hoe kan zij dan oordelen over het leven van de kinderen Gods ? Dat kunt gij ook niet, die in de kerk zijt en nochtans niet van de kerk., in het verbond zijt en nochtans niet van het verbond der genade. Gij die staat buiten geloofsgemeenschap met de enige Middelaar van dat verbond: Christus Jezus. Er wordt in deze tijden veel gesproken en geschreven over: „kerk en wereld."
Wat is de verhouding en hoe met de verhouding zijn ? We leven in een tijd, en dat zal erger worden, dat de grenzen worden uitgewist. Kerk en wereld zullen straks samengaan, gelijkschakeling zal plaats hebben. Alles kan er tegenwoordig bij door. Zondagsontheiliging neemt onrustbarende afmetingen aan. En dat alles tegen Gods dierbaar woord in.
Weet wel, de mens moet wederom geboren worden. Een geboorte van boven, een geboorte uit de hemel, een geboorte uit de Heilige Geest. Zie, dit is noodzakelijk en onmisbaar.
Orpa's die uit Moab zijt en nog niet in Kanaan. Gij die zijt als Lot's vrouw uit Sodom en nog niet in Zoar. Uit de wereld en in de kerk en toch levende buiten het leven der wedergeboorte, geen leven uit Hem die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. De schrik des Heeren moge u bewegen tot het geloof, of anders dat ge ingewonnen werd door de goedheid Gods aan een onwaardige bewezen. Versta het wel, gij zult anders eenmaal horen: „gij hebt niet gewild." Dat is uw vijandschap, gij zijt verantwoordelijk voor uw daden. God is rechtvaardig. Hij oordeelt naar recht.
Ik denk in de derde plaats aan Lot zelf. Een rechtvaardige noemt de Schrift hem. Een Godzalige. Die zijn ziel kwelde wegens al de zonden bedreven door de goddeloze lieden. Och wat heeft ook Gods kind te bidden om de bewarende hand Gods. Zwak van moed en klein van krachten. De levende kerke Gods leeft in een tijd van toenemende goddeloosheid en aards gezindheid. Velen, zeer velen, ook uit kerkelijke kringen, leven bij het stof en de goederen van deze aarde. Wier gezichtseinder niet uitgaat boven de beursnotering, het huishoudboekje, de prachtige baan in het verschiet, en dan vooral ook niet te vergeten de pleziertjes en allerlei feesten. Eten en drinken, trouwen en pret maken, planten en bouwen, kopen en verkopen, de teruggekeerde dagen van Noach en Lot zijn aangebroken. Als de Zoon Gods wederkomen zal, zal Hij nog geloof vinden op de aarde?
Gaat Gods volk hier vrij uit ? Ware het zo! Dikwijls staat het bewegelijke koninkrijk meer op de voorgrond dan het onbewegelijke. Standelijk zo ver van huis. De wijze maagden met de dwaze maagden in slaap gevallen. De aarden flessen gelijk gerekend. De Heere echter houdt in hun hart Zijn werk in stand.
Over de onrust der tijden heen mag in heerlijk vergezicht het geloofsoog der kinderen Gods wel eens zien aanlichten de stad die fundamenten heeft en wier Bouw-Heere God is. De Koning in Zijn schoonheid en het hemelse Kanaan in heerlijkheid. Da Costa zingt er van:
En bij de eindpaal van de tijden,
Ziet mijn oog de geest van 't, kwaad
Moegeworsteld en ontwapend,
Tot geen aanval meer in staat.
Noach wandelde met God. In de vreselijke tijd die hij beleefde. Het leven der wedergeboorte uit de Heere Jezus Christus. Als een arm zondaar door het geloof als gave Gods ingelijfd en levende uit Hem. Zie, die Godvruchtige wandel is het echte Apostolaat, het heerlijke profetische getuigenis, dat de wereld overwint. Mocht Gods volk zo leven.
Bij de eindpaal aller tijden, zal de heerlijkheid Gods zich ook openbaren in de heerlijkheid der vromen. Dan zal vervuld worden:
De zondaar zal verdelgd zijn op Gods werk.
De boosheid zal vergaan, eer 't iemand denk'.
Waak op, mijn ziel! wil uwe Schepper eren;
Geloofd zij God; men loov' de Heere der heren.
Amen.

November 1952