Lukas 2:19 'Doch Maria bewaarde deze woorden' ds. P. Zwier

De mediterende Maria.

Predikatie door Ds. P. ZWIER.

Ps. 116:4
Lezen: Lukas 2 : 8-20
Ps. 62 : 1
Lofz. v. Maria: 1, 3 en 5
Ps. 119: 84
Ps. 25 : 7

„Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, : overleggende die in haar hart."
Lucas 2: 19.
Mediteren, zie geliefden dit is een woord, welke een zaak aanduidt van de meest heerlijkste beleving van Gods erfdeel. Het is wel genoemd de zaligste ervaring der ziel in de reine sferen van Gods gemeenschap. Als het gehemelte der ziel om te proeven en te smaken dat de Heere goed is. Zegt de dichter niet: mijn overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in de Heere verblijden? Lees
ik niet in Gods Woord dat het gehemelte de spijze smaakt? Zeker ook de tong, 't achterste het wrange en bittere, op de punt der tong het zoete. Doch in de eerste plaats, dit is Bijbels, het gehemelte. Zo de meditatie als der ziel gehemelte smaakt de heerlijke spijze van Gods Woord. Jezus zeide: Mijn spijze is dat Ik doe de wil Mijns Vaders die in de hemelen is. O, dat kalme rustige overdenken van de wegen des Heeren met de ziel gehouden. Hoe kan het 't hart van Gods kind opheffen te midden van soms zware drukwegen. Als de Heere bij hen is, meest in de ure des nachts als de donkerheid valt op de lieden, maar het bij hen licht is. De ziele vertroost en bemoedigd, dan wordt het van binnen gezongen: „Ik zal gedenken hoe voor dezen, mij de Heere heeft gunst bewezen."
Dit is de arbeid van de Heilige Geest. Diep afhankelijkheidsbesef wordt daar geleerd. Hoe kan Gods kind door aardse beslommeringen afgetrokken worden van God en Goddelijke zaken.
De tijd waarin we leven is zo druk, zo vol, zo gejaagd. Alles vliegt naar het einde der dagen. Velen menen geen tijd meer te hebben voor" de dienst des Heeren. Hoe nodig dan ook dat Gods volk op de rechte plaats verkere. Dicht bij de volzalige Borg. In het wijnhuis te worden ingeleid. Het werk des Drieënigen Gods te overdenken. De arbeid voor hen en in hen gedaan.
Godzalige overdenking laat altijd enige vrucht na. Sprekers zijn sneer in tal dan denkers. In de natuur is dit zo, doch ook wel op geestelijk gebied. De meesten bezoeken liever een kind. des Heerera die onderhoudend kan spreken, dan iemand, lang niet altijd van mindere beleving, die wat stil en rustig is van aard. Dit is wel verklaarbaar doch niet altijd verschoonbaar. Zeker geldt ook: dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. In meerdere of in mindere mate. Stille wateren hebben diepe gronden.
We hebben ze wel gekend in mijn jeugdleven die weinig spraken, naar hun eigen gevoelen ook wel te weinig, en niet altijd tot Gods Ere, doch wier sterfbed was een preekstoel om Gods goedertierenheid te bezingen. Roemend in het Borgwerk van Christus in hun ziel verheerlijkt ten hemel zijn ingegaan.
Zijn er veel peinzende Christenen? Zijt gij er een van? Het zou heel groot zijn. De Heere dan alleen de Ere.
We willen in deze ure in verband met het heerlijk Kerstfeest eens een ogenblik stilstaan, bij een ziel die mediteren mocht, het is Maria, de Moeder van Jezus.
Vragen wij Gods zegen in den gebede.
Gebed.
Zingen : Lofzang van Maria vers 1, 3 en 5.
Tekst : Lucas 2 : 19.
Kerstfeest is Christusfeest. Dan wordt de geboorte van de Heere Christus herdacht. Het Woord is vlees geworden, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als des Eengeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. De levensvraag is te allen tijde: „is Hij ook voor en in mijn hart geboren?" Dit moeten wij weten. Het komt aan op de vrucht.
Lucas is het meest uitgebreid in het verhalen van de Kerstgeschiedenis. Eerst in de gebeurtenis der geboorte zelve. Dan dat eenvoudige herders door de Engel werd verkondigd : u is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere in de stad Davids.
Nu zijn er die het woord der herderen hoorden en zich verwonderden. Meer niet. De herders zelf loofden en prezen de Heere voor het grote heil hen geschonken. En Maria bewaarde en overdacht dit alles. Wij spreken dan ook tot u over :
HET KERSTFEEST VAN DE MEDITERENDE MARIA.
Haar mediterend Kerstfeest geeft :
1. zegenvolle t e r u g b l i k naar haar verleden;
2. troostvolle i n b l i k in haar heden ;
3. hoopvolle h e e n b 1 i k tegen haar toekomst.

Geef Gij o Heere, dat ook wij iets leren bevinden van dit over- denkende zieleleven, dan wordt Gij o gezegende Heiland dierbaar in Uw Volzalige heilsgedachten. Amen.

I. Een zegenvolle terugblik naar Maria's verleden.
Maria, de maagd uit Nazareth, ontvangt op zekeren tijd hoog bezoek en wel van de Engel Gabriël, gezonden door God. Voor de Heere niet te gering om door middel van de Engel het verachte stedeke te bezoeken en Maria te dienen. Te dienen met de rijke heilsgedachten Gods die nooit in het hart van enig mensenkind kunnen opkomen.
Deze Maria wandelde in stilheid met de Heere. Zij is een, rustige ziel die meer denkt dan spreekt. Zij was met innig verlangen verwachtende de komst van de Zaligmaker. In biddende meditatie en tevens mediterend gebed zal zij menigmaal haar ziel uitgegoten hebben voor Gods Aangezicht. Onderzocht zij de boekrol des Goddelijken Woords en de rijke gedachten des vredes daarin vermeld, hoe menigmaal leefde het wel in haar hart.
Mijn ziel bepeinst Uw wonderdaan,
Die aI 't begrip te boven gaan.
Zij nu wordt door de Engel gegroet als de begenadigde en gezegende onder de vrouwen en dat de Heere met haar is.
En zie, dan gaat zij overleggen hoedanig deze groetenis mocht zijn. De Engel kondigt de geboorte van de Zaligmaker aan, zij zal bevrucht worden en een Zoon baren en Zijn Naam zal zijn Jezus. Begrijpen kan zij het niet, zij vraagt ook verklaring, 't wordt haar gegeven in het ontzaglijke Woord: „De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, daarom ook dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden." Wondervolle zaligheid, voor het arme, doemschuldige zondaarshart in dezen Gods-Zoon geopenbaard en verklaard. Maria mag zich biddend overgeven in haar woord. Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar Uw Woord,
Maar Jozef, haar ondertrouwde man, verkeert in grote onrust.
Wat moet hij denken van zijn beminde Maria? Wat heeft hij haar hooggeacht als een reine maagd en tederlijk bemind. En nu, zij is zwanger, het is duidelijk waar te nemen. Jezus krijgt naar Zijn menselijke natuur duidelijk een gestalte in haar. Dat kan niet verborgen blijven. Ook geestelijk niet. Als de dierbare Borg gestalte krijgt in het arme schuldige zondaarshart, wordt dat immers kenbaar in de vruchten des nieuwen levens.
Ook Maria ontkent het niet. Eerst zal ze het zalig geheim wel hebben bewaard in het binnenste van haar hart, want zij is een biddende, overdenkende ziel. God zal haar recht openbaar maken. Jozef was een rechtvaardige, dat betekent dat hij wandelde in de weg der gerechtigheid.
De Schrift noemt dit, oprecht van hart en wandel. Wat een strijd ontbrandt er in zijn hart ; een strijd tussen die jaloersheid die een grimmigheid is des mans en hard is als het graf en de genegenheid die hij voor Maria koestert. Openbaar te schande maken, neen dit kon hij niet doen. Hij mocht dit volgens de wet doen. Volgens de wet toch moest een ondertrouwde maagd, die zich aan hoererij had schuldig gemaakt, gestenigd worden. Neen, hij handelde in de tedere vreze Gods. Hoe verschillend was de gezindheid die Jozef betoonde van die van Juda, die in een gelijksoortig geval haastig het strenge oordeel uitsprak: „Brengt ze voor, dat zij verbrand worde." Gen. 38 : 24.
Heimelijk haar verlaten, ja dat zal hij doen. Haar in tegenwoordigheid van twee getuigen een scheidbrief te geven en dan verder de zaak stil te houden. O hoe zal deze godvruchtige man hebben geworsteld in den gebede voor de Heere. O God geef U toch licht in deze bange weg:
En zie dit doet de Heere. Een Engel des Heeren (wellicht ook Gabriël), verschijnt aan Jozef in de droom en deelt hem mede dat hij gerust Maria als vrouw tot zich kan nemen, want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest. Het zalig Godsgeheim is nu ook bij Jozef bekend. Hoe zullen zij beiden in latere tijden nog dikwerf over deze wonderen hebben gepeinsd bij lichte dagen en donkere nachten. Maria bewaarde ook al deze woorden, overleggende die in haar hart.
Er zijn zielen onder Gods kinderen die eerst spreken en dan pas goed indenken, en zie dan struikelen ze menigmaal in 't gesproken woord, waarover ze weer het bloed des verbonds moeten inroepen ter vergeving. Er zijn ook Godvrezenden die veel mogen beleven, eerst denken, bepeinzen, mediteren en dan spreken uit de bevinding van het heil in de Christus. Jozef, en vooral ook niet minder Maria, behoren tot de laatsten. Doch ook zij struikelen dagelijks in vele. Denkt aan Maria op de Bruiloft te Kana in Galilea!
Maria's dagboek van stille bepeinzing van de rijke woorden Gods en van de zalige wegen des Heeren is vol van 's Heeren trouw. We vertoeven een ogenblik bij haar bezoek ten huize van haar nicht Elizabeth. Beide uit één geslacht, beiden een zeer bijzonder genadeblijk des hemels ontvangen. Elizabeth zou de Moeder worden van Johannes de Doper en Maria van de Heere Jezus.
Nu had de Engel Gabriël met een enkel woord dit Godsgeheim aan Maria bekend gemaakt. Wat rijke reden om dit alles in zalige stilte te mogen overdenken. 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrienden en vriendinnen, naar Zijn vreêverbond getoond. Is het wonder dat de jeugdige maagd zich spoedt en wel met haast naar haar oudere nicht ? Bloedbanden verbinden hen, doch ook geestelijke banden en die zijn sterker dan graden van bloedverwantschap. En o, geliefden, als Maria haar groetenis heeft uitgesproken, wordt Elizabeth vervuld met de Heilige Geest. Zij heeft reeds door Goddelijke openbaring begrepen waarom haar nicht nu op reis is gegaan om haar te ontmoeten. Nederig van hart, uit zij zich in geheiligde verwondering: „En van waar komt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt?"
Wat kan de Heere de wegen toch effenen. Wat worden hier de harten ontvankelijk gemaakt om te proeven en te smaken het heil des Heeren. Maria ontvangt geloofsversterking door middel van Elizabeth en dit geschiedt ook omgekeerd. Wat kan de Heere toch wonderlijk de een voor de ander gebruiken. Een gelukkige tijd heeft Maria in dat priestergezin mogen doorbrengen. Veel is er voor haar te bepeinzen. Het een zowel als het ander mag zij bewaren in het diepste van haar hart. Zij denkt ook wel in droefenis over Zacharias, die in ongeloof moet zwijgen, doch ook straks in geloof des harten mag spreken en zingen van de wegen des Heeren.
Maria wordt nu reeds verwaardigd om haar lofzang uit te jubelen. Zij mag beginnen met de Heere groot te maken en te verheerlijken. Het „Ere zij God" der engelen in de kerstnacht, was ook bij haar reeds de eerste toon in haar lofzang. Het ganse werk der zaligheid gaat uit van God-Drieënig. Van God de Vader in Zijn eeuwige verkiezende liefde. Van God de Zoon, die zich in de eeuwige Vrederaad of verbond der verlossing tot Borg stelde voor de uitverkorenen. Van God de Heilige Geest, die voornam de zielen van Gods verkoren volk zaligmakend te bearbeiden. Zij zingt een hemelse lofzang. Voorsmaak van zalig hemelleven, dat eenmaal de Heere haar geven zal. Geen speldepunt, geen nagelschrapsel van de mens telt hier mee. Het is vrije gunst die eeuwig God bewoog. Zij verheugt zich in haar Zaligmaker. Waarom ? Wel omdat de Heere haar ned.erheid heeft aangezien. Berijmd zo heel schoon, die in haar lagen staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, doch van Zijn heil doet roemen. Wachten we ons voor het roomse standpunt alsof Maria om. hare deugden Gode welgevallig was.
Neen, we lezen van nederheid, dit is geringheid, onaanzienlijkheid. In die staat een bezoek uit de hemel te ontvangen. O, wat is dat groot. Zeker, zij was ook nederig van hart, de eenvoudige dienstmaagd. Doch dit is alleen zalige vrucht van genadebearbeiding.
Wat heeft zij dus veel te overdenken. Het bezoek van de Engel Gabriël, in haar eenvoudige woning. Haar verhouding tot haar beminde Jozef. Het bezoek bij haar nicht te Hebron. Haar lofzang gezongen ter Ere Gods. Haar bepeinzen, wordt spreken, haar spreken wordt zingen, haar lofzang geeft bevindelijke ervaring van Gods goedertierenheên. Zij mag alles bewaren, naast elkaar leggen, niets vergeten. Veel gezien, veel gehoord. Gods Geest doet het haar in het diepste des harten bewaren. Zij verkrijgt indachtigmakende leiding Gods in haar leven. Haar verstand wordt geopend, opdat zij de Schriften zou verstaan. Dat hebben wij allen zo nodig. Verstand met Goddelijk licht bestraald.
Bij dit mediteren uit onze tekst van Lucas 2 : 19, mag Maria's dagboek in het verleden getuigen van rijke genade aan haar ziel geschonken.
Een zegen volle terugblik naar voorbijgegane maanden. De Heere doet meer. Zij ontvangt ook een troostvolle inblik in dit tegenwoordig uur.
De reis naar Bethlehem wordt ondernomen. 36 uren gaans. Zij moesten beschreven worden, Jozef en. Maria hebben wellicht gedacht in Nazareth terug te zijn, voordat zij baren zou. Maar neen, Gods raad en profetie zal vervuld worden. De erfgenaam van Davids troon zal in Bethlehem worden geboren. Daar gebeurt het grote Godswonder der geboorte van de Zaligmaker. Wat weer rijke stof voor Maria om dit Wonder der wonderen te bepeinzen. God uit God, licht uit licht, 't afschijnsel van des Vaders heerlijkheid, 't uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid.
En Hij mens geworden. Ontvangen uit de Heilige Geest. Uit mij geboren, voor mij geboren. De Heere der heerlijkheid neergelegd in de kribbe. In doeken gewonden. Geen plaats in de herberg. Zijn woning een beestenstal.
Van Mozes wordt gezegd, dat hij schoon was. Van Jezus niet. Geen uitwendige heerlijkheid. In dienstknechtgestalte gekomen. Een heerlijkheid door het arme, zondige hart, alleen door het geloof aanschouwd. Geen krans van gloriestralen omringde het Kindeke Jezus in de kribbe, maar met een krans van profetische getuigenissen die zich allen verenigen in de lofzang : „Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder en men noemt Zijn Naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst."
De verborgenheid der Godzaligheid is groot, God geopenbaard in het vlees. Neen Maria, u kunt niet alles bevatten, doch ge moogt zoetelijk overdenken, zalig bepeinzen, heerlijk mediteren ge moogt
bewaren, overleggen 't een bij het ander, omdat de Heere zelf het grote Godsgeheim in uw hart verklaard.
Kerstfeest is het voor haar. Christusfeest bij uitnemendheid. Haar ziel kan onmogelijk de geboorte van Jezus bevatten. Het is een Godsgeheim en diepe verborgenheid. En o hoe wordt haar hart wonderlijk gesterkt als zij daar de eenvoudige Godzalige herders ziet binnenkomen in de stal.
Zij zullen gesproken hebben van de verschijning van de Kerstengel, van het Kerstlied der engelen, van de hemelse boodschap hen gepredikt. De boodschap die zeer bijzonder voor hen bestemd was: .,U is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere in de stad Davids." Zie, dat persoonlijke u daar komt het op aan. Hoe menige oprecht bekrompen ziel moet daar jaren over doen. Dit is de bekommering van 's Heeren bekommerd Zion. Het volle heil in het Kindeke Jezus wordt hier door de herders genoten. En Maria mag aanbidden, mediteren uit dat wondere feit. Hier is aanvankelijk de kerk des Heeren tegenwoordig en de Koning der kerk ligt in de kribbe. Wie kan dat verstaan? Voor ons wordt Bethlehem altijd overschaduwd door de donkerheid van Golgotha. Voor Jozef, Maria en de herders straalt het volle licht van Bethlehem. De eerste Adam geschapen als een volwassen mens, de tweede Adam, de Heere uit de hemel geboren als een hulpeloos Kindeke.
Maria bewaarde al deze woorden, overleggende die in haar hart. Het geloof bewaart de woorden Gods, om er steeds weer over na te denken. Bewaren is voor haar zaak des harten, meer dan van 't geheugen. Haar ziel verlustigt zich in 't gehoorde. Zij is een van de Godvruchtige vrouwen die prediken zonder woord, doch door hun wandel. Men kan ook Gods lof vertellen zonder het woord. Zij bewaart het woord in een eerlijk en goed hart, gereinigd door s Heeren Geest.
Hoe nodig is voor Gods volk, de stille meditatie. Bijzonder in deze gejaagde tijd. Soms in een stil uur op de dag, meer nog een slapeloos uur in de nacht op het leger. Ik noem maar iets. Bijv. de vrjmacht Gods. Wat verstaan we daarmede? Die deugd in God, waarin de Heere zonder enige verdienste onzerzijds naar het zondige schepsel omziet. Wat kan dat wonderlijk de ziel vertederen. Hoe smelt het hart in zalig gevoel. Ik word zalig omdat God het behaagt. Waarom was 't op .mij gemunt, daar zovelen gaan verloren, die Gij geen ontferming gunt. Die vrije gunst die eeuwig God bewoog. De be-
weging van Zijn liefde is door die vrije gunst. God kan nooit bewogen worden door iets van de mens, dan alleen om hem te straffen, nooit om hem te zaligen. Wij mensen worden in onze liefde altijd
aangetrokken door het voorwerp van de liefde. God echter niet alzo. Dat voorwerp is een walgelijk voorwerp. Vertreden in zijn bloed op het veld. Zo vindt de Heere hen en maakt ze levend als in en door Zichzelf bewogen.
Ik noem verder, volk des Heeren, zo nodig om er over te mediteren, onze afwijkingen van de Heere. Wat is de bondsbreuk in Adam geweldig groot. Wat is de val diep en vreselijk. God de gehoorzaamheid opgezegd en zichzelf toegevallen. Dood in de misdaden en de zonden in een verbroken werkverbond voor God te liggen. Daarbij, ga uw leven eens nauwkeurig na. Met David moet ge dan zeggen : „mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven.
'k Heb tegen U, ja U alleen misdreven, Uw wil en wet, hoe heilig stout versmaad."
Overal zonden en schulden. Niet een van Gods geboden gehouden. Steeds tot alle boosheid geneigd. Wat een verlaten van de Heere, de getrouwe God des heils. Wellicht moet u zeggen: vroeger was het mij beter dan nu. Hoe heb ik de eerste liefde verlaten. Ik ben toch zo verachterd in de genade. Ik leef in geestelijke verlatenheid. Er is geen wasdom in mijn leven te bespeuren. Denkt er wel aan dat diepere ontdekking van uw zondige bestaansgrond ook groei is.
O, hoe mag de ziel zich soms verlustigen in het Borgwerk van Christus. Hoe de Vader van eeuwigheid in het verbond der verlossing van de Zoon eiste voldoening aan Zijn Goddelijk recht en te sterven voor Zijn verkoren volk. Hoe de Zoon dat gewillig op Zich nam in het woord: „Zie Ik hem, ik heb lust om Uw welbehagen te doen." Hoe de Heilige Geest dit alles en zoveel meer wil toepassen in zondaarsharten. Het schone avondmaalsformulier zou zeggen: „maar aldus zullen we Zijns daarbij gedenken." Dit nachtmaal is ingesteld tot Zijn gedachtenis.
Hoe vele zijn hare sommen. Let er eens op hoe menigmaal dat formulier spreekt van bedenken, onderzoeken 't hart en 't geweten, overdenken. O hoe kan dat mediteren over het volbrachte werk van Christus de ziel verkwikken. En dat voor mij, de minste der heiligen en de grootste der zondaren. Door de Heilige Geest ingeleid te worden in de dierbaarheid van die Middelaar. Dan roept de ziel wel uit: ,,al wat aan Hem is, dat is gans begeerlijk."
En om niet meer te noemen. Meditatie in het genieten van het uitzicht naar het zalig hemelleven. „Maar 't blij vooruitzicht dat mij streelt, ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aan-
schouwen, verzadigd met Uw Goddelijk beeld." Daartoe dient ook om Gods wegen en leidingen te overdenken. Daarin straalt Gods wijsheid uit. 'k Zal gedenken hoe voor dezen, ons de Heere heeft gunst bewezen.
Zie, als nu velen zich verwonderen over hetgeen de herders vertellen, de herders zelf God prijzen, dan mag Maria al die woorden bewaren, overleggen, bemediteren in haar hart. En dat bewaren heeft ook rijke betekenis voor haar toekomst. Want in de toekomst zal zij nog menigmaal overvloedig gelegenheid verkrijgen om de verborgenheden Gods in te denken.
Een hoopvolle heenblik naar haar toekomst.
Denkt het even in als haar Kindeke besneden wordt. Dit moet gebeuren naar het Goddelijk bevel. Voor Jezus was de besnijdenis een geheel enige, in tegenstelling met anderen. Er behoefde voor Hem geen bloed te vloeien. Hij had geen behoefte aan een nieuw hart, want Hij is heilig. Echter belast met de schuldenlast Zijns volks, droeg Jezus hun zonden. Zij wees ook heen naar de besnijdenis des harten door de Heilige Geest. Die is een jood, niet die het in 't openbaar is en slechts uiterlijk, doch die het in het verborgen is, wiens lof is uit God.
Bij die besnijdenis ontving Jezus Zijn Naam.
O, voor Maria is niet alles duidelijk, doch zij wordt ingeleid, en haar peinzenden geest zal ook hier alles overdacht hebben.
Wij denken aan de voorstelling in de tempel. Bij de geboorte van haar Kindeke was zij veertig dagen onrein. Ten einde van die dagen moesten zij komen voor Gods Aangezicht met het offer van een éénjarig lam. Daar zij arm waren was het genoeg een paar tortelduiven of twee jonge duiven te offeren. Waarom moesten zij offe- ren en wat betekende dit alles,? Rijke Goddelijke zaken, Maria Jezus heeft Zich onder de wet gesteld. Die vogelen werden gedood in de plaats van de offeraar. Jozef en Maria hadden moeten in de dood gaan. Zij echter vrijgesteld en het dier ten offer gegeven. Ook voor sparing van het Kindeke moest thans een offerdier sterven. Zelf heilig en onbesmet, doch Borgtochtelijk en plaatsbekledend onrein, is Hij hier gespaard, doch zou eenmaal sterven. Is het een maal Maria geweest die overleide hoedanig de groetenis van de Engel Gabriël mocht betekenen, ook hier en bij de besnijdenis en bij de voorstelling in de tempel zal haar geest wel hebben overlegd en gebeden: „O Heere, doe mij dit alles verstaan. Geef mij de zalige vrucht van deze dingen in mijn hart te genieten." We lezen niet van een woord door haar gesproken, toch haar ziel bepeinst Gods wonderdaan, Ze zijn onmogelijk na te gaan.
En dan verschijnt op eenmaal de oude Simeon in de tempel. De Priester zwijgt en de Profeet neemt het woord. Hij kondigt de Christus aan als de Zaligmaker van heidenen zowel als joden. Is het wonder dat Jozef en Maria Zijne moeder zich verwonderden over hetgeen van Hem gezegd werd. Vergezichten worden hier geopend, die terug doen denken aan de woorden der oude Profeten. Veel om in te denken, veel om te gedenken voor God in haar eenzaam gebedsleven. Jezus zou een teken zijn, dat wedersproken zou worden. Hij zal zijn tot een val en tot een opstanding. De mens van nature valt over de Christus, dood als hij is in de misdaden en de zonden. Om als een arm ontbloot zondaar uit vrije genade gezaligd te worden, ligt de mens niet. Dan is Hij een steen des aanstoots, der struikeling. Wat zal ik met Jezus doen, sprak Pilatus en dat zeggen wij ook zonder het ware Geesteslicht der ontdekking. Gesmaad, gehoond, belasterd als bondgenoot des duivels is Hij, die juist kwam om de werken des duivels te verbreken.
Doch ook door het vertroostende licht des Heiligen Geestes, krijgt de ontblote ziel, die alle valse gronden verliest oog op de gezegenden Middelaar. Levendmaking, wedergeboorte, inlijving in de Borg, ziet daar de opstanding van de nieuwe mens.
Simeon zegende Jozef en Maria. God de Heere kan de zegen alleen schenken, doch Simeon bidt om dien zegen en wenst die van harte ook toe. Die zegen heeft inzonderheid Maria zo nodig. Jozef is wel heengegaan als Jezus gekruisigd werd, doch Maria zal dan het zwaard door haar ziel voelen gaan. De gedachten des harten zullen ten opzichte van de Christus openbaar worden. Gedachten des harten. Ja, Simeon vergist zich niet. Geen gedachten des verstands, van het geheugen, 't herinneringsvermogen, doch juist gedachten des harten. Het hart moet zich uitspreken en dat spreekt zich uit, tegen de Heere en door de Borg bediend te worden ten eeuwigen leven.
Maria luistert toe, zij overlegt alles, spreekt hier niet, de voorraad haars harten wordt gedurig groter, de gedachten haars harten vermenigvuldigen zich. Wat zal ze later in meditatie der ziel menigmaal hebben herdacht ook het woord van de grijzen Profeet. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis. Heel weinig woorden, uitgezonderd dan haar lofzang zijn ons in de Schrift van haar bewaard. Doch het is genoeg. Rijke bediening des Geestes is in haar bepeinzen haar zalig en onverliesbaar goed. Het wordt door God bewaard.
En daar treedt op eenmaal de profetie van Simeon in vervulling: „een licht tot verlichting der heidenen.” O, hoe is de Heere een Waarmaker van Zijn Woord. Voor de Israëliet moeilijk te aanvaarden, dat ook uit de heiden tot God zouden bekeerd worden. Zij zal er voor ingewonnen worden, als God licht schenkt in haar ziel. Daar komen de Wijzen uit de oosterse landen, geleid door de ster naar Bethlehem. Niet in de stal, doch in een huis, wellicht wel van een der herders, daar vinden zij het Kindeke en Zijn Moeder. In de stal van een ander geboren, in de kribbe van een ander terneder-gelegd, hier in 't huis van een ander vertoefd. In Kapernaam later gewoond in 't huis van Simon. Begraven in het graf van een ander, nl. Jozef. Diep vernederd, gehoorzaam tot de dood, minder dan vossen en vogelen.
O wat is Gods volk duur gekocht. Jezus had inwoning bij een ander, opdat Zijn volk eens eeuwig zou inwonen bij Hem. Zie in dit huis richt de Heere nu Zijn tempel op en de Wijzen worden hier de aanbidders van dit Kindeken. Liefelijk gezelschap. Maria's dagboek van stille bepeinzingen wordt groter en rijker. Zelf arm en tot lagen staat gekomen, zorgt de Heere ook voor de stoffelijke noden. Geschenken verkrijgen ze, ook goud, zo nodig voor de reis naar Egypte.
Want zij moeten alle drie evacueren uit Azië naar Afrika. Wat een weg toch voor hen. Herodes zint op moord. De Heere maakt het Jozef in de droom bekend, Jozef vertelt het aan zijn Maria. 'Denkt het een ogenblik in wat dat toch wel geweest is. Verblijf,-plaats in een ander en onbekend land tot de dood van Herodes. Waartoe toch dit alles ? Mij dunkt zij ziet terug op voorbijgegane tijden en de taal des dichters zal ook voor haar niet onbekend zijn geweest :
„'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voor dezen,
Op mijn snaren had geprezen;
'k Overleide in diepe smart,
's Nachts .met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht de reden,
Waarom God die tegenheden
Mij in zulk een mate zond,
En wat mij te duchten stond.

Zou de Heere Zijn gunstgenoten,
Dacht ik, dan altoos verstoten ?"
Neen Maria, dat doet uw God niet, doch de weg van uw Kind is een lijdensweg om 't recht Gods te voldoen voor al Zijn gekenden en gij zelf moet door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk
Gods. En wat uw Kindeke betreft, denkt hier aan. Israël had in Egypte zijn Farao, die het verdrukte. Uw Kindeke zijn Herodes, die Zijn dood zocht. Jezus moet kunnen zeggen: ook Ik ben in Egypte geweest, gelijk Israël. De profetie moest worden vervuld: „Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen."
Gods Raad wordt volbracht en de Heere trekt Zijn gekenden, die liggen onder het zegel der verkiezing, uit het diensthuis der zonde, opdat zij zouden ervaren: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, dan zult gij waarlijk vrij zijn." Maria, Maria wat een stof ter meditatie, de eeuwigheid zal veel, wat hier duister was, opklaren.
Ook uw gang naar de tempel op het Paasfeest, toen uw Kind 12 jaren oud was. O, daar was het dat Maria heerlijk onderwijs van haar Kind ontving. Zij vond Hem in de tempel, niet als Leraar, doch als leerling. Daar stelde Hij vragen en daar werden vragen door Hem beantwoord. En als Zijn moeder dan de vraag stelt: ,,Kind! waarom hebt gij ons zo gedaan ? Zie uw vader en ik hebben U met angst gezocht", dan antwoordt het Kind : „wat is het dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders." Neen, Jozef is mijn Vader niet, slechts pleegvader, doch God in de hemel is Mijn Vader. Hier op aarde is de tempel Zijn huis waar Hij woont. Nu behoefde gij Mij niet te zoeken, want Ik kan alleen zijn in het huis Mijnsi Vaders.. Ik spreek de woorden Mijns Vaders en Ik doe de werken des Vaders. Een kind immers is toch thuis in des Vadershuis. O, geliefden, hier ligt de troost voor het ontdekte, gans ontblote zondaarshart, dat er door Christus is een geheel afgewerkte zaligheid. Dit eerste Woord uit Jezus' mond, dat op getekend is, verklaart op gans bijzondere wijze hoe getrouw Jezus is om hetgeen de Vader Hem. opdroeg, en waarvoor Hij Zich gaf in het verbond der verlossing, ook uit te voeren. Maria heeft een gedachte meer in haar overleggend hart. O, wondere zaligheid. Ik zie het, maar doorgrond het niet.
Maria moet steeds maar weer nieuw onderwijs van Jezus ontvangen. Als er op ` de bruiloft wijn ontbrak, spreekt zij in haar moederlijke zorg uit : „zij hebben geen wijn." Doch Jezus zeide tot haar: „Vrouwe, wat heb Ik met u te doen?" Eigenlijk staat er: „Wat is er tussen Mij en u?" De zo zwijgzame stille ziel, moet hier leren nog stiller en luisterende te zijn dan zij reeds is.
Zij is vrouw, en zij moge de gezegende zijn, zij is niets meer dan anderen en moet als ieder adams kind gezocht en gezaligd worden.
Gezaligd en van zonde verlost door de Enige Middelaar. Jezus gaf haar te verstaan, dat Hij slechts een gehoorzaamheid kende en dit is aan Zijn Vader in de hemelen. Ofschoon uit Juda's stam toonde Hij de ware Priester te zijn, die tot zijn vleselijke verwanten zeide: „Ik ken u niet, want zij onderhielden Uw Woord en bewaarden Uw verbond."
De Heere noemt in de Schrift Maria nimmer Zijn Moeder. Zij wordt gescheiden, niet van Zijn Persoon, doch van Zijn Ambt. Maria heeft de Goddelijke wenk verstaan door Geesteslicht. Getuige haar spreken : „Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
Rome wijst van Jezus af naar Maria. Doch Maria zelf wijst van zichzelf af naar Jezus. Hem belijdt ze als de Leraar der gerechtigheid. In deze geschiedenis hebben we haar laatste woord, dat in de Heilige Schrift is opgetekend. Veelzeggend ! Haar schatboek van stille bepeinzingen wordt meer vervuld. Reeds voor haar Kerstfeest, voor de geboorte, Kerstfeest ook steeds voller na de geboorte, ook van haar Zaligmaker.
De Kerstfeestvierende, mediterende Maria mag in haar geestelijk overdenken beleven en bezingen, en komt stemmen ook wij daarmee in van Psalm 119: 84:
Mijn ziel beaart Uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen;
Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis,
Door zijnen smaak en hart en zinnen strelen.
Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;
k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
Toepassing.
Zo hebben we, geliefden, iets mogen zeggen over de Kerstviering van de mediterende Maria. Hoe staat het nu met u?
In de eerste plaats een woord aan u die nog nimmer met diepe levensernst hebt gedacht over het heil van uwe onsterfelijke ziel. Ge leeft alsof er geen God en geen eeuwigheid ware. Zeker gelooft ge wel dat God er is, doch het dringt nooit tot u door dat ge eenmaal voor die God verschijnen moet. Want wat is sterven? Sterven is God ontmoeten. God die vlekkeloos heilig is. En dat zal zonder Borg, vreselijk zijn in 't gericht. Uw geweten klopt wel eens, ge zijt bang voor straf, doch gewetensovertuiging laat geen wezenlijke vrucht na. Feitelijk denkt ge alleen over de dingen van deze tijd. Een goede werkkring, vooruitkomen in de wereld en al wat daarmede in verband staat. Terwijl ge deze letteren leest of hoort lezen, maakt ge in uwe gedachten reeds plannen om te emigreren en dan zo spoedig mogelijk met de dollars van Amerika rijk te worden. En uw goed, wiens zal het zijn? In de doodsure?
Er zijn er, bij wien de opvoeding en het onderwijs nog wel iets zeggen, doch daar blijft het bij. Geen arm zondaarsleven, geen schuldgevoelend hart, geen ware begeerte tot de dienst des Hee-ren, geen zaligmakend geloof om in Jezus gevonden te worden. De Heere komt met Zijn liefelijke, welmenende nodiging tot u in het rijke evangelie. De Heere verbreke uw vijandschap en doe n treden in de rechte sporen. Begrijpt het goed, ge zijt schuldig, hebt de eeuwige dood verdiend. Ge zijt verantwoordelijk voor uw verderf.
De Heere maakt Zich vrij van uw bloed. En ook hier wordt het u ernstig aangezegd.
Bekommerden van hart. Gij zijt tot inkeer gekomen. Gij stond stil op uw levensweg, keek om, vooruit, links en rechts en ge bemerkte dat de weg, die gij ging, de verkeerde weg was, de weg des doods naar het eeuwig verderf. En ge keerde terug om de rechte weg in te slaan. Dit geschiedde door Gods ontdekkende Geest. Nodig is voor u dat 's Heeren licht er over schijne. Twee delen van de waarachtige bekering zijn altijd: verandering, een gehele omzetting in de gedachten en dan ook een vernieuwing in de levenswandel. Denkt aan de verloren zoon, die de behouden zoon werd en de oudste zoon, die verloren ging.
Ja, inderdaad de gedachten. O, wat zijn die zondig. Diepe Geestesbediening doet kennen de vreselijke wereld der zondige gedachten. Nergens is de zondigheid meer te gevoelen dan juist in de overleggingen. Wat kan er al wat in de geest opkomen. Juist 't tiende wetwoord handelt over deze krachten van 't hart. Hoe nodig is ook hier het alverzoenend bloed des kruises tot reiniging der ziel te bevinden. Wat een ijdele dromen soms! O, hoe kan de ziel ook hier 't diep bederf des harten ervaren.
O, hoe kan ook een godvruchtige peinzen over de wonderlijke wegen van Gods voorzienigheid. Zie het bij Asaf: „dan peinst de ziel: is 't waar ? Zou God ook weten van mijn droevig lot.".
Nochtans heb ik met al mijn kracht
Die Godsregering overdacht;
Maar 't was een stuk dat in mijn oog,
Mij moeilijk viel en veel te hoog,
Ook in een andere psalm klaagt de zanger aldus. Als mijn ziel aan God gedacht, loosde ik niet dan klacht op klacht. Peinsde ik aan mijn vruchteloos kermen, vruchteloos roepen om ontferming, dacht ik hoe God anders helpt, mijne ziel werd overstelpt. Hij voelt zich van God verlaten in de nacht der verlorenheid, als de slaap van zijn ogen wijkt. Hij die ook in verledene tijden, andere ogenblikken had van dicht bij Jezus te mogen zijn. Daaraan denkt hij.
'k Dacht hoe ik God met vreugd voor dezen, op mijn snaren had geprezen; 'k overleide in diepe smart, 's nachts met een mistroostig hart. In geestelijke godsverlating, in verachtering in de genade, heeft de satan grote kracht. God bewaart de ziel des eenvoudigen.
Dat is de troost van de levende kerk. God houdt hen vast, laat ze nooit los.
Maria is de peinzende Godvruchtige. In haar Kerstfeestviering kreeg zij veel licht om Gode te gedenken. In latere tijden, tot haar sterfdag toe, zal ze nog menigmaal rijke stof ontvangen hebben om de woorden Gods te bewaren, overleggende die in haar hart. Het gebeurde eenmaal, dat Zijn broeders en ook Jezus' moeder, Hem hebben geroepen. Als dat Jezus werd geboodschapt, dat Zijne verwanten Hem zoeken, dan antwoordt Hij: „Wie is Mijn Moeder of Mijne broeders." Jezus wijst dan op de geestelijke geloofs- en familieband, sterker dan de aardse bloedbanden. Gemeenschap der heiligen, Maria, wat weer een zalig punt van mediteren. De belijdenis zou later uitspreken, niet ik zie ('t wordt niet altijd gezien), doch ik geloof de gemeenschap der heiligen.
Straks staat zij bij het kruis van Christus. Simeon's profetie gaat in vervulling. De smart des kruises is het zwaard in haar ziel. Zij moet er voor ingewonnen worden. Als dat gebeurt, ervaart zij de heerlijkheid des kruises. Van de aarde verhoogd (nl. aan het kruis), trekt Jezus ook Maria tot Zich. Maria, kribbe en kruis behoren bijelkaar. Het is de weg Zijner diepe vernedering, om de toorn en de straf Gods te dragen en aan Gods recht te voldoen. Verzoening door voldoening. Als de gelovigen van ouds de terugwerkende kracht van Jezus' kruislijden hebben ervaren, waren ze daarin zalig. Het wezen van het genadeverbond is een, al is de bedeling onder-' scheiden. Maria heeft haar lofzang reeds mogen zingen 33 jaren voor het kruislijden van Gods Zoon, die leed in zijn menselijke natuur.
Maria zien we ook tegenwoordig als de discipelen tussen hemelvaart en Pinksteren bidden om de Heilige Geest. Dat is de kroon des Heilands, verhoogd aan 's Vaders rechterhand. De Geest is in het arme, schuldige zondaarshart de Grote Toepasser van het werk van de Christus.
Die Geest doet mediteren, doet bidden, doet spreken, doet zwijgen, doet zingen van de wegen des Heeren. Die Geest ontdekt, ontbloot, maakt arm, ontgrondt, doch legt ook de enige, grond der zaligheid Christus Jezus.
Volk des Heeren. Een prediker riep eens: Kind van God, mediteert ge nog? Onze tijd vraagt veel gebed, minder praten, veel Gods lof vertellen. Dat de Godgezinden in Gods wijnhuis mogen ingeleid worden, in de binnenkameren des Konings, om daar te proeven, en te smaken dat de Heere goed is, voor een slecht volk.
Dan indenkend het grote Godsgeheim van de komst van Gods Zoon in het vlees, met wat daarop al is gevolgd, toegepast en verklaard in de ziel door Gods Heilige Geest, zal de ervaring mogen zijn:
„Hij wou Zichzelven schenken.
Voor mij die Hem verliet.
Ik poog' het in te denken
Maar ach...... ik kan 't niet.
Amen.
Psalm 25 : 7.


December 1953