De zonde tegen de Heilige Geest.
Predikatie door Ds. P. DE SMIT.
Ps. 119 : 5
Lezen: Marcus 3 : 22—einde
Ps. 51 :6en7
Ps. 19:7
Ps. 95 : 5
Voorwaar ik zeg u, dat alle de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
Marcus 3 : 28 en 29.
Het ia een diep ernstig onderwerp, dat ik in deze ure ga inleiden: „De zonde tegen de Heilige Geest".
Het is ook heel moeilijk precies te zeggen, wat wij daaronder hebben te verstaan. Toch is het wel noodzakelijk. Vele mensen lopen met de vraag: „Wat is deze zonde?" Anderen worden er ' heftig mee bestreden. Die bestrijding is dikwijls zo angstig groot en zo benauwend, dat zij bekommerd voortgaan en soms tot wanhoop dreigen te geraken.
Jongen en ouden zijn bij mij geweest, liefst laat in de avond, om mij te vragen: „Zou ik de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven ?".
Wij willen het Woord van God laten spreken.
Wij willen daar troost bieden, waar God bemoediging wil geven. Maar wij willen ook ernstig waarschuwen om voorzichtig te zijn.
De satan gaat rond als een briesende leeuw. Hij loert op onze ziel. Hij heeft een kleine tijd. Doch zal die tijd benutten. Bovendien hebben wij een arglistig hart, dat ons ten dode heenvoert. Een en ander noopt ons in de Heilige Schrift door te dringen, opdat we in deze gewichtige zaak een helder licht mogen bekomen. De Heere Jezus heeft van deze zonde gesproken in de woorden var onze tekst. En wij willen die woorden met elkander nagaan.
DE ZONDE TEGEN DE HEILIGE GEEST.
1. De schrikkeljkheid van deze zonde;
2. De onvergeefljkheid van deze zonde;
3. Een vertroosting tegen deze zonde.
1. De schrikkelijkheid van deze zonde.
Ik moet beginnen met u te zeggen, dat feitelijk alle zonden verschrikkelijk zijn. Niet één uitgezonderd. Gij moet dus nooit een kleine gedachte over de zonde koesteren. Elke zonde is een aanranding van de eeuwige, allerhoogste Majesteit Gods, en heeft daarom de eeuwige dood verdiend. Al zoudt ge maar éne zonde hebben en al zoudt gij nooit de zonde tegen de Heilige Geest bedreven hebben, ge zoudt door die éne zonde wegzinken in de eindeloze rampzaligheid. En wederom, al zoudt ge maar éne zonde hebben, zo hebt ge nochtans behoefte aan het volkomen Borgwerk van de Heere Jezus, opdat die éne zonde in zijn bloed worde weggewist en gij in Jezus Christus rechtvaardig voor God moogt zijn.
Het moet dus van meetaf op de voorgrond staan, dat elke zonde schrikkelijk is en des eeuwigen doods waardig.
Maar...... de zonde tegen de Heilige Geest rijst boven alle andere zonden uit. Die is het allerverschrikkelijkst!
Zoals de Dom van Utrecht boven alle huizen en gebouwen uitsteekt, zo rijst de zonde tegen de Heilige Geest boven alle andere zonden uit.
Zoals de Jungfrau in Zwitserland zich verheft boven alle bergen rondom haar, zo is deze zonde afgrijselijk meer dan alle andere zonden.
De Heere Jezus heeft dit wel duidelijk verklaard in de woorden van onze tekst: „Voorwaar ik zeg u, dat alle zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden. en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben ; maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels".
Let er op, hoe de Heere Jezus dit woord plechtig met een „voorwaar" inleidt. Dat is een eed. En niet minder ernstig is ook het besluit: „geen vergeving, maar schuldig des eeuwigen oordeels".
Nu wordt de zonde tegen de Heilige Geest hier genoemd een lasteren.
Wij moeten hier enig onderscheid maken. Er zijn verschillende zonden tegen de Heilige Geest. Toch zijn die alle niet de onvergeeflijke zonde. Er is een bedroeven van de Heilige Geest.
Paulus waarschuwt daartegen in zijn brief aan de Efeziërs. „En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing". Dit is vooral de zonde van Gods kinderen, Zij bedrijven deze zonde, wanneer zij het werk des Heeren in hunne harten ontkennen. Hoe gemakkelijk kan dat gebeuren. Als het duister is, dan cijferen zij soms alles weg. Dan hebben zij in het geheel geen houvast meer. Maar toch, zij mogen dat niet doen. Het werk van God is zo heerlijk. Het is wondervol en zalig. Kunt gij er niet bij? Ziet gij er niets van? Hebt ge geen steun en geen vreugde meer? Laat dan dat werk Gods stilletjes rusten. Maar misken het niet. Vraag de Heere om licht en versterking. Dat is beter. Anders zult ge de Heilige Geest bedroeven.
Er is ook een uitblussen van de Heilige Geest.
Daarvan lezen we in de brief aan de Thessalonicenzen. „Blust de Geest niet uit". Dit is alweer een zonde, die vooral aan de kinderen Gods eigen is. Zij hebben de Heilige Geest in hunne harten ontvangen. Die Geest des Heeren verricht zulk een lieflijk en teer werk in hun binnenste. Hij ontsteekt daar een vuur van liefde tot God. Het is alsof er kleine vlammetjes branden. We kunnen die aan- wakkeren door het gebed, door het lezen in Gods Woord en door het opgaan in Gods huis. Maar, we kunnen die vlammetjes ook uitblussen. Als we de hand reiken aan de wereld. Als we een zonde in ons hart koesteren. Als we het gebed nalaten, of in onze opgang naar het huis van God slordig worden. Dan is het net, of we water' gieten op die vlammetjes des Heiligen Geestes. En daartegen waarschuwt de apostel hier, op zulk een aandoenlijke wijze: „Blust de Geest niet uit".
Er is verder ook een wederstaan van de Heilige Geest.
We vinden daarvan gesproken in de geschiedenis van Stefanus.
Deze godvruchtige diaken stond tegenover de nijdige joden.
Hij predikte van Gods wondere wegen met zijn volk van ouds.
Hij wees hen op Gods rijke genade. Maar die joden werden woest. Zij vielen op Stefanus aan. Zij waren belust om hem te vermoorden. Dus hebben zij zich verzet tegen het Woord van God, dat tot hen gebracht werd. Zij wederstonden dat woord. Stefanus slingert het hun dan ook in het aangezicht: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest, gelijk uwe vaderen alzo ook gij". Dit wederstaan van de Heilige Geest is bizonder de zonde van de onbekeerde mens, die het Woord Gods hoort, maar die dat Woord wegschuift, er niet van weten wil, het wederstaat. Wij mogen daarop wel goede acht nemen. Want wij verkeren zo dikwijls onder het Woord. Hetzij in Gods huis, of in onze eigen woning, als dat Woord gelezen wordt. Dan moeten wij er dus ernstig op toezien, dat wij ons niet tegen dat Woord van God verzetten.
En om nu nog een laatste voorbeeld te noemen, zo is er ook nog een liegen tegen de Heilige Geest. Die zonde werd bedreven door Ananias en Saffira. Zij leefden in de eerste christengemeente te Jeruzalem. Dat was de Pinkstergemeente. Daar was zulk een teer geestelijk leven. De Heilige Geest werkte daar op een buitengewone wijze. De discipelen waren met de Heilige Geest vervuld. Er was een heilige gemeenschap van goederen. Sommige christenen verkochten hun have en goed en zij legden de opbrengst daarvan aan de voeten van de apostelen. Ananias verkocht ook zijn have, En hij bracht het geld aan de voeten der apostelen. Maar hij gaf niet alles. Hij' deed wel alsof hij alles gaf. Maar hij was met zijn vrouw overeengekomen om een deel aan de som te onttrekken. Hij had de Heere niet in waarheid lief. Hij zag er niet tegenop om pertinent te liegen tegen de apostelen en tegen de gemeente. Dat was een lelijk kwaad. Petrus zegt het met diepe verontwaardiging: ,,Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt? Gij hebt niet de mensen gelogen, maar Gode". Wij denken er niet veel aan, maar hier wordt het ons geleerd, dat het een grote zonde is te liegen tegen de ambtsdragers en tegen de gemeente. Dat is een liegen tegen de Heilige Geest.
Zo blijkt het nu duidelijk, dat er verschillende zonden zijn tegen de Heilige Geest. Maar niet alle zonden zijn de onvergeeflijke zonde.
De Heere Jezus heeft die zonde klaar en helder onderscheiden van die alle in de woorden van onze tekst, als Hij spreekt van een lasteren tegen de Heilige Geest.
Lasteren ! Dat is vreselijke taal uitslaan ; kwaadspreken op een ergerlijke wijze ; uitschelden ; een blaam over iets werpen ; iets wat heel mooi is, bedekken, zodat het lelijk wordt en al het schoon jammerlijk ten gronde gaat. Dat is nu de schrikkelijke zonde tegen de Heilige Geest, de lastering tegen de Geest. Het is die Heilige Geest beschimpen, bespotten, bezoedelen, bedekken, zodat het schone, het majestueuze van de Geest Gods niet meer gezien wordt; zodat zijn luister niet meer doorblinkt. O, wat is dit een schrikkelijke zonde.
Wie is de Heilige Geest?
Hij is de derde Persoon in het heilige, aanbiddelijke Wezen Gods. Zelf eeuwig en waarachtig God met de Vader en de Zoon. Wat doet de Heilige Geest?
Hij verricht het werk der zaligheid aan het hart des zondaars.
Hij doet dat op zulk een innemende wijze, zo zacht, zo Iieflijk.
Het is de Geest van God die het zondaarshart week maakt.
Hij leert ons tranen storten over onze zonden. Hij geeft ons diepe indrukken van Gods deugden, zodat wij God leren kennen als een algenoegzaam en volzalig Wezen. En nu, die Heilige Geest te blameren, te vloeken, te schelden. En nu een floers te werpen over dat goddelijke werk. Hoe schrikkelijk is dat.
Het is de Heilige Geest, die ons doordringt van de noodzakelijkheid der bekering ; die ons aangordt tot het gebed. Hij doet het ons zo diep en klaar gevoelen, dat we de genade Gods nodig hebben en dat God zulk een barmhartig en goedertieren Wezen is. En nu die Geest te bezoedelen en dat zachte, goddelijke werk te vertrappen en te vernielen en er brutaal over te spreken, zodat het belachelijk wordt. Dat is ontzettende zonde : de lastering des Heiligen Geestes.
Onze Catechismus leert ergens, dat lasteren het eigen werk de," duivels is. Het gaat daar over lasteren en belasteren van onze medemensen. Als dit dan reeds het werk des duivels genoemd wordt, - hoe moet men dan het lasteren tegen de Heilige Geest noemen ?
Ontzettend toch, dat de mens zo diep gevallen is, dat hij tot deze ergerlijke zonde kan geraken.
Hoe zal ik het voorstellen?
Een mens is een boos schepsel. Zijn hart is als een diamant zo hard. Zijn nek is als een ijzeren zenuw.
Toch gebeurt het, dat die mens in de kerk neerzit en dat zijn hart week wordt onder de prediking. Tranen stromen over zijn wangen. Hij neemt zich voor, straks naar huis te gaan en de binnenkamer op te zoeken. Daar zal hij God aanroepen om genade en vergeving.
Dat is een werk des Geestes, zij het dan ook een algemene werking.
Nu gaat die mens naar huis. Klaar...... hij zoekt de binnenkamer niet op; hij buigt niet voor God neder en smeekt niet om genade. Integendeel, hij begint te spotten. Hij lacht wat om die ontroering in de kerk. Hij lacht zijn bewogenheid weg. Hij zegt: Dat alles was van de duivel en niet van God. O, hoe afschuwelijk is dat, hoe door en door goddeloos. Dat begint op de zonde te lijken, die ons hier getekend wordt.
We moeten hier eerst letten op het verband.
De Heere Jezus gaat voort in het heilige land.
Een vloed van zegen doet Hij neerdalen over ellendigen.
Zieken maakt Hij gezond; bezetenen bevrijdt hij van de duivel. Het zijn machtige wonderen die de Heere verricht.
Alle mensen zijn er verbaasd over. En is dat niet om in lofzangen uit te breken? De Farizeërs echter zijn niet blij. Zij zijn boos en grimmig. Zij beginnen de Heiland uit te schelden en te beschimpen. Tenslotte durven ze beweren, dat de Heere Beëlzebul heeft en dat Hij door de overste der duivelen de duivel uitwerpt. Ziet, dat is god-onterend. Vlak daarop heeft de Heere Jezus gesproken over de lastering van de Heilige Geest. Dat wil dus zeggen, dat de zonde tegen de Heilige Geest, de onvergeeflijke zonde, die zonde is, waar men het werk des Heeren toeschrijft aan de duivel.
Het is de Heilige Geest, die ons de Heere Jezus aanwijst.
Hij geeft ons de Heere Jezus te zien in zijn zegenend en zaligend werk. Hij drukt het op onze harten : „Dat is nu de Messias, de Zaligmaker van God gezonden". En dan tegenover dit getuigend werk des Heiligen Geestes te zeggen : „Het is niet waar. Het is de Zaligmaker niet. Dat zijn geen werken Gods die Hij verricht. Hij heeft Beëlzebul. Hij werkt door de duivel".
Dat is de schrikkelijke zonde, die hier getekend wordt: de lastering van de Heilige Geest.
Van een Engels prediker las ik, dat hij veel over deze zonde nadacht. Hij zat met enkele vrienden aan een tafel. Op die tafel een vaas met rozen. Opeens vroeg de leraar: „Wie heeft deze bloemen doen groeien ? Wie gaf haar die schone klederdracht en prachtige kleuren ? Wie bedeelde haar met die verrukkelijke geuren ?".
Van alle zijden klonk het antwoord hem tegen: „De Heere, de Heere". „Juist", antwoordde de leraar. En hij voegde er aan toe: „Mijne vrienden, ik ben een groot zondaar. Ik ben zeer diep gezonken. Ook heb ik vele, snode zonden bedreven. Maar, ik zou toch niet durven zeggen, dat de duivel deze bloemen geschapen heeft, want dat zou heenvoeren naar de zonde tegen de Heilige Geest. Neen, mijn lieve, hemelse Vader heeft ze gemaakt".
Misschien is dit wat te scherp gezegd, maar er begint zeker enige tekening te komen in dit ernstig woord en wij krijgen nu enigermate besef van de schrikkelijkheid dezer zonde.
Deze zonde wordt in de Heilige Schrift met verschillende namen genoemd.
Wij vinden er reeds van gesproken in het Oude Testament.
In Num. 15 : 30 wordt gewezen op de zonde met opgeheven hand.
En er wordt van verklaard, dat er geen vergeving is voor die zonde. Wanneer iemand die zonde bedreven had, hetzij Israëliet of vreemdeling, hij moest uitgeroeid worden.
Zonde met opgeheven hand. Gij voelt daarin de bruutheid des mensen. Moedwillig verzet hij zich tegen God. Hij daagt God als het ware uit. Hij heeft tot doel God te weerstreven en opzij te duwen. Ziet hem voortgaan op zijn weg. Hoort hem betuigen: „Ik stoor mij niet aan God. Ik zal mijn eigen gang gaan. Ik zal mijn eigen heer en meester zijn." De haat gloeit in zijn ogen. De gramschap heeft zijn hele gezicht verwrongen.
In de brief aan de Hebreën schijnt de apostel daarop terug te wijzen.
In het tiende hoofdstuk vers 26 spreekt de apostel van een willens en wetens zondigen. „Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft daar geen slacht- offer meer over voor de zonde, maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs."
Willens zondigen met de kennis der waarheid. Ziet u wel?
Dat is dus wetens en willens zondigen. Dat is een onvergeeflijke zonde.
Hoe scherp wordt de zonde tegen de Heilige Geest hier belicht.
En hoe schandelijk komt de daad van de schriftgeleerden hier in Marcus 3 uit. Zij kenden de waarheid. Zij aanschouwden de Heere Jezus. Zij mochten zijn woord beluisteren en zijn wonderen gadeslaan. En toch durfden zij schimpen: „Hij heeft de duivel, Beëlzebul en hij werpt de duivel uit door de overste der duivelen." Is dat niet een willens en wetens zondigen?
Paulus heeft ook zwaar gezondigd. Hij heeft willens gezondigd. Hij wilde de Heere Jezus vervolgen.
Willens heeft hij de kinderen Gods gemarteld.
Willens heeft hij de gemeente des Heeren uit elkaar geslagen. Maar hij heeft het onwetend gedaan. Hij meende Gode een dienst te doen.
Later heeft Paulus er zich meermalen op beroepen, dat hij niet geweten heeft, wat hij deed.
Petrus heeft evenzeer zwaar gezondigd in de zaal van Kajafas.
Tot driemalen toe heeft hij de Heere Jezus verloochend met vloeken en eden. Petrus wist wat hij deed. Petrus wist wie de Heere Jezus was. Hij wist het best dat hij de Heere toebehoorde. Daar was hij diep van doordrongen. Petrus heeft wetens gezondigd. Maar hij heeft het niet willens gedaan.
Hij was in de knel gekomen. Hij was doodsbenauwd en vreesde voor zijn leven. Dat was alles zijn eigen schuld, zeker. De Heere had hem gewaarschuwd. Hij wist alles. Maar, hij wilde die zonde niet. Dat blijkt wel duidelijk uit zijn heengaan uit die zaal. Daarom mag hij zich er later op beroepen voor de Heere op het strand van de zee van Tiberias : „Heere, gij weet alle dingen, gij weet, dat ik U liefheb."
Deze zonde wordt verder ook genoemd een afvallig worden. Hebr. 6.
Ieder onzer kent die sombere passage, waarin gesproken wordt van mensen, die heel hoog hebben gestaan, die verlicht zijn geweest, die de hemelse gaven hebben gesmaakt, die des Heiligen Geestes zijn deelachtig geweest, die genoten hebben het goede woord van God en de krachten der toekomende eeuw.
Men zou geneigd zijn te denken: dit zijn gelukkige kinderen Gods. En toch vertelt de apostel, dat ze afvallig worden. Zij gaan weer de wereld in. Zij kiezen de duivel boven de Heere, de zonde in plaats van gerechtigheid, de bioscoop boven de kerk, een roman in plaats van het Woord van God, de afgoden instee van de eeuwige en waarachtige God.
Zij bezaten slechts algemene gaven des Heiligen Geestes. 't Was niet blijvend en beklijvend. 't Ging weer voorbij. Al het licht in hen werd weer verduisterd.
Al hun kennis was oppervlakkig. Ze zat niet in hun hart.
Zo zijn ze dan van de Heere afgeweken en in een vijandige houding hebben ze de Heere voor goed een scheidbrief gegeven. Zij zijn afvallig geworden. God doet ze wonen in het dorre. Deze zonde wordt ook nog genoemd een zonde tot de dood. Zo staat ze ons beschreven in de brief van Johannes. Deze apostel zegt, dat er is een zonde niet tot de dood. Voor die zonde zal men bidden en ze zal vergeven worden.
Maar er is ook een zonde tot de dood. Voor die zonde zal men niet bidden. Want voor die zonde is geen vergeving. Dit is een huiveringwekkend woord. Er is geen toegang meer tot Gods troon. God wendt zich van deze mens af. En al zouden Noach en Daniël en Job, die drie godvruchtige mannen van de oude dag voor Gods Aangezicht staan en hun gebed tot God opheffen, het zoude hun niet baten. Zij zouden alleen hun eigen ziel kunnen behouden, maar deze mens zouden zij niet kunnen redden.
Zo wordt nu de zonde tegen de Heilige Geest in het Woord van God van alle zijden bezien en belicht, - en telkens weer komt de schrikkelijkheid van deze zonde naar voren.
Er is nog iets waarop we hier moeten wijzen.
De zonde tegen de Heilige Geest gaat gepaard met andere, karakteristieke zonden. Zij die deze zonde bedrijven, worden nog door andere zonden gekenmerkt.
Zo gaat deze zonde gepaard met een algehele verwerping van het Woord van God.
Dat is trouwens wel te begrijpen. Het Woord van God is de bizondere openbaring Gods. Daar is God zelf aan het woord. Daar is de openbaring van de Zaligmaker. Daar ruisen de voetstappen des Heiligen Geestes. Geen wonder dat hij, die de zonde tegen de Heilige Geest heeft bedreven, niet van dat Woord wil weten. Met een minachtend gebaar schuift hij dat Woord op zij.
Hoogstens rekent hij de Bijbel voor een product van joodse letterkunde.
Let er goed op, wat wij hier zeiden. Deze onvergeeflijke zonde gaat gepaard met een algehele verwerping van de Heilige Schrift. Dit betekent niet, dat mensen, die de Schrift verwerpen of die een gedeelte van Gods Woord miskennen, niet tot bekering zouden kunnen komen. Er zijn voorbeelden te over die het ons anders leren. Maar dit was onze bedoeling, u aan te wijzen, dat de onvergeeflijke
zonde vergezelschapt gaat van andere zonden.
Zo komt er ook bij een verachten van Gods genade.
Er is bij deze zondaren geen berouw, geen terugkeer tot God.
Zij kennen geen ogenblik van smart over de zonde, geen vleugje van gebed, geen verlangen om bekeerd te worden. Deze mensen zijn hard, koud, onverschillig, onverbreekbaar ten einde toe. Zij leven in een staat van verharding. Zij komen nooit meer in Gods huis. Zij lezen nimmermeer in de Bijbel. Zij kennen geen hogere aspiraties. Zij zijn overgegeven aan satan.
Hoe ver kan het met een mens gaan.
Men zou soms denken, dat een mens zo diep kan zinken, dat hij hier op aarde de duivel gelijk wordt. Ja, soms zou men zeggen, dat een mens nog dieper zinkt dan de duivel. Toen de Heere Jezus op aarde rondwandelde, kwam Hij in Gadara met de duivel in aanraking, in die man, die van de duivel bezeten was. En wij lezen, dat de duivel vreesde en beangst was, dat hij door de Heere Jezus in de hel zou teruggezonden zou worden. En Jacobus verhaalt ons in zijn brief, dat de duivelen geloven, dat God er is en zij sidderen! Is het dan niet ontzaggelijk, dat er mensen zijn, die niet meer geloven aan God en dat zij zelfs niet meer sidderen? Dit is een kenmerkende eigenschap van hen, die de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven.
Daarbij komt nu nog ten derde het kenmerk van de vrijwilligheid.
De zondaar die aan deze onvergeeflijke zonde schuldig staat, gaat vrijwillig voort op het zondepad. Met driestheid drinkt hij de zonde in. Spotten is zijn lust. Haten is zijn welgevallen. Hij wil God haten. Hij wil Christus verachten. Hij wil het volk van God bestrijden. Hoe menigmaal heb ik zelf mensen ontmoet, die als met een ijzeren muur omringd waren. Er was geen plaats voor een geestelijk gesprek. Zij waren niet toegankelijk voor een enkel geestelijk woord. Iedere gedachte over Godsdienst werd onvoorwaardeijlk afgewezen.
En dan die honende taal. Die gedurfde uitdrukkingen. Die schendende voorstellingen van God, van de dierbare Heiland, van het Woord van God. Het is alles om van te beven. Zij deinzen voor niets terug. Er is geen heiligs meer voor hen.
Het wordt ons bang te moede.
Wie zou deze zonde niet vrezen?
En wie zegt niet gaarne de dichter na, als hij denkt aan de zondaar die deze zonde bedreef,
Wat ook de zondaar aan mag vangen,
Ik heb voor zijn afschuwelijk pad
een haat, een afkeer opgevat;
Ik gruw van zijn verkeerde gangen.
Dat is tevens een bewijs, dat gij die zonde nog niet bedreven hebt. Wie voor deze zonde vreest, die heeft deze zonde niet gedaan. Zo daar nog enig gebed is in uw hart, zo staat ge aan deze schrikkelijke zonde niet schuldig.
Maar, - en dit is u onder alles wel duidelijk geworden - wij moeten waken. Wij hebben voorzichtig te wandelen. We worden opgeroepen tot gebed. De zonde ligt aan de deur. Ook deze zonde. Ons hart is verdorven. De satan is listig.
Herlees nog eens het woord van de Heere Jezus.
„Voorwaar ik zeg u, dat alle zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben ; maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels."
Voorzeker is de zonde tegen de Heilige Geest een schrikkelijke zonde.
Doch nu zal de Heere verder zeggen, dat dit ook is de onvergeeflijke zonde. Dit leidt ons tot onze tweede gedachte.
2. De onvergeeflijkheid van deze zonde.
Scherp heeft de Heere Jezus dit gezegd. „Maar zo wie gelasterd
jzal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in
eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels."
En toch, voordat de Heere Jezus dit scherpe woord heeft uitgesproken, heeft Hij zo ruim gesproken over de vergeving. Lees het voorgaande vers eens.
„Voorwaar ik zeg u, dat alle zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben."
Hebt ge dit goed en aandachtig gelezen' Hebt ge het gehoord, hoe ruim en rijk de Heere Jezus hier spreekt van de vergeving ? Alle zonden zullen de mensen vergeven worden.
Ja, allerlei lasteringen zullen kwijt gescholden worden. Welk een overvloed van genade is er bij God.
't Is net of de Heere Jezus niet spreken wil over de onvergeeflijke zonde, voordat Hij eerst nog eens mild en vriendelijk gesproken heeft van de ontferming Gods. O, God is zo barmhartig. Hij is zulk een goedertieren Wezen. Hij vergeeft mild en verwijt nooit.
Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo hoog rijst de ontferming Gods uit boven alle zonden, om die genadig weg te doen.
Zo ver het Westen is van het Oosten, zo wijd is Gods hart om een zondaar te ontvangen en hem zijn zonden kwijt te schelden.
Alle zonden! Al waren ze scharlaken-rood. Al waren ze als de hel zo zwart.
Al waren ze zo walgelijk als het afschuwelijkste dat ge op deze aarde bedenken kunt. Ze zullen vergeven worden. Is dat geen ruime genade?
Alle zonden! Al hebt ge uw ganse leven in de wereld verzwendeld. Al zoudt ge niet meer spreken of gaan kunnen door de zonden. Al zoudt ge blind en lam en doof zijn door uw gruwelijke overtredingen. Er is nog vergeving. De moordenaar aan het kruis had zijn hele leven voortgetuimeld in de dwaasheid. Hij had geleefd buiten God en buiten Christus. Maar aan het einde van zijn leven zond hij zijn smeking op tot de Heiland, — en daar gaan hem de poorten van het hemels paradijs nog open.
Alle zonden! Wat is dit toch een rijk evangelie. De Heere Jezus heeft ruim en rijk gesproken van Gods genade. Laten wij elkander dan toch ook een ruim evangelie verkondigen. Laten de dominé's dan toch veel goeds van God zeggen en zeer groot opgeven van Zijn goedertierenheid. Nooit kunnen wij teveel van Gods genade denken. Wij hebben met een barmhartig en weldadig God te doen.
't Is waar : onze zonden zijn zwaar. Onze zonden hebben de eeuwige dood verdiend.
Ik wil het nog eens herhalen, dat we toch vooral niet klein ever onze zonden zullen denken. Maar de genade Gods is meer. De genade Gods is eer.
Aan onze zonde is een begin en een einde. Maar de genade Gods is eeuwig, zonder begin en zonder einde. O, al hebt ge bergen van zonden, ze zinken weg in de zee van Gods vergeving. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt ons van alle zonden.
Nog sterker. De Heere spreekt van lasteringen waarmede de mensen zullen gelasterd hebben. Ook daarvoor is nog vergeving. Dit gaat dus nog een schrede verder.
Er zijn ijselijke vloekers op deze wereld, die de Naam Gods op een gruwelijke wijze misbruiken. Men huivert er soms van.
Paulus heeft de kinderen Gods gedwongen te lasteren.
Zelf is hij ook een godslasteraar geweest. Hij doet er belijdenis van in zijn brieven. Maar hij heeft barmhartigheid van God verkregen.
Ik heb zelf mensen gekend, die zwaar konden lasteren. Ik heb als kind die mensen wel gemeden om maar niets van hun snorkende taal te horen. Toch zijn ze later tot bekering gekomen en zij hebben Gods lof mogen vertellen.
Bunyan staat in de geschiedenis der kerk bekend als een vloeker. Hij kon zo vloeken, dat goddeloze vrouwen er zelfs van terugbeefden en hem er over vermaanden. Toch is Bunyan tot God gekomen. Hij is zelfs een prediker des evangelies geworden. Allerlei lasteringen! Ik denk hier ook aan de boze inwerpselen. Er zijn mensen, die veel last hebben van ergerlijke gedachten, vreselijke vloekwoorden, die in hun hart opkomen, helse ingevingen, duivelse aanslagen.
Van een leraar las ik eens, dat iemand bij hem kwam, die fel bestreden werd. Wenend riep de ongelukkige man uit: „Het is al maar in mijn hart.: Die vervloekte Heilige Geest! - Is dit niet de zonde tegen de Heilige Geest?"
Terwijl de man dit uitschreeuwde, weende hij van smart.
„Neen, riep de leraar hem toe, dat is niet de zonde tegen de Heilige Geest, want gij hebt er smart over. Het is een inwerpsel van satan."
Hoort gij het, bestredenen?
Misschien hebt gij ook zulke aanvechtingen.
Misschien kent gij ook zulke bange en bittere gedachten, die u alle rust ontnemen. Best mogelijk, dat gij ook denkt: Ik heb de zonde tegen de Heilige Geest bedreven. Maar zo gij er smart over hebt, dan hebt ge die zonde niet gedaan.
De venijnige aanvallen des satans zijn ontzettend.
Er is vergeving voor die zondige gedachten en voor die ijselijke inwerpselen. Allerlei lasteringen. Er zijn mensen die in de kerk leven. Zij hebben zich diep schuldig gemaakt. Zij hebben het Woord van God aangetast. Kostelijke waarheden hebben zij geloochend. En toch zijn zë tot bekering gekomen.
In denk hier aan de Corinthiërs.
Daar waren er die de opstanding van de Heere Jezus uit de doden loochenden. Toch was er nog vergeving voor.
Anderen hadden vuile zonden bedreven. Er was er een, die leefde met zijn schoonmoeder in een zondige verhouding. Men zou zeggen, dat was een lastering van die mooie gemeente te Corinthe. Toch was er vergeving, want Paulus vermaant, dat men de zodanige terecht zal brengen.
Zelfs waren er in de gemeente van Corinthe die de zonde van Sodom hadden bedreven. Kan het wel gruwelijker? En toch ook daarvoor was bij God genade.
Want Paulus schrijft het openlijk in zijn brief: „Dit waart gij sommigen, maar gij zijt gewassen, maar gij zijt gereinigd in het bloed des Lams." .
Allerlei lasteringen. Tel daar ook bij het grievende ongeloof.
Daar woont in ons hart zulk een ruïnerende twijfel. Twijfel aan het bestaan van God. Twijfel aan de godheid van Christus. Twijfel aan de waarheid van het Woord van God. Die twijfel is zielver-
scheurend en verwoestend. Het is feitelijk onze paradijszonde. Wie twijfelt, verheft zich boven God en durft over Hem een oordeel uitspreken. Hier zelfs een vernietigend oordeel. Welk een zware zonde is dus die twijfel.
Maar hebt ge er droefheid over? Schreeuwt uw hart er tegen in? Welnu dan, daar is vergeving ook voor deze zielverdervende zonde van ongeloof.
Alle zonden, allerlei lastering zullen de kinderen der mensen vergeven worden.
Hoe vriendelijk heeft de Heere Jezus dit toch voorgesteld.
Voordat Hij spreken gaat over de vreselijke, onvergeeflijke zonde, de lastering tegen de Heilige Geest, - stelt de Heere Jezus ons eerst voor de overvloedige genade Gods. De Heere Jezus heeft dit met opzet gedaan. Het lijkt mij, dat de Heere Jezus niet komen kan tot het spreken over deze zonde tegen de Heilige Geest, voordat Hij over die ruime en rijke vergeving gesproken heeft. Het is of zelfs de Heere Jezus huivert om over deze verschrikkelijke zonde te spreken.
Laten wij dit dan toch steeds bedenken.
Stellen wij ons voor dat grote, goddelijke hart vol van ontferming. Roepen wij het elkander toe, dat God mildadig is en vrijgevig. Ons gebed mag tot Hem opgaan :
Denk aan 't vaderlijk meêdogen,
Heer! waarop ik biddend pleit;
Milde handen, vriendlijk'
ogen Zijn bij U van eeuwigheid.
Alle zonden, allerlei lastering zullen de kinderen der mensen vergeven worden.
„Maar"...... daar komen de donkere wolken aandrijven. We krijgen een bang gevoel. De doffe donder rommelt in de verte, ...hij komt al dichter bij, ...en dan horen we het, zwaar en akelig losbreken van een onheilspellende onweersbui: „maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels."
Waarom is juist deze zonde onvergeeflijk?
Wij kunnen daarop niet precies een antwoord geven.
Daar straks heb ik u gezegd, dat de Heilige Geest een teder werk verricht aan het hart van de zondaar.
Hij is het, die het hart van de zondaar verbrijzelt.
Hij is het, die de zondaar aanzet tot gebed.
Hij leidt de zondaar naar de Heere Jezus henen en spreekt van vergeving in zijn bloed.'
Wie nu de Heilige Geest lastert, die snijdt dat tedere werk des Geestes af.
Wie zal dan het hart des mensen nog verbreken?
Wie zal die mens dan aanzetten tot het gebed?
Wie zal hem dan spreken van de Heere Jezus en van de vergeving die er is in het bloed van de Zaligmaker?
Als een zondaar de Vader lastert, dan zondigt hij zwaar, maar dan is daar de Zone Gods met zijn bloed en met zijn voorbede.
Als een zondaar de Zoon lastert, dan zondigt hij schrikkelijk, maar dan is er nog de Heilige Geest, die hem van zijn zonde overtuigt en die zijn hart wil vermurwen.
Maar als die zondaar tegen de Heilige Geest lastert, dan is er geen vierde die voor hem kan optreden. Die zondaar heeft de stroom der genade afgesneden. De deur van Gods vergevende liefde en genade is op het nachtslot gevallen.
„Die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels."
Geen vergeving, maar schuldig!
Deze zondaar zinkt weg onder het oordeel Gods in de rampzaligheid.
Dit dringt ons om voor God neer te vallen en te bidden:
Weerhoud, o Heer, Uw knecht,
Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardij!
Heerst die in mij niet meer,
Dan leef ik tot Uw eer,
Van grote zonden vrij.
Laat U mijn tong en mond,
En 's harten diepsten grond
Toch welbehaaglijk wezen;
O Heer, die mij verblijdt,
Mijn Rots en Losser zijt!
Dan heb ik niets te vrezen. Ps. 19 : 7.
3. Een vertroosting tegen deze zonde.
Het is goed dat wij eens over deze zonde met elkaar gesproken hebben. Vele mensen worden met deze zonde aangevallen, schier tot wanhopig wordens toe.
Bijna alle kinderen Gods kennen deze strijd ; en hij is niet gering. Het is ons in deze ure duidelijk geworden, dat de zonde tegen de Heilige Geest leidt tot een staat van verharding.
Daarom is het een geruststelling voor u allen, als ik u mag verzekeren, dat gij geen van allen deze onvergeeflijke zonde hebt bedreven.
Gij komt immers nog in Gods huis?
Gij kent nog een leven des gebeds?
Gij leest nog in. het Woord van God?
Vreest niet, gij hebt deze zonde niet gedaan.
Wordt gij met deze zonde aangevallen? Weet dan, dat de satan rondgaat met sluwheid en geslepenheid om u te vernielen en te verwarren. Hij komt gaarne tot jonge mensen om ze angstig te maken en te doen twijfelen aan Gods genade.
Als ge dan in de strijd komt, neemt dit woord eens voor u. Leest met aandacht, wat de Heere Jezus hier zegt in het voorafgaande vers, voordat Hij spreekt over de onvergeeflijke zonde.
Overpeinst het dan : „Alle zonden en allerlei lastering zal de kinderen der mensen vergeven worden." En zet u dan voor die overstromende volheid van Gods genade. Zendt uw smeking op tot de barmhartige God. Hij zal -ook u bedienen uit deze milde overvloed. En bij uw strijd moogt ge tevens bedenken, dat de Heere Jezus deze aanvechting heeft doorgemaakt. Zeker, dit was wel enigszins anders. Maar toch, weten wij het, dat de satan tot Hem kwam met zijn : „indien Gij de Zone Gods zijt."
Zo het mogelijk ware geweest, de satan had de Heiland doen twijfelen aan zijn Zoonschap. Het kon niet. Maar dit zegt ons wel, dat Hij in alles verzocht is geweest als wij, opdat Hij ons die verzocht worden, zou kunnen ter hulpe komen.
Dat is de sterke steun onder onze aanvechtingen.
Wij hebben een barmhartig Hogepriester, die ons in onze strijd verstaat.
Intussen, hebben wij niet de zonde tegen de Heilige Geest bedreven, wij moeten er wel aan denken, dat wij andere zonden hebben. En die andere zonden zijn ook verdervend. Ze moeten vergeven worden. Wat zoude het ons toch baten, of wij al roemen mochten, dat wij niet de onvergeeflijke zonde bedreven hebben, en wij zouden worden weggesleept door allerlei andere zonden naar de hel ?
Overdenkt uw zonden. Belijdt ze met ootmoedigheid. Bidt de Heere om vergeving. Pleit op het bloed van Jezus Christus. Ik heb u gezegd, dat ge ruim van God moogt denken. De Heere Jezus heeft dat ons zelf in deze ure gezegd.
Voorts moeten wij ons ook wachten voor de zonde. Voor alle zonden.
Want elke zonde kan heenleiden naar de onvergeeflijke zonde. In het Woord van God staan ons voorbeelden aangegeven tot waarschuwing.
Er zijn mensen geweest, ernstige mensen, die eerst veel beloofden, maar die later afdwaalden en angstig dicht bij de zonde tegen de Heilige Geest kwamen.
Ik wijs u op Saul de koning Israëls. Hij was in de aanvang zo nederig. Hij koesterde zulk een kleine gedachte van zichzelf. Zelfs gebeurde het, dat de sprake ging : „Is Saul ook onder de profeten?"
Hij heeft dus wel met Gods kinderen gesproken over God en zijn dienst en over geestelijke zaken.
Maar aan het einde liep het zo treurig af. Hij ging naar de tovenares te Endor. En tenslotte maakte hij een eind aan zijn leven. Ik herinner u ook aan Judas. Wat was die discipel een veelbelovend jongmens. Hij is met de andere discipelen uitgezonden om te prediken en wonderen te doen. Hij heeft de weg der zaligheid anderen aangeprezen. Hij heeft wellicht zieken genezen en ellendigen geholpen. En toch, eerst werd hij een dief, die de armenkas bestal; straks wordt hij een verrader van de Heiland ; er ten laatste verworgt hij zichzelf.
In hoeverre hier sprake is van zonden tegen de Heilige Geest, kan ik u niet met preciese zekerheid aanwijzen. Maar vast staat, dat de Heere deze voorbeelden ons tot waarschuwing heeft laten optekenen.
Let op deze voorbeelden. Trekt er de lering uit, die de Heere ons hier geeft. Zo zult ge uwe zielen behouden mogen.
Mijdt ook een oppervlakkig leven.
Vele mensen hebben de gewoonte om maar eenmaal naar het huis van God op te gaan. Dat is een godsdienst naar ons vlees, niet naar Gods Woord.
Het is een verachten van de middelen der genade, die God gegeven heeft.
De Heilige Geest leert ons Gods huis liefhebben.
Gaat gij er tegen in ? Dan zult ge de Heilige Geest bedroeven, wederstaan, straks uitblussen en eindelijk soms geraken tot de onvergeeflijke zonde.
Weest ook afkerig van de zonde der onzedelijkheid. Er is geen zonde, die zo afstompt voor geestelijke zaken als deze zonde der ontucht.
Mijmert er dan niet over. Koestert niet die onreine gedachten. Want zo haastig wordt ge soms er door in beslag genomen.
Het is merkwaardig, dat deze twee zonden zo dicht staan bij de zonde tegen de Heilige Geest.
In Hebr. 10 : 26 wordt gesproken over het willens en wetens zondigen. Vlak daarvoor spreekt de apostel over het verzaken van het huis van God.
In Efeze 4 heeft Paulus het over het bedroeven van de Heilige Geest. In het voorgaande vers heeft hij het over vuile woorden, waarvoor wij ons hebben te hoeden. Zo worden wij dan op allerlei manier tot waken geroepen.
Wacht u voor de zonde. Opdat ge niet komt tot de onvergeeflijke zonde.
Wacht u voor alle zonden, opdat ge niet voor eeuwig wegzinkt in de hel.
Hebt gij wel eens een klein doorntje in uw vinger gehad?
Dat is een lastig ding. Wij doen dadelijk alles om dat kleine, lastige ding uit onze vinger uit te drijven. Maar zullen we dan niet alles doen om de zonden uit te drijven, die ons wegvoeren naar een eeuwig verderf?
Dwaas die daar niet aan denkt.
En daar is een fontein waar we al onze zonden kunnen kwijt raken: dat is Jezus' dierbaar bloed. Naar dat bloed dan heen. Daar is de vergeving.
Ik heb in deze ure veel gesproken over de onvergeeflijke zonde, de lastering tegen de Heilige Geest.
Ik wil besluiten met u iets te vertellen over de zalige werking van de Heilige Geest in onze harten.
De Heilige Geest leert ons de zonden kennen en vlieden.
De Heilige Geest wijst ons de genade Gods aan en dringt ons naar de troon der genade heen, opdat we daar zouden neerknielen.
Soms gebeurt het, dat de Heilige Geest ons heel sterk aandrijft tot het gebed. Ge zijt alleen thuis, Daar komt de gedachte in u op om van deze schone gelegenheid gebruik te maken en God te zoeken. Dat is de Heilige Geest die u aandrijft.
Luistert gij naar die aandrang en zoekt gij de Heere, zo komen die aansporingen meer en meer in uw leven. Luistert ge er niet naar. Stelt ge het uit. Er komt verhindering. Ge hebt uw tijd laten voorbij gaan. Satan is er haastig bij om verhindering te brengen. Zegt gij wellicht, dat ge straks de Heere zult zoeken? Dan vergeet ge het Let nauwkeurig op de werking des Heiligen Geestes in uw leven. Hij leidt de zondaar tot de zaligheid.
Moogt ge de Heere vrezen? Het is de Heilige Geest die Christus verheerlijkt. Hij is er op uit om ons tot die Heiland te leiden, opdat we onze volle zaligheid in Hem zouden zoeken en in Hem tot God zouden gaan.
En daar hoor ik het die gezegende Zaligmaker door de Heilige Geest verzekeren: „Welgelukzalig is de mens die naar mij hoort, dagelijks wakende aan mijne poorten, waarnemende de posten mijner deuren. Want die mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van de Heere; maar die tegen mij zondigt, doet zijne ziel geweld aan ; allen die mij haten, hebben de dood lief."
Amen,
Ps. 95:5.
November 1952