Het dierbaar bloed van Christus.
Lijdenspredikatie door Ds. P. DE SMIT.
Ps. 42 : 4
Lezen: Hebreën 9 : 1~14
Ps. 40 : 3 en 4
Ps. 69 : 13
Ps. 2:7
Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses : hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die, door de eeuwige Geest zichzelve Gode onstraffelfjk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen.
Hebreën 9 : 13 en 14.
De lijdensweken zijn recht aangenaam voor de gemeente des Heeren.
Het is een vreugde voor het hart de Man van Smarten te volgen op zijn via dolorosa, zijn weg van smarten.
't Is waar: al die bloedige tonelen en al die zieleschokkende gebeurtenissen zullen voor de aandacht treden; die banden en geselroeden, die doornen en dat kruishout zullen uit de schemering opdoemen en helder voor de aandacht verschijnen ; maar het zijn verlossende banden en heilaanbrengende smarten.
In heel het lijden des Heeren wordt ons een paradijs des vredes ontsloten.
In die schrikkelijke dood op het bange hout van Golgotha ontkiemt een eeuwig, zalig leven.
Daarom, is het zo goed de Heere Jezus te volgen op zijn lijdensweg.
Wanneer we die weg gelovig mogen bewandelen, dan valt de zoetste vrucht ons toe.
De schrijver van de brief aan de Hebreën wil ons naar dat lijden heenvoeren. Wij willen hem volgen in hetgeen hij ons voorstelt. Het zal u bekend zijn, dat de apostel deze brief feitelijk heeft geschreven aan de bekeerde joden. En het is zijn bedoeling Christus te prediken in zijn Hogepriesterlijke bediening tegenover de priesters van de Oude Dag.
In het voorgaande heeft hij daarvan wel een en ander gezegd.
De hogepriester van de Oude Dag ging éénmaal des jaars binnen in het Heilige der heiligen van de tempel. Maar Christus is ingegaan in de meerdere en volmaaktere Tabernakel, niet met handen gemaakt.
De hogepriester van de Oude. Dag ging tot God met het bloed van stieren en bokken, - maar Christus is ingegaan met zijn eigen bloed, een eeuwige verlossing teweeg brengende. Hoe kostelijk is dan dat lijden en sterven van de Heere Jezus. Daarvan roept de apostel uit in de woorden van onze tekst: „Want indien het bloed van stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses ; hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelve Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen, van dode werken, om de levende God te dienen." Gij ziet, dat de apostel het hier vooral heeft over het bloed van Christus. In zijn lijden en sterven heeft Christus zijn bloed gestort. Als we dus van zijn bloed spreken, dan hebben we het over zijn lijden en dood.
Ik spreek dan in deze ure tot u over :
HET DIERBAAR BLOED VAN CHRISTUS.
I. Gesteld tegenover het bloed van stieren en bokken;
II. Getekend in zijn voortreffelijke waardij;
III. Geroemd in zijn reinigende kracht.
I.
Het dierbaar bloed van Christus gesteld tegenover het bloed van stieren en bokken. Zo toch begint de apostel het woord van onze tekst: „Want indien het bloed van sieren en bokken en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid des vleses."
De apostel spreekt hier over verschillende offeranden, die gebracht werden onder de Oude Dag. Allereerst wijst hij dan op die offeranden, die gebracht werden op de grote verzoendag. Dan werden stieren en bokken geslacht.
Het eerste offer was een jonge stier.
Dit offer moest de priester brengen voor zichzelf en voor zijn ganse huis en voor de hele priesterschaar. Daardoor werd dan de zonde weggenomen van de priesters, en aldus gereinigd mochten de priesters tot de Heere en zijn dienst ingaan.
Daarna werden twee bokken gesteld.
Over deze twee bokken werd het lot geworpen.
Eén van hen werd door het lot aangewezen om geslacht te worden. Dat was de z.g.n. zondebok. Met het bloed van deze bok ging de hogepriester het Heilige der heiligen binnen om verzoening te doen voor het volk, opdat nu ook het volk voor de Heere mocht verschijnen.
De tweede bok werd de woestijn ingedreven. Hij ging de vrijheid tegemoet.
Daardoor verkondigde hij aan het volk de vrijheid.
Onze vaderen hebben in deze twee bokken gezien: de stervende Christus en de opgewekte Christus. De bok die de dood inging, wees dan op de stervende Christus ; de bok die de vrijheid inging, predikte van de opgewekte Christus.
Hoe dit nu zij, - dit is ons allen wel duidelijk, dat hier gesproken wordt over het bloed van stieren en bokken.
En dit staat voor ons allen ook vast : het volk kreeg door deze offeranden de toegang tot de dienst van God.
Priesters en volk mochten weer naderen tot de Heere om Hem te zoeken en te dienen en weer met Hem verenigd te wezen. Nog van een ander offer wordt hier gesproken.
De apostel heeft het over de as der jonge koe.
Dit is het reinigingsoffer.
En dan bepaald dit reinigingsoffer voor hen, die met een dode in aanraking gekomen waren. Wanneer een Israëliet in aanraking kwam met een dode, hetzij in zijn eigen huis, of in dat van een ander, of op de weg, of waar dan ook, dan was die Israëliet onrein.
Hij mocht in het huis van God niet komen.
De Heere is de levende God. Hij kan geen gemeenschap hebben met de dood of met iemand die naar de dood riekt.
Daarom moest zulk een onreine eerst gereinigd worden.
En daarvoor had de Heere nu gegeven het reinigingsoffer, dat hier wordt aangewezen met de as der jonge koe.
Dit was een buitengewone plechtigheid.
Heel dit offer stond in het teken van leven in tegenstelling met de dood.
Let maar eens goed op.
Het offer dat hier gebracht moest worden, was geen stier of bok, maar een jonge koe. Dat is dus een rund van het vrouwelijk geslacht, dat het leven voortbrengt.
De kleur van dit dier moest zijn de rode kleur. De kleur van het bloed of van de blozende gezondheid.
Al verder, die jonge koe mocht geen juk hebben gedragen. Zij moest dus staan in de volle, ongebroken kracht des levens. Ziet ge wel, hoe alles in dit dier het tegendeel aanwijst van de dood ?
Onder toezicht van de priester moest dit dier nu naar buiten geleid worden, buiten de legerplaats, en daar moest het worden geslacht, en verbrand.
Terwijl het dier verbrandde, moesten er drie dingen aan toegevoegd worden.
Ten eerste een stukje cederhout, beeld van het duurzame en onvergankelijke. De cederbomen worden soms wel duizende jaren oud.
Ten tweede een lapje scharlaken. Dat is weer de rode kleur, die bij vernieuwing heenwijst naar de gezonde kleur van het bloed, want in het bloed is de kracht van het leven.
Ten derde een bundeltje hysop. Dit wijst op de reiniging. Men maakte van die hysopstengels kleine bezempjes om de onreinheid weg te vegen.
Wanneer nu dat offer geheel verteerd was, met die drie ingrediënten, dan moest de as zorgvuldig worden verzameld en op een reine plaats worden bewaard.
Elke onreine, die met een dode in aanraking geweest was, moest nu met deze as, die, met water aangemengd moest worden, besprengd worden. Die besprenkeling geschiede op de derde en zevende dag. Dan was de onreine weer rein. Dan mocht die mens weer tot het huis van God toegelaten worden om de Heere te dienen.
Dat is het nu waarvan de apostel spreekt in het woord van onze tekst: „en de as der jonge koe besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses."
Let goed op die laatste woorden: „hen heiligt tot de reinigheid des vleses."
Het was slechts een uitwendige reiniging. Men werd bekwaam gemaakt om het huis van God in te gaan om de Heere te dienen. Men kreeg daardoor geen reinheid des harten.
De schuld werd er niet door weggenomen.
Daartoe was het bloed der stieren en bokken en de as der jonge koe niet in staat. Dat heeft de Heere zijn volk onder de Oude. Dag wel goed ingeprent : „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist."
De ware gelovige bleef dan ook niet staan bij dat uitwendige. Hij drong door de schaduwen heen tot het lichaam, tot Christus. En heil de mens die dat doen mocht. Die kreeg hier een zeer bizonder onderwijs omtrent de Zaligmaker.
Op de schoonste wijze werd hij ingeleid in het Borgtochtelijk lijden en sterven des Heeren.
Die jonge koe, zo zeiden we daar straks, wijst naar de vruchtbaarheid, naar het voortbrengen van het leven.
Dat is een uitbeelding van de rijke vruchten, die Christus zien zal op zijn kruisoffer.
Die jonge koe moest van de rode kleur zijn, zeiden we, dat herinnert aan het bloed. Dit wijst glashelder henen naar Jezus, die rood geverfd is met zijn eigen kostbaar bloed.
Mocht die jonge koe geen juk gedragen hebben?
De Heere Jezus is in zijn volle, ongebroken kracht des levens tot de dood geleid. Nog maar 33 jaren oud zijnde is hij aan het kruis genageld.
Welk een lieflijk onderwijs over de Zaligmaker.
Gelukkig de mens die met geopende ogen zien mocht op deze schaduwendienst.
Gelukkig de mens, die door de schaduwen mocht heengluren en de Heere. Jezus mocht ontdekken.
Die zag Hem in zijn bloed en tranen, in zijn lijden en sterven.
Daar mocht hij genieten de kracht der verzoening in dat Borgbloed en de zalige gemeenschap met God.
Dan bleef het niet bij een uitwendige reiniging, maar die mens genoot de innerlijke reiniging des harten in dat kostelijke bloed.
Dan bleef het niet bij een verlof om weer op te gaan naar het huis van God, maar die mens mocht weer tot God zelf ingaan, tot God zijn God, de bron van vreugde. Zo hebben Gods kinderen onder Ouden Dag die vrije gunst van God genoten, gelijk wij dat heden mogen genieten,
Zij hebben bij het kruis gestaan.
Zij hebben de Heere Jezus gezien in zijn Borgbetaling.
En wat is dat zoet voor het hart. Daar komt een weg tot God.
Daar mag een schuldig zondaar het weer zingen: „Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing."
Machtige prediking van de Oude Dag onder de schaduwen! Kunt ge begrijpen, dat David verlangen had om in Gods huis te toeven en. deze prediking te horen? Op dat bloed te zien.; de vergeving in dat bloed te ontvangen ; door dat bloed. tot God genomen te worden, en weer Gods beminde te zijn; - daar ging het om. En daar gaat het immers nog om bij elkeen die de Heere zoekt. Daar zucht een kleine om, en evenzeer een verder geleide.
Welk een vurig verlangen kan soms het hart vervullen, als we opgaan naar Gods huis. We zingen het van harte mede met de zanger uit het verleden : „Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken : dat ik alle de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in zijn tempel."
En als het ons eens te beurt mag vallen in het huis van God, dat we met geopende ogen mogen zien op de Zaligmaker in zijn heerlijke Borggerechtigheid, - wat onuitsprekelijke vreugde doortintelt dan ons hart ; wat innige liefde vlamt dan op naar Hem, die lijdende en betalende Borg. Als ge dan vragen zoudt aan zulke zielen: „Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?"
Dan zouden zij met evenveel geestdrift met de bruid uit het Hooglied u antwoorden: „Mijn Liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tienduizend."
Zij zouden Hem ook beschrijven gaan in al zijn heerlijkheid. Zij zouden spreken van zijn hoofd en van zijn haarlokken, van zijn ogen en van zijn wangen, van zijn handen en van zijn schenkelen, van zijn macht en van zijn majesteit.
En zij zouden ten laatste met verrukking en ingenomenheid uitjubelen: „Zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem."
Hebt gij zo wel eens mogen instemmen met de kinderen Gods? Heeft uw hart ook wel eens van liefde gegloeid voor die beminnelijke Heiland ?
Dat is toch eigenlijk de ware godsdienst.
Daarin alleen wordt het hoogste verlangen voldaan.
Het is een arme mens die daarvan nog niets kent en die daarnaar ook nog geen begeerte heeft. Mochten deze woorden nog in uwe harten ingaan en u jaloers maken. Maar het is een gezegend mens, die daarvan mag spreken. Die mag het wel eens begrijpen, wat eenmaal een dichter heeft gezongen
Weg van lijden en van smarte,
Week van tranen en van bloed,
Die 't gelovig christenharte
Van genade zingen doet.
Als ik biddend u bewandel,
Achter 't vlees geworden Woord,
Vloeit mij d' allerzoetste amandel
Uit de bitterste lijdensbolster voort.
Maar ik mag u daarvan nog meer vertellen in mijn tweede gedachte.
II.
Het dierbaar bloed van Christus getekend in zijn voortreffelijke waardij.
De apostel schrijft daarvan in het woord van onze tekst: ,,het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelve Gode onstraffelijk opgeofferd heeft."
Daar heeft de apostel met éne pennestreek ons het bloed van Jezus Christus voorgesteld in zijn krachtige verzoening.
't Is of wij de ganse weg des lijdens voor ons zien van Bethanië tot Golgotha. Daar treedt het voor onze aandacht: al het lijden, al de verdrukking, al de smart die over de Heiland gekomen. is en die men Hem aangedaan heeft.
Het bloed van Christus.
Dat is het bloed, dat Hij gestort heeft in de hof van Gethsemané, waar zijn zweet werd als grote droppelen bloeds.
Dat is het bloed, dat van Hem afdroop uit zijn vele wonden veroorzaakt door die kroon van doornen en door de geselroeden, die zijn rug hebben opengereten.
Dat is ook het bloed, dat van Hem afleekte op het kruis van Golgotha, veroorzaakt door die scherpe spijkers, gedreven door handen en voeten.
t Was een dierbaar bloed, want het was het bloed van de Zone Gods.
t Was het offerbloed, want Hij heeft het geplengd op het altaar der verzoening.
t Was een krachtig bloed, want daarmede heeft de Heere Jezus de vlammen van de heilige wrake Gods uitgeblust en al de zonden der zijnen weggenomen.
t Was een waardevol bloed, want daarmede heeft Hij een. volkomen gerechtigheid voor zijn volk verworven, waaraan niets meer behoeft te worden toegevoegd. Dat is het dierbaar bloed van Christus.
Dat bloed spreekt van betere dingen dan het bloed van Abel. Want het bloed van Abel roept om wraak, maar het bloed, van Jezus Christus roept om verzoening.
Nu zegt de apostel, dat Christus zich Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.
Men heeft Hem op het altaar gelegd, net als de offeranden op het altaar gelegd werden.
Men heeft Hem geslacht, net als de offeranden eerst geslacht werden,
Men heeft zijn bloed vergoten, net als het bloed van de offeranden vergoten werd. Daarom is het bloed van Christus het bloed, dat door al de offeranden uitgebeeld was. En wederom dát bloed, waarvan de Heere gezegd had: „Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving." Maar daarom is in die bloedstorting ook zulk een zegen. Welk een dierbaar bloed!
Men heeft zijn bloed vergoten, zeide ik.
Wie hebben dat gedaan? Ja, dat hebben Kajafas gedaan en het Sanhedrin, de joden en de Romeinse krijgsknechten, Pilatus en Judas. Dat hebt gij gedaan en ik.
De joden hebben geroepen: „Kruis Hem, kruis Hem." Maar wij hebben dat evenzeer geroepen.
De Romeinse soldaten hebben Hem aan het kruishout geslagen, maar wij hebben het net zo goed gedaan.
Dat is onze zware zonde, die wij boven al onze zonden bedreven hebben.
Hebt gij dat wel eens verstaan ?
Is u dat wel eens tot diepe smart geworden voor Gods Aangezicht en hebt gij daarover wel diep getreurd met een hartelijk leedwezen voor God ?
Maar, nu staat hier nog iets anders.
De apostel zegt, dat Christus zich Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.
Hij heeft het dus zelf gedaan. Dat wil zeggen, dit neemt de schuld van de joden niet weg noch van de krijgsknechten, of van u en mij. Maar, dit spreekt ons van de grote liefde, waarmede Christus zijn offerande gebracht heeft.
Hij gaf zichzelf op het altaar,
Hij bracht vrijwillig zijn offerande aan de Rechter van hemel en aarde.
Hij heeft zichzelf Borg gesteld in de plaats van de zijnen. Zo lief had Hij zijn volk, dat Hij voor hen de dood inging. O, dierbaar bloed uit liefde gestort!
O, dierbaar bloed, dat ons tot zaligheid wordt!
Wat heeft dat bloed een voortreffelijke waardij.
Het is het bloed van de Zone Gods. De apostel laat ons dit gevoelen, als hij schrijft, dat Christus zich door de eeuwige Geest Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.
Door de eeuwige Geest, dat is door de Heilige Geest.
Gij weet wel: Hij is ontvangen uit de Heilige Geest.
Bij zijn doop daalde die Geest op Hem: neder en werd Hij overvloedig met die Geest gezalfd. Die Geest heeft Hem bekwaamd tot heel zijn Middelaarsarbeid. Die Geest leidde Hem naar de woestijn om verzocht te worden van de duivel. Die Geest maakte Hem gewillig en bereid om alles te volbrengen, om kruis en vloek te torsen tot het bittere einde toe.
Welk een offerande is dat geweest, mijne geliefden.
Een offerande van de Zone Gods, die aangedreven werd door de Heilige Geest.
Een offerande die gebracht werd aan God in de hemel. Want zo zegt de apostel, dat Christus zich Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.
God tot God gaande door God!
God ons met God verzoenende door God!
Ziethier een Drieënig God bezig met des zondaars zaligheid. Dat is nu het dierbaar bloed van Christus getekend in zijn voortreffelijke waardij.
En nog ben ik er niet.
Christus heeft zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd. Daar was niet één smetje op aan te wijzen.
Niemand kon Hem van enige zonde beschuldigen.
Daar kwamen wel valse getuigen om Hem te beschuldigen. Maar dat waren dan ook valse getuigen. En zij konden nog niets zeggen. Hij was de Reine, de Heilige, de Vlekkeloze.
Allen hebben zijn onschuld moeten, uitroepen: Judas en Pilatus, Herodus en de Romeinse krijgsknecht bij het kruis.
Daarom was zijn offerande zulk een reine en heilige offerande. Daarom is zijn bloed zo dierbaar, omdat het zulk een rein en heilig en. goddelijk bloed is.
Waarlijk, deze zin is van onschatbare betekenis: Christus heeft door de eeuwige Geest zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd. Daarbij mogen wij in deze lijdensdagen stil staan.
In de geest wandelen wij op de weg van Bethanië naar Golgotha. In de geest aanschouwen wij zijn heerlijke offerande.
Welk een dood, welk een Borgtochtelijke arbeid.
Och, dat wij toch rechte gedachten van dit lijden en sterven mogen hebben.
Dat ons gemoed ontroerd en aangedaan mocht worden bij de overdenking van deze gewichtige waarheden.
Dat wij verslagen van hart mogen worden.
Dat wij onze zonden en vervloeking mogen verstaan en belijden, voor God.
Dat wij met diepe droefheid voor de Heere mogen nederknielen en onze zonden mogen uitspreken in haar grootheid en zwartheid.
Hoe schrikkelijk waren toch onze zonden, dat zij zulk een kruisdood hebben noodzakelijk gemaakt.
Maar anderzijds, ja, dan mochten wij wel behoeftige harten hebben om met innige zieledrang naar die algenoegzame offerande te smachten en te vragen; om die Zaligmaker te kennen en te bezitten.
Het mocht onze aller bede wel zijn: dat dit lijden en sterven van Christus toch profijt voor onze zielen mocht afwerpen ; dat zijn bloed toch ons hart en leven instrome en zijn -voortreffelijke waardij in ons leven indrage.
Wij zijn allen zulke onreine zondaren.
Wij zijn geheel melaats van het hoofd tot de voeten.
Wij zijn verdorven in ons denken en begeren, in ons waken en slapen.
Overal zonden, altijd zonden in ons leven. Weet ge dat wel? Verstaat gij het wel?
Maar het bloed van de Heere Jezus is het bloed der verzoening. Het heeft zulk een rijke en overvloedige waardij, dat alle mensen er wel door behouden kunnen worden.
Hoe zwart gij zijt, hoe vuil en onooglijk gij er uitzien moogt, - er is in dat bloed vergeving. Hebt gij dat bloed al begeerd ? Is dat bloed u reeds dierbaar geworden?
Dat de lijdensoverdenkingen u uitdrijven mogen naar de troon van Gods genade, om dat bloed van God te begeren.
Het is ook zo noodzakelijk voor alle godvrezenden dikwijls bij dat bloed van Christus te worden bepaald. Zij moeten leren zingen met een dichterr:
Niets o Jezus dan uw bloed
Geeft voldoening aan 't gemoed.
Dat bloed is toch het enige en ware fundament voor de ziel. Menigmaal rusten Gods kinderen in aangename gestalten. Zij kunnen zingen, als ze aangenaam, hebben gebeden. Zij zijn verheugd, als ze een verbroken hart hebben.
Zij vinden het al gelukkig, wanneer ze over hun zonden treuren en zuchten, en uitzien naar de Heere.
Alles goed en best. Maar dat gaat voorbij. Dat geeft geen steun, geen kracht aan onze ziel.
Neen, wij moeten naar het kruis henen.
Wij moeten dat bloed zien en hebben.
Wij moeten Hem kennen, die zich Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.
Daar is de steun en de rust, in Hem alleen, in zijn offerande. Waarom zullen wij het toch elders zoeken, wijl het hier te vinden. is ?
O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren; en gij die geen geld hebt, komt, koopt zonder prijs en zonder geld wijn en melk. Waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan?
Hoort aandachtig naar de Heere. Hij wil u geven de gewisse weldadigheden Davids, opdat uw ziel zich in zijn heil zou verlustigen.
Daar ontvangt gij het hoogste goed dat nooit vergaat.
Daar weidt uw ziel met verwondering en gij verkrijgt die vrije gunst van God.
O dierbaar bloed van Christus, getekend in zijn voortreffelijke waardij.
Daarvan heeft de dichter gezongen
Dat zal de Heer veel aangenamer zijn,
Dan os of var, die hunne klauw verdelen.
De blijdschap zal het hart der vromen strelen,
Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.
Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven:
Nooddruftigen veracht zijn goedheid niet;
Nooit zal Hij zijn gevangenen begeven.
Psalm 69 : 13.
III.
Het dierbaar bloed van Christus geroemd in zijn reinigende kracht. Daarover willen wij ten laatste nog iets zeggen.
Gij hebt gemerkt, dat de apostel een vergelijking maakt in het woord van onze tekst. Eerst heeft hij gesproken over het bloed van stieren en bokken en over de as der jonge koe. En hij heeft daarvan gezegd, dat die offeranden reinigende kracht hadden. Doch die reiniging ging niet verder dan het reinigen des vleses. De onreinen kregen daardoor alleen maar toegang tot de tempel om God te dienen. Verder ging het niet.
Toch was dat al heel veel, gelijk we gezien hebben. Het was ook onmisbaar.
Maar nu het bloed van Christus. Dat doet heel wat meer.
Dat is heilig bloed en goddelijk bloed en krachtig bloed. Ja, wat moet ik er nog meer van zeggen? Ik kan er eigenlijk niet van uitgesproken raken. Als ik over dat bloed van de Heere Jezus ga spreken, dan kan ik niet ophouden dat bloed te roemen en te prijzen.
Maar hoor, wat de apostel er van zegt in onze tekst: „hoeveel te meer zal het bloed van Christus....... uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen."
Zietdaar, dat is nu de reinigende kracht van het bloed van Christus.
Het reinigt ons geweten. Daarmee heeft de apostel op het oog ons gehele bestaan, uiterlijk en innerlijk.
En hoe is ons bestaan voor God van nature?
In één woord diep treurig.
Wij zitten vol dode werken.
De dood woelt in ons.
Onze gedachtenwereld is met de dood bezwangerd.
Ons hart is als een graf, waar de doodslucht in hangt.
De dood is in ons spreken, in ons werken, in ons eten en drinken, in ons lopen en rusten.
Zelfs onze godsdienstige verrichtingen zijn van de doód doortrokken : ons bidden, ons kerkgaan, ons zingen en ons geven. Ons geweten: is vol dode werken.
Welk een ontnuchtering als wij dat leren kennen.
O, als de Heere ons daaraan begint te ontdekken.
Dan zien wij, dat wij midden in de dood liggen.
Dan wordt het pas waar, wat we voorheen wel rechtzinnig beleden hebben, maar nooit in de praktijk verstaan hebben, dat wij dood zijn in de misdaden en zonden. Dood in Adam. Dood in onze ontvangenis en geboorte.
Nu gaan we David verstaan: 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf. Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren; Mijn zonde maakt mij het voorwerp van uw toorn, reeds van het uur van mijn ontvangenis af.
Nu worden wij onbekwaam om God te dienen. Onbevoegd om tot God te naderen. Nu gaan we een weinig verstaan, wat het geweest is voor dat volk van de Ouden Dag, als het onrein geworden was door de aanraking van een dode en als het daardoor niet mocht opgaan naar het huis van God.
Nu moeten wij het ook uitroepen: Onreinen, onreinen.
Nu moeten wij het beseffen gaan, dat we met een levend God te doen hebben en dat die levende God met zulk een dode niet verkeren kan.
Hoe zal daar nu verandering in komen?
Zo min een moorman zijn huid kan veranderen en een luipaard zijn vlekken, zo min kunnen wij iets anders maken, die geleerd hebben het kwade te doen.
Maar nu komt daar dat dierbaar bloed van Christus.
Dat bloed heeft reinigende kracht. Meer dan het bloed van stieren en bokken en de as der jonge koe.
Het bloed van Christus vernieuwt ons hart.
Het bloed van Christus drijft de dode werken uit.
Het geeft ons een nieuw leven, met nieuwe lusten, nieuwe begeerten, nieuwe gedachten, nieuwe werkzaamheden.
Dat bloed geeft ons een levend gebed: „O, God wees mij zondaar genadig."
Dat bloed geeft ons een levende begeerte: „Heere, ik wil mijn leven in uw dienst besteden en nooit meer naar de wereld omzien."
Dat bloed van Christus geeft ons een levende overgave: „Heere, ik moet U toebehoren, met al wat ik heb en wat ik ben. Ik wil U de levende God dienen. Al het mijne zal van U zijn."
Ja, mijn lieve medereiziger, zo gaat de dood er bij ons uit.
Zo wordt ons geweten gereinigd van dode werken en we leren de levende God te dienen. Door dat bloed van Christus. Hebt gij dat al geleerd?
Ik wil niet zeggen, dat het zo voorspoedig gaat.
Wij gaan een leven in van strijd, van aanvechting, van tegenstand.
Maar het begin is er.
En hoemeer wij nu op dat bloed mogen zien, hoemeer wij dat bloed kennen; hoemeer wij dat bloed prijzen en verheffen mogen, hoe meer wij de dode werken gaan haten en verzaken en de levende God dienen.
Hoe noodzakelijk is het nu die lijdende Borg te kennen.
Hoe sterk is de behoefte voor het hart van Gods kind in het lijden van de Heiland te worden ingeleid en die Borg te kennen in zijn alles-reinigend bloed. Ja, hoe hebben zij het van node Hem te omhelzen met armen des geloofs, om in een geschonken Borg zich te verblijden.
Het is in Hem dat wij tot God gaan om God te dienen. Alleen in Hem.
Welgelukzalig die mens, die dat geheim mag kennen.
Wel die gaat ten laatste zelf op het altaar. Om zich uit liefde de Heere te wijden. Wij hebben gezien, dat Christus zich onstraffelijk Gode heeft opgeofferd. Maar wie aan deze Christus kennis krijgt, die gaat ook op het altaar, op het dankaltaar, om zich de Heere op te offeren.
Zo wordt de reinigende kracht van Christus' dierbaar bloed geroemd.
Mijne geliefden, hebt gij nu wel deel aan dit dierbaar bloed?
Kent gij de kracht der verzoening en de zoetheid der Godsgemeenschap, die in dit bloed verkregen wordt?
Wij zijn begonnen te zeggen, dat de lijdensweken zo aangenaam zijn voor de gemeente des Heeren. Daar is wel iets van uitgekomen in de bespreking van deze woorden uit de brief aan de Hebreën. Hebt gij in deze ure de heerlijkheid en beminnelijkheid van het lijden des Heeren gezien en voor uw eigen hart verstaan? Er worden hier toch zulke waardevolle schatten uitgestald.
Schatten der eeuwigheid. Schatten die nooit vergaan.
En ze worden zo vriendelijk aangeboden. Ge wordt genodigd om er deel aan te nemen. Om bezit te nemen van de zaligheid die in Jezus Christus is.
Zijt gij nog onbekeerd ? Dan roep ik u toe: Behoud uw arme ziel, eer het voor eeuwig te laat is.
Draag uw ziel uit tot God, voordat ge voor eeuwig weggeworpen wordt in het helse vuur: Weet, dat de Heere Jezus een algenoegzame Zaligmaker is.
Al hebt gij millioenen zonden - Hij heeft verdiensten, die duizendmaal verdubbeld groter zijn dan alle uwe ongerechtigheden.
Zijn bloed wist al die zonden uit.
Is dit niet een blijmoedig en ruim evangelie?
Luister er naar. Neem het ter harte, Wendt u tot de Heere en wordt behouden.
Bedenkt, wie dit evangelie veracht, die verwerpt zijn eeuwig heil. Die zal het zware oordeel van God dragen. Die zal in de eeuwigheid zijn Golgotha doormaken zonder ooit verlost te worden.
Laat; het dan zo ver niet komen. Heden is het de dag van goede boodschap.
Naak tot God en Hij zal tot u naken.
Roep Hem aan opdat gij verlost moogt worden.
En moet gij wellicht uw onmacht en onwil belijden ? Dan mag ik u zeggen, dat wij te doen hebben met een almachtig en goedertieren God. Hij kan zondaren zalig maken en Hij wil zondaren zalig maken. Geef u dan maar aan Hem over, opdat Hij alles doe wat tot uwe behoudenis van node is.
Laat uw gebed opgaan: „Heere, maak mij zalig. Geef mij te kennen dat dierbaar bloed van Jezus Christus. Laat dat ook voor mij de heilsfontein zijn.'
Wees verzekerd, dat God horen zal en uithelpen. Daar draagt Hij zelf zorg voor. En daar getuigt zijn hele Woord van.
Wat vreugde zal dan uw deel zijn. Van de dood bevrijd. Tot het leven geleid. Om niet meer onszelf te leven, maar de Heere. Hem die ons kocht tot zo dure prijs zijns bloeds.
Daar moogt gij van getuigen, godvrezenden.
Was het niet uit uw hart gegrepen, als ik in deze ure tot u sprak over dat kostbare hartebloed van Jezus? Heeft dat bloed van Jezus uw ziel niet in beweging gezet ?
0, dat bloed te kennen, dat bloed te bezitten, de kracht der verzoening van dat bloed te genieten; - daar gaat het verlangen naar uit, nietwaar?
Van de dood verlost te worden, alle dode werken te haten en te verzaken om de levende God te dienen en te vrezen ; daar strekt zich al uw lust en liefde heen, - is het niet zo?
Houd moed! Uw verlangen zal worden voldaan.
Christus heeft een heerlijke offerande gebracht. We zijn er in deze ure bij bepaald. Hij heeft die offerande niet gebracht, opdat gij er geen kennis van zoudt hebben. Integendeel, gij zult er van genieten, al rijker, al voller.
Daarom heeft Hij bij u het verlangen reeds gewekt, opdat gij Hem zoudt kennen; tot Hem zoudt komen en Hem geheel van God zoudt ontvangen als uw Borg, in wiens bloed gij hebt de vergeving van al uw misdaden en de vrijmoedige toegang tot God.
Houd moed! De Heilige Geest zal u bedienen. Hij zal niet rusten, voordat gij tenvolle dat bloed van Christus zult omhelzen, om daarin te genieten de zaligste vereniging met God.
Hoe zult gij dan dat bloed prijzen en roemen en altijd weer nodig hebben,...... om de dode werken te verzaken en te verlaten en de levende God te dienen.
0, dierbaar bloed van Christus!
Dat onze ogen onafgebroken daarop mochten rusten, kinderen Gods!
Dat hebben wij zozeer nodig in ons leven.
Maar bizonder zullen wij dat behoeven in de ure van ons sterven,
Zij het dan onze bede: Heere Jezus, laat mijn brekende ogen mogen zien op Uw bloed en geef mij in Uw bloed een ruime ingang in heerlijk Vaderhuis met zijn vele woningen."
Amen.
Psalm 2:7
Maart 1952