Johannes 13:31 'Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt' ds. A. Ponstein

Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt.

Predikatie door Ds. A. PONSTEIN

Ps. 65 : 2
Lezen: Joh. 13
Ps. 40:4,5
Ps. 45 : 1
Ps. 22:14

Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.
Joh. 13 : 31.

Wanneer we ons weer als gemeente in de zeven lijdensweken zullen zetten tot de overdenking van het lijden en sterven onzes Heeren Jezus Christus, en de bediening des Woords, ons zeer bepaald bij de lijdende Borg zal bepalen, Die om onze overtreding verbrijzeld is geworden; dan hebben we voor alles ons op de vraag te bezinnen: in welk licht moet dat lijden des Heeren gezien worden?"
Moeten en mogen we dat lijden des Heeren zien in het licht van het algemeen menselijk lijden, dat, in het lijden des Heilands zijn grootste omvang en verschrikkelijkste diepte, bereikte?
Zeker, Christus' lijden was voorwaar een menselijk lijden, bang en zwaar, maar des Heeren lijden zonder meer, als een bloot menselijk lijden te zien, dat Hij weliswaar onderging in des zondaars plaats, laat aan dat lijden geen voldoende recht wedervaren.
Zijn lijden is voor alles een plaatsvervangend, borgtochtelijk lijden geweest.
Doch al stemmen wij toe, dat Zijn lijden een borgtochtelijk karakter draagt, dan is evenwel het gevaar niet denkbeeldig, dat wij des Heilands lijden, te veel vanuit de vlakke lijn van ons bestaan, gaan bezien. Dat wij het vanuit de horizontale lijn der aarde, - vanuit de versmading, vernedering en verguizing, die Hij om onzentwil moest ondergaan, gaan beschouwen.
Natuurlijk maken die vernedering, versmading en verguizing, die Hij in des zondaarsplaats had te ondergaan en te doorstaan, een wezenlijk bestanddeel van des Heeren lijden uit; echter, dit Zijn lijden daar in te laten opgaan, is niet het rechte inzicht hebben op het lijden des Heeren.
Van welk gezichtspunt uit hebben we dan het lijden des Heeren te bezien en te bepeinzen?
Vanuit welk gezichtspunt, zo vraagt gij natuurlijk, beziet de H. Schrift dan dit lijden van onze gezegende Borg en Middelaar?
Wel, Gods Woord laat ons hieromtrent niet in het onzekere. Het zegt ons in zeer duidelijke taal, in welk licht het lijden des Heeren voor alles moet bezien worden.
Want alleen in dat licht, hetwelk de H. Schrift ons hier ontsteekt, krijgen we, (mits ons oog daar voor ontsloten werd), oog, voor het borgtochtelijk en Godverheerlijkend karakter, hetwelk het lijden des Heeren kenmerkt.
En zo zal het ons gegeven zijn, te verstaan, dat het lijden des Heeren, een lijden is geweest, dat hoewel het een menselijk lijden was, verre boven alle lijden des mensen uitgaat, dat er wel aan verwant, maar er niet mee gelijk te stellen is.
Het is de Heere Jezus zelf, die in het evangelie ons zegt, in welk licht Hij wil, dat wij Zijn lijden zullen beschouwen.
Hij toch zegt in Joh. 13 vers 31 (onze tekst) : „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt."
In dit Zijn woord zegt de Heiland het Zijn discipelen en kerk, voor ééns en vóór goed, dat Zijn lijden voor alles moet gezien worden, in het licht van de verheerlijking Gods.
Onderricht door dit woord des Heeren hebben we het lijden van onze gezegende Borg en Middelaar te beschouwen: „Als een verheerlijking van de Zoon des mensen, en in Hem, als een verheerlijking van God."
Naar het woord van onze tekst hebben we te onderzoeken:
1. Op hoedanige wijze de Zoon des mensen in Zijn lijden verheerlijkt is,
2. Op hoedanige wijze God in Hem verheerlijkt is.
1.
„Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt."
Dit woord des Heilands is als een felle bliksemschicht, uit donkere onweerswolken, die met zijn scherpe lichtflits, het donkere firmament, voor een wijle verlicht.
Immers het woord des Heeren: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt", is gesproken tegen de donkere achtergrond van Judas verraad.
Zo even heeft Judas, door de Meester als de verrader aangewezen (hoewel zijn mede-discipelen hem als zodanig nog niet hebben ontdekt, en in de mening verkeren, dat hij een opdracht voor de Meester heeft te vervullen), de opperzaal verlaten.
Maar Jezus weet, met bewuste zekerheid, wat dit heengaan van Judas voor Hem ten gevolge zal hebben.
Toen Hij de bete broods, waarmee Jezus de verrader onder de discipelen zou aanwijzen, aan Judas gaf, toen wist Jezus, dat Hij zich daarmee aan het verraad van Judas overgaf.
Nu Judas openlijk als de verrader zich ziet aangewezen, nu laat hij het masker vallen, en een dodelijke haat tegen Jezus bezielt hem, Jezus nu zo gauw mogelijk over te leveren in de handen der overpriesters en schriftgeleerden, opdat die Hem zullen doden, dat is nu zijn één en al. In zijn haat tegen de Meester is hij inderdaad een gevleeste duivel, het willoos werktuig in de hand van de overste der duivelen zelf, die in Judas gevaren, niet zal rusten, voordat hij door Judas, zijn satanische haat aan Jezus gekoeld heeft.
Dewijl Jezus dit alles met bewustheid weet, ja weet, dat satan in het hart van Judas, één Zijner discipelen, gevaren is, en de haat van de grote tegenstander in satanische felheid tegen Hem zal losbranden, zendt Hij Judas van zich met het woord: „wat gij doet, doe het met "haast."
Ons bezinnend op dit zwart verraad van Judas, één van 's Heeren jongeren, lijkt ons alles wat met Jezus nu plaats grijpt, even verward, even onlogisch en even wanhopig.
Zo bloot te moeten staan en overgegeven te zijn aan het snode verraad van één Zijner leerlingen, is toch wel het ergste wat onze Heiland overkomen kon.
Alles is hier dan ook even somber en dreigend, en wij zijn geneigd de kreet te slaken: „waarom o God laat Gij zulk een verraad toe, waarom stelt Gij Uw Zoon, Uw veel Geliefden, bloot aan zulk een laag verraad?"
Ja, zo zijn we geneigd te denken of te spreken, indien wij dit lijden vanuit ons menselijk gezichtspunt, beschouwen en bepeinzen. Echter, de Heiland zelf laat een ander licht op dit verraad, en op Zijn lijden, dat met dit verraad wordt ingeleid, vallen. Jezus toch betuigt, wanneer Judas is uitgegaan om zwart verraad te plegen: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt."
En hieruit blijkt, dat dit verraad, en het lijden, dat daarvan het gevolg zal zijn, door Christus wordt bezien en aanvaard, als een verheerlijking van Hem, de Zoon des mensen. Voor Christus is het verraad van Judas geen zaak waaraan Hij willoos is overgeleverd. Wat nu aan Hem, de Zoon des mensen, gaat gebeuren, dàt, dit weet Jezus, gaat niet buiten de bepaalde raad en voorkennis Gods om.
Niets, maar dan ook letterlijk niets, wat satan en zijn handlangers tegen de Zoon des mensen ondernemen zullen, is aan hun willekeur overgelaten.
Al zal satan ten volle zijn opzet en moedwil aan Jezus botvieren, die opzet en moedwil is beperkt en onderworpen aan Gods raad en voorkennis. Van die goddelijke raad en voorkennis weet Christus zich voorwerp en doel.
In die raad en voorkennis gaat het om de eer en heerlijkheid Gods, die Christus als Zoon des mensen, of wilt gij, als de lijdende Knecht des Heeren, in Zijn lijden en dood, God te brengen heeft. Alleen, wanneer door Hem. Gode weer eer en heerlijkheid wordt gebracht, zal er voor de zondaar, die in Adam God naar Zijn eer en kroon stond, genade en verzoening kunnen zijn.
In dit licht beschouwd, wordt uw en mijn zonde niet alleen een aanranding van Gods recht, maar wat veel erger is, een aanranding en aantasting van Gods eer en heerlijkheid.
Was dat geen aanranding en aantasting van Gods eer en heerlijkheid, wanneer de nietige mens, gehoor gevend aan het woord van satan, aan God gelijk wilde zijn?
Inderdaad de zonde is in haar diepste zijn, een aanranding en aantasting van Gods eer en heerlijkheid.
En nu heeft God in Zijn raad besloten Zijn Zoon te zenden in de gelijkheid van het zondig vlees, opdat Hij de zonde in Zijn lichaam te niet zou doen, en Gode weer eer en heerlijkheid werd gebracht.
En dat hergeven van Gods eer en heerlijkheid door Christus, wordt nu door Christus in onze tekst genoemd, als een verheerlijking van de Zoon des mensen, in Wien God verheerlijkt wordt.
Hij is de in Gods raad verordineerde en in de tijd gezonden Ambtsdrager Gods, die als Profeet, Priester en Koning zijn ambtswerk gaat uitoefenen tot heerlijkheid van God drieënig en tot zaligheid en behoud van zondaren.
In de uitoefening van dit ambtswerk ligt nu ook des Christus' heerlijkheid, of wilt gij, de heerlijkheid van de Zoon des mensen.
En wanneer dan die ure, waarin Christus, als de Zoon des mensen, in des zondaars plaats, door Zijn gehoorzaamheid tot in de dood des kruises, Gode Zijn eer en heerlijkheid zal geven, door het verraad van Judas wordt ingeluid, dan spreekt Hij tot Zijn jongeren: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt."
Neen, de zin van deze woorden, we weten het, is toen niet tot de discipelen doorgedrongen. Toch sprak Jezus ze tot hen, opdat, wanneer straks de macht der duisternis haar ure ontvangt, om zich aan de heilige Onschuld te vergrijpen, en in dat uur, voor het oog der jongeren geen enkele heerlijkheid aan hun Heiland valt te ontdekken, zij Zijn woord zouden herinneren: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt." Hier blijkt ons weer met welk een tedere zorg de Heere steeds was en is wakende over de Zijnen, opdat zij niet ten prooi zullen vallen aan de zielemoorder, die het op hun ondergang gemund heeft.
Neen, het lag niet aan de Heiland, dat Zijn discipelen, zo geheel en al, door Zijn lijden, kruis en dood, verbijsterd zijn geworden. Maar als straks hun het licht over 's Heilands kruis en dood is opgegaan, en Hij hun uit de Schriften verklaart : „moest de Christus niet alzo lijden, om tot Zijn heerlijkheid in te gaan", dan zullen ze dit woord, gesproken in het uur van Judas' verraad: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt", verstaan.
En dan hebben zij het rechte inzicht op des Heilands lijden gekregen, een inzicht, dat ook wij, staande achter de feiten, mogen bezitten in dit woord des Heeren.
Wij, die door Gods genade, bezitten het volle licht in de openbaring van Jezus Christus, worden dan ook in dit woord opgewekt vanuit dit woord, des Heilands, Zijn lijden te bepeinzen.
En dan valle in de verklaring van dit woord de volle nadruk op dat „nu"
Want dat „nu" zegt niet, dat deze heerlijkheid van de Zoon des mensen, zich dwars door de schande, de smaad en de verguizing, aan welke Hij van nu af onderworpen zal wezen, gaat openbaren. Integendeel, de smaad en schande, die over Hem zullen komen en waaronder Hij bedolven wordt, zijn de gevolgen van Zijn heerlijkheid, die Zijn deel is geworden.
„Nu", is de Zoon des mensen verheerlijkt, zegt Jezus zeer nadrukkelijk. „Nu", dat is met het heengaan van Judas, is de Zoon des mensen verheerlijkt.
Dit woord is mitsdien geen profetie aangaande toekomende verheerlijking van Jezus Christus, maar bekendmaking door Christus, van de nu voor Hem plaats hebbende verheerlijking.
Die verheerlijking, nu kan zijn, een aan de dag treden van een heerlijkheid, die in de Verheerlijkte als zodanig, reeds te voren was.
Het kan ook wezen: een ontvangen van een heerlijkheid, die er voorheen niet was, maar die nu, voor het eerst door Christus, als Zoon des mensen, ontvangen werd.
Nu blijkt uit het verband van onze tekst, en uit het ganse lijden van Christus, dat hier niet gedacht kan worden aan een ontvangen en bekleed worden met een heerlijkheid, die voorheen in Christus, niet aanwezig was.
Want, immers van nu af aan, zal geen heerlijkheid, maar aller-diepste versmading en vernedering, verachting en verguizing des Heilands deel zijn.
En wat de heerlijkheid betreft, die Christus als loon op Zijn volbrachte taak is toegezegd, deze zal pas Zijn deel worden na Zijn dood, n.l. wanneer Hij zal opstaan uit de doden, en ter rechterhand des Vaders, in de hemel, verheven is.
Daarom moet de verheerlijking, waarvan Christus in ons tekstwoord gewaagt: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt", een heerlijkheid zijn die in Hem aanwezig, zich nu, nu Judas verraad, Zijn lijden ten gevolge heeft, ten volle ontplooien gaat.
En dan wil de Heiland in Zijn woord : „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt", niets meer en niets minder uitdrukken, dan, dat dit de heerlijkheid van Hem uitmaakt, dat Hij als Zoon des mensen, dat is als de lijdende Knecht des Heeren, ten volle bereid is, het werk tot voldoening en verzoening Hem door Zijn God en Vader opgedragen, ten uitvoer te brengen.
Ja, dat is Jezus' heerlijkheid, en daarin ziet Hij Zijn verheerlijking, dat Hij nu, nu Judas Hem verraden gaat, in volle bereidheid des harten en overgave aan de wil Zijns Vaders, de weg kan en wil en zal gaan, die Hem is voorgesteld geworden.
Die weg in willige gehoorzaamheid, ten einde toe te gaan, als Borg en Middelaar der Zijnen, dat is des Heilands hoogste eer en grootste heerlijkheid.
Groter eer en heerlijkheid kan Hij zich niet denken.
Ja, hierin wordt de heerlijkheid van Jezus Christus openbaar, en weet Hij zich als Zoon des mensen verheerlijkt, dat Hij overeenkomstig de wil van Zijn hemelse Vader, in getrouwheid aan het verbond, dat Hij van eeuwigheid met God de Vader, tot behoud en redding des zondaars, aanging, nu ten uitvoer gaat brengen.
De Hem krachtens dat verbond toegewezen taak nu te mogen volvoeren, ook al zal dat voor Hem zijn een overgegeven worden aan de machten der duisternis, en een neergestoten worden in de diepten der hel, zie, dat is voor deze Zoon des mensen Zijn heerlijkheid en sieraad.
Die verheerlijking nu van de Zoon des mensen, hoe duidelijk ook in de profetie beschreven, onderkenden Zijn discipelen in die ure niet.
Zij zien in deze ure geen enkele heerlijkheid in hun Heiland. Integendeel, zij zien niet anders dan oneer, smaad en verguizing aan en in Hem.
Ja, Hij schijnt hun de vernietiging te worden van al hun hoop en verwachting. En straks zullen ze zelfs de bange klacht slaken: „Wij meenden, dat Hij was degene, die Israël verlossen zou."
Maar wij, die niet als zij nog staan voor het kruis en het gesloten graf, doch mogen gewagen van de zegepraal van het kruis, en de glorie van het geopende graf, onderkennen wij ook ten volle, dat Christus, de Zoon des mensen, op het zelfde ogenblik, dat Judas heenging om Hem te verraden, verheerlijkt werd?
Dikwijls is het zo, dat de herinnering aan dit verraad en aan het kruis van Christus ook ons nog zou doen beven en ontzetten, indien wij er niet terstond de vertroosting bij mochten horen, dat Hij in dat kruis, satan, zonde en dood, overwonnen heeft.
Ons nu in geloof te bezinnen op dit woord des Heeren: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt", zal ons de grootheid van de Man van smarten des te meer doen erkennen en gevoelen.
Want daardoor mogen wij het weten, dat Jezus zich geen slachtoffer van het lijden dat over Hem kwam, gevoelde. Dat Hij in de verste verte maar een willoze prooi van verraad en boosheid zou zijn geweest.
.Integendeel, nu Jezus Judas van zich zendt, en hem de vrije hand laat om te doen wat hij voornemens is te doen, en judas zich vrijwillig aan satan uitlevert, nu wordt met deze daad, van Judas, Jezus in Zijn heerlijkheid als de Christus Gods, die Zich reeds in de raad des vredes tot een Borg en Middelaar der Zijnen gegeven had, bevestigd.
Op hetzelfde moment, als Judas heen gaat, heeft Christus de mijlpaal op Zijn ambtsweg bereikt.
Dan is voor Hem het beslissend ogenblik aangebroken, om metterdaad, de verlossing der Zijnen, door Zijn bloed, te verwerven.
De verschrikkingen van Golgotha zijn dan door de Zoon des mensen Zelf opgeroepen.
De heerlijkheid van de mensen-Zoon, die Zijn lijden en Zijn dood aanvaardt, om als Gods Ambtsdrager, daar door een eeuwige verlossing en verzoening tot stand te brengen, schittert nu in ongekende glans.
Nu Christus, Judas als verrader heeft ontmaskerd en van Zich gezonden, en daarin het bewijs geleverd, noch door verraad, noch door verzoeking van Zijn bereidheid om Gods weg te gaan, en Gods wil te volbrengen, kan worden afgebracht, nu is de Zoon des mensen verheerlijkt.
Hij kwam ook de verzoeking van satan, die in Judas tot Hem kwam, glansrijk te boven.
In dat „nu", - „nu", de verrader is ontmaskerd en weggezonden, proeven we de kreet der overwinning, welke Christus op satan heeft behaald.
Met de blik van de overwinnaar, die Zijn tegenstander overmocht, ziet Jezus dan ook de verdwijnende discipel achterna.
Diens vertrek is voor Jezus het oproepen van de machten der duisternis over Hem, maar door de donkere wolken, die zich boven Zijn hoofd samenpakken, breekt de lichtglans van des Vaders goedkeuring tot Hem door, die Jezus spreken doet: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt." Ja God is nu bovenmate verheerlijkt in Hem de Zoon des mensen, die in Zijn bereidwillige gehoorzaamheid tot in de dood des kruises, Gode eer en heerlijkheid toebrengt.
Hij heeft vastgehouden het doel dat de Vader Hem gesteld had. Ja, dat doel vastgehouden ten einde toe, juist, toen de verwerkelijking van dat doel, van Hem vroeg, het offer van Zijn leven.
In Judas wegzending uit de kring der twaalven, met de mededeling: Wat gij doet, doe het met haast, heeft Christus het bewijs geleverd, dat de Zoon des mensen, het koninkrijk, Hem vanaf de grondlegging der wereld beloofd, zich gaat verwerven, niet in eigen weg, maar in Gods weg.
Dat dan, de verrader, de gewaardeerde Israëls aan diens vijanden verkope voor de prijs van een slaaf, en over Hem brenge de smaad des kruises.
In de schatting der engelen Gods echter is de Zoon des mensen gestegen tot een toppunt van heerlijkheid, waarop zelfs geen kruis en geen graf enige schaduw kunnen werpen.
Nu het Zijn heerlijkheid is als Zoon des mensen, Zijn leven tot een rantsoen voor velen te geven, nu wordt des Heilands lijden ons zo groot en wonderbaar.
Nu bewonderen en aanbidden we daarin een Goddelijke liefde en wijsheid zo hoog en verheven, dat we met de apostel Paulus uit- roepen ,,O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! hoe ondoorgrondelijk zijn Zijne oordelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen!"
Want wie heeft de zin des Heeren gekend ? Of wie is Zijn raadsman geweest?
Of wie heeft Hem eerst gegeven, het zal hem weder vergolden worden?
Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid,
Ja, nu begrijpen we, waarom aan de verheerlijking van Christus in dit uur, zulk een donkere achtergrond van verraad en smart, gegeven werd.
't Is, opdat de lichtglans van Zijn heerlijkheid er zich des te glansvoller door zou aftekenen.
't Is, opdat de Zijnen, des te meer zouden verstaan en bewonderen, de volkomen bereidheid van Hem, de Gezondene des Vaders, om hun Borg en Middelaar, hun Goël en Verlosser te willen zijn.
Maar onze Heiland gewaagt in Zijn woord er niet alleen van, dat nu de Zoon des mensen verheerlijkt is, Hij zegt ook: en God is in Hem verheerlijkt.
II.
Doch wij vragen: Hoe, op welke wijze is God nu in Hem verheerlijkt?
En God is in Hem verheerlijkt. Gelet op de samenhang van onze tekst, blijkt duidelijk, dat dit verheerlijkt zijn van God in Hem, in onlosmakelijk verband staat met het verheerlijkt zijn van de Zoon des mensen.
En dewijl dit verheerlijkt zijn van de Zoon des mensen, zoals we hoorden, niets meer en niets minder bedoelde, dan de volkomen bereidheid van Hem om Gods ambtsdrager te zijn, ten behoeve van onze zaligheid, zo is God daardoor in Hem verheerlijkt. En zo grijpt Christus in dit woord terug op de nacht in welke Hij geboren werd.
Toen toch bezongen de engelen Gods heerlijkheid, in de zending van Zijn Zoon, tot Zaligmaker en Verlosser van zondaren.
En nu de Zoon des mensen daadwerkelijk gaat vervullen, het welbehagen Gods in mensen, dat de engelen, als Gods heerlijkheid bezongen, nu betuigt Jezus: en God is in Hem verheerlijkt.
Christus zegt niet, en nu zal God door Hem verheerlijkt worden, of aan Hem verheerlijkt worden, neen, zeer bepaald en concreet zegt Hij: en God is in Hem verheerlijkt.
En al moet Christus nog als de lijdende Knecht des Heeren de weg gaan, waardoor God in Hem verheerlijkt zal worden, die weg zal Hij, dat weet Hij, ten einde toe lopen, en daarom zegt Hij het,
staande voor Zijn lijden in volle zekerheid: „en God is in Hem verheerlijkt."
En de uitkomst heeft het bevestigd : God is in Hem verheerlijkt.
Door Zijn gehoorzaamheid tot in de dood, ja de dood des kruises is God drieënig in Hem verheerlijkt.
Verheerlijkt is God in Christus, in de onkreukbaarheid, van Zijn heilig recht. Verheerlijkt in Zijn waarheid en genade, want deze zijn in Christus Jezus geworden ons tot zaligheid..
En, omdat de verzoening door voldoening door Christus zoendood verworven, rust in het heilsplan Gods van eeuwigheid vastgesteld in Zijn raad; en de Zoon, de Hem van de Vader aangewezen taak, om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen nu gaat volbrengen, is God drieënig in Hem verheerlijkt.
En gelijk in de trouw van de éne bondgenoot aan de andere betoond, die andere wordt verheerlijkt, en de heerlijkheid van de een openbaar wordt in de heerlijkheid van de ander, kan de Zoon hier zeggen: - en God is in Hem verheerlijkt.
En omdat het werk der verlossing door Christus het werk is van de drieënige God, is God drieënig in Christus verheerlijkt.
Verheerlijkt in al Zijn deugden en volmaaktheden. Verheerlijkt als de God van volkomen zaligheid.
En zo buigt zich de heerlijkheid Gods in de kerstnacht glanzend, zich tot de heerlijkheid Gods in de lijdensnacht over.
Evenwel, de heerlijkheid Gods in de lijdensnacht bezit dieper glans en gloed, dan die in de kerstnacht, want nu ontvangt het welbehagen Gods in mensen zijn realisering.
ja, in de lijdensnacht, nu de Zoon des mensen is verheerlijkt, en God in Hem verheerlijkt is, schittert en glanst de drievoudige heerlijkheid van een drieënig God. Daar glanst en schittert, de heerlijkheid van de liefde des Vaders, daar glanst en schittert, de heerlijkheid van de genade des Zoons, daar glanst en schittert, de heerlijkheid van de gemeenschap des Heiligen Geestes.
Zo is God verheerlijkt in de Zoon des mensen, die is de Zoon des levenden. Gods.
Dat God in de Zoon des mensen verheerlijkt is, daarin ligt nu uw en mijn behoud.
En ziende in geloof op die God en Zaligmaker zingt ons hart:
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de geest mijn gladde tonge drijft,
Is z' als de pen van een die vaardig schrijft,
Beminlijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Gena is op Uw lippen uitgestort;
Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Ps. 45 : 1.
Dat God in de Zoon des mensen is verheerlijkt, daarin ligt, zoals we zeiden, nu des zondaars behoud.
Eertijds toch had God de Heere Zich in de naar Zijn beeld geschapen mens verheerlijkt.
Hij, de naar Gods beeld geschapen mens, vertoonde als mens in zijn wezen en bestaan, kortom in geheel zijn mens-zijn, de heerlijkheid van de onzienlijke God.
Maar wat is geschied ?
De naar Gods beeld geschapen mens Adam, zondigde tegen God. Hij wilde als mens meer zijn dan het afschijnsel van Gods heerlijkheid.
Hij wilde zelf God zijn. Hij viel, en in hem geheel zijn nakomelingschap, en wij hielden op als mens, het beeld van Gods heerlijkheid te zijn.
En daarin ligt nu onze ellende, maar ook onze smaad, alsook onze schuld en onze zonde.
Aanranders van Gods heerlijkheid zijn we geworden, en dervers van de heerlijkheid Gods, en dat door eigen zonde en schuld. En dat door ongehoorzaamheid aan en overtreding van het ons gestelde gebod : God lief te hebben boven alles, en de naaste lief te hebben als onszelven.
In het volvaardig gehoorzamen van dit ons gestelde gebod, schitterde en glansde de heerlijkheid Gods in en uit ons.
Doch nu zal het u des te duidelijker zijn geworden, dat in de bereidwillige gehoorzaamheid om Gods wil te volbrengen, de heerlijkheid van de Zoon des mensen is gelegen, en dat juist daarin God in Hem verheerlijkt is.
Als Zoon des mensen staat Hij daar, in Wien de heerlijkheid van de naar Gods beeld geschapen mens glanst. Wanneer Hij als Zoon des mensen in des zondaars plaats gesteld wordt, dan is het Zijn heerlijkheid, Zijn wil en wens en daad, in volmaakte gehoorzaamheid Gods wil te volbrengen.
En wijl het Gods wil is, door Christus Jezus, de gevallen beelddrager te begenadigen en hem te vernieuwen, zodat hij weer worde, als mens, tot heerlijkheid Gods des Vaders, is God in Christus verheerlijkt.
En, omdat God in de Zoon des mensen verheerlijk is, (want als Zoon des mensen heeft Christus, in des zondaars plaats, Gode Zijn rantsoen gegeven) , is daar voor zondaars genade en behoud.
En, zo is Hij ons geworden een oorzaak van eeuwige zaligheid. En, omdat God in Hem verheerlijkt is, heeft God Hem gesteld en gegeven tot een Zaligmaker en Heere, in Wien en door Wien, Hij, de aan Zijn heerlijkheid ontzonken zondaar, wil redden en behouden.
Wij, die van nature de heerlijkheid Gods derven, kunnen naar het apostolische woord alleen behouden worden door de genade, die daar is in Christus Jezus onze Heere. Want Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde gemaakt voor ons, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden door Zijne gerechtigheid.
En gerechtvaardigd, door het geloof in Christus, zullen wij tot heerlijkheid Gods gesteld worden.
Want Hij, in Wien de Vader verheerlijkt is, heeft de Zijnen in Zich begrepen, in de verborgen eenheid van Zijn mystiek lichaam, waarvan ieder der Zijnen, door het geloof in Hem, een levend lidmaat is.
En wie door het geloof Christus is ingelijfd, die heeft gemeenschap aan Zijn lijdensheerlijkheid, en...... in die is ook de Vader verheerlijkt.
En die zijn ook naar des apostels woord, tot heerlijkheid Gods des Vaders gesteld.
Want hunner geldt het woord: „Want gij zijt duur gekocht, zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en geest, welke Godes zijn.
God wil en moet en zal verheerlijkt worden. Dat is in feite de vermaning des Heeren, die Hij ons allen in Zijn woord: „Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt", horen laat.
Maar nu is dit de persoonlijke vraag voor een ieder onzer: hoe zal God verheerlijkt worden door ons?
Zal Hij aan ons of in ons verheerlijkt worden?
Aan ieder mens zal God verheerlijkt worden.
God zal verheerlijkt worden, zowel in het straffen als in het begenadigen van de zondaar.
Aan de verlorenen, aan hen, die de aangeboden verlossing in Christus, in arren moede verworpen en het bloed des Nieuwen Testaments onrein geacht hebben, zal God verheerlijkt worden, als de rechtvaardige Rechter, wanneer Hij over hen Zijn rechtvaardig vonnis velt.
Maar, die het uit genade gegeven is te geloven in de Naam Zijns Zoons, in die zal God verheerlijkt worden.
In die zal God verheerlijkt worden in de volheid van Zijn genade, die in Christus Jezus is.
Want zij leerden verstaan, dat zij van nature derven de heerlijkheid Gods. Dat zij God naar kroon en troon stonden, en Gods heerlijkheid verwerpend, eigen eer en heerlijkheid zochten. Doch, door de kracht des Geestes, ontdekt aan hun aldus verdorven bestaan, zijn ze gaan roepen om genade en behoud. Zij hebben in geloof de toevlucht genomen tot het bloed des kruises, en met hun zonde en schuld gevlucht tot dat bloed, mochten zij het ervaren, dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.
En nu roemen zij de heerlijkheid Gods vol van genade en waarheid, die hen doet delen in Zijn heerlijkheid, en wel in de heerlijkheid, van Gods kinderen genaamd te worden.
En die bewonderen en aanbidden een God en Heiland, die het hun deed zien, verstaan en ervaren in geloof : Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.
Nu wil God, en dat is de genade-boodschap, die het u verklaarde woord des Heilands, o zondaar horen laat, Zich in zondaren verheerlijken.
Want, om dat te kunnen doen als de heilige en rechtvaardige God, die de zonde haat en straft, heeft Hij Zijn Zoon tot een Zaligmaker en Verlosser der wereld gegeven.
In Zijn Borg en Middelaar is God verheerlijkt, en daarom wil Hij zich in genade en ontferming verheerlijken in zondaren. In zondaren, die Hem niet eren, maar wier eer in hun schande gelegen is.
In zondaren - schuldig en zondig. In zondaren boos en verkeerd, wil Hij de volheid van Zijn genade heerlijk maken.
O, bedenk het zondaar dat het behoort tot Gods eer en heerlijkheid in Christus Jezus. u genadig te zijn.
Hij toch heeft geen lust in uwen dood, maar in uw behoud.
Valt Hem te voet, roept Zijn genade over u in, want, die Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.
O, Gij die .onze schuld woudt boeten,
Door Uwe gadeloze pijn,
O Heiland!, leer mij aan Uw voeten
In eigen oog een zondaar zijn.
Met al mijn deugd, bij al mijn werken,
Vind ik geen troost, die mij kan sterken,
Geen hoop, dan die ik op U bouw:
Op Uw genade zal ik leven,
Op Uw gen à de doodsnik,
O Heer! aan Wien ik mij vertrouw.
Amen.

Februari 1953