„Het bewaren van het Woord”
Predikatie door Ds. A. PONSTEIN
Ps. 17:3
Lezen : Luc. 11: 1428
Ps. 111:5
Ps. 25 : 6, 7
Ps. 119: 65
Ps. 95 : 4
„Klaar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen en het bewaren."
Lucas 11 : 28.
Het Woord Gods dat heden de stof van onze overdenking zal zijn, is een alleszins onder ons christenen bekend, maar ook helaas, een al te veel, miskend woord.
Bekend is dit woord van de Heiland, omdat het veelszins dient, om de boven-menselijke verering van Maria, de Moeder des Heeren, door de kerk van Rome voorgestaan, af te wijzen met een beroep op dit woord van Jezus. Dit woord toch heeft de Heere Jezus Christus gesproken als antwoord op de spontane ontboezeming van een vrouw, die gekomen onder de machtige indruk van Jezus' woorden het uitriep : „Zalig is de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen."
En zeker, dan is het antwoord, dat de Heere Jezus Christus op de hulde door die vrouw Zijn Moeder gewijd, - gaf; n.l. Zijn: „Ja zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en het bewaren", een min of meer directe afwijzing van die hulde aan Maria Zijn Moeder gebracht. Maar juist doordat dit woord van de Hei- land door velen gebruikt wordt als tegen-argument voor de Maria-verering van de Roomse kerk, is dit woord in doorsnee onder ons meer een strijd- dan levenswoord geworden.
Toch, wanneer wij van de woorden Gods strijd-woorden maken, dan verliezen ze dikwijls voor ons persoonlijk, de kracht en waarde, die zij voor een ieder onzer moeten bezitten. Dan zullen wij er onze tegenstander mee schaakmat zetten, dewijl wij zelf, ons, aan hun klemmende zin en betekenis, o zo gemakkelijk gaan onttrekken.
En helaas dat is met ons tekstwoord: „Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en het bewaren", maar al te veel het geval.
Zo weinig wordt in doorsnee onder ons het verstaan en ter harte genomen, dat Jezus hier zalig spreekt, hen, die het Woord Gods horen, en....... bewaren.
Dat dit woord ook een zaligspreking van onze Heiland is, evenzeer als die Hij in de bergrede ons laat horen, wie staat daar bij stil, en...... wie wordt daar verlegen onder? Waarlijk we zeggen niet te veel, wanneer wij beweren, dat dit algemeen bekende woord des Heeren, helaas één der meest miskende woorden des Heeren moet genoemd worden.
Miskend in zijn betekenis en bedoeling.
Waarlijk, de Heiland eist voor dit Zijn woord de volle aandacht op. Hij wil er ons mee leren, dat het horen van Gods Woord, een bewaren van hetzelve, tot gevolg moet hebben.
Dat het dus voor een ieder die leeft onder de bediening des Woords, en geregeld Gods Woord hoort, moet komen, door de genade Gods, tot een bewaren van dat Woord, dat Woord, dat ons wijs maakt tot zaligheid.
Ons nu zettende tot de overdenking van dit Woord Gods, vragen wij uwe aandacht voor:
Ie. Wat het inhoudt Gods Woord te horen en te bewaren;
2e. Hoe dit mogelijk is Gods Woord te horen en te bewaren;
3e, Het „zalig", hetwelk Christus aan het horen en bewaren van Gods Woord, verbindt.
Gij weet, het woord van onze tekst heeft Jezus gesproken naar aanleiding van een voorval dat Hem tijdens Zijn redevoering tot de schare, overkwam.
Wat toch was het geval? De Heiland had als naar gewoonte de schare toegesproken en Zijn woord vol van genade en ontferming,
had niet nagelaten indruk te maken op de mensen, die Hem hoorden.
Doch, nadat Hij Zijn rede beëindigd had, ziet, daar wordt Hem een man gebracht, die van de duivel bezeten is. Echter, die demon waarvan deze mens bezeten was, was stom. Dus hij kon niet spreken. Maar al kon die bezetene niet spreken, die stomme demon in hem, had evenwel zoveel kracht en invloed op deze mens, dat hij een gevaar voor zich zelf en zijn omgeving was. Nu tot Jezus gekomen, is het Jezus, die de geestelijke nood, waarin de bezetene verkeert, ziende, de stomme demon beveelt van hem uit te varen. „En het geschiedde", zo lezen we, „als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich."
Natuurlijk, dat met recht ! Echter sommigen van hen zeiden
„Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste der duivelen.
En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit de hemel."
Een teken uit de hemel, waardoor Hij het bewijs zou leveren dat geen duivelse, maar goddelijke macht Hem de demonen deed uitwerpen.
Echter, Jezus kennende hun gedachten, zowel van de een als van de ander, spreekt tot hen : „Een ieder koninkrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, wordt verwoest, en een huis, tegen zich zelf verdeeld zijnde, valt;
Indien nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan?
Dewijl gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de duivelen uitwierp.
En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uwe zonen uit? Daarom zullen deze uwe rechters zijn.
Maar indien Ik door de vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen."
Natuurlijk hun bewering, dat Hij door Beëlzebul de duivelen uitwierp, had Jezus voldoende nu ontzenuwd, echter zullen zij nu ook het door Hem gegeven teken: „maar indien Ik door de vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen", - aanvaarden ?
En zullen zij de woorden die Christus daarna tot hen sprak: de woorden waarin Hij hun de toestand van hun hart, dat boos en verkeerd is, en dat hen met vijandschap jegens Christus doet vervullen, blootlegde, ter harte nemen?
Helaas, het blijkt van niet. Zij horen Zijn woord van vermaan en terechtwijzing, maar aanvaarden het niet.
Alleen een vrouw, die dit alles gehoord en gezien heeft, die getuige is geweest van de grove beschuldiging, dat Hij de duivelen zou uitwerpen door Beëlzebul, is onder de indruk van de waarheid van Jezus' woorden gekomen.
Zij moet ze erkennen als volkomen waar en correct. Als heilzaam en nuttig voor hart en leven. En daarom, ze kan zich niet weerhouden om openlijk haar hulde en waardering Hem aan te bieden, want met luider stem roept zij het uit: „Zalig is de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen."
Naar alle waarschijnlijkheid is zij zelf moeder, deze vrouw, die met ingespannen aandacht het woord des Heeren beluisterd heeft, en door de kracht van Zijn taal in het diepst van haar ziel is gegrepen. Zij voelt al het geluk van een moeder, die zulk een zoon mag bezitten; zij kan de uiting van dat gevoel niet bedwingen. En de Heiland, Hij beteugelt die stroom van een zo natuurlijk, zo edele gewaarwording niet. Hij wijst ook de hulde, daarin Zijn moeder gewijd, niet onvoorwaardelijk af; integendeel, veeleer kan men zeggen, dat Hij die van ter zijde herhaalt en bezegelt, wanneer Hij haar antwoordt: „Ja, zalig zijn ze, die het Woord Gods horen en bewaren."
Immers Hij kende beter dan iemand anders Maria, dat zij de woorden Gods te zamen bewaarde, overleggende die in haar hart.
Maar zal nu Maria in het openbaar worden geroemd en geprezen, dan zal het niet in de eerste plaats zijn, omdat zij Hem gebaard en gezoogd heeft, maar, omdat zij het Woord Gods hoorde en het bewaarde in haar hart. Juist, daarin is bovenal Maria, Zijn moeder, zalig te noemen. En daarom zegt Hij tot die opgetogene vrouw, en in haar ook tot ons: „Ja, zalig zijn ze, die het Woord Gods horen en het bewaren."
En wel mag de Heiland zo spreken, want deze zaligheid is groter, dan enige andere, die hier beneden gesmaakt wordt. Ook het uitnemendst aards geluk, het maakt alleen voor dit leven gelukkig, maar hier is sprake van een geestelijk heil, zo veel hoger, als de geest staat boven het stof, en de hemel boven de aarde.
Eerst het horen en bewaren van Gods Woord maakt ons waarachtig wijs, waarachtig groot, waarachtig rijk, waarachtig gelukkig, ja, waarachtig zalig - naar Jezus' eigen woord.
Maar natuurlijk dat horen van het Woord Gods, hetwelk het bewaren van hetzelve tot gevolg heeft, is, gij begrijpt het aanstonds, maar niet een bloot verstandelijk horen of aanhoren van het Woord Gods.
Gelet op het verband waarin Jezus het gesproken heeft, dan moet dit horen van het Woord Gods verstaan en opgevat worden als een gehoor geven aan het Woord.
Dat Woord dus niet uit onverschilligheid langs zich heen laten glijden alsof het maar een gewoon mensenwoord ware. Jezus toch sprak niet Zijn woord, maar het Woord Zijns Vaders, het Woord Zijns Gods, die Hem gezonden had, maar waar Hij als de Gezondene. des Vaders, de Zoon van God is, spreekt Hij ook het Woord Gods, als Hij Zijn woord van macht en gezag, van ontferming en behoud, tot de schare richt.
En het is juist dat aanvoelen bij de schare van de goddelijkheid van Zijn woorden, die de schare doet betuigen: „Deze leert niet als de Schriftgeleerden, maar als machthebbende."
Vandaar dat ook velen onder de scharen onder de indruk kwamen van Zijn Woord als te zijn het Woord van God.
De vrouw nu, die zonder schroom ten aanhore van de schare uitsprak: „Zalig is de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen", moet wel kennelijk onder de indruk zijn gekomen van de boven-natuurlijke, goddelijke kracht van Jezus' woorden. Echter, men kan van de goddelijkheid en voortreffelijk- beid van 's Heeren woorden overtuigd zijn, dat men evenwel zich door die woorden niet laat overreden.
Ja, men kan het Woord Gods (de Bijbel), als Gods Woord erkennen, dat men desniettemin, zonder enig blikken of blozen, dat Woord van God bejegent alsof het een gewoon mensen-woord is, dat men kan verwerpen of aanvaarden, naar eigen believen of willekeur. Het Woord Gods als Gods Woord erkennen en horen is nog geen bewijs, dat wij nu ook inderdaad dit Woord aanvaarden als Gods Woord, zodat wij er ons door laten overtuigen en overreden.
Helaas is het soms zo, dat men zweert bij de goddelijkheid van de Bijbel, en in flagranten strijd kan leven met wat hij ons leert en gebiedt.
Zie, wanneer Gods Woord door ons erkend, beleden en aanvaard wordt als het Woord van onze God, dat ons wijs maakt tot zaligheid, dan moeten we ons ook door dat Woord laten vermanen en onderrichten.
Dan moeten we voor dat Woord willen buigen en ons er door laten onderrichten in de weg, die ten leven leidt.
Dan moeten we onze gedachten er door gevangen willen laten leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.
Dan moeten we voor alles ophouden onze óp- en aanmerkingen te maken inzake de eis van 't Evangelie : „Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden."
Dan moeten we er ons door laten gezeggen en laten leren, dat de oplossing dezer dingen alleen te zoeken en te vinden is bij Christus Jezus, die ons van God geschonken is tot een Zaligmaker en Verlosser.
En omdat het in dit horen van het Woord Gods, waarvan Jezus gewaagt, gaat om gehoor te geven aan dat Woord, zodat wij er door overreed, gewonnen worden voor God en Zijn Christus, wordt dit Woord ons dierbaar. Dierbaar, omdat het ons wijs maakt tot zaligheid. Dierbaar, omdat we daarin door Gods genade, de woorden des eeuwigen levens mogen bezitten. Dierbaar, omdat het ons ontdekt aan de boosheid en verkeerdheid van ons natuurlijk bestaan, aan onze zonde en schuld voor God, maar ons nu ook verkondigt, dat er voor zulke schuldige en zondige overtreders, die wij ons nu bevinden, een weg der ontkoming en des behouds is, door het geloof in Christus Jezus.
Dat horen van het Woord Gods, dat nu een aanvaarden in geloof van 't Woord Gods is geworden, doet ons nu ook de eisen, beloften en bedreigingen van 't Woord aanvaarden.
Hoe kan ons dan de bedreiging van het Woord zwaar op het hart wegen: „Die niet gelooft is alrede geoordeeld.
En hoe wordt dan de eis van 's Heeren Woord erkend en toegestemd: Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden; en - dewijl de onmogelijkheid, om die eis van onze zijde te kunnen volbrengen wordt gevoeld en verstaan, wordt het ons een troostrijke zaak uit datzelfde Woord van God, de belofte te mogen horen: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen."
Dan, wanneer wij door de onderwijzing van 't Woord leren zien, dat al wat God eist van de zondaar tot zijn behoud, Hij dat de zondaar nu ook belooft in Christus te, zullen schenken; zie, dan wordt dat Woord des Heeren voor ,ons, ons dierbaar, onmisbaar en noodzakelijk tot zaligheid.
En alzo wordt door Gods genade, dat Woord ons een schat van grote waarde, die wij zorgvuldig bewaren.
Ja, dan wordt het bewaren van 't Woord Gods, waarvan Jezus gewaagt, ons een onmisbare levensbehoefte.
Dat bewaren van het Woord wordt dan voor ons een bepeinzen en betrachten van het Woord.
Dan leren we meer en meer de kracht en sterkte van het Woord voor ons geestelijk en tijdelijk leven kennen.
Dan wordt dat Woord een licht op ons pad en een lamp voor onze voet. Dan leren we in en door het Woord de kracht van Jezus' woord verstaan: „Gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken."
Dan vragen wij in alle ootmoed, wat de goede en welbehagelijke wil van God is, en laten ons door dat Woord onderwijzen, vermanen en vertroosten.
Ja, dan leren we verstaan en beleven, dat Christus alleen is te kennen en te vinden in het Woord.
Dat een gelovig zich verlaten op dat Woord is, een gelovig leunen en steunen op de genade Gods, die daar is in Christus Jezus onze Heere.
Juist, omdat wij dan door 't geloof de waarheid leren verstaan en beleven, dat het Woord Gods een kracht is tot zaligheid, een ieder die gelooft, wordt dat Woord Gods ons zo noodzakelijk en dierbaar, en alles wat dan met dat Woord niet in overeenstemming is, wordt dan als contra-bande door ons verworpen.
En dan leren wij het ook beleven, dat er van geen andere bevinding kan en mag sprake zijn, dan die, welke de kracht en waarheid van Gods Woord in eigen hart en leven ervaart, en wel zo ervaart, dat niet die ervaring als ervaring, ons rustpunt wordt, maar het enigst rustpunt van ons geloof en vertrouwen is: het onbedriegelijke Woord van de waarachtige en genadige God, die Eén met Zijn Woord, zich eeuwig garant stelt voor Zijn Woord.
Geen wonder, dat zij die door genade, in beginsel, het Woord Gods horen en bewaren dan ook uit 't diepst van hun ziel bidden: „maak in Uw Woord mijn gang en treden vast."
In het horen en bewaren van het Woord, is dan onze geestelijke kracht en sterkte gelegen.
Doch gij vraagt:
II. Hoe het mogelijk is Gods Woord aldus te horen en te bewaren?
Die vraag hadden wij vermoed, want bij de verklaring van onze tekst, hebt gij als gereformeerd belijder mogelijk reeds verzet aangetekend en gedacht: ja maar dat horen en bewaren van het Woord Gods gaat maar zo niet, dit is toch geen werk waar enig mens uit en van zichzelf toe in staat is ?
Daartoe behoeven we de leiding en werking van de Heilige Geest ?
En dat met recht, want inderdaad daartoe hebben wij de leiding en werking van de Heilige Geest van node.
Echter dit feit als feit te constateren, daarmee zijn we niet klaar zonder meer. Dat kan van ons een vrome dooddoener zijn, waardoor wij ons o zo rechtzinnig ontworstelen aan de kracht en ernst van dit Woord des Heilands.
Wanneer Hij dit Woord tot de opgetogene vrouw, en in haar tot ons spreekt, dan wil Hij ons daarmee toch te kennen geven, dat het in 't horen van Zijn Woord, voor alles gaat en gaan moet om het gehoor geven aan Zijn Woord, zodat Zijn Woord door ons bewaard worde. Dacht gij soms, dat de Heiland niet zou geweten hebben, dat dit aldus horen en bewaren van het Woord Gods, wij dit uit en van ons zelf niet vermogen? En toch zonder enige opmerking, dat dit onzerzijds onmogelijk is, spreekt Hij Zijn : „Ja, zalig zijn ze die het Woord Gods horen en het bewaren", tot ons.
En Hij, die wel wist hoe Hij zielen te trekken had tot Zich, wil ons, door aldus tot ons Zijn Woord te richten, het gewicht van dit horen en bewaren van 't Woord Gods op het hart binden.
Hij wil er ons mee te kennen geven, dat wij ons zelf de vraag hebben te stellen : „Bewaar ik dit Woord, als ik het gehoord heb, als een kostbaar bezit, of ben ik het, zodra de kerk uit is, weer. terstond vergeten.
Wanneer nu bij de verklaring van dit Woord aanstonds wordt gezegd, dat 't horen van Gods Woord, hetwelk het bewaren van hetzelve tot gevolg heeft, alleen mogelijk is door de kracht en werking van de H. Geest, dan is dit op zichzelf wel waar, maar ons arglistig hart is schrander genoeg, om de vermaning, die de Heere ons in dit Woord laat horen, terstond bij zich neer te leggen, met een beroep op ons onvermogen daartoe. Laat ons toch nooit vergeten, dat de Geest door middel van het Evangelie het geloof in ons werkt, en - dat het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het gepredikte Woord van God; en het nu de dure roeping en plicht is van allen die leven onder de bediening des Woords, acht te geven op het Woord, dat Hij ons laat verkondigen.
Omdat de Heilige Geest in Zijn toepassing van het Woord Gods aan ons hart Zich bedient van het Woord, is Hij het, die ons door het Woord het Woord doet aanvaarden in geloof, het Woord van God, waarvan Jezus Christus en Dien gekruisigd de inhoud is.
Echter, hoe doet de Geest dat? Dat doet Hij niet door het Woord Gods u te doen beschouwen en te doen behandelen als van ondergeschikt belang tot uw redding en behoud, zodat achter de waarheid van 't Woord, een verborgen waarheid zou schuilen. Dat doet Hij niet door bij u de gedachte te wekken alsof het Woord: „Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden", voor u nu niet zou gelden, omdat gij tot de opvolging van die eis, gans onwillig en onmachtig uit u zelve zijt, en gij dus die eis als ongeschikt voor u, nu in feite moet afwijzen. Dat velen evenwel menen dit te kunnen doen, zal hun eenmaal des te zwaarder aangerekend worden.
O, verstaat en neemt ter harte, dat het de bedoeling des Geestes is, door u en mij, die eis in het Evangelie te stellen, dat wij het recht en de billijkheid van die eis door God ons gesteld zullen inzien, erkennen en aanvaarden. Dat wij zullen erkennen, dat dit de van God geboden weg en voorwaarde is tot ons behoud.
Want juist door dat de Geest van God u de eisen Gods van geloof en bekering als billijk en rechtvaardig, maar ook als noodzakelijk tot verkrijging van uw zaligheid, doet kennen, is Hij het, die u, omdat gij ze nu in geloof aanvaart, en wilt volbrengen, doet verstaan, dat gij ten spijt van al uw goede bedoelingen, daartoe uit u zelf niet in staat zijt. En dan gaat Hij u uit het Woord aantonen, dat tegenover uw onmogelijkheid, Gods mogelijkheid staat.
Dat, wat bij de mens onmogelijk is, nu mogelijk is bij God. En nu wordt Gods mogelijkheid in Christus Jezus uw enig behoud.
Nu gaat gij acht geven op het Woord Gods, nu wordt dat Woord u dierbaar, omdat het u gaat spreken van de goede Herder die het verlorene zoekt.
Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.
Nu leert gij verstaan dat het geloven in Jezus' Naam is, zich laten zaligen, zich laten verzoenen met God, zonder enige verdienste uwerzijds uit loutere genade. Ja, nu leert gij het beoefenen, nu gij door de Geest met 't Woord Gods overreed zijt geworden, dat ge- loven in de diepste grond niets anders is, dan door de kracht des Geestes, amen zeggen op al wat God belooft, op alle beloften Gods, die in Christus Jezus, alle ja en amen zijn.
En natuurlijk zulk een horen van het Woord, hoe kan het anders, heeft het bewaren van het Woord ten gevolge.
En wel zo, dat gij het van harte toestemt:
Hoe wonderbaar is uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want d' oop'ning van uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren;
Ze geeft verstand aan slechten, wien 't gemis
Van zulk een glans een eeuw'gen nacht zou baren.
Ps. 119: 65.
Die nu door Gods genade alzo Gods Woord horen en bewaren, die noemt Jezus Christus zalig.
Ja, laat ons op:
III. Dat „zalig", hetwelk Jezus Christus op het horen en bewaren van het Woord 1 a a t horen, ons nader bezinnen.
Ja, zalig zijn ze, die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren. Dat „zalig"-zijn is natuurlijk in Jezus' mond bedoeld, als een zalig-zijn naar ziel en lichaam. Als dus een gered en behouden zijn door het Woord Gods, het Woord van Zijn goddelijke kracht en mogendheèn, het Woord dat tot inhoud heeft : Jezus Christus en Dien gekruisigd.
Wanneer Christus aldus degenen die het Woord Gods horen en bewaren zalig noemt, dan hecht Hij toch wel erg veel waarde aan dat horen en bewaren van het Woord Gods. Dan is dat horen en bewaren van het Woord, een zaak, die ons blijvend gelukkig maakt. Die ons in God verheugd doet zijn.
Die ons de liefde Gods in Christus doet smaken en ervaren. Want zegt de Heiland niet in Joh. 14 : 23: „Zo iemand Mij lief- heeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken ?"
En die aldus het Woord Gods bewaren, die bewaren ook Zijn geboden, en voor die is het Woord Gods een richtsnoer voor al hun handelen.
Neen, die zaligheid zal niet voor hen weggenomen worden. Die is bestendiger, dan ieder geluk, dat hier beneden het hart sneller doet kloppen.
Het zalig-zijn van wie Gods Woord hoort en bewaart, doorstaat de gloed van de zwaartste geloofsbeproeving. Die zaligheid begeeft ons niet bij de dood, maar vergezelt ons naar de verblijven des lichts. Zij wordt dáár volmaakt, waar niet slechts Gods Woord gehoord, maar de heerlijkheid des Heeren gezien wordt.
Zalig wij, die Gods Woord hebben en horen!
Maar eindeloos zaliger nog, indien wij het in een eerlijk en rein hart bewaren en met de Psalmist betuigen kunnen: „Ik heb Uwe redenen in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou." (Ps. 119 : 11) .
En nu, Gem., het is een groot voorrecht dat wij Gods Woord bezitten en geregeld mogen opgaan onder de verkondiging van het Woord van onze God.
Dat wij het bezitten in onze woningen en het ongestoord mogen lezen en verkondigen.
Dat is, zo als gij weet, in de loop der historie wel anders geweest. Maar nu klemt ook de vraag: hoe bezit gij Gods Woord, hoe leest gij Gods Woord, hoe hoort gij Gods Woord?
Leest en hoort gij dat Woord als een vergeetachtig hoorder? Och, het is zulk een bedroevend verschijnsel, dat er zoveel vergeetachtige hoorders van 't Woord Gods zijn.
Hoorders, die geregeld zich zetten onder de verkondiging van het Woord, maar het weer terstond vergeten als zij de kerk uit zijn.
Als er één ding is, dat heden tegen ons christenen getuigt dan is het wel, dat er nog wel een horen van 't Woord is, maar helaas, zo weinig een bewaren van 't Woord Gods gevonden wordt.
En als er geen overpeinzen en bewaren van 't Woord Gods is, hoe zal het ons dan kunnen dienen tot richtsnoer van ons geloof en leven ? Hoe zal ons geestelijk leven dan kunnen bloeien en groeien en vrucht voortbrengen ; hoe opwassen in de kennis en genade van onze Heere Jezus Christus?
Die kennis van Hem en Zijn genade, van Hem en Zijn Persoon en Werk, neen, die bekomen we niet door een bijzondere openbaring van de Heilige Geest aan onze ziel. De Geest bevestigt en verzegelt de gelovige in zijn deel hebben aan Christus niet door extra openbaringen, ingevingen of bevindingen, hem te verschaffen. De Heilige Geest, die is de Geest van het Woord, doet dat niet anders dan door ons het verstand te verlichten zodat wij de Schriften verstaan, en uit en door die Schriften bevestigd worden in ons geloof, dat wij des Heeren zijn.
Daarin volgt de Heilige Geest het voorbeeld van de opgestane Heiland, die de discipelen hun verstand verlichtte dat zij de Schriften verstonden, én. Die uit geheel de Schrift, beginnende van Mozes af, de Emmausgangers aantoonde, dat de Christus alzo moest lijden om tot Zijn heerlijkheid te kunnen ingaan.
En toen hun uit de Schriften de Christus der Schriften werd getoond, toen werd hun bijna bezweken geloof in de Christus als hun Christus, verstevigd en bevestigd, en - werden hun harten brandende in hen.
Dat er zo weinig zekerheid bij ware christenen gevonden wordt aangaande hun deel hebben aan Christus en Zijn heil, dat is niet, omdat de Heere die zekerheid de één wel, en de ander niet, in Zijn vrijmacht zou schenken. Immers dit te beweren is in strijd met de doorgaande leer van de Heilige Schrift, die steeds op dat staan naar die zekerheid aanspoort. Beveelt niet de apostel Petrus de christenen : „Broeders benaarstig u, uw roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende, zult gij nimmer meer struikelen." En leert de apostel Paulus niet in Efeze 1 : 13-14: „In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, n.l. het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid."
Het wil mij voorkomen, dat één der voornaamste oorzaken, dat er zo weinig verzekerdheid des geloofs bij vele ware christenen gevonden wordt, moet gezocht worden in het feit, dat men te weinig het Woord Gods biddend bewaart en overdenkt. Lees toch de Psalmen, inzonderheid Psalm 119, en gij zult ontdekken, dat de Oud-Testamentische vromen, hun zekerheid vonden in het bewaren en bepeinzen van Gods Woord dag en nacht.
Opdat hij vast moge staan in 't geloof bidt de dichter van Psalm 119: „Maak mijne voetstappen vast in Uw Woord, en laat gene ongerechtigheid over mij heersen."
En, wanneer Jezus Christus Zelf ons verzekert: „Ja, zalig zijn ze die Gods Woord horen en het bewaren", dan leert Hij ons toch hier, dat het zalig-zijn, het dus zich weten gered te zijn, een vrucht of gevolg is, van het horen en bewaren van het Woord Gods, dat is, van het gelovig werkzaam zijn met het Woord, de beloften Gods.
Staat daarom heilzoekenden in 's Heeren kracht naar dat bewaren van het Woord uws Gods, waarop de Geest Gods u heeft doen hopen en vertrouwen.
En legt uw oor toch niet te luister aan allerlei vroom beweer, alsof dit te gemakkelijk of te vanzelfsprekend zou zijn, te logisch en te verstandig.
Het komt er voor u en voor mij op aan, niet wat de mens, ook niet de „vrome" mens beweert, maar wat Gods Woord ons in dezen leert.
En dan hebben we gehoord dat Jezus het ons duidelijk en klaar heeft gezegd, dat men dan zalig is, en op zijn zaligheid hiernamaals mag rekenen, indien daar bij u en mij, door genade, een horen en bewaren van het Woord Gods gevonden wordt. Dit bewaren van het Woord Gods is, zoals we reeds opmerkten, naar Jezus eigen Woord een bewijs van uw liefde tot Christus, en van de liefde Gods tot u. Immers : „Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken."
En als tegenhanger van dit Woord laat Jezus terstond volgen: „Die Mij niet liefheeft, die bewaard Mijne Woorden niet; en het Woord, dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, die Mij gezonden heeft." (Joh. 14 : 23-24) .
Voorwaar een ernstige waarschuwing voor allen die het Woord Gods wel horen, maar niet bewaren in hun hart. Dat zij er door opgeschrokken uit hun zorgeloosheid mogen ontroerd worden tot in het diepst van hun ziel en bewogen, om de God van het Woord, te voet te vallen, opdat Die hen door Zijn Geest en Woord Zijn wegen lere.
En als gij dat Woord des Heeren door Gods genade leerdet bewaren, zo blijft het in Gods kracht bewaren tot de dag van uw volkomen zaligheid.
Bewaar en bepeins en overdenk het met een biddend hart. Bewaar het in geloof als het u van uw God gegeven testament, voor uw eeuwige zaligheid.
Bewaar het als de verzegelde oorkonde van de beloften Gods, die alle in Christus Jezus, ja en amen zijn.
En laat het u het blijvend richtsnoer zijn voor uw geloof, maar ook voor uw leven, dat gij als christen in deze wereld te leven hebt. Handel en wandel dan in 's Heeren kracht overeenkomstig Gods Woord, dan zal de troóst van het Woord uw deel zijn. En laat dit meer en meer uw levensdevies zijn:
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed
Bevestigen, in al mijn levensjaren,
Dat ik Uw Wet, die heilig is en goed,
Door Uw gen& bestendig zal bewaren.
Amen.
Augustus 1954