De vraag van de wijzen uit het Oosten naar de geboren Koning der Joden.
Predikatie door Ds. JAC. OVERDUIN.
Ps. 86:5
Lezen: Matth. 2 : 1-12
Ps. 72 : 5, 6, 10
Ps. 119: 53, 65
Ps. 68 : 14
„Waar is de geboren Koning der Joden ?...... Te Bethlehem, in Judea gelegen.-
Matth. 2 : 2a en 5 midden.
Gemeente des Heeren!
Op de zesde Januari viert de Roomse Kerk het „Drie-koningen.feest.-
Het spreekt vanzelf, dat wij daar niet aan meedoen. Wij lezen immers in de H. Schrift nergens, dat de wijzen uit het Oosten kóningen waren, en evenmin zegt de Schrift ons, hoevéél wijzen er waren, die naar Jeruzalem kwamen om de geboren Koning der Joden te zoeken. Het kunnen er viel meer dan drie zijn geweest.
Dat „Drie-koningen-feest" bestaat voor ons dus niet. Maar daarom vergéten wij niet de geschiedenis van de wijzen uit het Oosten.
Hoe heerlijk was dat, toen die wijzen uit het Oosten, als de eerstelingen uit de heidenwereld, voor het kindeke Jezus neder-knielden.
Daar begon het psalmwoord in vervulling te gaan:
Ja, elk der vorsten, zal zich buigen En vallen voor Hem neer,
Al 't heidendom Zijn lof getuigen, Dienstvaardig tot Zijn eer!
Ja, dáár gaat het om in deze geschiedenis. Het gaat om het kind in de kribbe, om de geboren Koning, om Zijn lof en Zijn eer!
Daarom laten we onze aandacht nu niet afleiden door allerlei interessante bijzonderheden, waar het toch eigenlijk niét om gaat. Daar hebt ge, bijvoorbeeld, de kwestie van die ster, die de wijzen uit het Oosten gezien hebben. Geleerde mannen hebben daar hele boeken over geschreven, over die ster van Bethlehem. En die boeken zijn de moeite waard om bestudeerd te worden. Maar ge begrijpt: dat is geen stof voor een preek. Dit kunnen we wél even onthouden, dat het namelijk heel dom is om te zeggen: „O, dat verhaal van die ster, dat is natuurlijk allemaal fantasie !" Want mannen van wetenschap, die verstand hebben van sterrenkunde, vinden het helemaal geen fantasie. Zij hebben uitgerekend, dat er in het jaar van de geboorte van Christus inderdaad een bijzonder heldere ster moet geschenen hebben.
Maar wij gaan daar nu niet verder op in. Want het gaat in deze geschiedenis niet om die ster, die weer verdwenen is.
Het gaat ook nog niet eens om die wijzen, die weer vertrokken zijn. Neen, het gáát om Jezus, de Koning. Om Hém verscheen de ster. Naar Hém zochten de wijzen. En Hém hebben wij, zondaren, nodig. Het zal anders wél wat geweest zijn, toen daar op zekere dag die wijzen uit het Oosten in Jeruzalem aankwamen,!
Ge kunt u voorstellen : dat heeft heel wat opschudding teweeggebracht!
Want die wijzen ujt het Oosten kwamen, naar alle waarschijnlijkheid, uit het oude Twee-stromen-land, het gebied van Eufraat en Tigris, het land van de rijzende zon, waar het oude Babel lag.
Dus hebben die wijzen een hele reis moeten maken! De reis van Babel naar Jeruzalem duurde in die tijd minstens vijf weken! En dat was geen gemakkelijke reis. Daar waren allerlei bezwaren aan
verbonden. Overdag was het heet, 's nachts was het koud. De reizigers konden door rovers worden aangevallen. En dan, denk het u eens in: minstens tien weken van huis!
Daar was heel wat voor nodig, voor zo'n reis : kamelen, knechten, tenten, eten, drinken. En de wijzen uit het Oosten hadden ook nog kostbare geschenken bij zich.
Ge begrijpt dus wel : dat is een hele karavaan geweest, die daar op weg ging naar...... ja, waar anders naar toe dan naar Jeruzalem! Dát was immers de hoofdstad van het joodse. land, dus vanzelf: dáár moest- de geboren Koning der joden zijn!
En zo kwam daar op zekere dag dat reisgezelschap uit het Oosten te Jeruzalem aan.
Wat een publieke belangstelling! De mensen hebben hun ogen uitgekeken! Maar nog méér verwonderd zullen ze geweest zijn, toen ze hoorden, wat die heren vróegen! Ze vroegen: „Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben Zijn ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden!"
Wat bedóelden die vreemdelingen toch? Een geboren Koning der Joden? Ja, ge moet denken, gemeente: daar zagen de Joden in die dagen zo verlangend naar uit, naar de Messias. En die Messias zou de Romeinen het land uitjagen, die gehate Romeinen!
Maar wie moest dat dan zijn, die geboren Koning der Joden ? Dat kon toch geen zoon van Herodes zijn?
Herodes was al zeer oud en nabij de dood. Zou deze wrede despoot, deze gehate Edomiet, een zoon gekregen hebben in zijn ouderdom ? Neen, dát kon niet!
En zo zal het Jeruzalemse publiek er maar een beetje om gespot en gelachen hebben: de geboren Koning der Joden, hoe komen die vreemde heren aan zulke dwaasheid!
Maar er was één man in Jeruzalem, die niét spotte en niét lachte. En dat was koning Herodes zélf.
Die kwam het hele geval al gauw te horen. Want hij had overal zijn geheime agenten. En koning Herodes schrók er van. Geen wonder ook. Herodes was altijd' zo jaloers en zo achterdochtig. Hij had al heel wat mensen laten ombrengen. Zijn eigen zoons zelfs had hij laten doden. Alleen maar, omdat hij altijd bang was, dat ze hem misschien van de troon wilden stoten.
En nu hoorde hij dit weer. Zou er nu wéér gevaar dreigen voor zijn troon?
En wat doet Herodes? Hij roept in allerijl de overpriesters en schriftgeleerden bij elkaar en hij vraagt hen zo maar ronduit: ,,Vertel mij eens : waar zal de Christus geboren. worden?"
Ja, want die Herodes - en dáárin is de man ook nog te prijzen! - die Herodes had het wel begrepen: die Koning, waar deze wijzen uit het Oosten naar zoeken, dat kan natuurlijk niemand anders zijn dan de Messias, de Christus, waar de Joden zo verlangend op wachten. En dan wilde Herodes weten, waar hij die Messias kon vinden, om Hem te...... doden !
Vandaar die belangstellende vraag: „Waar moet de Christus geboren worden?"
O, en die overpriesters en schriftgeleerden hebben er heimelijk schik om gehad. Zij hebben elkaar eens glimlachend aangekeken. Ze begrepen immers maar al te goed, waarom die koning Herodes zo bang was. Want ja, áls de Messias was gekomen, dan was het met de hoge sprongen van koning Herodes gedaan!
Let wel: áls de Messias gekomen was .. .. Maar daar geloofden die overpriesters en schriftgeleerden geen steek van. Echter, als Koning Herodes dat weten wilde, zij zouden het hem wel vertellen.
Zij antwoorden : „De Christus zal geboren worden te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door de profeet", en dan halen ze de bekende profetie van Micha aan, in de Griekse vertaling van het Oude Testament.
Dus nu weet koning Herodes het juiste antwoord: „Te Bethlehem in Judea gelegen."
Maar, gemeente, nu weet gij ook genoeg van het verband, waarin onze tekstwoorden voorkomen. En nu gaan we letten op:
DE VRAAG VAN DE WIJZEN UIT HET OOSTEN NAAR DE GEBOREN KONING DER JODEN.
1. Voortkomend uit verlangen naar Jezus.
2. Beschamend voor de onverschilligen tegenover Jezus.
3. Beantwoord door de profetie aangaande Jezus.
1.
Ja, die vraag van de wijzen uit het Oosten naar de geboren
Koning der Joden kwam vóórt uit een diep en sterk verlángen. En dat was maar niet alleen een verlangen naar bevrediging van hun wetenschappelijke nieuwsgierigheid.
't Is waar, die wijzen uit het Oosten hadden een bijzondere ster aan de hemel gezien, waaruit ze hadden opgemaakt, dat er een Koning der joden was geboren. En daarom kwamen ze te Jeruzalem met de vraag: „Waar is de geboren Koning der Joden?"
Maar dat vragen kwam niet voort uit nieuwsgierigheid. Neen, het kwam voort uit verlangen naar Jezus.
Ge zult misschien zeggen: „Maar die wijzen uit het Oosten kénden toch de Heere Jezus niet. Hoe konden ze dan naar Hem verlangen ?"
Ge hebt gelijk: deze mensen waren heidenen. Zij deelden niét, zoals het volk Israël, in Gods bijzondere openbaring. Zij moesten Gods getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen. Zij wisten niet, wat aan de herders in de velden van Efratha was verkondigd door Gods engel. Geen engelenzang had hun oor ooit vernomen...
Maar toch is het helemaal niet onmogelijk, dat ze iets afgeweten hebben van het verlangen, dat er leefde in het volk van Israël naar de komst van de grote Koning, de Messias, Die alle koninkrijken der aarde aan Zich onderwerpen zou en in Wie alle heidenen. gezegend zouden worden.
De Joden waren in die dagen over heel de oude wereld verspreid. En bovendien: aan het hof van de koning van Babel was in oude tijden immers ook een Daniël geweest. Ja, deze Daniël had zelfs nog een lange tijd aan het hoofd van de wijzen gestaan. Het is heel goed mogelijk, dat er in de geheime boeken van die wijzen nog allerlei dingen gevonden werden, die aan die tijd herinnerden.
En nu weten wij wel: toen die wijzen uit het Oosten op weg gingen om de geboren Koning der Joden te zoeken, hebben ze in de verste verte niet gedacht aan het kind in de kribbe van Bethlehem, de Zoon van Maria, de Zoon van God. Zij wisten niet beter, of die geboren Koning was te vinden in Jeruzalem, ergens in een paleis. Het schemerde nog in hun hart. Maar toch......, het kan niet anders, of zij hebben in deze geboren Koning der Joden iets méêr gezien dan een gewóne koning. Anders hadden ze toch zeker niet die grote en moeilijke reis gemaakt, helemaal van Babel naar Jeruzalem. Er waren koningen genoeg in de wereld. Op zijn troon in Rome zetelde de machtige heerser, keizer Augustus.
Maar neen, de wijzen uit het Oosten zochten blijkbaar een Andere koning; een koning, niét van de wereld; een koning, wiens macht niét zou berusten op geweld en oorlog, maar op liefde en recht ; een koning, die „het zaligst lot, ver boven alle goón, kan schenken." Diep in hun hart waren ze zoekers van een „onbewege- lijk" koninkrijk; een koninkrijk, dat Anders, heerlijker is dan alle koninkrijken der aarde. Zij zochten een Koning voor hun hart, een ware Vredevorst.
Zonder het zélf te beseffen, zochten ze de Heere Jezus Christus. En ze vroegen naar Hém. En ze hadden er alles voor over om Hém te vinden. En ze hadden geen rust, voordat ze. Hem hadden aangebeden en vereerd met hun geschenken.
Ze werden gedreven door het lokkende licht van de ster. Maar die ster had God aan de hemel doen verschijnen. En toen werden ze gedreven door een groot en wonderlijk verlangen, heel die oneindige lange weg van het Oosten naar Jeruzalem. Iemand schreef: „Dat was de drijving des Geestes in hun donkere zielen, die hen alle bezwaren licht deed achten."
Zo is het.
De vraag van de wijzen uit het Oosten naar de geboren Koning der Joden kwam voort uit verlangen naar Jezus.
Maar dat neemt niet weg, dat ze nog vast zaten in hun heidense bijgeloof. Het zal nog wel geschemerd hebben in het hart van die wijzen. Ach, ze wisten ook nog maar zo heel weinig van die geboren Koning der Joden. Daarom klinkt het haast ironisch, als Mattheus zegt in het eerste vers van ons teksthoofdstuk: „Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, zie, enige wijzen van het Oosten zijn aangekomen te Jeruzalem." 't Is, alsof Mattheus wil zeggen: ze kwamen aan het verkeerde adres. Want ze hadden moeten zijn in Bethlehem. Maar ze kwamen aan in Jeruzalem!
Ach, hoe konden ze het ook weten, dat ze in Bethlehem moesten zijn ? Ze misten het licht van Gods Woord. Het enige, wat zij wisten, was dit: wij hebben Zijn ster gezien in het Oosten. Die wijzen uit het Oosten; wat waren ze geleerd. Ze wisten meer van de sterren dan wij met z'n allen. Maar een kind van de Zondagsschool weet méér van de Heere Jezus dan zij'!
II.
Ja, juist, gemeente, maar daarom is die vraag van de wijzen uit het Oosten: „Waar is de geboren Koning der Joden?", daarom is die vraag, in de tweede plaats, zo beschamend voor de onverschilligen tegenover Jezus.
De onverschilligen tegenover Jezus....... wie zijn dat dan?
Herodes was het niét! Hij was helemaal niet onverschillig tegenover Jezus. Hij wilde precies weten, waar de Christus zou geboren worden. Want hij wilde het kindeke Jezus doden. Hij was een bittere vijand van de geboren Koning der Joden.
Neen, die onverschilligen tegenover Jezus moet gij in de eerste plaats niét zoeken onder Zijn verklaarde tegenstanders, want dié zijn lang niet onverschillig.
Maar waar moeten wij ze dán zoeken ? Toch zeker niet in de kerk? Ja, juist in de kerk!
Of behoorden die overpriesters en schriftgeleerden te Jeruzalem soms niet tot de kerk? Zeker, zij waren leden van de kerk van het Oude Verbond. En vrome, vooraanstaande leden; dragers van hoge kerkelijke ambten! De bijbel kenden ze op hun duimpje. De Messiaanse profetieën konden ze zo maar uit hun mouw schudden. Ze hoefden over het antwoord niet lang na te denken, toen koning Herodes hen vroeg, waar de Christus zou geboren worden. Ze zeiden het meteen: ,,Te Bethlehem, in Judea gelegen, want alzo is geschreven door de profeet."
Die overpriesters en schriftgeleerden hadden iets, wat de wijzen uit het Oosten niét hadden. Zij hadden het licht van Gods Woord. Maar...... ze lieten zich door dat licht niet verlichten en ter zaligheid leiden.
Zij wisten, dat de Messias komen zou, de Beloofde aan de vaderen, en dat Hij te Bethlehem zou geboren worden. Zij wisten er alles van. Maar...... ze zochten Hem niet. Hun hart ging niet naar Hem uit. Zij verlangden naar een Messias van hun eigen idealen, maar niet naar de Messias, door Israëls God gegeven.
En dáárin stonden zij zeer ver bij de wijzen uit het Oosten ten achter.
Die overpriesters en schriftgeleerden, zij hadden Gods Woord. Zij kenden dat Woord. Maar ze kenden het alleen als een van buiten geleerde les. Ze misten het licht van de H. Geest, ze waren blind in de dingen van het Koninkrijk Gods.
Dat bleek toch wel zonneklaar, toen de wijzen uit het Oosten in Jeruzalem kwamen met hun belangstellende vraag naar de geboren Koning der Joden. De overpriesters en schriftgeleerden geloofden helemaal niet, dat die wijzen het bij het rechte eind hadden. Volgens hén vergisten deze vreemdelingen zich. Want de grote Koning, de Messias, was, naar hun mening, nog niet gekomen. Dat zou toch immers ook ál te wonderlijk zijn : dat zij, de overpriesters en schriftgeleerden, géén teken van God ontvangen hadden, en die onbesneden heidenen wél! Neen, als God Zijn Messias zendt, zo dachten zij, en Hij wil iemand een teken geven, dan zal Hij dat teken natuurlijk geven aan óns, en zeker niet aan zulke heidenen!
De overpriesters en schriftgeleerden dachten er geen ogenblik aan, dat het wel eens wáár zou kunnen zijn, wat die wijzen uit het Oosten gezegd hadden. Daar wilden ze niet eens aan denken. God doet geen ongerijmde dingen, zo meenden zij. Stel je voor, zo redeneerden zij bij zichzelf, God zal zeker de voorgangers van Zijn eigen volk, die gezeten zijn op de stoel van Mozes, voorbijgaan en Zijn geheimen toevertrouwen aan onbesnedenen! Dat kunt ge denken! Dan zou heel de wereld ondersteboven gekeerd worden. En daarom, als koning Herodes wil weten, waar de geboren Koning der Joden is, dan zullen wij het hem wel vertellen: te Bethlehem, in Judea gelegen. En laten die wijzen uit het Oosten er maar gauw heen gaan. Maar wij gaan niét!
O, is dat niet iets verschrikkelijks?
Die overpriesters en schriftgeleerden, zij wisten wel, waar de geboren Koning der Joden was, naar Wie de wijzen uit het Oosten vroegen, maar zij zochten Hem niet. Zij vonden het nog niet eens de moeite waard om de zaak te gaan onderzoeken en eens in Bethlehem te gaan kijken. Het lag toch niet zo ver van Jeruzalem verwijderd......
Maar ze waren totaal onverschillig tegenover Jezus. Ze hielden zich hardnekkig vast aan hun eigen gedachten over Hem. Zo deden ze nu al, wat ze steeds meer zouden doen: ze verwierpen hun Messias, hun Koning. Ze kenden wél de Schriften, die van Hem getuigden, maar ze gelóófden niet in Hem en ze verlangden niet naar Hem. Hun hart was dood. Koud en onverschillig waren ze, met al hun bijbelkennis en met al hun rechtzinnigheid. Ze waren als de dode wegwijzer, die wel anderen de rechte weg wijst, maar zelf op zijn plaats blijft staan.
En moeten we' nu nog vragen: „Wie zijn de onverschilligen tegenover Jezus ?"
Vraag liever: ,,Ben ik het soms, ik, trouwe kerkganger, die alles zo goed weet, wat er in de bijbel staat over de Heere Jezus? O ja, ik weet er veel meer van dan de wijzen uit het Oosten en ook nog veel meer dan de overpriesters en schriftgeleerden. Maar...... hoe sta ik nu tegenover die Jezus ?
De Schrift zegt: „Er is niemand, die God zoekt."
Dat wil ook zeggen: „Er is niemand, die Christus zoekt."
Want Christus is de Zoon van God, Die door de Vader in de wereld is gezonden en Die getuigde: „Ik en de Vader zijn Eén." En het werk van Christus was niet anders dan om Zijn Vader te verheerlijken.
Daarom zal niemand uit eigen aandrang Christus zoeken en liefhebben. Zoals wij van natuur geneigd zijn om God te haten, zo zijn wij ook geneigd om Christus te haten.
O ja, wij kunnen wel veel van Hem wéten, van Zijn geboorte, Zijn leven, lijden, sterven, opstanding en hemelvaart. Wij kunnen misschien wel hele stukken van de bijbel uit ons hoofd opzeggen. We zijn er van kindsbeen af in opgevoed. We dragen het merk- en veldteken van Koning Jezus aan ons voorhoofd. En dat zijn onschatbare voorrechten, die wij genieten boven vele anderen.
Maar...... wat doét gij met die voorrechten ?
Zóekt gij nu ook die Jezus, van Wie gij zoveel weet? Zoekt ge Hem met uw hart, omdat Hij u onmisbaar is geworden? Zoekt ge Hem met verlangen en volharding? Kunt ge het niet laten Hem te zoeken, ondanks alle teleurstellingen? Brengt ge Hem de hulde van uw aanbidding? Geeft ge Hem uw schatten, uw ganse hart?
Gemeente, het gevaar is zo groot, juist voor ons, mensen van de kerk, dat wij nét doen als die overpriesters en schriftgeleerden; dat wij alles wel wéten van de Heere Jezus, maar Hem niét zoeken en begeren, in Hem niet waarlijk geloven ; dat ons hart zo ver van Hem is. Het gevaar is zo groot, juist voor óns, dat wij genoeg heb- ben aan onze kennis; dat wij menen klaar te zijn, als we maar gedoopt zijn en belijdenis gedaan hebben en ten avondmaal gaan.
En het gevaar is niet minder groot, dat we heimelijk denken, dat het wel goed met ons staat, omdat we de godsdienst niet zo gemakkelijk opvatten, omdat wë alles zo zwaar nemen.
Maar de kennis alléén en de doop zonder méér en het avondmaal op zichzelf brengt niemand bij Christus. Ook al die zwaarwichtigheid als zodanig brengt niemand bij Christus. En bij Hém moet ge zijn, om door Hém gered te worden, om door Hem tot God gebracht te worden.
Ge kunt wel prat gaan op uw kennis en roemen in uw verbondsvoorrechten - dat deden die overpriesters en schriftgeleerden ook -, terwijl toch uw hart innerlijk van Christus vervreemd is; ja, terwijl ge, als 't er op aankomt, niets van Hem moet hebben! Het is mogelijk, dat ge heel vroom kunt praten, maar de Heere Jezus Christus niet echt nodig hebt als uw Zaligmaker.
Die overpriesters en schriftgeleerden, die het zo goed wisten, zij zijn voor ons een waarschuwend voorbeeld, dat wij met al onze kennis en met al onze uitwendige vroomheid nog buiten Christus kunnen zijn.
Laat dit voorbeeld ons dan tot waarschuwing zijn!
Mocht het eens, in de dag der dagen, niet zó zijn, dat gij ziet, hoe de wijzen. uit het Oosten u voorgaan in het Koninkrijk Gods, terwijl gij wordt uitgeworpen in de buitenste duisternis.
Vraag in dit ogenblik uzelf ernstig af, of gij de Heere. Jezus waarlijk zoekt als uw Zaligmaker en Koning.
Gaat uw hart in ware heilbegeerte naar Hem uit?
Zoekt ge Hem met volhárding?
Zoudt ge alles wel willen missen, als ge die Jezus maar hebt?
Is de bijbel voor u een boek met letters, en meer niet, of is hij voor u het levensboek; het licht, dat u tot Jezus leidt?
Kunt ge wel ergens elders rust vinden voor uw onrustige hart dan bij Jezus alleen?
Is Jezus, de Koning der Joden, ook uw Koning, Die u met Zijn Woord en Geest regeert en u bij de verworven verlossing behoedt en bewaart?
Is het de begeerte van uw hart om uw knieën voor Hem te buigen en Hem te brengen de ere der aanbidding?
Of is die Koning der Joden u te gering?
Veracht ge Hem? Schaamt ge u voor zulk een Koning, Die lag in een kribbe en hing aan een kruis?
Wilt ge eigenlijk niet, dat Hij Koning over u zijn zou?
Maar dan zijt ge net als die. overpriesters en schriftgeleerden, die alles van Hem wisten, maar niets van Hem moesten hebben!
Ach, ze zagen het niet, ze wilden het niet zien, dat ze Hem nodig hadden tot zaligheid.
Want die geboren Koning was maar geen gewóne Koning. Neen, Hij is de Redder der wereld, de Zaligmaker van zondaren, de Middelaar Gods en der mensen.
Buiten Hem is er geen gerechtigheid, geen vrede, geen blijdschap, geen leven, maar eeuwige toorn en oordeel en jammer en dood.
O, maar Hij laat Zich vinden door ieder, die Hem aanroept in de nood; door allen, die Hem zoeken met verlangen.
Hij heeft het Zelf gezegd: „Zoekt, en gij zult vinden."
Maar laat dan de tijd niet voorbijgaan. Zoek Hem dan heden, want uw tijd is altijd bereid.
Of zegt iemand: „Ja, ik zoek Hem al zo lang, maar ik kan Hem toch niet vinden ; ik heb Hem nog steeds niet gevonden" ?
Is dat werkelijk waar?
Zou de Heere Jezus dan geen waarheid gesproken hebben, toen Hij zeide: „Zoekt en gij zult vinden"?
Of zou het ook kunnen zijn, dat de fout bij u ligt, dat ge nog altijd verkéérd zoekt?
III.
Want het is ook mogelijk, dat iemand de Heere Jezus wel op- recht zoekt, maar op een verkeerde manier.
Zo ging het ook met de wijzen uit het Oosten. Zij zochten de geboren Koning der Joden te Jeruzalem. Zij zochten dus aan het verkeerde adres. Maar zij konden het niet helpen. Want ze kenden immers niet het profetisch woord! Ze hadden alleen maar die ster gezien. Maar die ster, hoe heerlijk ook, bracht hen niét tot Jezus! Neen, daar hadden ze een ánder licht voor nodig. Daarvoor hadden ze nodig het licht van Gods Woord. En dát licht ging voor hen in Jeruzalem op!
't Was wel heerlijk, dat ze die ster hadden gezien. Maar met die ster kwamen ze niet verder dan de vraag: „Waar is de geboren Koning der Joden?" De ster gaf op die vraag geen antwoord.
Maar in Jeruzalem kregen ze iets veel heerlijkers dan de ster. Hier kregen ze het juiste antwoord op die brandende vraag ; het antwoord uit de H. Schrift.
Zo zijn wij inmiddels al bezig aan ons derde punt. De vraag van de wijzen uit het Oosten naar de geboren Koning der joden werd beantwoord door de profetie aangaande Jezus.
In Jeruzalem kwamen zij het aan de weet: te Bethlehem, in Judea gelegen, dáár is de geboren Koning der Joden!
O, wat waren zij blij, toen ze dát gehoord hadden! Zij gelóófden dat woord. En zij gingen onmiddellijk op weg naar Bethlehem, geleid door het licht van Gods getuigenis......
Maar ziet, toen ze daar op de weg naar Bethlehem reisden, daar verscheen de ster wéér aan hen! Die ster stond nu in het Zuiden, en zacht glansde haar licht over de wereld. Het was, alsof die ster hun toefluisterde: „Mannen, nu zijt gij op de goede weg. Ge hebt goed gedaan'' dat ge geloof geschonken hebt aan het woord van de profeet. Nu gaat ge op de rechte weg, waarop ge niet zult kunnen verdwalen. Want nu gaat ge op de weg dergenen, die geloven in Gods heilig Woord."
Zo zijn de wijzen uit het Oosten aangekomen in Bethlehem bij het huis, waarin het Kindeke Jezus was met Maria en Jozef. Waarschijnlijk was het een huis van één der herders.
Dat zal eerst wel een grote teleurstelling zijn geweest voor de wijzen uit het Oosten. Want nu hadden ze dan eindelijk die Koning gevonden, maar ach, wat viel dat tegen : zo'n arme Koning te vinden, niet in een schitterend paleis, maar in een eenvoudig huisje.
Het zal wel even een strijd zijn geweest in hun hart. Ze moesten al hun hoogmoed op zij zetten, om zich voor zulk een Koning te buigen.
En als God Zélf niet zo duidelijk tot hen gesproken had, door het licht van de ster en door de stem van Zijn Woord, dan zouden ze zeker onmiddellijk rechtsomkeert hebben gemaakt.
Maar nu - o, zie het wonder gebeuren -, nu leggen ze alle hoogmoed af. Ze schamen zich niet om binnen te treden in die armelijke woning...... En ziet, daar knielen ze neer voor dat eenvoudige kind, dat kind zónder glans en zónder majesteit.
Tégen alle schijn van de wereld in houden ze vast in het geloof aan wat God hun heeft gezegd.
En dan...... openen ze hun schatten, die ze meegenomen hebben uit het Oosten, en ze leggen ze neer voor dat Kind: goud en wierook en mirre.
Goud, dat is het symbool van alle aardse schittering en heerlijkheid.
Wierook is het symbool van de nederige aanbidding des harten. Mirre is het symbool van Gods gunst.
Met het geven van die geschenken hebben de wijzen uit het Oosten Jezus, de Koning der Joden, de hulde hunner aanbidding willen bewijzen. Daarmede hebben ze Hem willen tonen al de liefde van hun hart.
Is het niet ontroerend? De wijzen en verstandigen van Jeruzalem kwamen niét. Zij bleven op hun plaats. „Zij hadden wél de kennis," zo schreef iemand terecht, „zij hadden wél de kénnis, maar zij hadden niet de ster in hun hart, de ster van geloof en verlangen." Zij wisten wel, waar de Christus zou geboren worden, maar zij zochten Hem niet.
Zo ziet ge maar : kennis alléén brengt een mens niet bij de Heere Jezus! Het historisch geloof is een dood geloof.
Maar dit valt hier ook te leren : verlangen alleen brengt ons óók niet bij Hem. 't Zal niet gaan zónder kennis van Gods Woord.
De wijzen uit het Oosten hadden wél het verlangen in hun hart om de geboren Koning der Joden te aanbidden. En ze hadden wél Zijn ster gezien in het Oosten. En ze hadden de lange, moeilijke weg afgelegd, van Babel naar Jeruzalem. Maar ze waren nooit in Bethlehem gekomen, als ze geen antwoord hadden gekregen uit het profetisch woord aangaande Jezus, waaruit ze het te weten kwamen : te Bethlehem, in Judea gelegen, dáár is de geboren Koning der Joden!
God sprak tot die wijzen in de tekenen van de hemel. God sprak tot hen in het zoeken van hun eigen hart. Want dat zoeken was door Gods Geest in hun hart gewerkt. Maar God sprak óók en bovenal tot hen door Zijn Woord!
En toen God zó duidelijk sprak, toen hebben zij Gods stem gehoorzaamd en zijn Gods weg gegaan, in geloof en volharding. En zo hebben zij gevónden de geboren Koning der Joden.
Welnu, gemeente, zó ligt de weg tot Jezus, ook heden nog!
Geen mens ter wereld kan ooit bij Jezus komen dan alleen door de kennis van de H. Schrift, door het Woord van God.
Zeker, God geeft ook nu nog wel tekenen en Hij kan ook verlangen naar Jezus doen groeien in ons hart, maar niemand kan Hem vinden dan alléén geleid door het licht van Gods Woord.
De wijzen uit het Oosten hebben in het geloof het Woord Gods aanvaard en ze zijn gegaan de weg, die hun door dat Woord werd gewezen.
En zo hebben zij de waarheid ervaren van het psalmwoord, dat wij nu samen willen zingen, uit psalm 119, vers 53 en 65:
Uw Woord is mij een lamp voor mijne voet,
Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een. blij gemoed
Bevestigen, in al mijn levensjaren,
Dat ik Uw wet, die heilig is en goed,
Door Uw gen á bestendig zal bewaren.
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want d' oop'ning van Uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren.;
Zij geeft verstand aan slechten, wie 't gemis
Van zulk een glans een eeuw'ge nacht zou baren.
Ps. 119 : 53, 65.
Wat ligt er ook een les in onze tekstverzen voor de zoekende ziel, die zo verlangt naar de zekerheid des geloofs en naar de volle gemeenschap met de Heere Jezus Christus.
„Och", zegt gij, „dat ik Hem, vinden mocht; Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik zoek Hem wel, ik kan het niet laten Hem altijd weer te zoeken, maar...... ik vind Hem niet."
Gij, die zo spreekt, denk er aan : het licht van de ster was lieflijk en schoon. Maar het bracht de wijzen niet in Bethlehem. Daar zijn ze gekomen, geleid door het licht van Gods Woord, dat ze gelovig aannamen.
Misschien heeft God ook in uw leven zo'n ster beschikt. Neen, natuurlijk niet een echte ster, zoals de wijzen uit het Oosten zagen, maar toch iets heel bijzonders, een treffende gebeurtenis, een ernstig ongeluk, een plotseling sterfgeval, een bange droom. Of ja, wie zal zeggen, wat het geweest is. Dat weet ge zelf het best. Maar in elk geval : het heeft een omkeer gebracht in uw oude zondige leven. Ge zijt er door tot nadenken gekomen en tot stilstand gebracht. En toen zijt ge ernst gaan maken met uw eeuwige belangen. Ge zijt een zoeker geworden. Ja, ge moogt het geloven, dat de Heere Zelf u zoekende gemáákt heeft. En nu hebt ge een mishagen aan u zelf gekregen. Ge moet u telkens weer voor God verootmoedigen. Ge leert steeds dieper verstaan, dat er van u geen verwachting is. En nu is uw hart onrustig in u. Ge zoekt de ware rust, de rust in God. Maar dan moet ge die -Koning hebben, die Zaligmaker, die Rustaanbrenger, Jezus de Christus. Gij moet Hem kennen als uw persoonlijke Borg en Middelaar, door Wie ge met God zijt verzoend, in Wie gij hebt de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van uw misdaden!
Zo zoekt gij Hem toch, nietwaar?
Ja, en nu zijt ge zo geneigd om altijd maar naar die ster te kijken, naar die bijzondere gebeurtenis in uw leven, naar dat eerste begin van uw bekering, naar die tijd van het eerste lokken der liefde Gods. En zeker, dat licht van die ster is lieflijk en schoon, maar gij gevoelt het wel: zo kom ik er nooit. Zo zoekt ge wel, maar ge vindt niet. En dan is er nog niet de ware rust in uw hart. Want een ware zoeker kan niet rusten, voordat hij gevonden heeft. Dan gaat het woord in vervulling: „Die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van de Heere." Dan ervaart ge met Paulus: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede met God, door onze Heere Jezus Christus!"
Vraagt ge soms: „Maar hoe zal ik dan ooit vinden?"
Maar hoe hebben de wijzen uit het Oosten dan de geboren Koning der Joden gevonden? Zij hebben Hem immers gevonden, geleid door het licht van Gods Woord!
Zult gij die weg dan ook niet gaan? De weg van Gods Woord, dat is de weg, die tot Jezus leidt. Dat Woord getuigt immers van Hem, zowel in de boeken van het Oude Testament als in die van het Nieuwe Testament. Van heel dat Woord is het middelpunt de Heere Jezus Christus, in Wie God de Vader Zich heeft geopenbaard; door Wie Hij tot ons gesproken heeft; in Wie Hij de wereld met Zichzelf heeft verzoend.
Och, die wijzen uit het Oosten hadden maar één tekst, die éne tekst uit Micha 5.
Maar hoe groot is uw voorrecht, dat ge de hele bijbel hebt! Dat ge van kindsbeen de Heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. „En wij hebben", zegt de apostel Petrus, „het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wél, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uw harten !"
Hoe meer dat Woord voor u gaat leven, hoe meer ge u in dat Woord moogt verdiepen, des te meer zult ge zien : bij het licht van dat Woord verbleekt het licht van de ster.
O ja, die ster is er óók nog wel, maar toch : alleen het licht van Gods Woord leidt u tot Christus. Dat geeft verstand aan slechten, wie 't gemis van zulk een glans een eeuw'ge nacht zou baren. En dat Woord is een lamp voor de voet en een licht op het pad voor degenen, die de Heere zoeken. Door dat Woord verlicht gaan ze veilig en zullen ze vinden.
Dat hebben de wijzen uit het Oosten ondervonden. En gij zult het óók ervaren, wanneer gij, evenals zij, door dat licht u laat leiden, smekend om de hulp van die Geest, Die uw verstand kan en wil verlichten en de nevels op doet klaren, zodat uw ziel de wonderen ziet en eert, die in Gods Woord alom zich openbaren. Zo zult ge Hem vinden, Die uw ziel zoekt, omdat. Hij eerst naar u heeft gezocht. Zo zult ge rust vinden voor uw vermoeide ziel in Hem, de grote Rustaanbrenger, in Wie God u genadig is en u aanneemt tot Zijn kind en erfgenaam.
Zalig, wie 't heeft ondervonden!
En dan gaat het nog altijd zo, zoals met die wijzen uit het Oosten. Dan knielt ge in aanbidding voor Hem neer en ge opent voor Hém uw schatten. Neen, dat weet ge wel, Hij heeft niets van u nodig. Hij gaf al het Zijne aan u. Maar nu leert gij ook van harte zeggen: „En al het mijne, Heere, is het Uwe. Voor U, mijn Koning en mijn God, het goud en de wierook en de mirre.”
Dan leert ge met de dichter zingen - o, dat ge het wéér moogt doen, door Gods genade, want wat houdt ge een zondig en dwaal-ziek hart, maar ook: hoe goed is de Heere - dan leert ge met de dichter zingen en ge blijft het zingen, door Gods Geest bearbeid:
Hier is mijn hart, geheel en al,
Of 't wil of niet, het moet en 't zal,
't Zal U, o Jezus, minnen!
En: Hoger heil ik niet en kenne
Dan te dienen deze Heer.
Als ik mij aan Hem gewenne,
Dat 's mijn schat, mijn lust, mijn eer!
En dan kunt gij het licht van die ster wel missen. Want dan is Jezus Zélf uw licht en uw leven. Het licht van de blinkende Morgenster, het licht van de Zon der gerechtigheid verdrijft dan alle duisternis uit uw hart. En bij Hem, uw Borg en Middelaar, is het u dan zo onuitsprekelijk goed......
O, dat er dan ook nu nog velen mogen komen uit het Oosten en Westen en Noorden en Zuiden, die zich voor deze Koning buigen en vallen voor Hem neer, om Zijn lof te getuigen. En dat zo vervuld moge worden het woord, dat geschreven is - ja, dat het óók in u, gemeente, gezien moge worden, tot roem van Gods genade -:
Zij zullen U van alle kant,
Zelfs uit het allerverste land,
Vereren met geschenken!
Amen.
Jan. 1954