Het geloof van Thomas in de opgestane Christus.
Predikatie door Ds. JAC. OVERDUIN.
Ps. 25 : 8
Lezen: Joh. 20 : 24~31
Ps. 43 : 3, 4, 5
Ps. 130: 3, 4
Ps. 27 : 7
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God."
Jezus zeide tot hem: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben."
Joh. 20 : 28, 29.
Gemeente!
Wat is dat toch een blijde boodschap, een heerlijke, zalige werkelijkheid : dat de Heere waarlijk is opgestaan, dat Hij lééft !
Want waartóe is Hij opgestaan en waarvóór leeft Hij?
Wel, om als de levende Zaligmaker de weldaden, die Hij door Zijn bitter lijden en sterven verwórven heeft, uit te delen en mede te delen aan arme zondaren ; om als de levende Heere Zijn volk te dienen.
Zie maar, nauwelijks is Christus opgestaan uit de doden, of Hij gaat achter Petrus aan, die Hem verloochend heeft met vloeken en zweren. En Hij zoekt Maria Magdalena op, die zo radeloos bedroefd was. En al die andere discipelen en discipelinnen, die treur~ den en weenden, en de Emmaus-gangers, Hij zoekt ze op en Hij gaat hun verkondigen, dat Hij leeft. Hij brengt hen tot het geloof en Hij schenkt hun Zijn vrede en Hij geeft hun weder de vreugde des heils!
Zeker, de Heere Jezus heeft Zijn discipelen en discipelinnen, die verward zaten in de strikken van het ongeloof, bestraft en berispt, omdat ze de Schriften niet geloofd hadden.
Maar Hij heeft ook, door de innerlijke verlichting van Zijn Heilige Geest, hun verstand geopend - ja, want dat is Zijn werk 1 - hun verstand geopend, opdat ze de Schriften verstónden.
O, en toen ging het licht voor hen op in de duisternis. En de droefheid werd veranderd in blijdschap. Want ja, ze waren wel door eigen schuld en ongeloof in de donkerheid gekomen. Maar...... ze konden zichzelf niet in het licht brengen. Neen, dat moest de Heere doen.
't Is, zoals iemand schreef: ons donker is uit ons, maar ons licht is uit de opgestane Christus.
Maar dat is nu de heerlijkheid van het Paasfeest: dat de Heere Jezus Christus waarlijk is opgestaan en dat Hij leeft, om Zijn Middelaarswerk uit te werken en te volvoeren, om alle treurigen ook te troosten, zoals er van Hem geschreven staat in Jes. 61, om de treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest!
En dan wordt het ervaren, wat een dichter zong: -Wie kan er tranen drogen, als Jezus? Immers geen !"
Dan geeft Christus Zijn vrede in het hart van wie het niet verdiend hebben. Dan roemt Gods kind in het geloof met de discipelen mee: ,,De Heere is waarlijk opgestaan en Hij leeft, ook voor mij! Hij is de mijne en ik ben de Zijne!"
,,Ja", zal iemand misschien zeggen, ,,maar dat is nogal wat: als je dat mag geloven, als je dit kunt zeggen! Maar dat gaat toch zomaar niet!”
Neen, dat gaat zeker zomaar niet.
Maar hoe gaat het dan wél?
Hoe kom ik aan dat ware geloof in de opgestane Christus, en hoe kom ik van mijn ongeloof, dat mij in de weg staat, af? Is het u ernst met die vraag?
Nu, mag ik u dan wijzen op het geloof van Thomas in de opgestane Christus?
Thomas geloofde het óók - en dat was niet uit hém, 't was Gods gave -: ,,De Heere is waarlijk opgestaan, en Hij is mijn Heere en mijn God." Maar hoe was hij dan aan dat geloof gekomen en van zijn ongeloof verlost?
't Is de moeite waard om dat te lezen in de H. Schrift!
Och, wat was het met die Thomas toch droevig gesteld.
Zijn karakter was somber en zwaarmoedig, en daardoor was hij wél de éérste geweest van de discipelen, die het stérven van Jezus had voorzien, maar werd hij de laatste van al de discipelen, die de opstanding des Heeren geloofde.
Toen Lazarus gestorven was en Jezus naar Bethanië wilde gaan, zei Thomas tot zijn mede-discipelen: ,,Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven!"
Maar toen Thomas van zijn mede-discipelen de tijding vernam: ,,De Heere is waarlijk opgestaan!", toen zei hij: ,,Dat geloof ik niet, want dat kan niet waar zijn!"
Thomas hield dat alles voor een mooie droom. Dat de Gekruisigde was opgestaan uit de doden, dat kón, hij niet geloven. Hij wilde het niet geloven. En tóch snákte hij naar het geloof.
O, wat had die Thomas het moeilijk in zijn eenzaamheid. Ja, want hij wilde maar liefst met z'n verdriet alléén zijn. Jammer, want daardoor miste hij de ontmoeting met Jezus, toen Deze op de avond van de dag der opstanding verscheen aan Zijn discipelen.
Aan Thomas kunt ge dus zien, gemeente: wie zonder gegronde reden wegblijft uit de samenkomst der gemeente, die stelt zichzelf buiten de weg, waarop de Heere Zijn volk wil ontmoeten.
Maar...... de andere discipelen lieten Thomas niet aan zijn lot over.
Neen, ze zochten hem op, misschien nog wel diezelfde Zondagavond, of dadelijk de volgende morgen, en ze vertelden het hem met een blij gezicht : „Wij hebben de Heere gezien. Ja, heus waar, Thomas, wij hebben Hem écht gezien !"
Maar het hielp allemaal niets.
Ja, Thomas werd eigenlijk boos op zijn mede-discipelen. Hij zei, zo heel vinnig en scherp: „Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen en steek mijn vinger in het teken der nagelen en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven!" En daarmee uit......
Dus tégen het getuigenis der apostelen in bleef Thomas vasthouden aan zijn sombere en ongelovige gedachten.
Hij meende: die anderen hadden het zich maar verbééld, dat ze jezus gezien hadden. Maar hij zou wel beter oppassen. Hij zou zich niet zo gemakkelijk wat laten wijs maken. Hij moest het eerst goed
Zien!
En zo bleef Thomas zich' aftobben, dagen aaneen, somber en eenzaam......
Maar toch, de volgende Zondagavond waren de discipelen weer bijeen, in dezelfde zaal, met gesloten deuren, en...... Thomas was óók bij hen. Al geloofde Thomas nog niet, dat de Heere was opgestaan, hij was toch weer in de kring der discipelen. Hij zat weer in hun midden.
„Gelukkig", zouden wij zeggen, „Thomas was ook weer in de kerk." Dat was, in elk geval, een goed begin.
Neen, we geven de eer niet aan Thomas.
Terecht zegt een zekere Schriftverklaarder : „Het werd. Thomas in het hart gegeven om weer bij de apostelen te willen zijn. Want...
God liet hem niet los."
Nu, die avond verscheen Jezus wéér aan Zijn discipelen. Weer klonk Zijn groet: „Vrede zij u !"
En toen opeens richtte Jezus Zich tot Thomas met de woorden - 't was, alsof Jezus het had afgeluisterd, wat Thomas gezegd had -: „Breng uw vinger hier en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en wees niet óngelovig, maar gelóvig!"
Geloof het maar, gemeente: op dat ogenblik had Thomas het gevoel, alsof hij door de grond zonk. En hij kon het niet doen, wat Jezus gezegd had. Het was hem onmogelijk om nu zijn handen in de gaten van de spijkers te leggen. Hij had het ook niet meer nodig.
Wij stellen ons voor : hij is Jezus te voet gevallen, beschaamd en verwonderd. En toen sprak hij, met grote eerbied : „Mijn Heere en mijn God!"
En wat zei Jezus toen ?
„Omdat gij Mij gezién hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd. Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben 1"
Hier spreekt Jezus Zelf over het geloof van Thomas, en daarop willen wij thans onze aandacht vestigen.
HET GELOOF VAN THOMAS IN DE OPGESTANE CHRISTUS,
1. De lichtzijde.
2. De schaduwzijde.
3. De keerzijde van dat geloof.
I.
Ja zeker, er is aan het geloof van Thomas een lichtzijde. Jezus Zelf heeft gezegd, dat Thomas gelóófd heeft.
Trouwens - laten we dat eerst even goed voorop stellen - Thomas was een discipel van de Heere Jezus Christus, aan Hem verbonden door een waar, zaligmakend geloof.
't Is waar, Thomas was een tijd lang erg ongelovig.
Maar ook toèn was het geloof niet helemaal wég uit zijn hart. Dat moet ge niet denken.
Ge weet wel : in de volksmond wordt deze discipel de „ongelovige Thomas" genoemd. En dat is ook wel te begrijpen. Maar tóch moeten we voorzichtig zijn met die uitdrukking!
Zeker, Thomas was ongelovig, maar daarom was hij nog geen ongelovige.
Neen, hij was wel degelijk een ware gelovige, een oprecht kind van God.
Thomas was iemand, die, ondanks zijn ongelovigheid, tóch met heel zijn hart aan de Heere Jezus verbonden was. Hij was wel waarlijk een gekende des Heeren!
Ja, juist omdat Thomas diep in zijn hart een gelovige was, kon hij zo radeloos bedroefd zijn.
Want een óngelovige kán niet zo bedroefd zijn om het gemis van de Heere Jezus. Immers, de ongelovige heeft geen band aan de Heere Jezus Christus, heeft géén wezenlijk belang bij Hem. Maar dat had Thomas wél!
Och, het stond eigenlijk zó met hem: hij hunkerde er naar, om te geloven, dat de Heere waarlijk was opgestaan, maar hij kón het niet geloven. Want die ergernis van het kruis, daar kon hij niet overheen komen. En daarom wilde hij het niet geloven.
Daar hadden de ándere discipelen ook zo'n strijd mee gehad. Want ge moet niet vergeten: ook zij waren eerst net zo ongelovig geweest als Thomas! Ook zij hielden de woorden van de vrouwen, die vertelden over het ledige graf en over de ontmoeting met Jezus, voor ijdel geklap.. ,,Zij geloofden haar niet", zegt Lucas.
Ook zij meenden, dat ze een géést zagen, toen Jezus voor 't eerst in hun midden verscheen.
Want ze kónden dat niet verwerken: o, dat Jezus gekruisigd was ! En dat nu dat gekruisigde, vervloekte, geschandaliseerde lichaam, dat dát nu weer was opgestaan uit het graf, neen, dát kon niet, zo dachten zij. Dát was onmogelijk.
En nu waren die ándere discipelen inmiddels tot het geloof gekomen. Maar Thomas was er niet bij, toen Jezus Zichzelf levend aan hen vertoonde, toen Hij het hun liet zién, dat Hij nog dezelfde Jezus was, met hetzélfde lichaam, dat aan het kruis gehangen had.
Thomas zat nog vast in zijn ongeloof. En toch...... kon hij Jezus óók niet loslaten.
Hij bleef met heel zijn hart aan Jezus verbonden.
Zijn geloof was niet wég uit zijn hart, maar het was wél zó diep bedolven onder de as van hét ongeloof, dat het geheel verdwenen scheen.
En het zóu ook verdwenen zijn, als Jezus Thomas aan zichzelf had overgelaten! Maar dát doet de Heiland immers nooit! Hij is de goede Herder, en Hij heeft het Zelf gezegd : ,, Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken hen en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal hen uit Mijn hand rukken!"
't Is, zoals iemand schreef: de „ongelovige" Thomas blijft, door de macht en de trouw van Christus, immer bij de „gelóvigen" behoren,
Juist, door de macht en de trouw van Christus!
Het was dus eigenlijk zó: Thomas kon Jezus niet missen. Maar wat veel méér zegt: Jezus kon Thomas niet missen. Want die Thomas was, óndanks zijn ongelovigheid, ja met al zijn ellendigheden, een schaap van Jezus' kudde, het eigendom des Heeren, een gekochte door Zijn dierbaar bloed.
En daarom zocht Jezus Zijn afgedwaalde discipel weer op, om hem te brengen tot het geloof.
Of liever gezegd : Jezus deed het onderdrukte geloof van Thomas weer naar boven komen!
En wat gebeurde er toen?
Naarmate het geloof van Thomas dieper was weggezonken, steeg het nu des te hóger op en ontplooide zijn majestueuze kracht in de heerlijke belijdenis : „Mijn Heere en mijn God !"
Is dat geen wonder?
Zulke wonderen doet Christus.
Ja, want het was Zijn werk, door Zijn H. Geest.
Christus werd verheerlijkt in die belijdenis van Thomas : „Mijn Heere en mijn God!"
Dat is de taal van een wel-verzekerd geloof.
Deze belijdenis van Thomas zegt nog veel meer dan die van Petrus.
Petrus had eenmaal uitgesproken : „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God."
En toen had Jezus tot hem gezegd : „Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is."
Wat een heerlijke belijdenis: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God."
Maar Thomas gaat nog vérder. Hij zegt niét alleen: „Gij zijt de Zóón van God", maar hij belijdt hier zoveel als: „Christus is Zélf God."
Ja, hij gaat nóg verder. Zo geweldig ontplooit het geloof van Thomas zijn kracht, dat hij zegt: „Mijn Heere en mijn God."
Thomas erkent Christus hier dus als zijn Heere, en zichzélf als het éigendom des Heeren, naar lichaam en ziel, in leven en in sterven! Hij ziet het nu : , die opgestane Christus heeft voor hém het rantsoen betaald en voor hém de dood overwonnen!
„Mijn Heere en...... mijn God!"
Ja, ook „mijn God."
Want Thomas gevoelt in dat ogenblik, waarop Christus Zich aan hem openbaart, dat die Christus nu in zijn leven verschijnt als God.
Het blijkt immers, dat Christus alles van Hem weet !
Hij weet precies, wat Thomas gezegd heeft.
Hij is alwetend.
Dus...... is Hij...... God !
Thomas erváárt het ook op dat moment, hoe Christus, als God, door Zijn goddelijke kracht, hem optrekt uit de afgrond van zijn ongeloof en hem stelt op de berghoogte van het geloof. Hij gevóelt het, hoe Christus, als God, zijn banden losmaakt.
En daarom zegt hij : „Mijn Heere en...... mijn God !" Meerdere belijdenis dan déze bestaat er niet.
Want Christus is Heere en God.
Hoger kán het niet.
En ook is er géén woord, waarmede het geloof Christus méér en zekerder en inniger kan aannemen en zich toeëigenen dan het woordje „mijn".
„Mijn Heere en mijn God."
Dat is de schoonste en rijkste en hoogste belijdenis van het wel-verzekerd geloof !
Zo ziet ge maar, dat het waar is, wat iemand heeft opgemerkt: „Als het op echt, waarachtig geloven aankomt, kunnen de Thomassen de Petrussen overtreffen."
Dan geldt ook in dit verband: „Vele laatsten zullen de eersten zijn."
En dat is nóg zo.
Want ook níi nog zijn er onder Gods kinderen zulken als Thomas. Ge zoudt kunnen zeggen: „Iedere christen heeft een Thomas in 'n hart,"
Maar er zijn toch bepáálde christenen, die héél veel op Thomas lijken.
Ook wat aan de zwaarmoedige kant.
En tóch oprechte christenen.
Niet zelden leiden ze een teer en nauwgezet leven. Het is hun lust om de Heere te vrezen. Ze haten en vlieden de zonde. Ze verzaken de wereld, Ze hebben Gods Woord lief. Ze hebben Gods vólk lief. De dienst des Heeren is hun een liefde-dienst. En de Heere Jezus Christus is hun dierbaar. O, Hij is zo onmisbaar en noodzakelijk voor hen geworden, naarmate zij zichzelf meer en meer leerden kennen als zondaren voor God, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. En niets is hun liever dan om te horen verkondigen het evangelie van vrije genade, waarbij God op 't hoogst wordt verheerlijkt en de zondaar op 't diepst vernederd.
Ware gelovigen zijn die Thomassen, kinderen Gods.
En toch, als ge het aan hen zelf vraagt, dan blijkt, dat zij er zichzelf helemaal niet voor durven te houden.
„O", zeggen ze, „als ik dát eens geloven mocht, dat Christus gestorven is voor mijn zonden en dat Hij leeft om voor mij te bidden; dat Hij ook mijn Zaligmaker is, en dat ik Zijn eigendom ben! Wat zou ik dán gelukkig zijn!"
Die Thomassen zien nooit op hetgeen ze hébben, maar altijd op hetgeen ze missen.
Ze zijn óngelovig, net als Thomas. En niet zelden gebeurt het, dat ze tenslotte zich helemaal aan hun droevige en sombere gedachten overgeven, zoals Thomas óók deed.
Dan sluiten ze zich áf van de weg om tot het geloof te kómen. En het wordt hun hoe langer hoe onmogelijker om in Christus te geloven en zich met waarachtig vertrouwen aan Hem over te geven, om door Hem gered en tot God gebracht te worden, O, ze zouden wel graag willen geloven - tenminste, zo menen zij —, maar ze kunnen niet.
Niets is er, waarin hun ziel rust kan vinden, dan alleen in God.
Geen groter geluk kunnen zij zich voorstellen dan om de Heere Jezus Christus te mogen toebehoren voor tijd en eeuwigheid.
Maar...... ze vinden zichzelf zó ellendig en zó verdorven en zó ongehoorzaam, dat ze niet geloven kunnen in een. Herder, Die zulke verkeerde schapen de Zijnen noemt.
Ach, wat kunnen ze diep in de put zitten! En probeer maar niét, om ze er uit te halen.
Want dat lukt u tóch niet. Een dominee mag al zijn welsprekendheid gebruiken, om toch maar te overtuigen, maar het helpt...... niets.
Thomas kreeg wel tien dominees, neen, tien apostelen op bezoek.
Die zeiden alle tien: „Thomas. wij hebben de Heere gezien. ’t Is écht waar, man. De Heere is waarlijk opgestaan. Hij lééft! Wij hebben het zélf met onze eigen ogen gezien. Gelóóf dat nu toch !"
Maar in plaats, dat Thomas het geloofde, werd hij nog boos ook, en hij zei: „Eerst moet ik het zelf zien, en dan ook nog heel goed zien, beter dan jullie! Ik moet het ook nog vóelen met mijn hand en anders geloof ik het niét !"
Welnu, precies zó kan het u vergaan, wanneer ge eens een gesprek voert met één van die Thomassen, die er nu nog leven.
Liefdevol - begrijpend en geduldig spreekt ge met hem (of haar) en ge wijst op het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Ge laat óók zien, wat God de Heere beloofd heeft aan allen, die in hun
zonden en ellenden tot Hem zich om genezing wenden. Ge legt dan tenslotte uit, dat het nu áánkomt op een gelovig aanváárden van wat God in Zijn Woord beloofd heeft. En ge zegt: „'t Behoeft geen gróót geloof te wezen, als ge maar eenvoudig, oprecht gelóóft.
Want de Heere Jezus heeft het toch Zelf gepredikt: wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. En Hij heeft Zelf gezegd: bekeert u en gelooft het evangelie!"
Ja, maar dan moet ge u niet verwonderen, als die Thomas op een gegeven ogenblik boos op u wordt! Want dát is nu juist zijn zwakke plek: die ongelovigheid! En als ge daaraan raakt, dan wordt Thomas boos. Dan zegt hij: „Praat me niet van geloven. Ik kán niet geloven, ik...... zál niet geloven !"
Nu, dan zijt ge uitgepraat en ge zijt geen stap verder gekomen.
De tien apostelen waren óók uitgepraat, toen Thomas zei: „Ik zal geenszins geloven !" Ge kunt dat jammer vinden, ge kunt daarover ontstemd worden, maar het is niet anders.
Die Thomassen houden stijf vol : „Ik zal geenszins geloven !"
Moeilijk hebben ze het voor zichzelf. „Want terwijl ze dat zeggen: „Ik zal geenszins geloven", snakken ze ondertussen naar het geloof. Diep in hun ziel is er een hunkeren naar het licht en de blijdschap van het geloof. En tóch wijzen ze het geloof áf. Maar waaróm dan?
Wel, dat hebt ge nu toch immers begrepen, Thomas wilde wel gelóven, maar hij stond op het standpunt : ik moet het éérst zien. En datzelfde standpunt nemen al die Thomassen in.
Ze willen wel geloven, maar ze willen éérst: zéker weten, op grond van ervaring.
Bijvoorbeeld : velen willen eerst zeker weten, dat ze uitverkoren zijn.
Anderen willen, net als Thomas, éérst zéker weten, dat de Heere waarlijk is opgestaan, doordat ze dit erváren, bijvoorbeeld door een buitengewone openbaring of door een zeer bijzondere belevenis.
Hoe dit ook zij, het standpunt is duidelijk : éérst zeker weten, en dán geloven !
„Maar", zo zal misschien iemand vragen, „is dat dan verkeerd? Onze catechismus zegt toch ook, dat het ware geloof in de éérste plaats is: een zéker weten?"
Ja, ge hebt gelijk, dat zegt onze catechismus.
Maar let goed op, hij zegt : het ware geloof is in de eerste plaats een zeker weten, een stellig weten, waardoor ik...... alles voor waarachtig houd, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft!
En dát was nu juist de fout van Thomas, de zónde van Thomas: hij hield Gods Woord niet voor waarachtig! Want het was Góds Woord, dat de apostelen hem verkondigden: „De Heere is waarlijk opgestaan!"
Maar Thomas zei : „Ik geloof het niet, of ik moet het eerst zeker weten, op grond van mijn eigen waarneming of ervaring."
En dat is het grote gebrek van al die Thomassen: ze willen éérst zien en dán zullen ze geloven!
Maar de orde, die Gód stelt, is precies andersom.
De Heere zegt: „Gij moet eerst geloven, onvoorwaardelijk geloven, en dan, ja zeker, dan zult ge óók zien en ervaren. Maar éérst gelóven !"
Zo wil de Heere het. Zo leert Hij het ons in Zijn Woord. Zo leidt Hij Zijn volk, door Zijn H. Geest.
„Want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen-, zo schreef de apostel Paulus in 2 Cor. 5 : 7.
En hij schreef aan de Efeziërs: „Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden" (Ef. 1 : 13) .
En herinnert ge u nog de geschiedenis van die bloedvloeiende vrouw, die tot Jezus kwam met haar ongeneeslijke kwaal? Die vrouw zei niét: „Als ik genezen ben, dan zal ik geloven!" Neen. maar ze gelóófde, terwijl zij Jezus' kleed aanraakte, en toén werd ze genezen.
Zó is de orde bij God: éérst geloven en dán zien.
Maar Thomas keert de orde óm en zegt : eerst moet ik het zien, en dán zal ik geloven.
Wat ziet ge dan ook met die Thomassen gebeuren ?
Dat ze in 't donker blijven oortobben, zonder zekerheid, zonder vrede, zonder blijdschap. Altijd vol twijfel en moedeloosheid. Altijd klaar met de opmerking : „Ja, als 't maar wáár is !"
Maar...... wie zal hen nu van hun ongelovigheid genezen ? Dat kunnen ze zélf niet.
Dat kan geen méns.
Geen ouderling, geen dominee, geen tien apostelen1
Zeker, de dienaren des Woords zijn geroepen om trouw te arbeiden en het evangelie te verkondigen, op de kansel en in 't persoonlijk gesprek. Zij moeten zoveel mogelijk planten en nat maken, maar...... de wasdom moet van Gód komen!
Een ziel uit de duisternis tot het licht brengen, een gelovige van zijn óngelovigheid genezen, dat vermag geen enkele dienaar des Woords, ook de bekwaamste niet. Dat is het`werk van Christus Zelf, onze hoogste Profeet en Leraar,
Daar moet elke zielszorger diep van overtuigd zijn en dat moge hem dringen tot gedurig gebed.
Christus is de goede Herder, Die Zijn schapen roept en kent en leidt.
't Is waar, Hij bedient Zich daarbij van mensen. Hij gebruikt de middelen der genade, die Hij Zelf heeft gegeven.
Maar Hij doet het grote werk. Hij is de goede Herder, Die het weggedrevene wederbrengt. Hij zoekt Zijn dolende schapen op, en als Hij tot hen komt, dan is het Zijn ure en dan weidt Hij ze met Zijn herdersstaf. Dan voert Hij hun bedroefde ziel uit de diepte en. doet haar als huppelen op de wolken.
Dan spreekt Hij tot hen: „Ziet, hier ben Ik", en dan heft Hij hen tot Zich op.
En neen, dán kunnen ze niet langer tegenstaan.
Dan moéten ze geloven, niét gedwóngen, maar innerlijk daartoe gedrongen. Dan is het ónmogelijk om niét te geloven. Geloven wordt dan een vanzelfheid. Dan wordt hun ziel gevoerd in de ruimte, en niet zelden gebeurt het dan, dat die Thomassen, die eerst maar nooit geloven konden, plotseling veranderd zijn in welverzekerde christenen, die een rotsvast geloof openbaren en met Thomas juichen: „Mijn Heere en mijn God!"
Dat is dan ook de lichtzijde van Thomas' geloof : naarmate het diéper was weggezonken, des te hóger steeg het óp en des te heerlijker openbaarde het zijn krácht.
Ja, het geloof van Thomas steeg hoger dan dat van Petrus! Het steeg zó hoog, dat het niet hoger kon.
Thomas, die het láátste van al de discipelen de opstanding geloofde, is de éérste geweest van al de discipelen, die Jezus als Gód heeft beleden: ,,Mijn Heere en mijn God!"
II.
En toch, en toch,...., zat er aan dat geloof van Thomas óók een schaduwzijde, een grote schaduwzijde zelfs.
Daarop letten we in de tweede plaats.
Immers, wat zei Jezus tot Thomas?
„Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd! Zalig zijn zij, die niét zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben!"
Waarschijnlijk moeten wij deze woorden lezen als een vraag: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd?"
Merkt ge wel, dat Jezus ons hier wijst op de scháduwzijde van Thomas' geloof?
't Is toch wel opmerkelijk, dat de Heere Jezus het geloof van Thomas helemaal niet prijst!
En dat deed Hij ánders wel!
Wij weten uit de evangeliën, dat Jezus gewoon was om het geloof te erkennen en voor het: geloof te danken, waar Hij het in iemand vond.
Zo lezen wij, dat Jezus Zich verwonderde over het geloof van de hoofdman te Kapernaum en Hij sprak tot degenen, die Hem volgden: „Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden!"
Tot de Kananese vrouw zeide Hij : „O vrouw, groot is uw geloof !"
En toen Petrus Jezus had beleden als de Zoon van de levende God, sprak Jezus hem zalig.
Maar hier horen we niets van dat alles.
Jezus prijst het geloof van Thomas niet.
Al maakt Hij er Thomas geen verwijt van, tóch beluisteren wij in Jezus' woorden een toon van teleurstelling. Het klinkt als een lichte vermaning : „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd."
't Is, alsof Jezus zeggen wil: „Ja, Thomas, gij hebt wel gelóófd. Maar ge hadt als voorwaarde gesteld : ik moet eerst zien, en dan pas zal ik geloven! En nu die voorwaarde vervuld is, nu gelóóft gij. Maar is dát nu het echte, het glorieuze geloof?"
Ja zeker, het is geloof!
Het geloof van Thomas steeg zelfs óp tot de hoogte van een welverzékerd geloof.
Als Thomas niet echt geióófd had, dan zou hij Christus nooit erkend hebben als zijn Heere en zijn God, óók niet, toen hij Hem zág. Neen, dán juist niet!
Want hóe zag hij Christus ?
Hij zag Hem als de Gekruisigde, Die de littekenen van het kruis nog droeg in Zijn lichaam. En die gekruisigde Christus is voor de óngelovigen...... een dwaasheid en een ergernis.
Maar dat was de gekruisigde Christus voor Thómas niet, o neen!
Die gekruisigde Christus was voor hém zo onuitsprekelijk heerlijk en dierbaar.
Thomas ergerde zich niét, toen hij Hem zag, met in Zijn lichaam de littekenen van het kruis, maar hij gelóófde, op het machtwoord van Christus, en hij zeide: „Mijn Heere en mijn God !"
Het geloof van Thomas was dus wél een echt geloof, maar toch...... hij had gevraagd om eerst te mogen zien.
En. het geloof, dat éérst zien wil, dat is niét de hóógste daad van het vernieuwde hart.
Het ware geloof - en dat had Thomas kunnen weten uit de geschiedenis van zijn volk Israël - het ware geloof is, zoals er staat in Hebr. 11, „een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet !"
Door dát geloof hebben Thomas' voorvaderen koninkrijken overweldigd, gerechtigheid geoefend, het beloofde verkregen.
Maar Thomas...... heeft éérst gezien en daarna pas geloofd in de opstanding van Christus.
En zo stond Thomas beschaamd...... op het hoogtepunt van zijn geluk.
„Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd."
Dat is de schaduwzijde van het geloof van Thomas in de opgestane Christus.
„Maar", zo zal iemand vragen, „was dat dan zo verkeerd van Thomas, dat hij zékerheid wilde hebben ?"
Welneen, dat was, op zichzélf, helemaal niet verkeerd. Welke gelovige zou géén zekerheid willen, hebben ? Het geloof, dat niet staat naar zékerheid, zou dat wel echt geloof zijn?
Trouwens, Jezus Zélf had acht dagen tevoren toch óók alles in ‘t werk gesteld om Zijn discipelen te overtuigen van de wáárheid van Zijn opstanding. Hij had hun laten zien, dat Hij waarlijk,
lichamelijk was opgestaan, met hetzelfde lichaam, dat aan het kruis gehangen had. Hij had gezegd: „Ziet Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft
geen vlees en beenderen, gelijk gij ziet, dat Ik heb."
Dat is toch eigenlijk hetzelfde, wat ook Thomas verlangd had.
Hieruit zien wij dus: dat verlangen van Thomas was, op zichzelf, helemaal niet ongeoorloofd!
Maar het verkeerde en zondige van Thomas' begeerte was dit: dat hij Jezus wilde zien en aanraken, niet tot verstérking van zijn geloof, maar als voorwaarde tot het geloven.
Thomas stelde zich op het standpunt : ik moet het eerst zien, en dan pas zal ik geloven.
En nu heeft Jezus, in Zijn nederbuigende liefde, gedáán, wat Thomas had begeerd.
Maar...... het strekt Thomas niet tot eer, dat hij dit nodig had! Jezus heeft hem ook ronduit gezegd, waar de schoen wrong, toen Hij sprak: „en wees niet óngelovig, maar gelóvig!"
„Ja maar", zo vraagt ge nog verder, „als Thomas nu eens niét gezien had, als Christus nu eens niét aan hem verschenen was, hoe had Thomas dan tot het geloof moeten komen ? Want hij kon toch zó maar niet geloven ? Hij moest toch grond hebben voor zijn geloof!"
Welzeker, Thomas moest grónd hebben voor zijn geloof. Maar die grond hád hij.
Waarin?
In Gods Woord!
Want alzo is er geschreven en alzo moest de Christus lijden en ten derden dage opstaan van de doden.
Ook had Christus Zélf Zijn opstanding met duidelijke woorden voorzegd.
En het werd bovendien bevéstigd door de tien apostelen, die éénparig getuigden: „Wij hebben de Heere gezien!"
Dat was Góds getuigenis, dat eeuwig zeker is.
Maar dat getuigenis verwierp Thomas als onvoldoende. Die grond was voor hem niet genoeg. Daar moest nog wat bij komen... Dát was Thomas' zónde!
En daarom blijft het de grote schaduwzijde van zijn geloof, hóe welverzekerd het ook was: dat hij geloofd heeft, omdat hij gezien heeft!
Jezus sprak het ook uit: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd!"
Maar...... wat een les krijgen ook wij hier te leren.
Want zoals Thomas was, zo zijn er zovélen.
En nu krijgen wij hier déze les te leren dat wij toch niét zullen trachten om te komen tot de zekerheid des geloofs op dezelfde manier als...... Thomas !
Want dat kán nu niet meer.
En dat doét de Heere Jezus ook niet meer.
Hij is nu immers opgevaren ten hemel en gezeten aan de rechterhand des Vaders! Met Zijn lichaam is Hij niet meer op aarde.
Wie dus tháns nog de eis van Thomas zou willen stellen, die moge bedenken, dat aan die eis nooit zal worden voldaan !
En nu zal er wel geen enkele christen zijn, die de eis stelt : ik moet eerst een zichtbare verschijning van Christus ontvangen, net als Thomas, en dan pas zal ik geloven !
Maar toch, de Thomassen van tegenwoordig zeggen wél: „Ik moet eerst zeker weten, dat ik Gods kind ben; ik moet eerst zeker weten, dat al mijn zonden vergeven zijn; ik moet eerst zeker weten, dat ik dit ben en dat ik dát heb, en dán, ja, dan zal ik geloven!"
Dus wat doen zij?
Zij zoeken de grond van hun geloof in hun ervaring, of wilt ge: in hun bevinding.
Zij willen, in het wezen,der zaak, precies hetzelfde als Thomas eerst zien en dan geloven.
En al begrijpen ze dan wel, dat de Heere Jezus Zelf niet meer op aarde is, toch verlangen velen naar iets, nu ja, iets zichtbaars, iets voelbaars; iets, dat je kunt horen en zien en tasten; een hoorbare stem bijvoorbeeld, of een droom, of een visioen, of in elk geval: iets heel bijzonders, iets heel buitengewoons.
Zolang ze niet iets dergelijks hebben ondervonden, willen ze geenszins geloven.
Eerst zien en dan geloven.
Maar dat is fout. Dat is ongelovig, en dus...... zondig !
De Heere eist van Zijn volk onvoorwaardelijk geloof in Zijn Woord.
Neen, 't is niet verkeerd, wanneer ge staat naar zékerheid.
't Is niet verkeerd, wanneer ge vreest voor zelfbedrog; Want arglistig is ons hart, meer dan enig ding. En menigeen bouwt het huis van zijn zaligheid op een zandgrond.
't Is ook niet verkeerd, wanneer ge begeert om, de kracht van Christus' opstanding te kennen en te ervaren in uw eigen hart en leven.
't Is dus niet verkeerd, als ge staat naar de ware bevinding des geloofs. Want het geloof is niet zonder bevinding.
Maar 't is wél verkeerd om éérst te willen zien, éérst te willen ervaren, en dán pas te geloven.
Dat was de zonde van Thomas.
En is dat soms ook uw zonde, mijn broeder of zuster ?
O, ge kunt er van op aan, dat Thomas zich over die zonde heeft geschaamd en bedroefd!
't Is geen kleinigheid, die vermaning van Jezus: „en wees niet óngelovig, maar gelóvig!"
En nu zegt de Schrift : het geloof is niét uit óns. Neen, het is Gods gave.
Dat blijkt zo duidelijk in de geschiedenis van Thomas.
Want geloof maar, dat de discipelen dat óók wel gezegd zullen hebben tegen Thomas: „Wees niet ongelovig, maar gelovig."
Maar het hielp niet.
Echter, toen Jézus het zei, toen hielp het wél. Want Jezus' woord was met macht. Het was een scheppend bevel, waardoor het ongeloof week uit Thomas' hart.
Daarom is er ook gezegd : „ons donker is uit ons, maar ons licht is uit de opgestane Christus."
Maar dat neemt niet weg, dat de schuld van onze donkerheid bij óns ligt.
Gij zult dan ook altijd zien, als de Heere Zijn kinderen tot het geloof brengt, zodat ze Zijn genade ootmoedig aannemen, dat ze zich dan ook schamen vanwege hun ongeloof.
Dan verontschuldigen ze hun ongeloof niet, maar ze veroordelen het.
Want het is, zoals Groenewegen zong:
‘t Ongeloof houdt God verdacht
In Zijn liefde, trouw en macht.
Vandaar, dat een christin die in de ruimte gesteld werd, uitriep: „En nu zal ik nooit meer ongelovig zijn!"
Dat was nu wel wat al te haastig gesproken, maar er ligt toch een diepe waarheid in dit woord opgesloten. Toen ze gelovig de Heere Jezus Christus mocht omhelzen als haar Borg en Zaligmaker, als haar Heere en God, leerde ze haar ongeloof verafschuwen als een God-onterend bedrijf en als een wederstaan van de H. Geest.
Ja, want de H. Geest is de Geest des gelóófs.
En 't is nooit een vrucht des Geestes, als wij leven in de gesteldheid van Thomas, toen hij zei: „Ik zal geenszins geloven!"
Maar dit is een vrucht van de H. Geest, als gij zegt, met die vader van de maanzieke jongen: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp!" Als ge verstaat, dat het geloof Gods gave is, maar daarom dan ook smeekt: „Och Heere, wérk dat geloof door Uw Geest in mijn hart. Geef mij toch, door Uw genade, dat ik niet óngelovig mag zijn, maar gelóvig !"
Dát is een vrucht van de werking van de H. Geest in uw hart, als gij, midden in al de strijd en aanvechtingen — want o, wat wordt het ware geloof bestreden en aangevochten 1 — tóch zegt : „Ik blijf de Heer verwachten !"
Ja, komt, gel., zingen wij dat, van ps. 130, het 3de en 4de vers:
Ik blijf de Heer verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar Woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op de Heer
Dan wachters op de morgen,
De morgen, ach, wanneer ?
Hoopt op de Heer, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij!
III.
En nu nog de keerzijde van Thomas' geloof.
Jezus sprak: Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben."
Thomas geloofde, omdat hij gezién had.
Dat was: geloven óp het zien.
Maar nu zegt Jezus : „Zalig zijn zij, die niet gezien hebben en tóch geloven!"
Laten we dat nu maar noemen: de keerzijde van Thomas' geloof. Dat is: geloven zónder te zien.
Was Thomas dan niét zalig, die geloofde óp het zien? Ja, Thomas was óók zalig!
Maar Jezus bedoelt: wie gelooft, zónder gezien te hebben, die is niet minder- zalig, die is eigenlijk nog wél zo zalig, die is dus zaliger!
Want immers, geloven zónder te hebben gezien, dat is pas echt geloven.
En dát geloof vraagt de Heere Jezus, ná Zijn heengaan tot de Vader, van Zijn gemeente, van Zijn bruidkerk.
Door dat geloof is die kerk al zalig, vóórdat Christus haar in de zaligheid leidt.
Ja, wie gelooft, zonder te hebben gezien, die is zaliger dan Thomas. Want Thomas stond beschaamd op het hoogtepunt van zijn
Geluk!
Het geloof, dat niét ziet, dat is het geloof van de gemeente van het Nieuwe Testament.
Dat geloof maakt zalig. Dat geloof, door de H. Geest in het hart gewerkt, verbindt de zondaar met Christus in een heerlijke gemeenschap. Dat geloof maakt ons Christus deeláchtig, in zalig zielsbevinden, in hartelijke liefde.
Hoe troostvol schreef de apostel Petrus over dat geloof aan de vreemdelingen in de verstrooiïng. „Gij hebt Jezus Christus lief", zo schreef hij, „hoewel gij Hem niet gezien hebt. Gij gelooft in Hem, hoewel Hem niet ziende. Gij verheugt u in Hem met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen."
Het is dus zo, zoals iemand terecht schreef : Geloven-óm het zien of óp het zien, dat is de éérste trap van zaligheid.
Op die trap stond Thomas.
Geloven zónder te zien - dat is de tweede trap.
Dat is dus een trap hoger!
En dán komt de derde trap. Dat is: geloven én zien ! Dan is het geloof overgegaan in aanschouwen, van aangezicht tot aangezicht. Dat zal zijn de voleinding van het geloof: de heerlijkheid, de volheid van Christus!
Want het ware geloof begint niet met het zien, maar het éindigt er wél mee.
„Wij zullen Hem zien", zo schreef de apostel Johannes, „gelijk Hij is.'
„Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben."
Gemeente, weet gij het nu allen wel, hoe zalig het is om met het hart te geloven in de Heere Jezus Christus, Die dood geweest is en weer levend geworden en Die leeft tot in alle eeuwigheid ?
Misschien zegt iemand : „Ja, natuurlijk, ik geloof in de Heere Jezus Christus."
Ja, maar waaróm gelooft ge dan in Hem?
Immers, het is juist niét natuurlijk, als een mens waarachtig gelooft.
Van natuur zijn wij....... ongelovig. Dat betekent: wij zijn tegenstanders, afweerders, vijanden van God en van Zijn beloften.
De gekruisigde en opgestane Christus is voor de natuurlijke mens een dwaasheid en een ergernis. Wij kunnen en wij willen niet geloven in zulk een Zaligmaker. Wij willen ons niet zo diep voor God vernederen, dat wij het erkennen, dat we alléén gered kunnen worden door zulk een Verlosser, Die aan het kruishout stierf en zo genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.
Wij kunnen dan wel zeggen, dat we geloven in Christus, maar we weten dan toch eigenlijk niet, waarom. We hebben Hem dan niet nodig als onze Borg en Middelaar, om door Hem vrede met God te hebben. Hij is dan in feite een Vreemdeling voor ons en we hebben géén wezenlijk belang bij Hem. We zouden Hem, desnoods, óók wel kunnen missen.
Het ware geloof is een wonder Gods.
Maar nu is de Heere waarlijk opgestaan, om zulke wonderen te werken in mensenharten. Hij leeft om de zaligheid, die Hij verwierf voor al de Zijnen, ook aan hen toe te passen.
En Hij doet dat door Zijn Geest en Woord!
Die H. Geest ontdekt ons aan onszelf en overtuigt ons van onze zonden en schuld voor God, Dan wordt in ons hart de vreze gewekt. Want we leren God kennen in Zijn heilig recht. In het licht van Gods heiligheid leren we al onze deugden zien als een wegwerpelijk kleed. En o, tot wie zullen we dan heengaan, om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?
Maar zie, diezelfde Geest, Die ons neerwerpt in het stof der verbrijzeling, heft óók ons hoofd omhoog en doet het ons zien : waar wij alle wegen hebben toegesloten, daar heeft God - door het wonder van Zijn grondeloze barmhartigheid - een weg geopend ; een weg der verlossing voor gans verlorenen, in Zijn eniggeboren Zoon, Die Hij heeft overgegeven in de dood des kruises. opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verloren zou gaan, maar het eeuwige leven hebben.
Dat is de blijde boodschap van het evangelie voor u, die het weet, dat ge verloren zijt en daarom, naar recht, verloren moet gáán. En toch, ge hebt God zo lief gekregen en uw hart dorst naar verzoening met God en naar vergeving van al uw zonden. Ge ziet in de Heere Jezus Christus zoveel heerlijkheid en schoonheid. Ge snakt naar die vertroosting, dat ge u Zijn eigendom mocht weten, met lichaam en ziel, in leven en in sterven!
Maar ge vraagt: „Hoe krijg ik dan deel aan Hem?"
Het antwoord op die vraag luidt: door het geloof. Het geloof is de band aan Christus.
En waarin bestaat dan dat geloof ?
Wel, dat bestaat, kort gezegd, hierin: dat ge afziet van uzelf en van al het uwe, en dat ge u alleen laat zakken en zinken — om die uitdrukking eens te gebruiken - op wat de Heere u zegt in Zijn Woord en op wat Hij u in handen geeft in Zijn beloften.
Dat geloof bestaat hierin, dat ge u onvoorwaardelijk toevertrouwt aan de Heere Jezus Christus, om door Hem gered te worden. En dat niet maar voor één keer, maar steeds weer en hoe langer hoe meer.
En dat geloof is nu een geschenk van Hem Zelf, dat is het werk van Zijn H. Geest in uw hart.
Ge kunt van uzelf niet geloven. Thomas kon het ook niet. Nog erger: hij wilde het niet.
Maar als de Héére het wil, als Gods verkiezende genade naar iemand grijpt, dan kán men, of men wil of niet.
Ja, als de Heere het wil. Maar wil Hij het dan niet ?
Wat zegt de Schrift?
We lezen in 1 Joh. 3 : 23: „En dit is Zijn gebod,, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus."
Wat de Heere Jezus tot Thomas sprak, dat spreekt Hij vandaag nóg in het midden van Zijn gemeente: „En wees niét ongelovig, maar gelóvig."
Dat is een bevel, maar 't is tevens een belofte!
De Heere wil het u zo graag geven. Gij moogt er Hem om vragen en gij zult het niet tevergeefs doen, want wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot!
Hij wil het u uit genade geven, dat zalige: „Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben!"
Maar dan moet ge ophouden met voorwaarden te stellen. Ophouden met naar anderen te zien en de Heere de weg te willen voorschrijven. Niet redeneren: „Eerst moet ik dit en eerst moet ik dat ondervonden hebben en eerst moet het nog eens zus en zo met mij gegaan zijn, en dán zal ik geloven!"
Dat is de zonde van Thomas : eerst zien en dan geloven!
Maar wat sprak de Heere Jezus tot Martha bij het graf van Lazarus?
Hij zeide : „Heb ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?"
Gij moogt er dus wel naar verlangen om te zien.
Christus belooft het aan al de Zijnen: „Gij zult de heerlijkheid Gods zien!"
Maar......: „zo gij gelooft!"
En wat is dan een christen nodig te geloven ?, zo vraagt onze catechismus.
En hij antwoordt: „Al wat ons God in het evangelie beloofd heeft."
Dat is de vaste grond voor het geloof van Gods kinderen : 't is Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is. Een andere grond is er niet. Een andere grond moogt ge ook nooit zoeken!
Dat is en blijft altijd het grondverschil tussen de apostelen en ons. Zij hebben met hun ogen gezien en met hun oren gehoord en niet hun handen getast het woord des levens. En ónze ogen zien...... niets. Onze oren kunnen Jezus' stem niet beluisteren. Hem, Die verhoogd is aan 's Vaders rechterhand, kan onze hand niet tasten.
Wij hebben alleen het getuigenis van degenen, die het gezien en gehoord hebben.
En dat moet ons genoeg zijn.
Johannes zegt het ook zo duidelijk in het laatste vers van ons teksthoofdstuk: „Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam."
Door dat geloof, dat de H. Geest in uw hart werkt door het evangelie, leert ge ook nu de Heere Jezus Christus te voet vallen en in aanbidding uitroepen: „Mijn Heere en mijn God!"
En dat is zaligheid. Dat is de hemel op aarde. Dat is een voorsmaak van de eeuwige vreugde!
„Zalig zijn zij" zo sprak Christus, „die niet zullen gezien, en nochtans zullen geloofd hebben."
Vergeet dit woord dan niet, gij vooral niet, die, evenals Thomas, in somberheid en zwaarmoedigheid uw dagen slijt, terwijl ge klaagt: „Ik mis die zekerheid!"
De Heere zegt het u: gij staat onder het gebod des geloofs.:
Dat is de weg, die Hij wil, dat gij gaan zult: de weg van het eenvoudig, kinderlijk geloof, dat Hij in u werkt, door Zijn H. Geest.
Jezus' woord is streng, maar verlóssend tegelijk: „en wees niet óngelovig, maar gelóvig!"
O, zalig gij, die het gelooft - midden in al uw strijd en aanvechtingen en onder al uw kruis - zalig gij, die, door genade, het tóch gelooft, op hoop tegen hoop: de Heere is waarlijk opgestaan! Hij leeft, en daarom zal ik leven!
Zalig gij, die het verstaat en die moogt instemmen met wat een dienaar van het evangelie in vroeger eeuw eens zong, door Gods Geest geleerd:
Mijn hoop en troost is te allen stond
Op Jezus Christus slechts gegrond.
'k Betrouw niet op bevinding, neen,
Ik steun op Godes Zoon alleen.
En toch bevind ik door 't geloof:
Ik ben nu voor de zonde doof.
Ik ben nu alles voor de Heer,
Ik buig mij daag'lijks voor Hem neer.
Ik ondervind, dat 't mij is goed,
Want 't geeft mij vrede in 't gemoed.
Die ondervinding geeft mjj hoop,
Dat ik, na mijn volbrachte loop,
Zal komen, waar mijn Heiland is,
Naardien Zijn Woord de waarheid is.
't Geloof is in Zijn kruis gegrond,
En, rustend in Gods vreéverbond,
Heeft dat in Christus alleen kracht,
Waarop ik zaligheid verwacht.
De grond ligt dus in God alleen,
In Vader, Zoon en Geest Drie-een!
Dus...... 'k denk geen ondervinding weg,
Zo gij verstaat, wat ik u zeg.
Als grond denk ik ze eeuwig weg.
Onthoud dus goed, wat ik u zeg :
Mijn hoop en troost is t' allen stond
Op Jezus Christus slechts gegrond!
Zo is het!
Dat is zaligheid.
Die zaligheid deelt de opgestane Christus uit.
Ze is bij Hem te verkrijgen om niet!
Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben!
Amen.
April 1954