Handelingen 1:9 'De hemelvaart van de Heere Jezus Christus' ds. Jac. Overduin

De hemelvaart van de Heere Jezus Christus.

Predikatie door Ds. JAC. OVERDUIN.

Ps. 24 : 5
Lezen: Hand. 1: 1-12
Ps. 68 : 9, 17
Ps. 21: 5. 6
Ps. 73:12

„En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem, weg van hun ogen."
Hand. 1: 9.
Gemeente!

De hemelvaartsdag is toch wel waarlijk een fééstdag. Want was het geen feest voor de Heere Jezus Christus, dat Hij mocht heengaan tot Zijn Vader om verheerlijkt te worden met de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was?
En zou het dan geen feest zijn voor de kerk van Christus, wanneer zij mag herdenken dat heerlijke heilsfeit, dat haar Koning en Zaligmaker is ingegaan in het hemelse heiligdom ten goede van al de Zijnen?
blaar....... zal het dan ook werkelijk féést voor ons zijn, hemel- vaartsfeest, dan moeten wij ook, met onze gedachten, hémelwaarts!
Dat is toch de bedoeling van de hemelvaartsdag als christelijke feestdag : dan worden onze gedachten afgetrokken van deze aarde, met al haar zonde en ongerechtigheid, met al haar moeite en verdriet, en ze worden gericht op de hemel, waar de Heere Jezus Christus zetelt op Zijn troon, aan de rechterhand van God de Vader!
De hemelvaart van Gods Zoon was immers zoveel als Zijn troonsbestijging.
In de kerstnacht is Hij uit de hemel neergedaald op deze aarde, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Dat was goddelijke liefde en barmhartigheid.
Want God de Heere zou geen onrecht gedaan hebben, wanneer Hij ons allen had laten omkomen. Vanwege onze zonden en overtredingen hebben wij niet anders verdiend dan de dood en het oordeel. En uit onze eigen beweging kunnen we ook niet anders dan kwaad doen. Wij zijn zo diep gevallen, dat wij onbekwaam zijn geworden tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Daarom zijn we ook uit het schone paradijs verdreven en buiten de heerlijke hemel gesloten.
En wie van ons kan nu nog zelf tot de hemel opklimmen? Immers niemand!
Maar nu is de hemel tot óns neergedaald.
In de geboorte van de Heere Jezus te Bethlehem uit de maagd Maria schonk God ons de onuitsprekelijke gave van de Zoon Zijner liefde.
Hij kwam om de zonde te verzoenen en de schuld te betalen en de straf te dragen voor allen, die in Hem geloven tot zaligheid.
En daarom moest Hij de dood en de hel in, om voor al de Zijnen het eeuwige leven te verwerven.
En de Vader heeft het offer van Zijn Zoon aangenomen.
Dit bleek duidelijk, toen Christus ten derden dage opstond uit de doden. Die opstanding van Christus wordt in de Heilige Schrift ook een opwékking genoemd. „God heeft ook de Heere opgewekt", zegt de apostel Paulus in 1 Cor. 6 : 14. Welnu, die opwekking van Christus door de Vader was als 't ware de verklaring van de Vader: „O mijn geliefde Zoon, Ik neem Uw schuldoffer aan; Ik ben door dit offer verzoend!"
Nog veertig dagen zijn er toen verlopen, waarin de Heere Jezus Zich telkens aan Zijn discipelen openbaarde, om met hen te spreken over de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan.
Maar op aarde kon Hij toch niet blijven. Deze aarde was Zijn vaderland niet. En daarom keerde Hij, na Zijn werk volbracht te hebben, naar de hemel terug, om Zijn plaats in te nemen aan de rechterhand des Vaders.
De hemelvaart van de Heere Jezus heeft plaats gehad als een zichtbaar feit voor de ogen van Zijn discipelen. Zij moesten immers Zijn getuigen zijn in het midden van de wereld. Zij moesten Hem verkondigen als de Middelaar Gods en der mensen. En Hij zou Zijn H. Geest zenden, opdat het gepredikte woord ingang zou vinden in zondaarsharten.
Daarom nam de. Heiland Zijn discipelen ook mee naar de Olijfberg, vanwaar Hij Zijn troon zou beklimmen. Op de weg daarheen gaf Hij hun nogmaals de belofte van de Trooster, de H. Geest, Die in Zijn plaats komen zou en Die het alles uit Hem zou nemen, om het aan Zijn volk te verkondigen. De discipelen moesten in Jeruzalem blijven wachten op de vervulling van die belofte......
En terwijl Hij zo met hen sprak, ging het wonder gebeuren, waarvan wij lezen in onze tekst:
„En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen en een wolk nam Hem weg van hun ogen."
Hier worden wij gewezen op:
DE HEMELVAART VAN DE HEERE JEZUS CHRISTUS.
We letten op:
1. Het feit van Zijn hemelvaart;
2. De zegen van Zijn hemelvaart.
I.
Gij gelooft toch, geliefden, dat het wáár is, wat wij in de bijbel lezen over de hemelvaart van de Heere Jezus Christus-?
En dan weet ge, dat Zijn heengaan van deze aarde wel echt een hémelvaart was, een opgenomen worden in de hemel.
De discipelen zijn er bij tegenwoordig geweest. Zij hebben het .net hun eigen ogen gezien. Dat staat met duidelijke woorden in onze tekst te lezen: „En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen."
Plotseling is het gebeurd.
De discipelen waren er niét op verdacht.
De Heere Jezus gaf nog Zijn laatste opdracht : „Gij zult Mijn getuigen zijn."
En opeens......, daar rijst Hij omhoog, statig en plechtig, zonder dat er iets opzienbarends gebeurde.
Er waren géén vurige wagens en paarden, zoals destijds bij Elia's opneming in de hemel.
In rustige majesteit verhief Christus Zich boven de zienlijke wereld, om over te gaan naar de onzienlijke wereld, om daar te zijn in de hemelse heerlijkheid.
Lucas heeft ons in zijn evangelie nog medegedeeld, dat Jezus met zegenende handen afscheid nam van Zijn discipelen en dat Hij zó, al zegenend, werd opgenomen in de hemel.
Dat is een rijke en troostvolle gedachte.
Zegenend ging Jezus naar de hemel.
Dat is het laatste geweest, wat Zijn discipelen van Hem gezien hebben.
En toen nam een wolk Hem weg van hun ogen.
0, vol verwondering en aanbidding zullen de discipelen hun opvarende Jezus hebben nagestaard. Al hoger en hoger voer Hij op. Totdat opeens een wolkgordijn Hem onttrok aan hun gezicht... En nóg stonden zij naar boven te staren..., maar toen op eenmaal..., zie, zegt Lucas, twee mannen stonden bij hen in witte kleding, welke ook zeiden: „Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel ? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heen varen!"
Zo is de Heere Jezus Christus opgenomen in de hemel.
En o, - hebt ge daar wel eens over nagedacht, geliefden ? - wat een vreugde moet dat voor Hém geweest zijn, toen de hemelpoort zich voor Hem opende.
Juichend zullen de engelen Hem begroet hebben, terwijl zij zongen:
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog,
Opdat g' uw Koning moogt ontvangen!
En op de vraag: „Wie is die Vorst, zo groot in Kracht ?" hebben zij het uitgejubeld :
't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht,
Hem eren wij met lofgezangen!
Welk een heerlijk ogenblik moet dat geweest zijn voor de. Zoon, toen Hij terugkwam bij de Vader en toen Hij zeggen kon: „Vader, nu is alles volbracht, wat er nodig was om degenen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt, te verlossen en hun het eeuwige leven te bereiden!"
Welk een heerlijk ogenblik, toen de Vader zeggen kon: „Kom, o Mijn Zoon, en zit aan Mijn rechterhand!"
Zo werd Christus met eer en heerlijkheid gekroond!
Diep is Hij vernederd geworden. De profeet Jesaja heeft naar waarheid van Hem gezegd: „Als wij Hem aanzagen, was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheden."
Maar nu is Hij uitermate verhoogd geworden en heeft Hij een Naam ontvangen, welke boven alle namen is in hemel en op aarde.
Christus' hemelvaart predikt Zijn overwinning over al Zijn vijanden en over elke macht, die zich tegen Hem stelt. De apostel Paulus schreef aan de Corinthiërs, en dat is iets geweldigs: „Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben."
En daarom zegt terecht het bekende lied: „Eens buigt zich toch alles voor Jezus in 't stof!"
Want alle knie, zegt de Schrift, zal voor Hem zich buigen en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders !"
Hoe zalig is het dan, geliefden, als wij gewillig en van harte onze knieën voor Hem buigen en Zijn Naam belijden! Want deze Koning der ere wil de Zaligmaker en Verlosser van zondaren zijn. Daartoe heeft Hij Zijn leven gegeven in de dood, ja in de dood des kruises. Hij schaamt Zich ook nu niet voor de woorden van het kruis. Als de Gekruisigde is Hij nu ook in de hemel voor het aangezicht des Vaders, om voor Zijn volk te bidden.
Maar...... is ons hart nu vandaag in de hemel, bij die verheerlijkte Jezus? „Want waar uw schat is", zo heeft Hij Zelf gezegd, „daar zal ook uw hart zijn."
't Is hemelvaartsdag....... maar ach, wat ons betreft, dan zijn wij uit de aarde aards. Het feit van Jezus' hemelvaart zegt ons niets. Wij leven aan Christus voorbij. We zijn blind voor onze zonde en ellende en óók blind voor de heerlijkheid en dierbaarheid van deze Koning, Die aan de rechterhand des Vaders troont in majesteit. Zo zijn wij van natuur. Wat zijn we dan toch eigenlijk diep-ongelukkige mensen. Want buiten Christus is geen leven, maar de dood en de eeuwige ondergang.
Maar...... wat een troostvolle boodschap brengt ons nu de hemelvaartsdag: die Jezus, Die is opgenomen in de hemel en met zoveel eer en heerlijkheid is gekroond, ja bekleed met alle macht in hemel en op aarde, Hij ziet tóch in ontferming en genade neer op verloren zondaren, die verbroken en verslagen zijn vanwege hun zonde en ellende, vanwege hun verdorvenheid en ongerechtigheid.
Hij is ook nu nog Dezelfde, als toen Hij hier op aarde was, met innerlijke ontferming bewogen over ellendigen, de zonde vergevende. Hij laat het Zijn volk ook nu weten: „Ik zal u niet begeven, noch verlaten, maar tot in alle eeuwigheid voor u zorgen." En ook dáártoe is Hij nu in de hemel, om vandaar Zijn gemeente te regeren en door Zijn Woord en Geest te leiden in de rechte weg.
En daarom ziet het volk, dat God vreest, op hemelvaartsdag ook óp naar de hemel, in de wetenschap: daar is onze Koning.
En Hij is ook onze Hogepriester, Die bidt: „Vader, Ik wil, dat, waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die. Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld!"
Hemelvaartsdag......, ja, 't is een feestdag voor de gemeente van Christus, die Hij kocht met Zijn bloed en die mét Hem reeds is gezet in de hemel.
En daarom mogen wij wel zingen:
Hoog omhoog, het hart naar Boven,
Hier beneden is het niet.
't Ware leven, lieven, loven
Is daar, waar men Jezus ziet!
Dát is hemelvaartsfeest vieren, als het ons gaat, zoals er staat in Hebr. 2: „Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond !" Ja, en wij verheugen ons in Hem, zegt de apostel Petrus, met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde!
II.
En als het zó hemelvaartsdag voor ons is, dan kan het wel niet anders, of we hebben niét genoeg aan het feit van Jezus' hemelvaart zonder meer, maar dan willen wij graag méér weten van de zegen, die ons door de hemelvaart van de Heere Jezus Christus toekomt.
Die zegen is zo machtig groot.
Daarop letten we dan nog in de tweede plaats.
De zegen van Jezus' hemelvaart...... Maar...... zou het niet veel groter zegen zijn, als de Heere Jezus nog lichámelijk op aarde aanwezig was?
Ja, die vraag komt misschien ook wel eens op in uw hart. Want, zo overleggen we dan bij onszelf, als Jezus nog op aarde was, zoals vroeger, dan zouden we naar Hem toe kunnen reizen, dan zouden we onze nood aan Hem kunnen vóórleggen, dan zouden we Hem kunnen vertellen van heel ons zondige leven, van onze verloren toestand, van onze onbekwaamheid om iets goeds te doen. We zouden Hem kunnen vertellen van onze angsten en van onze strijd. We zouden Hem kunnen vragen : „Heere, is er voor zulk een zondaar, als ik ben, nog genade en ontferming ?" En we zouden dan uit Zijn mond zo graag een woord van vergeving en troost horen!
Ja, zo denken we dan, konden we de Heiland maar eens zièn en met Hem spreken! Konden we ons moede hoofd maar eens even neerleggen tegen Zijn hart, dat immer vol ontferming klopt voor arme zondaren!
En dat verlangen is zeer begrijpelijk.
Maar, gemeente, toch ligt er zulk een rijke zegen in, dat Hij is opgevaren naar de hemel.
Want hebt ge goed gelet op wat er staat in onze tekst ? Er staat: en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Het was maar een wolk!
Geen stenen muur, geen ijzeren pantser.
Neen, het was maar een wolk.
Dat is toch geen sterke afscheiding, wel? Alleen ons oog kan er niet doorheen zien, maar verder kan er alles door.
Dat is een grote troost voor allen, die de Heere Jezus Christus als Zaligmaker nodig hebben.
O, zie toch, een wolk nam Hem weg van hun ogen. Maar het was bij Jezus niet, zoals het dikwijls bij ons is : „Uit het oog, uit het hart!"
En zo was het, gelukkig, ook niet bij de discipelen.
Neen, al zagen hun ogen Hem niet meer, hun hárt bleef Hem vasthouden!
Gaat uw hart ook naar Hem uit, in heilbegerig verlangen, mijn hoorder of hoorderes?
Wel, dan moogt gij het weten: Zijn hart gaat naar u uit! En al ziet uw oog Hem niet, toch ziet Zijn oog u wel! En Hij neigt Zijn oor tot uw roepen, tot uw zuchten.
O, klaag uw nood en ellende maar gerust voor Hem uit. Ge zult het niet tevergeefs doen. De nood kan geweldig groot zijn. De nood van uw leven met zijn kruis en ellende, met zijn moeite en verdriet. De nood van uw ziel, die gebogen gaat onder de last van zonde en schuld.
Maar Hij hóórt uw roepen, en het schreien van uw ziel dringt dóór tot Zijn oor.
't Was maar een wolk, die Hem wegnam van onze ogen, en...... zou het niet góed zijn, dat er een wolk tussen Hem en ons in gekomen is ? Want wanneer die reine en heilige Jezus in Zijn verheerlijking vóór ons zou staan, zouden wij dan nog wel tot Hem durven en kunnen spreken?
Hoe verging het Johannes op Patmos, toen hij, in geestvervoering, de verheerlijkte Jezus aanschouwde ?
„En toen ik Hem zag", zo schrijft hij, „viel ik als dood aan Zijn voeten."
En Johannes behoefde toch niet te vrezen. Want de Heere Jezus sprak Zelf tot hem: „Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste, en Die leef, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods."
Maar afgezien daarvan, wij weten toch: de Vader heeft Zijn Zoon tot Zich genomen en Hem gezet aan Zijn rechterhand in eer en heerlijkheid tot nut van Zijn volk!
Want Christus is immers ten hemel gevaren, om Zijn H. Geest naar de aarde te zenden, opdat die Geest zou woning maken onder Zijn volk. Ook met dát doel voor ogen nam de Heiland afscheid van Zijn discipelen. Hij sprak: „Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden."
Is dat niet duidelijk ?
Want denk u eens in: als de H. Geest er niet was, dan zou het werk van Christus tevergeefs zijn geweest. De H. Geest moet immers het Woord Gods aan zondaarsharten tóepassen. Het is de Heilige Geest, Die het Woord gebruikt als een hamer, om harde en verharde zondaarsharten stuk te slaan en te verbrijzelen. Die Geest, zo heeft Jezus gezegd, zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Die Geest brengt ons op de knieën, zodat we het leren uitroepen: „O God, wees mij, zondaar, genadig!"
Maar die Geest doet ons ook zien, Wie Christus is, en wat Hij gedaan heeft; hoe Hij om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is verbrijzeld, en hoe de straf, die op Hém was, óns de vrede aanbrengt.
Diezelfde Geest openbaart ons Christus in het hart, zodat we vol vreugde leren uitroepen : „Dit is mijn Jezus, mijn Heiland, mijn Zondenvernieler!"
Diezelfde Geest leert ons achter Hem aan wandelen, in de weg van Zijn geboden, en bindt ons steeds inniger aan Hem.
Diezelfde Geest leert ons ook zeggen : „Abba, Vader."
En wat kan, door de werking van die Geest in ons hart, het verlangen dan soms sterk zijn om eeuwig bij de Heere te wezen, verlost van alle kruis en smart, van alle moeite en verdriet. Wat kan dan soms het verlangen sterk zijn naar het einde van de strijd, om eeuwig uit te rusten bij die Koning der ere, bij de drieënige God, uit Wie, door Wie, en tot Wie alle dingen zijn!
Was de hemelvaart van de Heere Jezus Christus dan geen grote zegen voor Zijn kerk?
Maar er is immers nog meer te noemen.
De Heiland is óók opgevaren ten hemel om voor allen, die in Hem geloven, een plaats te bereiden in het Huis des Vaders, met zijn vele woningen.
Neen, Hij blijft niet alléén in de hemel. Hij zal Zijn volk tot Zich nemen in Zijn heerlijkheid.
Dat is zo tróóstvol, dat Jezus ook dáárom ten hemel is opgenomen. Want Gods kinderen leren zich op deze aarde kennen als vreemdelingen. Hier is hun eigenlijke woonplaats niet. „Wij hebben hier geen blijvende stad", zo staat er in de brief aan de Hebreeën. En daar worden we ook telkens weer aan herinnerd. De smeltkroes der beproeving kan soms wel erg heet zijn. Het kruis der verdrukking kan soms wel erg zwaar zijn. En tot nu toe zijn we nog wel bewaard gebleven voor grote vervolgingen, maar de tijden zijn ook in dit opzicht donker. We weten niet, wat ons nog te wachten staat.
Maar...... dat we dan onder alles toch nooit vergeten mogen, wat de apostel Paulus zegt, dat namelijk het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen bij de heerlijkheid, die straks aan ons geopenbaard zal worden!
De Heere Jezus Christus is ten hemel opgevaren, om Zijn volk een beter vaderland te bereiden. En al moet het dan door veel verdrukkingen heen, het einde zal zo zalig zijn! Want wat is er zaliger dan dáár te zijn, waar de vrome Lodenstein van zong :
Zonder sterven Gode leven,
Zonder moeite, zonder pijn,
Zonder ziekte, zonder beven,
Zonder kwaal of kwelling zijn.
O mijn ziel, als gij bedenkt,
Wat de Heer u eeuwig schenkt,
Laat dan varen last en lusten,
Om reeds hier in Hem te rusten!
En - dat is óók een zegen van Jezus' hemelvaart - zolang wij nog op deze aarde zijn, is de Heere Jezus toch al in de hemel om voor Zijn volk te bidden bij de Vader.
Er staat in de brief aan de Hebreeën, dat Hij altijd leeft om voor ons te bidden. En de apostel Johannes schreef : „Kinderkens, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden!"
Wanneer wij door een waar geloof Christus ingelijfd zijn, dan zijn wij wél kinderen van de hemelse Vader, maar dan tóch kinderen, die dagelijks nog in vele dingen struikelen. Hoe dikwijls zitten wij bedroefd terneer, omdat we het er weer zo slecht afgebracht hebben, zodat onze hoop en onze verwachting is vergaan. We klagen met Paulus: „Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij."
Maar wat is dát nu een heerlijke zaak: er is in de hemel een biddende Hogepriester, Die bij de Vader pleit voor de Zijnen: „Vader, ook déze zonde heb Ik verzoend in Mijn bloed, ook déze schuld heb Ik betaald ; vergeef daarom, o Vader, en neem weer in genade aan."
En de Vader verhóórt Zijn Zoon altijd. Wij bederven het telkens weer. Maar Hij maakt het telkens weer goed bij de Vader. En Hij zorgt ook voor Zijn volk, zodat een wederhonig kroost altoos bij Hem zal wonen.
Mogen we dan niet terecht gewagen van de zégen van Jezus' hemelvaart ? En is de hemelvaartsdag, de dag van Jezus áfscheid van deze aarde, dan toch - goed bezien - niet een fééstdag, een dag van grote blijdschap voor állen, die de Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid? En zullen wij die blijdschap dan niet melden in ons lied?
Ja, komt, geliefden, doen wij dat, door samen te zingen het vijfde en zesde vers van psalm 21
Hoe groot en schitt'rend is Zijn eer,
Door 't heil, aan Hem bewezen!
Hoe is Zijn roem gerezen!
O alvermogend Opperheer,
Wat glans, wat majesteit
Hebt Gij dien Vorst bereid!

Gewis, Gij zult, all' eeuwen door,
Hem met Uw gunst verzellen
En tot een zegen stellen;
Ja, Gij geleidt Hem op het spoor
Der vreugde, bij het licht
Van 't godd'lijk aangezicht!
Ps. 21 : 5, 6.
Gemeente, die jezus, Die voor de ogen van Zijn discipelen in de hemel is opgenomen, Hij alleen kan ons waarlijk gelukkig maken. Maar...... dan moeten wij ook bij Hém alleen schuilen.
Het is zo terecht opgemerkt in ons avondmaalsformulier — en die opmerking is ook zeer toepasselijk voor de hemelvaartsdag -: wij moeten onze harten opwaarts in de hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand van Zijn hemelse Vader.
Maar...... van onszelf hebben wij de wereld en haar begeerlijkheden zo lief. Die wereld bekoort ons hart.
Dat is wel erg ongelukkig, want 't is, zoals iemand gezegd heeft: van deze wereld houden we tenslotte niets anders over dan enkele planken, die straks in de grond zullen verteren. En van de wereld houden we verder niets over dan een grote schuld bij God, waardoor we ons het eeuwig verderf hebben waardig gemaakt.
Wat zijn we toch dwaze mensen!
Want we weten het dikwijls zo goed en we kunnen het zo precies zeggen, waar het bij ons aan ontbreekt, en tóch blijven we maar doorgaan op onze zelfgekozen, boze wegen.
We denken, dat we vrij zijn, en we zijn gebonden; gebonden aan de zonde, gebonden aan de wereld, gebonden aan ons eigen ik. En we willen onze knieën voor God niet buigen en we willen niet smeken om genade, want we willen niet, dat de Heere Jezus Koning over ons is. En zo gaan we de dood en het oordeel tegemoet. Maar onze ogen zijn er voor gesloten, totdat het te laat is.
O ja, als we sterven gaan, dan willen we allen wel naar de hemel, waar ook de Heere Jezus is heengevaren.
Maar iemand vroeg eens aan zijn mede-reiziger naar de eeuwigheid: „Wie denkt ge daar in de hemel dan te ontmoeten ? Hebt ge daar een bekende ? Een vriend misschien, die u daar ontvangt en die een woning voor u bereid heeft ? Misschien hebt ge daar een vrome vader of een bekeerde grootmoeder ?"
Maar zij kunnen de hemelpoort niet voor ons openen. Daar baat ons ook geen geld of goed.
Daar kan alléén de Heere Jezus Christus ons helpen, Die Zijn dierbaar bloed gestort heeft, om al Zijn volk van zonde en ongerechtigheden voor eeuwig te bevrijden, en Die daarna ten hemel is opgevaren, om voor dat volk plaats te bereiden in het Vaderhuis met zijn vele woningen.
Die Jezus moeten wij kennen als onze persoonlijke Verlosser. Wij moeten ontdekt worden aan onze zonde en ellende. Wij moeten onze schuld voor God leren belijden. Wij moeten leren vragen naar de weg der zaligheid.
Zo zal Hij ons onmisbaar en dierbaar worden, Die gezegd heeft: „Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij!"
En daarom, als het zo met u is, dat het feit van Jezus' hemelvaart u koud en onbewogen laat, dat de zegen van die hemelvaart u nog vreemd is, o, sta dan toch een ogenblik stil op uw weg en kom tot inkeer. Waarom zoekt ge toch niet de Heere Jezus Christus als uw Zaligmaker en Heiland? Waarom buigt ge uw knieën niet, om uw schuld te belijden voor Hem, Die macht heeft de zonden te vergeven? Waarom vraagt ge niet om Zijn genade en ontferming : „Heere, ik ben het niet waardig, want ik heb zwaar en menigmaal overtreden, maar gedenk mij toch en ontferm U over mij ?"
Zeg nooit : „Ik ben té zondig en té schuldig, té verdorven en té onrein, ik heb m'n leven lang niet anders gedaan dan wat kwaad is in Gods oog. Ik heb gezondigd met gedachten, woorden en werken, en daarom zal de Heere met mij niet te maken willen hebben!"
Hij wil immers wél met u te maken hebben, want Hij zóekt juist het verlorene, het weggedrevene, dat Hem echt nodig heeft en Hem niet missen kan.
Roep maar tot Hem en houd aan in het gebed. Hij zal u zéker vanuit de hemel verhoren en u Zijn genade bewijzen, zoals Hij in Zijn Woord beloofd heeft!
De Heere Jezus Christus is opgenomen in de hemel.
En daarom boodschapt de hemelvaartsdag ons óók: zoekt de dingen, die Boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods!
Wij moeten leren zoeken de dingen, die Boven zijn. Want wie het geluk beneden de wolken zoekt, die zal eeuwig teleurgesteld worden. Maar wie het bóven de wolken zoekt, bij de Heere Jezus Christus, Die nu gezeten is aan de rechterhand Zijns Vaders, die zal ingaan in een eeuwig, zalig leven!
Maar nu zijn ook Gods kinderen nog dikwijls zo aardsgezind. De oude mens heeft een taai leven.
Bedenkt toch, kinderen Gods, uw oude mens moet sterven, maar uw nieuwe mens moet toenemen. Ge zijt vreemdelingen op de aarde. Neen, dat betekent niet, dat ge geen taak en roeping in deze wereld zoudt hebben te vervullen. Integendeel, Christus sprak tot Zijn discipelen en, tot al de Zijnen: „Gij zult Mijn getuigen zijn!"
Waarlijk christen-zijn betekent niet, zoals wel eens gesmaald wordt, dat we, in droef gemijmer, alléén maar zullen staren naar de hemel. Neen, wij moeten de wereld in, het strijdperk in. Door vele verdrukkingen moeten wij ingaan in het Koninkrijk Gods.
Maar juist daarom ook beseffen we steeds meer, dat het hier het land der rust niet is. We zijn pelgrims naar een beter vaderland. Ons thuis is niet meer op deze aarde, hoe goed de Heere het ook hier nog doet zijn. Maar ons eigenlijke thuis is in de hemel, waar ook onze Verlosser en Koning is.
En daarom, ja, dan leert Gods kind toch ook weer om óp te zien naar de hemel, niét in droef gemijmer, maar in hoopvolle verwachting. Want de hemelvaart van Christus houdt ook in de belofte van Zijn wederkomst. „Deze Jezus", zo spraken de engelen, „Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren!"
Die belofte zá1 vervuld worden op Gods tijd. Daarheen wentelen de eeuwen. Daarop wijzen de tekenen der tijden. En daar moet de kerk des Heeren méér uit leven. De Heere komt!
Straks zal het koninkrijk Gods ten volle geopenbaard worden. Straks komt de nieuwe aarde en het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt van God uit de hemel op die nieuwe aarde. Dan is de zaligheid volkomen. Dan is er één volk onder één Koning, één kudde onder één Herder!
O blij vooruitzicht:
Eens komt de Heer, om 't Rijk te stichten.
Eens komt de Heer, Zijn dag zal lichten!
En in die blijde wetenschap mogen we ook op de hemelvaartsdag zingen:

'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat,
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid!
Amen.

Mei 1953