De rijke jongeling.
Predikatie door Ds. W. HEERMA.
Ps. 43 : 3, 4
Lezen: Lucas 18 : 9-30
Ps. 143:10
Ps. 147:5,6
Lofz. v. Maria : 5, 6
Ps. 119:3
Geliefde Gemeente,
Het Woord Gods, dat wij in dit uur mogen overdenken, leest ge in Lucas 18, de verzen 18 tot en met 27.
En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beerven? Enz.
In ditzelfde hoofdstuk, waarin we horen van de rijke jongeling, wordt ons ook de gelijkenis van de farizeër en de tollenaar medegedeeld.
Twee mensen - zegt de Heere Christus - gingen op in de tempel om te bidden. De een was een farizeër en de ander een tollenaar.
Twee mensen, twee Adamskinderen, maar ook twee Abrahams-kinderen! Ze gingen naar een en dezelfde tempel. Ook gingen ze naar het scheen met een en hetzelfde doel, namelijk om te bidden.
De farizeër, staande, bad dit bij zichzelve: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik bezit.
Het gevaar is niet denkbeeldig, dat wij de benaming „farizeër" niet goed verstaan. Immers willen we tot geen prijs farizeër heten. Dan zijn we beledigd, dan gevoelen we ons gegriefd. Farizeër, dat is in onze oren zo ongeveer hetzelfde als gemene huichelaar. Die opvatting van deze naam is helemaal fout. In de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde zou niemand zich beledigd gevoeld hebben door de vraag : Zijt gij een farizeër ? Want dat was werkelijk een erenaam. Een farizeër was niet alleen een net en fatsoenlijk mens met een ingetogen leefwijze en een onbesproken gedrag, neen; nog meer, een farizeër behoorde naar het algemene oordeel tot de geestelijke elite. Hij was het voorbeeld in kerk, staat en maatschappij.
En een tollenaar was allesbehalve een fatsoenlijk mens. Een tollenaar was iemand, die het maar schandelijk had laten liggen, een vloek en schande van het heilig volk; iemand, die zichzelf om vuil gewin verkocht had om een handlanger te zijn van de vijand, van de gehate Romeinen. Iemand, die in de bezettingsjaren een collaborateur heette.
Een farizeër was naar menselijk oordeel beslist een „zeer goed" mens en een tollenaar was naar eenzelfde maatstaf gemeten een zeer slecht iemand.
En toch lag dáár het eigenlijke, het wezenlijke verschil tussen deze farizeër en deze tollenaar niet. Naar wat de Heere ons van farizeër en tollenaar, die daar bidden in de tempel, duidelijk leert, lag het verschil totaal, maar dan ook totaal anders.
Weet ge, waar het eigenlijke verschil tussen deze twee in lag? Die farizeër, wat een oppassend en, zeer godsdienstig en nauwgezet man hij ook was, miste het ontdekkende 1 i c h t van de Heilige Geest, terwijl die tollenaar door dat ontdekkend licht van de Heilige Geest zichzelf kende als verloren voor God.
Had die farizeër dat ontdekkend licht ook gehad, dan was hij graag daar achter in de tempel naast de tollenaar gaan staan. Dan had hij met heel zijn hart meegebeden : O God! wees mij zondaar genadig ! Dan was hij zo mogelijk nog achter die tollenaar gaan staan om eerlijk te belijden : O God, ik ben nog groter zondaar dan deze tollenaar, want ik wilde achter een vrome schijn mijn goddeloze bestaan voor U camoufleren, bedekken.
Maar nu ook omgekeerd, had die tollenaar dat ontdekkende licht van Gods Geest gemist, dan had hij heus zijn eigen kant nog wel wat opgehaald. Ik mag dan lang niet volmaakt zijn, ik mag dan al geen beste broeder wezen, toch ben ik gelukkig geen vrome huichelaar. Ik wil het tenminste wel weten, ik kom er eerlijk voor uit, dat ik „geen beste" ben. Een onbekeerd mens kan ,,zo eerlijk" zijn soms, dat het inderdaad méér dan schande is. Zij spreken hun zonde vrij uit gelijk Sodom; zij weigeren schaamrood te worden.
Alles saamvattend komt het hierop neer: Zónder dat ontdekkende licht stelt zich een tollenaar nog boven een farizeër, terwijl omgekeerd mét dat licht een farizeër zich nog beneden een tollenaar wil stellen. Denk maar aan Paulus, een farizeër uit de farizeën, maar die zich de grootste der zondaren kent en noemt.
Dat ontdekkende licht van de Heilige Geest hebben we allen nodig, wie we ook zijn, ouderen en jongeren, rijken en armen, mannen en vrouwen, bekeerden en onbekeerden. Dat licht hebben we nodig bij aanvang, maar ook bij voortgang.
Welnu, dat licht moge ook u genadig bestralen, als we saam mogen overdenken de geschiedenis van
DE RIJKE JONGELING.
We horen dan:
1. van zijn hoopvol komen tot Jezus;
2. van zijn bedroefd heengaan van Jezus.
Psalm 147 : 5 en 6.
I. Zijn hoopvol komen tot Jezus!
Het mag uw aandacht niet ontgaan, dat niet alleen Lucas, maar ook Mattheus en Marcus ons verhalen van de ontmoeting van Jezus en de rijke jongeling. Zie hiervoor Mattheus 19 en Marcus 10.
Lucas noemt hem een overste ; waarschijnlijk een overste van een synagoge. Verder blijkt uit het Evangelie, dat deze man nog zeer jong was. Maar hoe jong hij ook mocht zijn, hij bleek een man van aanleg te zijn. Hij was begaafd met kennis en wijsheid. En zo kwam het, dat hij reeds vroeg het vertrouwen van zijn kring had verworven en nu reeds een plaats van betekenis in het volksleven van Israël innam.
Was het niet prachtig van deze jongeman, dat hij tot Jezus kwam ? Ik stel mij voor, dat dit de discipelen heel vat beter aangestaan heeft dan het feit, dat zo pas die moeders hun nog kleine kinderen tot.. de Heere brachten. Dat vonden. de discipelen eigenlijk niet te pas komen. Zij bestraften die moeders en meenden het te moeten verhinderen.
Dat deze keurige en algemeen geachte jongeman tot Jezus komt, daar zijn ze mee in hun schik. En hoe goed doet het hen, dat hij hun Meester zulk een eer bewijst. Ten aanschouwe van ieder, die het maar zien wil, knielt hij eerbiedig voor Jezus neer. Marcus deelt ons mede, dat hij voor Jezus op de knieën valt. Zo schaamt hij zich niet om in het publiek uiting te geven aan de hoge achting, die hij koestert voor de profeet uit Nazareth.
En dan die vraag! Was dat geen mooie vraag ? En dat voor zo'n jonge man ? Wat een ernstige vraag: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve ?
Ge kunt merken, deze jongeling is ernstig bezorgd over zijn ziele- heil. Hij wil toch zo graag recht hebben op het eeuwige leven en beslist zeker zijn van zijn zaligheid.
Heus, zulke jonge mensen heb je niet veel. Die lopen er niet bij tientallen rond. Je kunt gerust zeggen : ze vormen een uitzondering.
Nauwkeurig en stipt als een trouwe zoon van Abraham, als een ernstig verbondskind heeft hij al heel wat gedaan om maar recht te krijgen op het eeuwige leven.
Maar hij is er toch niet gerust op, dat hij werkelijk genoeg gedaan heeft. Geen wonder, want de ware rust is in de weg van de werken der wet nooit te vinden. Wat een zondaar ook mag doen, hoe hij zich ook zou martelen en kwellen om met dode werken de levende God te behagen, nooit zal de Wet zeggen: nu is het genoeg; nu is het in orde tussen God en uw ziel.
Wat moet ik doen? Hij weet het zelf niet, maar deze „Goede Meester" zal het mogelijk wel weten. Hij heeft een zeker vertrouwen in deze profeet. Laat die hem nu maar ronduit en eerlijk zeggen, wat hij nog meer doen moet om goed zeker te zijn van het eeuwige leven.
Zie in gedachten deze rijke jongeling voor u. Hij is rijk in meer dan één opzicht. Niet alleen rijk in geld en goed, maar ook rijk aan deugd. Werkelijk is het een voorbeeldige jongeman!
Uit de vraag - wat moet ik doen - merkt ge, dat hij van de gedachte uitgaat: ik kan en ik wil en ik zal doen, wat er ter verkrijging van het eeuwige leven gedaan moet worden.
De vraag is alleen maar: WAT! Wat moet ik doen?
Als deze eerbiedwaardige profeet nu maar zo goed en zo vriendelijk zijn wil hem dat even duidelijk te zeggen, dan kan hij er van op aan, dat het beslist in orde komt. Dan zal hij zelf wel zorgen, dat er niets aan mankeert, al is het nog zo moeilijk, al is het nog zo zwaar.
Deze jongeling wil niet alleen graag zalig worden, maar hij meent ook heel eerlijk, dat hij alles voor zijn zaligheid over heeft en dat hij al een heel eind op de goede weg is, al een heel eind op weg naar de hemel.
Hij meent in gemoede, dat hij wel de hoogste prijs voor de hemel biedt en dat hij wel in staat is, wel bij machte is om zelf te doen wat tot verwerving van het eeuwige leven van hem geëist zal worden.
Zo juist geleden heeft Jezus de kinderkens zegenend de handen opgelegd en hij verwacht niet anders dan dat de Heere óók hem wel de handen zal opleggen en zijn geestelijke kwaliteiten zal erkennen.
Maar wat hij ook verwacht heeft, niet dit, dat de Heere zo snijdend scherp hem toevoegt: „Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God."
Jezus weigert de lof, die deze jongeman in dat „Goede Meester" Hem bedoelde toe te brengen. Is Jezus dan niet goed? Is Hij niet volmaakt goed, geheel zonder zonde? Bepaalde Humanisten grijpen dat woord „Wat noemt gij Mij goed?" aan om zogenaamd te bewijzen, dat Jezus niet de Zoon van God is.
Waarom aanvaardde Jezus deze hulde niet? Hij kon zichzelf van al de andere mensen onderscheiden door van hen te zeggen : „Gij die boos zijt."
Hij kon met recht en reden van zichzelf getuigen: „Ik doe altijd wat de Vader welbehagelijk is."
Waarom mocht deze jongeling nu niet zeggen: Goede Meester? Dat was Hij toch? Waarom moest de Heere nu zo afstotend die hulde afwijzen? Waarom zo scherp? Kon dat nu niet wat soepeler, wat vriendelijker? Die jongeman bedoelde het toch zo goed.
Geen sprake van! Geen sprake van! Die jongeling bedoelde het juist geheel verkeerd. Hij ging uit van een geheel verkeerd beginsel. Hij zag in Jezus niet de Zoon van God. Hij zag in Jezus alleen maar de goede mens, die door zijn eigen menselijke goedheid zeker het eeuwige leven waard was.
Goede Meester, zegt hij, maar dat „goede" dan verstaan op dezelfde manier, waarop hij ook zichzelf zo kwaad niet vond.
Morgen zal hij mogelijk ook een andere profeet met alle genoegen „Goede Meester" noemen.
Deze jongeling beschouwt de mens (dat is zichzelf) als goed. Er mag aan die mens dan een en ander haperen, er mag in bepaalde gevallen zelfs heel wat mankeren, maar als die mens maar wil, dan kan hij zichzelf vanuit zichzelf goed maken.
Vraagt ge deze jongeling, of God goed of kwaad is, dan is zijn antwoord niet twijfelachtig. Natuurlijk is God goed! Het zou toch schandelijk goddeloos zijn dat te weerspreken of zelfs maar te betwijfelen. Natuurlijk: God is goed. Maar...... de mens is óók goed!
Vándáár, dat hij zo pas begon met dat: „Goede Meester !"
Let nu goed op wat er gebeurt. God is goed én de mens is ook goed!
Zo zou dus de mens, goed zijn naast God; zo zou de mens Gods evenknie zijn.
Het zou dan tóch waar zijn, wat de vader der leugenen, de mensenmoorder van den beginne in het paradijs al verkondigde: „Gij (o mens!) zult als God zijn."
Deze overste heeft het geheel bij het verkeerde eind. Zulk een van zichzelf goede mens bestaat er eenvoudig niet, heeft ook nooit bestaan en zal er ook nimmer wezen.
Is u dat te sterk gezegd ? Hebt ge daartegen uw bedenkingen ? Ge zegt bij u zelf: En Adam in de staat der rechtheid dan? Was die dan niet goed? En lezen we niet van de vriend en metgezel en helper van Paulus op zijn zendingsreis: Barnabas nu was een goed man? En zegt ons de Schrift zelf niet van dat kind van Jerobeam, dat de Heere wegnam voor de dag des kwaads, dat er iets goeds in lag voor de Heere?
Zeker, dat is altemaat waar, maar dat geeft geen recht om te spreken van de goede mens.
Dat is het wat de Heere deze overste wil leren, als Hij zegt „Niemand is goed dan Eén, namelijk God!"
Och, dat we dat van harte leren geloven, dat alleen God goed is. Dat woord des Heeren „niemand is goed", laat toch aan duidelijkheid niets te wensen over.
Was Adam in de staat der rechtheid dan niet zeer goed? Was Barnabas dan niet een goed man? Was er dan niet iets goeds voor de Heere in dat kind van Jerobeam? Ja zeker, zonder de allerminste twijfel
Maar ga dat nu niet verkeerd verstaan. Als er ooit of ergens een goed mens is, als er ooit of ergens ook maar iets goeds voor de Heere in het schepsel wordt gevonden, dan is dat goede nooit uit dat schepsel, maar geheel en alleen uit God. Dan is dat een werk van Zijn Goddelijke kracht en een gave van Zijn Goddelijke genade.
We lezen toch nergens in Gods Woord, dat de mens zichzelf maakte naar Gods beeld en gelijkenis? Dat hij dus zichzelf goed maakte? Neen, God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. Dat was Zijn werk, Zijn werk alleen.
Zodra nu de mens buiten God om goed wil zijn, zodra nu de mens meent zichzelf goed te kunnen en te willen maken, bewijst hij hoe geheel goddeloos hij is. En dat probeerde nu deze overste, zichzelf goed maken. Hij wil het door inspanning van eigen krachten zo ver in het goede brengen, dat God straks zal moeten erkennen: deze man is goed, hij heeft door zijn eigen doen recht op de zaligheid verworven.
Als straks deze rijke jongeling uit zijn eigen werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. Daarom wilde Christus niet eens goed heten op het God-onterend niveau van deze mens. „Wat noemt gij Mij goed ? Niemand is goed dan Eén, namelijk God." God alleen is goed van Zichzelf, want Hij alleen is God.
Nu pas komt het antwoord op de vraag: Wat moet ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve ? „Wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden."
De jongeling vond dat bewaren van Gods geboden een zo vanzelfsprekende zaak, dat hij bij dit antwoord aan andere dan aan de bekende Tien Geboden wilde denken. Die leken hem te eenvoudig,
te gemakkelijk. Daarom vroeg hij: welke? En dan blijkt uit het antwoord, dat Jezus hem geeft, dat de profeet uit Nazareth geen andere dan de bekende geboden bedoelt. Daarom noemt Hij er enkele geboden, die deze jongeling immers wel kent: Gij zult geen overspel doen ; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen vals getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder. Als een saamvatting van al deze geboden noemt Jezus de eis der naastenliefde afzonderlijk: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelve (zie Mattheus 19 : 19) .
Waarom zegt de Heere dit? Hij weet toch ook wel, dat de weg der verlossing niet ligt in de werken der wet? En dat de enige weg ten leven is de weg des waren geloofs?
Waarom zei Hij dan niet: Beste jongeling, als ge zo graag zalig wilt worden, dan hebt ge heel eenvoudig in MIJ te geloven ?
Waarom dat: Onderhoud de geboden? Door de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God ; ook de rijke jongeling niet.
En dat wil de Heere hem nu goed en grondig leren, bevindeljk leren.
Om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven moet ik allereerst weten, hoe groot mijn zonde en ellende is. Dat weet deze jongeling niet. En nu zal hij zijn ellende moeten leren kennen: Uit de wet Gods.
Paulus in Romeinen 7 zegt ons, hoe we eigenlijk met de Wet, met Mozes getrouwd zijn. De Wet is onze „wettige" man. En als we nu zo maar van een andere man zouden worden, dan waren we - zegt hij - een overspeelster. Die eerste man moet sterven; wij moeten aan die eerste man sterven. Deze jongeling meent nog altijd (en dat zit er heel diep in), dat hij door en met Mozes zal leven. De weg ten leven is voor hem de weg van de werken der wet. En nu drijft Jezus hem op deze weg voort om hem goed te doen weten, dat hem de kracht geheel en al ontbreekt om deze weg (van de wet) ten einde toe te gaan. Om hem te leren, wat Paulus later leerde: ,,ik ben door de wet aan de wet gestorven, opdat ik Gode leven zou."
Deze jongeling had het leven in eigen hand ; hij verstond niets van zijn geestelijke doodstaat voor God; hij verstond er niets van, dat de wet geestelijk is, maar hij zelf vleselijk, verkocht onder de zonde.
Hij wist echt niet, dat hij was ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt (Openb. 3 : 17). Het is in één woord te zeggen, hij miste het ontdekkende licht van de Heilige Geest.
Had hij bij dat ontdekkend licht van 's Heeren Geest zichzelf leren kennen, dan had hij eerlijk beleden : Tegen al die geboden heb ik zwaarlijk gezondigd, niet één ervan gehouden en nog steeds ben ik tot alle boosheid geneigd.
Maar nu antwoordt hij in zijn blindheid: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd aan. Ge kunt er van op aan, dat deze jongeman dat eerlijk meende. Hij begeert ernstig voor God te leven. Niemand kan een natte vinger op hem leggen en maar enig kwaad stuk van hem vertellen. Hoe ver hij ook in eigen leven met zijn gedachten teruggaat, hij is zich niet bewust tegen één van Gods geboden gezondigd te hebben. Hij was als Paulus in zijn eertijds, naar de wet onberispelijk.
Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd aan. En Jezus hem aanziende, beminde hem (Marcus 10 : 21) .
Hier is de hemelse Medicijnmeester, die een liefdevolle blik slaat op zijn patiënt, die nu de allerzwaarste operatie moet ondergaan.
Deze overste weet niet van de verkeerdheid van zijn hart. Omdat hij al de geboden onderhouden heeft en onberispelijk naar de wet leefde, meent hij toch op z'n minst een tamelijk goed mens te zijn. Hij is naar eigen gedachte in elk geval iemand, die het goede wil. Om zo iemand van zijn verkeerdheid te overtuigen, zondaar voor God te maken en te doen verstaan, dat hij niet wil, dat hij zichzelf in de weg staat, daar zijn buitengewoon doortastende middelen voor nodig.
Welnu, zulk een middel wendt de Heere hier aan.
Aan deze ongewone man stelt Hij heel concreet een buitengewone eis.
„En Jezus, hem aanziende, beminde hem en zeide tot hem : Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat gij hebt en geef het de armen, en gij zult een°schat hebben in de hemel en kom herwaarts, neem het kruis op en volg Mij."
Ik stel mij voor, dat deze jongeling bij het horen van dat - één ding ontbreekt u - goedkeurend tot zichzelf gezegd heeft: dat had ik wel gedacht, dat er niet veel meer aan mij ontbreekt, dat ik er bijna ben.
Tóch ontbreekt hem nog één ding; toch is hij er nog niet; toch moet hij nog meer doen.
Wat zal dat zijn? En dan komt dat heel niet verwachte, dat zonderlinge bevel. Alles moet hij gewillig aan de Heere afstaan en met eigen hand onder de armen uitdelen. Dan zal hij een schat in de hemel hebben.
In het Roomse instituut leest men hier een bewijs voor de verdienstelijkheid van de goede werken. Wanneer iemand zulk een geestelijke prestatie weet te leveren - aldus Rome - en in vrijwillige armoede gaat leven, dan heeft hij wel het bewijs geleverd de hemel verdiend te hebben.
Wat een jammerlijke misvatting van het Woord des Heeren is dit.
Men zou er goed aan doen zich te herinneren, wat de apostel Paulus zegt in het bekende 1 Corinthe 13 : „Al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde en ik had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven."
Heus, met al onze schatten, al waren we bij wijze van spreken nog honderd maal zo rijk als de rijke jongeling, kunnen we de zaligheid niet kopen en de hemel niet verdienen.
De Heere bedoelt dan ook helemaal niet deze jongeman te sterken in zijn werkheiligheidsbeginsel en hem in zijn eigen doen de grond van 's mensen zaligheid te doen vinden.
Het gaat hier om wat de wet Gods eist. In die wet ligt opgesloten, dat de mens om 's Heeren wil alles voor zijn naaste moet over hebben. De Heere durft het aan om voor dit geval deze speciale toepassing te maken. Hij is zich bewust, dat Zijn zalige gemeenschap ook het allergrootste offer meer dan waard is. Allernaast is het 's Heeren bedoeling hem aan zichzelf te ontdekken. En verder bedoelt Hij in deze speciale toepassing van de wet deze jongeling los te maken van zijn aardse goederen, te brengen tot het geloof in de Christus Gods en hem te verbinden aan Zijn kruis.
De eis om al zijn bezittingen te verkopen moogt ge dan ook geen ogenblik los denken van het hiermee gepaard gaande bevel : kom herwaarts, neem het kruis op en volg Mij.
De Heere kwam hier met een speciale roeping. Hij kon zich dan niet meer aan de behartiging van zijn aardse en stoffelijke belangen wijden, maar moest komen tot een algehele geloofsovergave aan de Heere en aan de komst van Zijn koninkrijk.
Wij zouden een verkeerde toepassing maken, wanneer we dit verkopen van aardse bezittingen tot de eigenlijke inhoud van Gods gebod en zo tot een algemeen geldende regel wilden maken.
Zo dus, dat we morgen aan de dag tafel, stoelen, bedden, heel ons hebben en houden te gelde zouden maken om dan al dat geld weg te geven.
Dat zou een verkeerde toepassing zijn. Dat vraagt de Heere van ons niet.
Uit de eis Gods aan Abraham : Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izak, en offer hem op een van de bergen, die Ik u zeggen zal, moeten wij niet deze toepassing maken, dat wij vandaag met eigen hand onze kinderen zouden moeten slachten. Daar is geen sprake van.
Evenmin vraagt de Heere van ons al ons aardse bezit van de hand te doen.
De Heere wilde deze jongeling beproeven om hem zo aan zich zelf te ontdekken. Want Jezus wist, wat hij zelf niet wist, namelijk dat hij zo vast zat aan zijn geld, vaster aan het vergankelijke dan aan de eeuwige dingen.
Het is zeer wel mogelijk, dat deze jonge man lang niet gierig was, dat hij best wat missen kon. Maar alles missen, alles afstaan terwille van het Koninkrijk Gods, dát is nog wat anders.
Misschien zegt u bij zichzelf: gesteld eens, dat deze jongeling dit nu werkelijk gedaan had, al zijn bezit verkocht en weggegeven, wat dan? Wel, dan had hij bij Jezus terug moeten komen om Hem te volgen.
En dan had hij ook heel zeker ('s Heeren Woord is altijd zeker en betrouwbaar), dan had hij ook heel zeker een schat in de hemel.
Dan was er aan deze jongeling een wonder geschied door de Heilige Geest, een wonder van genade. En dan had hij ook verstaan en erkend, dat zijn schat in de hemel niet door zijn werk verdiend was, maar uit louter genade zijn deel geworden.
Kom herwaarts, neem het kruis op en volg Mij, zegt de Heere.
Maar daar is deze jongeling in de verste verte niet aan toe. Hij denkt er niet aan. Dat was heel zijn bedoeling niet om blijvend aan de profeet uit Nazareth verbonden te zijn.
En dan dat woord : neem het kruis op! Het kruis, daar is hij in eigen oog veel te goed voor. Het kruis, dat is welverstaan voor zeer slechte mensen. Dat is voor misdadigers van het ergste soort, die tot die strafdood veroordeeld zijn. Zij moesten het kruis opnemen en zo hun vonnis aanvaarden, zo erkennen de dood en niet anders dan de dood verdiend te hebben.
Dat zou deze jongeman moeten doen. Hij zou moeten erkennen: ik heb de dood verdiend. Ach, hij wilde het juist zo ver brengen, dat hij met recht en reden zou kunnen zeggen : ik heb het leven, het eeuwig leven verdiend.
„Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig, want hij was zeer rijk." Het was zo'n keurig en wellevend mens, dat hij niet kwaad en nijdig werd.
II. Zijn bedroefd heengaan van Jezus.
Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg, want hij had vele goederen, zo vertelt ons Mattheiís. Bedroefd en teleurgesteld! Hoe graag had hij uit Jezus' mond gehoord, dat hij het eeuwige leven zou beërven. En nu gaat. hij niet heen met de gedachte : „Dan geef ik het eeuwige leven liever prijs." Ge kunt er van op aan, hij blijft streven in eigen werken naar het eeuwige leven. Hij gaat heen met de gedachte, dat het, zoals Jezus zegt, niet nodig is. M.a.w. hij gelooft Hem niet, die de Waarheid is.
Zonder al het zijne prijs te geven, zijn schatten, zijn rijkdom, kon hij toch wel de wet volbrengen? Dat „alles verkopen en Jezus volgen", hij kon het met geen mogelijkheid in de wet Gods vinden.
Deze jongeling had zich in zichzelf vergist. Want hij dacht van zichzelf, dat hij de hoogste prijs voor zijn zaligheid over had.
En wat bleek? Toen het er werkelijk op aan kwam, had hij in de grond der zaak de wereld liever dan God. Hij had zijn aardse schatten liever dan zijn eigen zaligheid.
Zeker, hij wilde graag zalig worden, maar met behoud van zijn rijkdom. Hij wilde graag het eeuwige leven beërven, maar met behoud van zichzelf.
Men heeft wel gevraagd, of deze jongeling later nog winst heeft gedaan met de harde, maar heilzame les, die de Heere hem gaf.
Zou hij later nog tot inkeer gekomen zijn ? Zou dit onderwijs des Heeren nog vrucht gedragen hebben? Is al zijn eigen gerechtigheid hem geworden tot een wegwerpelijk kleed?
Is hij later nog teruggekeerd met een nieuwe vraag ? Nu niet meer: Wat moet ik doen ?
Maar met de bede van de tollenaar : 0 God, wees mij zondaar genadig?
Met de erkentenis : Alles, alles ontbreekt mij ?
En met de belijdenis: Tegen al Uw geboden heb ik zwaarlijk gezondigd.?
De Schrift zegt ons daar niets van, Wij weten het dus niet.
Maar waar blijft door alle eeuwen heen, wat wij nu samen zingen uit de Lofzang van Maria, de verzen 5 en 6:
Die stout zijn op hun macht,
Heeft Hij versmaad, veracht,
Gestoten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt
Het nederig gemoed,
Waarin Zijn Geest wil wonen.
Hij heeft, na lang geduid,
Met goederen vervuld
Der hongerigen monden;
Hij zag geen rijken aan;
Maar heeft z' in hunnen waan,
Gans ledig weggezonden.
De Heere zelf maakt voor ons op deze geschiedenis de toepassing. En in die toepassing geeft Hij ons allereerst een ernstige waarschuwing.
Voor ieder, die deze waarschuwing ter harte neemt, heeft Hij óók een liefelijke en een rijke vertroosting, namelijk de troost van het Evangelie.
Allereerst een ernstige waarschuwing: Jezus nu ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen zij, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan. Want het is lichter, dat een kemel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat.
Rijkdom is een gevaarlijk ding. Rijkdom is een groot en zwaar struikelblok op de weg naar het eeuwig Koninkrijk. Door een zeer kernachtige en beeldrijke wijze van spreken brengt de Heere dat hier tot uitdrukking.
Een kameel kan nog eerder door het oog van een naald dan een rijke kan ingaan in het Koninkrijk Gods. Men heeft deze sterke uitdrukking trachten te verzwakken door bij het oog van een naald te denken aan een heel klein stadspoortje, waar een kameel maar net precies doorheen kan. Dat moeten we niet doen. Het oog van een gewone naald heeft een zo kleine opening, dat er nooit een kameel door kan. Dat is een volstrekte onmogelijkheid. Nog méér onmogelijk is het, dat een rijke ingaat in het koninkrijk der hemelen.
Zeg nu niet bij u zelf: Dan geldt deze waarschuwing niet voor mij, want ik ben niet rijk. Ik heb zorg en moeite genoeg om in een dure tijd aan mijn verplichtingen te voldoen en van enige kapitaalvorming zal in mijn leven wel nooit sprake zijn.
Het is waar, dat van de Christelijke gemeente in het algemeen kan gezegd worden : Het zijn niet vele rijken. Dat waren de discipelen ook niet. En toch hebben zij zich deze waarschuwing persoonlijk wel aangetrokken.
Ach, wij allen zijn van nature rijk en verrijkt en hebben geen ding gebrek en wij weten niet, dat wij zijn ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. De een is al rijk met zijn bondeling zijn en een ander is zelfs rijk met zijn armoede.
Saulus van Tarsen was rijk in zijn ijver voor God. Zacheus, de overste van de tollenaren, was rijk in geld en goed. Maar beide werden door de Heere arm gemaakt. Het is een voorrecht, een weldaad, het is een wonder van genade, als een rijk mens door de Heere arm gemaakt wordt. Zo arm, dat hij niets meer heeft dan zonde en schuld.
Vraagt ge bij uzelf: Is dat een voorrecht? Inderdaad, want alleen een arm mens kan zalig worden.
Bij een onwedergeboren mens, hoe ernstig van aard hij mag zijn, hoe rijk in deugd hij mag wezen, wint de liefde tot het aardse het steeds van de begeerte naar het eeuwige leven.
's Heeren discipelen hebben bij het horen van deze woorden terecht verstaan, dat deze waarschuwing werkelijk niet alleen de rijke jongeling gold, al waren zij niet zo rijk als hij.
Zij waren diep verslagen en vroegen: Wie kan dan zalig worden ?
Heere, als deze jongeling er niet komt, wie komt er dan wel ?
Niemand kan in het Koninkrijk ingaan, die niet eerst door genade is arm geworden en alles verloren heeft, wat hem tot dusverre tot een betrouwen was.
God heeft geen lust aan 's mensen krachten,
Aan hen, die daaruit heil verwachten.
Aan die vertrouwen op hun benen,
Wil Hij geen gunst of hulp verlenen.
Wat had de apostel Paulus veel om in het vlees te betrouwen. Hij stalt zijn rijkdom, zijn geestelijke schatten voor de Filippenzen uit, als hij van zichzelf zegt : „Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een farizeër, naar de ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk."
Al die dingen waren een plus voor hem en rekende hij in zijn eertijds als winst. Zo rijk was hij. Maar gelukkig verloor hij in dat alles de grond van zijn zaligheid. Hoort maar wat hij verder zegt: „Maar wat mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heere; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen."
Zijn wij nog rijk? Ik bedoel nu niet maar in geld en goed, maar rijk zoals Paulus in zijn eertijds ? Ik denk aan zovele rijke verbondskinderen, maar die in de weg van het genadeverbond nog nooit arme zondaar voor God werden. Aan hen, die al lang gered en behouden zijn, maar die nooit leerden: 'k Schatte mij geheel verloren.
Rijk en verrijkt en ze weten niet, hoe dood-arm ze zijn.
Wat een ernstige waarschuwing ligt er voor u in deze geschiedenis
Acht u niet behouden, als ge niet verstaat: Wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns, die in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij vannieuws geboren worden.
In een tijd als de onze mag hierop wel een zwaar accent vallen. Vandaag aan de dag zijn er heel wat mensen zo ingenomen met hun eigen godsdienst, dat ze aan de vraag van de rijke jongeling: „Wat ontbreekt mij nog?" niet eens toekomen. Velen zullen menen in te gaan en zullen niet kunnen, want eerder gaat een kameel door het oog van een naald dan dat een rijke in gaat in het Koninkrijk der hemelen.
Neemt ge dit ernstig vermaan van Jezus ter harte, dan is er ook in uw hart plaats voor lief elke en rijke vertroosting, plaats voor de troost van het Evangelie.
Christus brengt de troost van het Evangelie niet voor de tijd. Hij maakt in het hart plaats voor zijn vertroosting.
Bij het horen van 's Heeren woord werd zalig worden voor Zijn jongeren een onmogelijke zaak. In grote verslagenheid vragen zij Wie kan dan zalig worden?
Als ik mijzelf door ontdekkende genade leer kennen als één, die tegen al Gods geboden zwaarlijk zondigde, niet één van die geboden hield en een hart in mijn binnenste omdraag, dat nog steeds tot alle boosheid geneigd is, zie, dan wordt zalig worden van mijn kant hoe langer hoe onmogelijker.
Voor de wereld een onberispelijk mens, geacht en geëerd, maar voor de Heere arm, geen penning om mijn zondeschuld te betalen, verwerpelijk en verdoemelijk.
Waren er onder ons maar velen, die zo zichzelf leerden kennen. Want dan is er plaats voor de troost van. het Evangelie, dat Jezus zelf doet horen in het woord: „Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk."
Bij de mensen is dat onmogelijk, d.w.z. geen mens - ook de „allerbeste" niet - kan door eigen kracht zalig worden. Zalig worden ligt geheel en al buiten 's mensen macht en natuur. Alle menselijke kwaliteiten en geschiktheden komen hier ook niet voor het allerminst in aanmerking.
Maar bij God zijn alle dingen mogelijk! Zelfs uw en mijn zaligheid! Er is een gebied, waarop het volstrekt onmogelijke niet alleen mogelijk, maar straks ook zalige werkelijkheid is.
Dat is het gebied van Gods genade, van vrije genade.
De rijke jongeling wilde er komen door eigen werk. Wat moet ik doen!
Maar de Heere wijst ons af van alle mensenwerk en wijst ons heen. naar Gods werk, opdat het verslagen hart dáár en daar alléén zijn toevlucht zoeke.
Bij God zijn alle dingen mogelijk; dat wil wat nader uitgewerkt zeggen : De Heere is machtig (en gewillig) u een nieuw hart te geven en een nieuwe geest in het binnenste van u.
Dan beroemt een wijze zich niet meer in zijn wijsheid om daarop te betrouwen. Dan beroemt zich een sterke niet meer op zijn kracht. Eigen krachten te verachten wordt op Jezus' school geleerd. Dan beroemt zich de rijke jongeling niet meer in zijn rijkdom door te zeggen: Al deze dingen heb ik altijd onderhouden. Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en MIJ kent, dat ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde ; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere (Jet. 9 : 23, 24).
Zulk een mens met een nieuw hart is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.
Zulk een mens met een nieuw hart heeft God liever dan al de schatten dezer wereld.
Wien heb ik nevens U in de hemel?
Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Hij zal bij de ervaring van eigen onmacht zichzelf des doods schuldig verklaren. Hij leert met toepassing cp zichzelf steeds meer en al dieper verstaan : Bij de mensen is dat onmogelijk.
Maar door datzelfde (door Gods Geest gewerkte) geloof krijgt hij ook ervaring van de waarheid, van de troost: Bij God zijn alle dingen mogelijk.
Want in het bloed van Jezus Christus rechtvaardigt God de goddeloze om niet. En in de gemeenschap van de Geest van Christus wordt zulk een goddeloze geheiligd, bekwaamd tot het Koninkrijk.
Twee polen, twee uitersten: menselijke onmacht, totaal en radicaal, maar daartegenover Goddelijke almacht, Goddelijke vrijmacht.
Dat laatste wordt hun enige toevlucht en het geheim van hun„ leven.
Dan is er niet een bedroefd heengaan van Jezus als bij deze jongeling. Neen, zij neigen het oor en horen: Blijft in Mij en Ik in u.
Zij blijven bij Hem. Tot wien zouden ze anders heengaan?
Zij blijven ook in Hem. Ik geloof de volharding der heiligen.
Blijft in Mij en Ik in u, want zonder Mij kunt gij niets doen.
Mijne genade is u genoeg en Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht, zegt de Heere. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus wil, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
Laat m' in U blijven, groeien, bloeien, O Heiland, die de Wijnstok zijt. Uw kracht moet in mij overvloeien, Of 'k ben een wis verderf gewijd. Doorstroom, beziel en ziel mij,
Opdat ik waarlijk vruchtbaar zij.
Amen.
Psalm 119 : 3.
Oktober 1954