Om niet gerechtvaardigd.
Predikatie door Ds. W. HEERMA.
Ps. 40 : 5
Lezen: Rom. 3 : 19~31
Ps. 65 : 2
Ps. 130: 2 en 4
Ps. 85 : 4
Ps. 103 : 2
Het Woord Gods, dat we samen mogen overdenken, leest ge in Rom. 3 : 23 en 24:
Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerljkheid Gods;
en worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Geliefde Gemeente,
In dit bekende woord geeft de apostel Paulus een saamvatting van wat hij te voren geleerd heeft. Hij heeft gesproken over de rechtvaardigmaking des zondaars voor God. Een hoogst belangrijk onderwerp!
Deze leer echter van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God door het geloof alleen, spreekt het tegenwoordige, het nu levende geslacht maar bitter weinig toe.
Men kent en men verstaat deze leer niet meer, die toch de hartklop is van het Evangelie van vrije genade.
In de religieuze kringen van de wereld is deze leer al lang „als een verouderd standpunt" radicaal opzij geschoven. Maar ook in die Kerken, die de belijdenis van vrije genade willen vasthouden, heeft deze leer niet meer die plaats, waarop ze recht heeft. Zij leeft niet meer zo als in vroeger dagen in de harten van Gods kinderen.
Hoe is het schone goud zo verdonkerd ? Hoe zijn de kinderen Gods de aarden flessen gelijk geworden ? Hoe is deze achteruitgang, deze inzinking in het leven der Christelijke Kerk te verklaren ?
Wij leven in een tijd, waarin men van Gods onkreukbare gerechtigheid niet meer horen en weten wil. Men durft het zelfs wel aan om Christen te willen heten en toch de strafvorderende gerechtigheid Gods brutaal te lochenen. De geest der wetteloosheid laat zich in de wereld van heden krachtig gelden. Men wil niet meer horen van een wet, die van Gods wege de mens gesteld is. In het moderne leven is geen plaats meer voor de handhaving van het Goddelijk recht. De mensheid brengt het steeds verder in de practische beleving van haar geloof in de paradijsleugen: Gij zult als God zijn, kennende (dat wil zeggen: zelf uitmakende) het goed en het kwaad. De mens wil autonoom zijn; hij wil zelf uitmaken, wat hij doen en wat hij laten zal. In de wortel der zaak is het zo, dat hij geen God boven zich duldt, die, omdat HIJ alleen GOD is, het recht heeft aan de mens de wet te stellen. De mens zal zichzelf wel de wet stellen. In zulk een wereld leven we. En deze geest der wereld laat zich ongemerkt ook onder het kerkvolk gelden. Ge merkt het in heel de menselijke samenleving, dat er overal en steeds meer komt een losmaken van de banden der Goddelijke wet.
Vandaar dat er zo weinig gehoord wordt: Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God ? Daar komt de mens niet aan toe, omdat hij in de practijk niet erkent, dat er een Wet Gods is, waaraan hij beantwoorden moet. Het besef van recht en wet, van schuld en straf is opeen ontzettende wijze ondermijnd. Ook in de vraag naar de verhouding tussen God en mens wordt in veler voorstelling de gerechtigheid. Gods of geheel' en al ontkend, of zo naar de achtergrond geschoven, dat er van schuldbewustzijn schier geen sprake meer is. Zo is er voor het Evangelie van Christus als een blijde boodschap haast geen plaats meer. Maar zegt wellicht iemand, als de Heilige Geest een zondaar aan zichzelf ontdekt, hem zondaar maakt, dan zal zulk een mens toch wel geheel zich schuldig kennen en geen last hebben van die wereldse geest der wetteloosheid. Toch blijkt in de practijk, dat velen, die aanvankelijk getrokken zijn tot de Heere en Zijn dienst, als het ware over dit stuk der rechtvaardiging willen heenglijden. De vraag: Hoe word ik rechtvaardig voor God ? is voor maar al te velen, die toch Christen willen heten, geen levensvraag meer.
Het is voor Gods gemeente dan ook nodig als brood, dat aan haar Gods Wet, Zijn Goddelijke gerechtigheid verkondigd wordt. Niet maar de vloek der Wet zonder meer, maar de liefde-eisen der Goddelijke gerechtigheid, opdat wij onze zonde in haar strafwaardigheid leren kennen en bekennen.
Zo maakt Gods Geest plaats in het hart voor de rechtvaardiging uit het geloof.
In het Woord Gods, dat in dit uur uw oor en hart vraagt, worden we onderwezen in
DE RECHTVAARDIGING DES ZONDAARS VOOR GOD,
om dan na te gaan, hoe deze rechtvaardiging
1. niet uit de mens is (want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods) ;
2. een weldaad Gods is uit vrije genade (en worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijne genade)
3, gegrond is in Christus Jezus (door de verlossing, die in Christus Jezus is).
Psalm 130 : 2 en 4.
I. De rechtvaardiging des zondaars voor God is niet uit de mens.
Dat blijkt al dadelijk, als de apostel hier zegt: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Denken we het ons toch goed in, dat de Heere G 0 D is; HIJ en niemand meer. En behalve Hem is er geen God. Hij is de Schepper van hemel en aarde, van al wat leeft en adem heeft. Hij heeft ook de mens geschapen. En wel naar Zijn beeld en gelijkenis. Dat wil onder meer zeggen, Hij schiep die mens in een bepaalde rechtsverhouding tot Hem, in een bepaalde staat.
Wij noemen die staat de staat der rechtheid.
God heeft recht op de mens. Hij stelt hem de wet voor heel zijn leven. Hij mag dat doen, Hij mag die mens voor Zich opeisen en van Hem vragen, dat de mens God, zijn Schepper zal liefhebben met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel en met al zijn krachten, omdat Hij GOD is. Dat is het recht Gods.
En nu hield die staat der rechtheid dit in, dat er een volkomen overeenstemming was tussen de natuur van de mens en de wet Gods, die in 's mensen hart was ingeschreven. Naar heel zijn bestaan, naar hoofd, hart en hand, was de mens, zoals God het wilde, namelijk goed. Hij was rechtvaardig voor God. Door zich aan zijn God te houden zou de mens het eeuwige leven verkrijgen, de eeuwige, de onverliesbare zaligheid.
Maar helaas, de mens is door moedwillige ongehoorzaamheid van zijn God afgevallen. Hij is uit de staat der rechtheid gevallen in een staat van schuld, van doemschuld. Zelf heeft hij de zalige band, die hem bond aan Zijn Schepper, doorgesneden.
Nu heeft de mens geen uitzicht meer op de eeuwige zaligheid, maar nu ligt hij onder het oordeel der eeuwige rampzaligheid.
Nu wil hij zich door God niet meer laten gezeggen. Nu zal hij zelf wel uitmaken, wat goed en wat kwaad is, wat hij doen en wat hij laten zal.
Nu is in zijn hart niet meer de wet zijns Gods, maar de wet der zonde en des doods. Hij is geworden een hater van God. Hij is wat de Schrift noemt, dood door de misdaden en de zonden. Vervreemd van God is zijn toestand werkelijk buiten hope. Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood en de dood is tot alle mensen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben, Rom. 5 : 12.
En nu is het niet de vraag, hoe wij als mensen over elkaar en over onszelf denken, maar de grote, de beslissende vraag is, hoe God over ons denkt.
Heus, het zal niemand helpen, of mensen van ons „het goede" denken, als God er anders over denkt. Evenmin zal het ons ook maar in het allerminst baten, of wij zelf heel in gemoede een nog al goede dunk van ons zelf hebben. En toch zitten heel wat mensen hier op vast. Al stellen zij het zeer op prijs, dat anderen' een goede gedachte van hen hebben, toch hechten ze veel meer waarde aan eigen oordeel over zichzelf, vooral als het gaat over hun verhouding tot de Heere en Zijn dienst.
Als zij zelf maar denken, dat hun verhouding tot God in orde is, omdat zij bondelingen zijn, of omdat zij graag een beslist goede preek horen, of omdat zij het nog al zwaar opnemen, zoals dat heet, dan menen ze in gemoede, dat dit oordeel over zichzelf stand zal houden. Zo is de mens geneigd om zichzelf rechtvaardig te verklaren. Aan dat gevaar staan we allen in meer of in minder mate bloot.
Zeker, ik weet wel, dat velen van ons er niet aan denken om op grond van wat uiterlijke vroomheid zichzelf te rechtvaardigen, omdat zij wel weten, dat God naar waarheid in het binnenste vraagt.
En toch zijn ook zij aan dit kwaad niet gestorven. Zij zoeken naar blijken van echte godsvrucht om op grond daarvan zichzelf voor een kind van God te houden en zichzelf de vergeving der zonden toe te kennen.
Wij zijn er zo blind voor (verstrikt als we zijn in de paradijsleugen), dat alleen aan God het oordeel toekomt en dat wij zelf hierin helemaal niets te zeggen hebben. Dat moeten we goed en grondig leren. Alle menselijk oordeel, ook het oordeel waarmee een mens oordeelt over zichzelf, is wankel en feilbaar en daarom onbetrouwbaar. Alleen het oordeel Gods houdt stand. God is rechter, die 't beslist.
En die God zegt nu: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Daarmee worden we onder het oordeel gelegd.
Hij denkt niet zo mooi over de mens. Hij zegt niet veel goeds van ons.
Zowel voor als na de zondvloed, zie Gen. 6 : 5 en Gen. 8 : 21, is het gedichtsel van 's mensen hart boos van zijn jeugd aan. En als Jezus zelf betuigt, dat uit het mensenhart boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen en lasteringen voortkomen, behoeven wij werkelijk niet te denken, dat ons hart op die regel een gunstige uitzondering vormt. Beslist niet. In uw en mijn hart gloort van nature ook niet het kleinste vonkje van waarachtige liefde tot God. Integendeel, daar smeult of brandt het vuur van bittere haat en dodelijke vijandschap tegen God. Zo en niet anders staat het met de van God vervreemde mens.
Geestelijk dood, d.w.z, hij is onmachtig en onwillig om ooit tot God terug te keren. Hier in Rom. 3 wordt van ons gezegd: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn ze onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe. Zij hebben allen gezondigd.
Er is niet minder dan Goddelijke almacht en genade voor nodig om die vijandschap te breken, om die onmacht op te heffen en de mens, die niet wil, gewillig te maken.
Gevolg van het : zij hebben allen gezondigd, is dan ook: zij derven de heerlijkheid Gods. 0, dat we toch, ieder voor zichzelf, bedenken hoe erg en ernstig dit alles is.
God doet ons als een gerechte straf op de zonde Zijn heerlijkheid derven. Wij staan niet meer in de staat der rechtheid, maar in een staat van schuld. De gehele wereld is verdoemelijk voor God. God zou de gevallen mens geen onrecht gedaan hebben, als niemand had kunnen zalig worden.
Dat derven van Gods heerlijkheid houdt ook in het missen van Gods zalige gemeenschap, het missen van Zijn rijke gunst. Van nature zijn allen kinderen der toorns. Wij derven, wij missen van nature het heerlijke licht van Gods liefde en liggen daar als voorwerpen van Zijn toorn.
Ik kan me voorstellen, dat ge u de betekenis hiervan niet kunt indenken.
Want hier leven we nog onder de lankmoedigheid en verdraagzaamheid Gods. Maar straks in de buitenste duisternis, in de eeuwige rampzaligheid zullen allen, die alleen maar zichzelf rechtvaardigden en niet door God gerechtvaardigd werden, het zich niet alleen kunnen. indenken; o neen, veel erger, zij zullen ten volle ervaren, wat het is de heerlijkheid Gods te derven. Dat is de eeuwige dood. En dat is naar het recht Gods.
Deze dingen worden niet maar gezegd zonder meer, maar wat de Heere van ons zegt, wil ook door het geloof aanvaard zijn.
Het Woord Gods begint ons niet te zeggen, dat we in en door Christus gered en behouden zijn en. dat we dat nu maar moeten geloven. Neen, de Heere begint ons juist te leren, dat we in Adam verloren zijn.
Het ware geloof begint niet met het: „ik ben verkoren", maar „ik ben verloren."
Helaas beginnen vele belijders met gered en behouden te zijn. Zij willen zich wel laten vrijspreken. Maar zij willen zich niet laten veroordelen.
De vraag, of zij reeds zondaar voor God geworden zijn, ligt hun zo niet. O neen, zij spreken dat niet tegen, want we zijn immers allen zondaren. Maar de vraag, of zij door ontdekkende genade hun doemschuld voor God hebben leren kennen, bevalt hun niet. En de vraag, of zij dat oordeel Gods, dat vonnis hebben leren billijken, doet hen wat onaangenaam aan. Zo zwaar en zo diep hoeft het niet. Zij zijn toch kinderen des verbonds. De belofte is toch aan hun voorhoofd betekend en verzegeld? Zij hebben toch een recht om te geloven?
Het maakt hen, enigszins wrevelig, als ze er aan herinnerd worden, dat een ieder, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der Wet om dat te doen, vervloekt is. Velen achten het min of meer ziekelijk, als op deze dingen in de prediking nadruk gelegd wordt.
En toch behoort het juist tot het ware geloof en tot de echte beleving van het verbond, dat ik van heler harte leer erkennen, dat ik een gevloekte ben door Gods heilige wet, een gebannene uit Gods gemeenschap, een ter dood veroordeelde voor de vierschaar Gods.
Het ware geloof komt openbaar in de erkenning van het recht Gods om de mens te oordelen. Het echte geloof legt alle schepsel, het zwijgen op om te horen naar God en te aanvaarden wat Hij zegt. Gods Woord, dat is „niet alleen het Evangelie, maar Wet èn Evangelie.
In de Wet gaat het om de erkenning van de souvereiniteit Gods. Om de vraag, of God waarlijk God is, die het alleen-recht heeft om te spreken, om te oordelen. Uit de mond Gods gaat over u en mij een veroordelend vonnis uit. En dat vonnis moet ik door het ge- loof leren aanvaarden.
Ik moet met David leren:
Ik ben o Heer, Uw gramschap dubbel waardig;
'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog ;
Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Wie zich niet onvoorwaardelijk aan het oordeel Gods leert onderwerpen, wie niet door God geoordeeld wil worden, die kan ook niet door God vrijgesproken worden. Ik moet mij door God laten veroordelen om door God te kunnen worden vrijgesproken.
Als ik gered en behouden ben zonder m'n verloren-zijn te kennen, als ik al vrijgesproken, gerechtvaardigd ben zonder ooit met toepassing op mijzelf te horen naar het oordeel der Wet: „Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der Wet om dat te doen", dan maak ik mezelf maar wat wijs, dan heb ik mezelf vrijgesproken.
Maar als ik het vonnis van God heb leren billijken, mij onder Zijn veroordeling heb leren buigen, m.a.w. als ik mijzelf schuldig voor God heb leren kennen, en met insluiting van mezelf heb leren verstaan: „Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods", dan wil ik ook van heler harte erkennen, dat de rechtvaardiging des zondaars voor God niet uit de mens is.
Leef niet over deze dingen heen. Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere, uw God, hebt overtreden. Bedenk het, dat het reeds een weldaad is u als een goddeloze te leren kennen, want God rechtvaardigt alleen goddelozen. En als gij dat (nog) niet zijt, zijt ge en wordt ge niet door Hem gerechtvaardigd.
II. De rechtvaardiging des zondaars voor God is een weldaad Gods uit vrije genade.
Daarom getuigt de Heilige Geest: „En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade."
Rechtvaardigen of rechtvaardigmaking, wat is dat eigenlijk? Is dat, zoals de Roomse Kerk leert, een instorten van rechtvaardigheid in de mens ? Geen sprake van. Rechtvaardigmaking of rechtvaardiging betekent niet en niets anders dan rechtvaardig verklaren integenstelling met iemand veroordelen of verdoemen. Zo lezen we in Spreuken 17 : 15 : ,.Wie de goddeloze rechtvaardigt en de rechtvaardige verdoemt, zijn de Heere een gruwel, ja die beiden." De rechtvaardige verdoemen betekent niet hem goddeloos maken, maar hem die onschuldig is, toch veroordelen. En de goddeloze rechtvaardigen betekent niet die goddeloze innerlijk veranderen, rechtvaardigheid in zijn hart instorten, maar hem die schuldig is, toch vrijspreken.
De goddeloze rechtvaardigen en de rechtvaardige verdoemen is gruwelijk in het oog van een heilig en rechtvaardig God, want daardoor wordt het recht schrikkelijk geschonden.
Maar hoe kan God dan de zondaar rechtvaardigen, hem rechtvaardig verklaren ? Hoe kan God de schuldige zo behandelen, alsof hij nooit enige zonde had gehad en gedaan, ja, alsof die zondaar alles volbracht had, wat God in Zijn Wet van de mens eist? Hoe kan God de schuldige vrij doen uitgaan als onschuldig? Dat bestaat toch niet? Zulk doen is toch een gruwel in Gods oog? Dat zou toch een krenken zijn van Zijn gerechtigheid? Een schenden van Zijn eigen deugden?
En toch rechtvaardigt God de goddeloze. Hij verklaart hem rechtvaardig, spreekt hem vrij van alle schuld en van alle straf. Dat is maar niet een besluit van God, maar een verklaring van God. En van die verklaring geeft Hij kennis in Zijn Woord, in het heilig Evangelie. Dat Woord Gods is niet ijdel. Dat Woord is meer dan een woord, een klank. Het is een kracht Gods tot zaligheid. Het is een levenwekkend Woord, waardoor God in het dode zondaarshart dat geloof werkt, dat God in Zijn Woord hoort spreken en dat zich aan dat Woord van harte onderwerpt.
De rechtvaardiging is een rechterlijke verklaring van God, waardoor Hij om niet uit Zijne genade de goddeloze vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven.
En dit is het wonderlijke, het heerlijke: Gods deugden, met name Zijn gerechtigheid, worden hierbij niet gekrenkt, maar ten hoogste verheerlijkt.
Dit is een weldaad Gods uit vrije genade. Zij worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.
Denk het u in, dat deze rechtvaardiging niet was om niet. Dat zij niet geschiedde uit Zone genade. Met andere woorden, de zondaar zelf zou iets moeten hebben, iets moeten bijbrengen, op grond waarvan God hem zou vrijspreken. Dan zou niemand ontkomen aan de wrekende gerechtigheid Gods. Dan zou het oordeel der eeuwige verdoemenis ons allen zonder éne uitzondering treffen. Daarom bad de psalmist:
Wil Uwen knecht door schuld verslagen,
O Heer, niet voor Uw vierschaar dagen;
Want niemand zal in dat gericht,
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.
Zal een zondaar zalig worden, dan zal het om niet moeten zijn, uit Zijne genade, uit louter genade, zonder enige verdienste van s mensen kant.
Meen toch niet, dat gij van uw kant ook maar iets, wat dan ook, kunt bijbrengen, dat tot uw rechtvaardiging kan dienen. Uit uzelf komt ge niet tot echt berouw, tot hartelijk schuldgevoel. En gesteld eens (wat volstrekt onmogelijk is), ge zoudt uit uzelf het zover weten te brengen, dat ge u zelf bracht tot hartelijke verootmoediging voor God, ja zelfs tot enige liefde tot God, om zo u zelf met God te verzoenen, dan nog viel er voor u niets te hopen.
Want God vraagt in Zijn Wet van de zondaar geen berouw, geen boete, geen bekering, maar voldoening. Volkomen betaling aan Zijn gerechtigheid.
Uit ons zelf kunnen we dat op geen enkele manier. Ook niet door boete enz. Trouwens, daar is nog nooit één zondaar uit zichzelf tot waar berouw gekomen. De zonde brengt de mens niet tot God, maar voert hem steeds verder van God af ; zij verbreekt zijn hart niet, maar verhardt het.
God bewijst genade, vrije genade, louter genade. Hij doet het niet om iets van ons, maar om, niet.
En als God genade bewijst, dan behoeft niemand te denken, dat het recht bij God niet veilig is. Als Hij de goddeloze rechtvaardigt uit Zijne genade, dan verkracht God zijn eigen recht niet.
Daarom verklaart de apostel, dat God dit doet door de verlossing, die in Christus Jezus is. En hij verduidelijkt dit nog door in vers 25 te zeggen, dat God Hem tot een verzoening heeft voorgesteld door het geloof in Zijn bloed tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid.
Daarop komen we bij de laatste gedachte nog wel terug.
Bij ons in onze Westerse rechtsbedeling kan een rechter geen genade bewijzen. Het recht van gratie, van genade komt hem niet toe.
In het Oosten was dat anders. De rechterlijke macht was in handen van de vorst en die mocht iemand begenadigen.
God is de allerhoogste Rechter, maar tegelijk de allerhoogste Koning, die het recht heeft om genade te bewijzen.
Maar nogmaals, als God nu de goddeloze vrijspreekt, hem aanneemt als Zijn kind, doet God dan geen onrecht ? Het recht moet toch zijn loop hebben ? God breekt Zijn eigen wet toch niet ? God is toch die God, die de schuldige geenszins onschuldig houdt. Inderdaad!
Daarom kan God - met eerbied zij het gezegd en bedacht - nooit rechtvaardigen, nooit u uw zonde vergeven buiten de Heere Jezus om.
De rechtvaardiging van goddelozen vindt zijn rechtsgrond. in Christus Jezus. Hij is de grond, de enige en de volkomen betrouwbare grond, waarop God de zondaar vrijspreekt en aanneemt. Maar Christus is niet de bron.
Mag ik het eens zo zeggen, God is genadig en groot van goedertierenheid, niet omdat er een Middelaar, een Christus is. Maar precies omgekeerd, er is een Middelaar, Christus Jezus, juist omdat God zo onuitsprekelijk groot van genade is. Geheel onschriftuurlijk' is dan ook de gedachte, dat God eigenlijk niet van genade zou willen weten, maar enkel van Zijn strenge rechtvaardigheid, en dat de rechtvaardige God nu door de Middelaar Jezus Christus bewogen zou zijn tot genadebetoon. Zo is het zeer beslist niet. In Zichzelf was de levende God bewogen tot genade. En om Zijn uitverkoren volk te kunnen rechtvaardigen zonder Zijn gerechtigheid te krenken, heeft Hij Zijn eigen Zoon overgegeven tot een slachtoffer voor de zonde. Gods genade komt dus niet op uit de Middelaar, maar de Middelaar komt op uit Gods genade.
Laat dat toch klaar en duidelijk u voor ogen staan. De rechtvaardiging des zondaars voor God is een vrije genadeweldaad Gods, die in de Middelaar wel zijn grond vindt, maar de bron van dit heil ligt in God zelf.
Daarom zegt de apostel: „en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade."
Met eerbied gezegd, de gedachte om voor een verloren en verdorven volk een weg des heils en der zaligheid te ontsluiten, is niet opgekomen in de Middelaar, maar in God zelf. Om redenen uit zichzelf had God eeuwige vredesgedachten over een schuldig volk, dat niet anders dan de eeuwige dood verdiend had.
Die Hij tevoren gekend en tevoren verordineerd heeft als vaten van Zijn barmhartigheid, deze heeft Hij ook geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt.
Gerechtvaardigd om niet uit Zijne genade. In deze waarheid wordt Gods Naam op het 't hoogst geprezen en wordt alle roem en eer van het schepsel afgesneden. Hier is het : Door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.
Johannes de Doper wees zijn discipelen op Jezus met het woord: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Het Lam Gods, dat is het Lam, dat God zichzelf ten brandoffer heeft voorzien. Dit Lam is door God gegeven, aan God opgeofferd en van Hem aanvaard.
Elk schuldverslagen hart; dat oog krijgt voor het Lam Gods, zal erkennen dat genade genade is. Dat het is „om niet." Hier roemt de barmhartigheid tegen het oordeel, dat wij ons waardig gemaakt hebben. Het oordeel der eeuwige verwerping.
God rechtvaardigt de goddeloze. Deze genadeweldaad is niet uit de mens, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.
Zij komt voort uit de altijd vloeiende bron van Gods genade. Hij dacht gedachten des vredes en niet des kwaads. En daarom zal in de zalen van het hemelse Jeruzalem, in de eeuwige tempel uit hart en mond van de schare, die niemand tellen kan dan God alleen, tot Zijn eeuwige glorie weerklinken : „Gerechtvaardigd om niet, uit Zijne genade."
Wat een vastheid ! Wat een troostgrond voor een ieder, die door genade genade leert nodig krijgen. Nu behoeft ge uw steun en uw troost niet te zoeken in uzelf. Daar zult ge het immers ook nooit vinden. Uw zondig bestaan biedt niet de allerminste troost. Nu behoeft ge het anker uwer hoop zelfs niet uit te werpen in uw eigen geloofsleven. Maar ge moogt de rust uwer ziel zoeken en vinden in het welbehagen Gods.
Ook Gods Kerk onder het Oude Testament heeft zich reeds in dit heil mogen verheugen. In de psalmen hoort ge Gods kinderen niet alleen roepen om vergeving en verzoening, maar zij hebben dat heil ook door het geloof genoten. Denk maar aan psalm 32. Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn en welker zonden bedekt zijn; zalig is de man, dien de Heere de zonde niet toerekent.
Denk maar aan psalm 103. Loof de Heere, mijne ziel, en vergeet geen van Zijne weldaden, Die al uw ongerechtigheid vergeeft.
Zij wisten, dat bij God vergeving was van al hun ongerechtigheden.
Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.
Zelfs hebben Gods kinderen onder de Oude Dag, al' was het voorhangsel nog niet gescheurd en al was zo de weg naar het binnenste heiligdom nog niet geopenbaard, toch reeds mogen verstaan, dat Sion door recht zou verlost worden en zijn wederkerenden door gerechtigheid.
De goedertierenheid en waarheid zouden elkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zouden elkander kussen. Ook toen reeds had God het Woord Zijner genade gesproken, dat Christus en Zijn verlossingswerk tot inhoud had. En dat Woord van Gods genade hebben zij met hun gehele hart geloofd.
„En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigdheid."
Om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.
Zo mogen we instemmen met psalm 85 : 4
Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van 't recht begroet ;
Dan spruit de trouw uit d' aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van 's hemels boog;
Dan zal de Heer ons 't goede weer doen zien;
Dan zal ons 't land zijn volle garven biên;
Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,
Hij zet z' alom, waar Hij Zijn treden richt.
III. De rechtvaardiging des zondaars is gegrond in Christus Jezus. Door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Reeds een en andermaal kwam de vraag naar voren, hoe de rechtvaardige Rechter de schuldige zondaar kan vrijspreken van schuld en straf en recht geven op het eeuwig, zalig leven.
God zelf waarschuwt ons ten ernstigste, dat wij de rechtvaardige niet zullen schuldig verklaren en de goddeloze niet zullen rechtvaardigen. Zulk een handelwijze is Hem een gruwel. Maar verkracht God zelf dan het recht niet, als Hij de goddeloze rechtvaardigt?
Op deze vraag mogen we nu dieper ingaan, als we overdenken, hoe deze rechtvaardiging gegrond is in de verlossing, die in Christus Jezus is.
God heeft Christus tot een verzoening gesteld. Verzoening, dat is een rijk en Bijbels woord. Het zegt ons, dat het recht hier niet op zij geschoven wordt, maar juist zijn volle loop krijgt, juist ten volle gehandhaafd wordt.
De Schrift spreekt ons telkens van de toorn Gods. Wat is dat toch wel ? Om te weten wat Gods toorn is, 'moeten we weten wat zonde is. Zonde is ingaan tegen de levende God. Zonde is een versmaden van Zijn heilige wil en wet. Zonde is God niet willen. En Gods toorn is nu het antwoord van Gcd op die zonde. Een wreker is de Heere, zeer grimmig en Hij behoudt de toorn aan Zijn vijanden. En vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.
Wij leven in een tijd, waarin men deze dingen het liefst niet noemt en hoort. Als in de dagen van Ezechiël zegt men : Spreek ons zachte dingen.
Men wil een evangelie, waarin geen sprake mag zijn van een toornend en wrekend God. Zo goed, en zo zacht moet God zijn, dat Hij niet toornt en straft, maar enkel weldoet en zegent. Dat is een evangelie naar de mens.
Maar het Evangelie leert ons, dat God de zonde, de afval en ongehoorzaamheid, niet ongestraft laat. God vertoornt Zich schrikkelijk over alle zonde. Weten wij dat nog wel? Houden wij vandaag nog wel rekening met deze waarheid?
Zonde is schuld. En schuld is heus geen waandenkbeeld, maar ontzettende werkelijkheid. De Schrift spreekt van het gedenkboek voor Gods aangezicht, waarin staat opgetekend wat wij gedaan hebben en waarnaar we eenmaal geoordeeld zullen worden. God ziet de zonde nooit door de vingers. Dat kan Hij niet. Zijn Wet komt voort uit Zijn heilig wezen en daarom handhaaft Hij Zijn Wet, ook in het oordelen van de zonde.
Van rechtvaardiging, van vergeving van zonde, van kwijtschelding van schuld en straf kan dan ook nooit sprake zijn, of die zonde moet verzoend, die schuld moet voldaan zijn.
Wie over deze dingen heenglijdt, kan nimmer de rijke betekenis van Christus en Zijn verzoenend lijden en sterven verstaan.
Maar als de Heere ons laat zien, dat Hij die God is, die de schuldige geenszins onschuldig houdt, dan krijgen we het benauwd.
Dan lig ik gekneld in banden van de dood, daar de angst der hel mij alle troost doet missen.
Dan versta ik tegen God gezondigd te hebben.
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voor handen scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Gelukkig de schuldverslagen zondaar, wiens oog dan geopend wordt voor Hem, van Wien geschreven staat: De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden.
Niet wij hebben Hem geschikt geacht als Borg om in onze plaats te staan. Integendeel, wij achtten Hem - zegt Jesaja - dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Niet wij hebben Hem uitgekozen om ons ten Borg te zijn en onze zonden op Hem te leggen. Neen, dat heeft de Heere gedaan. De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt. Want de zonde moest verzoend, de schuld moest betaald worden.
Dat is de verlossing, die in Christus Jezus is. Zie, o zie het toch, het offer, nodig om u met God te verzoenen, wordt door God zelf gegeven.
Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Niet Christus, niet Zijn zelfofferande aan het kruis beweegt God tot genade, maar vrije genade is het, die God beweegt om Zijn eniggeboren Zoon te geven tot een slachtoffer voor de zonde.
Gods genade is de bron, waaruit dit heil voortvloeit en Christus, de Borg en Middelaar is de grondslag, waarop deze zaligheid vaststaat.
Hij heeft het oordeel en de vloek gedragen niet alleen, maar Hij heeft ook heel de Wet vervuld.
Daarom moest Hij ware menselijke natuur aannemen en ons in alles gelijk worden (uitgenomen de zonde), opdat het recht der Wet in Hem vervuld zou worden. Christus heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht. En in deze borggerechtigheid van Christus heeft de Christen alles wat hij nodig heeft. Ge moet dit niet misverstaan. Ik las eens een duidelijk beeld, dat ik hier doorgeef. De gerechtigheid van Christus is niet de brug over de kloof, die ons scheidt van God. Immers ben ik eenmaal over de brug, dan heb ik die brug niet meer nodig. Zo zou een Christen eenmaal gerechtvaardigd, eenmaal over die brug, die brug niet meer nodig hebben.
Ik heb maar niet gerechtigheid nodig als een ding, als een zaak, maar ik heb door een blijvende, door een niet ophoudende geloofsband de levende Christus zelf nodig. Want Hij zelf is onze gerechtigheid. De Heere onze gerechtigheid.
Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eéne velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Door Zijn vleeswording heeft de Middelaar niet alleen deel gekregen aan onze menselijke natuur, maar ook aan onze schuld. Hij is geworden uit een vrouw en zo, in de weg van Zijn menswording, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden (Gal. 4 :4 en 5) .
Door Zijn menswording heeft Hij tevens de vloek der wet aanvaard en zo heeft Hij (gelijk onze Heidelbergse Catechismus het zegt) de ganse tijd Zijns levens op aarde de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijk geslacht gedragen. Zo zegt ook de Schrift, dat het Lam Gods de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1: 29) .
In en door Zijn menswording is Hij, die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons gemaakt. De Schrift laat ook hier geen onzeker geluid horen.
De mens Jezus Christus in Zijn vernedering stond voor God, alsof Hij zelf in eigen persoon de zonde der wereld had gedaan.
En nu staat de zaak zo, al moesten er tienmaal zoveel mensen zalig worden, als er behouden worden, dan had Hij niets meer behoeven te lijden.
En ook omgekeerd, al zouden er tienmaal zo weinig mensen zalig worden, als er behouden worden, dan had Hij niets minder mogen lijden.
De gehoorzaamheid van de Borg is van zulk een onbegrijpelijk heerlijke waarde en van zulk een onschatbare betekenis, dat zij (ofschoon in de tijd volbracht) leidt tot het eeuwig, zalig leven.
De ongehoorzaamheid van Adam in het paradijs leidde tot de eeuwige dood. Zo leidt de gehoorzaamheid van de tweede, de laatste Adam allen, die met het hart in Hem geloven, tot de eeuwige zaligheid.
De gerechtigheid van Christus ligt dus in Zijn volstrekte gehoorzaamheid aan God. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood des kruises.
Dit is de rijkdom van Gods genade in Christus Jezus.
En dit Evangelie mag nu gepredikt worden aan alle creaturen. Het is zelfs het bevel van Christus, het moet verkondigd aan al de volken.
Geheel naar de Schrift zeggen onze Dordtse Leerregels dan ook: Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe ; welke belofte aan alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof. (II. 5).
Het Woord, dat we mochten overdenken, is een saamvatting van heel het Evangelie. Hier wordt ge bekend gemaakt met uzelf. Gij hebt gezondigd en derft Gods heerlijkheid. Bekend gemaakt ook met die God, die de goddeloze rechtvaardigt om niet uit Zijne genade. Bekend gemaakt ook met de Middelaar. Zonder en buiten Hem, Zijn voldoening en verzoening kan God de zondaar niet vrijspreken.
Dit enig en eeuwig Evangelie wordt u, mijn medereiziger naar de eeuwigheid nog in Zijn Naam verkondigd. Nog klinkt de boodschap van de grote Profeet : Laat u met God verzoenen. Zoek uw behoudenis in de besprenging met Zijn bloed.
Hebt ge reeds leren vragen : „Mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult ge rechtvaardig verschijnen voor God?" Heus, u moet om die vraag niet heen draaien ; sta daar eens ernstig bij stil. Vroeg of laat moet ge sterven. En sterven betekent voor God verschijnen om rekenschap af te leggen. Waarop denkt gij straks uw hemelse Rechter te wijzen? Uw godsdienstigheid, uw ingetogen leven, uw zuivere belijdenis van de waarheid Gods, uw lidmaatschap van de Christelijke Kerk of wat ge verder nog noemen moogt, het zal u niet kunnen behouden.
Naar het oude profetenwoord : Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kan ; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.
Wat ge nodig hebt om getroost te leven en eens zalig te sterven, is nog wat anders en nog wat meer dan al het genoemde. Ge hebt dat geloof nodig, dat de Heilige Geest door het Evangelie in het hart werkt. En nu is het mogelijk heel wat te bezitten en toch dat ware geloof nog te missen. De dwaze maagden in de gelijkenis hadden ook heel wat, maar zij misten in en bij dat alles het zaligmakend geloof. Zij meenden in gemoede tot de bruiloft in te gaan, maar konden niet ingaan vanwege haar ongeloof. Daarom vermaan ik u tot echt geloof. Val de Heere te voet. En leer met Job : mijn Rechter zal ik om genade bidden. Nu is het nog het heden der genade. Nu kunt ge nog gered worden van het eeuwig verderf.
Mogelijk zegt iemand bij zichzelf, dat Gods kinderen toch lang niet allen dezelfde ondervindingen hebben. De een wordt toch anders geleid, ook dieper ingeleid dan de ander. Dat is ook zo! Wegen en middelen, omstandigheden en karakter kunnen zeer van elkander verschillen. Maar dat neemt niet weg, dat van al Gods kinderen geldt: Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Om gerechtvaardigd te worden moet ik een goddeloze worden en alle eigen gerechtigheid als een wegwerpelijk kleed achten. Alleen goddelozen delen in de vrijspraak. En dat willen we nu uit ons zelf niet, namelijk, onze eigengerechtigheid geheel en al loslaten. Het kost wat om van harte met David van onszelf te erkennen Gods gramschap dubbel waardig te zijn. Om het Goddelijk vonnis over ons met al onze vermeende deugden als gans rechtvaardig te billijken.
Daar zit het bij velen op vast. Zij maken weinig of geen voortgang in het leven des geloofs, omdat zij zich wel willen laten vrijspreken, maar niet laten veroordelen. Dat is niet uit het geloof. Het ware geloof aanvaardt het veroordelend vonnis van God. Uit deze diepte roept de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig! En God zelf spreekt hem vrij. In deze droefheid gaat de verloren zoon terug naar zijn vader. Dan is er ook plaats voor Gods genade.
Die plaats voor Gods genade is er niet, als ik eigen zwaarwichtigheid zo hoog taxeer, dat dit Gode aangenaam zal moeten zijn. Ook dat heeft met echt geloof niets te maken.
Gerechtvaardigd uit het geloof! Uit dat geloof, dat niet dood, maar levend is. Een geloof, dat door de liefde werkende is.
Gods kind is het niet alleen te doen om van de schuld en straf der zonde af te zijn. Neen, zij willen ook van de macht der zonde verlost.
Rechtvaardiging zonder heiliging bestaat trouwens niet. Dat is louter inbeelding.
Ook de heiliging is Gods werk. Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Die Hij geroepen heeft, heeft Hij ook gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt.
Amen.
Psalm 103 : 2.
November 1953