Johannes 6:44a 'God moet trekken tot Jezus' ds. P. van Zonneveld

God moet trekken tot Jezus.

Predikatie door Ds. P. van Zonneveld

Ps. 81:1 en 2
Lezen: Johannes 6 : 35-51
Ps. 116:2, 3 en 4
Ps. 89 : 1
Ps. 79:7

„Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke".
Johannes 6: 44a

Elk binnenschip heeft vandaag een motor. Het vaart op eigen kracht. Vroeger was dat niet altijd: Toen waren er trekschuiten. Een man ver voorovergebogen lopend langs de walkant, het ene eind van de aan de schuit vastgebonden lijn strak over de schouder in beide handen geklemd, trok de schuit naar de plaats van bestemming.
Zoals die schuit getrokken werd, zo moeten ook wij getrokken worden naar de Heere Jezus. Ook wij hebben geen eigen kracht.
't Was op een van de bezoeken. Een man van om en nabij de tachtig, doof, een apparaatje in het oor. 't Gesprek vlotte niet al te best; woorden moesten nog al eens herhaald worden. Toen het even over de erger wordende hardhorendheid ging, kwam het lakonieke antwoord: „och, als ik alles moest horen.., het bewaart me voor veel ergernis.
Inderdaad - er wordt heel wat gesproken, dat ergernis opwekt.
Aan de andere kant - het Evangelie, waarvoor de barmhartige God gezorgd heeft, is en blijft voor de mens zoals hij is een ergernis. Tenminste als dat Evangelie niet wordt aangepast aan het menselijk begeren.
De Heere Jezus sprak eens: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: tenzij dat gij het vlees des Zoons, des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven". Het antwoord van velen daarop was: „Deze rede is 'hard; wie kan dezelve horen?" Toen hebben velen geërgerd zich van Hem afgekeerd.
Dat geschiedt nog. Nog wordt men geërgerd als verkondigd wordt de diepte van de val nl. dood in zonde en in misdaden, en dat God alleen 'het zaligmakende werk moet beginnen, voortzetten en voltooien.
Toch is het de volle, blijde boodschap dat de drieënige God de God is van volkomen zaligheid. Hij maakt zalig, en daarom blijft de hemel niet leeg; daarom zal het zijn een schare, die niemand tellen kan.
Omdat het zo is -, nu moet en nu moogt ge alles van die God verwachten.
Omdat het zo is -, nu behoeft de verkondiger van die boodschap niet mismoedig te worden. Het zaad van het Evangelie mag hij uitstrooien wetend dat het God' is, Die de wasdom geeft naar Zijn welbehagen.
Gods Woord predikt ons:
ALLEEN GETROKKENEN KOMEN TOT JEZUS.
We zien:
1. de noodzakelijkheid van het getrokken worden
2. de grond van het getrokken worden
3. de wijze van het getrokken worden.
„Niemand kan tot Mij komen" -, dat zijn slechts vijf woorden. Evenwel ze betekenen heel wat. We worden hier opeens geplaatst voor een niet-kunnen, voor iets waartoe wij - mensen - niet in staat zijn.
Wat kunnen wij vandaag al niet? We maken dijken, we ontrukken land aan de zee, we maken de meest vernuftige machines, we maken grote steden, we maken atoombommen waardoor hele steden weggevaagd kunnen worden, we maken ruimteschepen waarmee we het heelal doorzoeken. Kortom - er is weinig wat wij niet kunnen. Aan het menselijk kunnen schijnen bijna geen grenzen te zijn. Wat vroeger naar het rijk dier fabelen zou zijn verwezen en als fantastisch en ongeloofwaardig zou zijn betiteld, is vandaag werkelijkheid.
De prestaties op medisch terrein zijn al even verbazingwekkend. De meest ingrijpende operaties worden verricht.
Wij gaan en komen ook waarheen en tot wie wij willen. Al zou dat Australië of Canada zijn -, indien wij willen, wij gaan en wij komen.
Doch één ding kunnen wij niet -, dat is komen tot de. Heere Jezus. „Niemand kan tot Mij komen". 't Valt niet mee om zo pardoes geplaatst te worden voor iets wat we niet kunnen. U zoudt de waarheid van dat woord in twijfel willen trekken. Bedenk echter dat hier spreekt de hoogste Profeet en Leraar. Niet maar een mens, doch Hij, Die gezegd heeft: „Ik ben de Waarheid".
De Heere Jezus is gezonden en gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Hij is de Behouder, de Redder, de Zaligmaker. Hij brengt van het hoogste kwaad' tot het hoogste goed. Hij brengt in de hemel, tot de Vader. Hij verzoent. Hij herstelt de verbroken gemeenschap; en dat alles op grond van wat Hij gedaan heeft, op grond van Zijn lijden en sterven, op grond van Zijn kruisdood.
Als dezulke is Hij gekomen tot verlorenen. Wie zijn dat? Wie behoren tot de verlorenen? Is dat een bepaalde categorie mensen? Neen, dat is heel het menselijk geslacht, niet één uitgezonderd. Gods Woord zegt dat duidelijk: „Zij hebben allen gezondigd: en derven de heerlijkheid. Gods". En hier wordt ook genoemd de oorzaak van het verloren-zijn namelijk de zonde. 'Door de zonde zijn wij verlorenen geworden, uitgebannen uit het paradijs, uit de gemeenschap Gods, door ónze zonde.
Temidden van deze verlorenen is ide Heere Jezus gekomen. Hierin is :de liefde Gods; geopenbaard. Hij heeft Hem gegeven; Hij heeft Hem gezonden temidden van verlorenen. Dat was vroeger zo toen Hij op aarde was. Maar die werkelijkheid is vandaag niet minder. Kinderen en ook ouderen zouden kunnen denken, dat Hij vanwege Zijn hemelvaart niet meer op aarde is. Gedacht kan worden: och, was Hij nog op de aarde. Maar hoor: „naar Zijn Godheid, Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij nimmermeer". Waar het Evangelie gepredikt wordt, daar is Hij, daar is Hij temidden van verlorenen. In het gewaad van de Schrift komt Hij, is Hij er Zelf.
Jongens en meisjes, allen moeten goed beseffen wat het is om in de kerk te zijn. 't Kan zo gewoon worden. Maar we worden daar tot de hemel toe verhoogd, we komen daar nabij het koninkrijk der hemelen. Denk eens even aan een schip, dat in nood verkeert. 't Zinkt al dieper en dieper in de woest kolkende zee. Nu is het één van twee: de reddingsboot is er of de reddingsboot is er niet. Voelt u aan het onderscheid voor die mensen in nood daar op het schip? Of een drenkeling in het water. Er staat een redder op de oever of er staat niemand, niemand die de nood ziet van die drenkeling. Of mijnwerkers in een mijnschacht. Een explosie heeft plaatsgevonden. Ze zijn afgesloten van de buitenwereld. Ze zijn gedoemd om de hongerdood te sterven. Nu hoort men het kloppen van naderbijkomende redders of men hoort niets. Welk een verschil niet waar! Welnu, wanneer we zijn onder de bediening van het Woord, dan is de Redder, de Behouder, Jezus Christus nabij u. Hij staat vlak naast mij, de verlorene. Dat is het geweldige van het zijn onder de Evangelieprediking.
Toch blijft dat woord staan: „niemand kan tot Mij komen". Niemand, dat wil zeggen: er is geen uitzondering. Het is niet zo: sommigen wel en anderen niet. Neen -, niémand kan tot Mij komen.
Hoe komt dat nu, dat niemand tot de Heere Jezus kan komen. Waar ligt de oorzaak. Ligt de oorzaak daarvan bij de Heere. Jezus? Is Hij niet genoeg in de diepte van onze verlorenheid afgedaald? Is Hij slechts tot zekere hoogte daarvan gekomen? Neen! Dieper kon Hij niet afdalen. Hij is gekomen tot de diepste diepte, daar waar de verlorenen zijn. „Hij 'is ons in alles gelijk geworden, uitgezonderd, de zonde".
Waar ligt dan de oorzaak? Deze ligt geheel en al bij de verlorenen. Duidelijk zegt de Heere Jezus dat. Hij gebruikt het woordje „kan". Niemand kan tot Mij komen.
Dat betekent: niemand heeft de kracht, het vermogen ertoe.
Het niet-kunnen geeft de diepte van onze val aan. Zo diep bent u gevallen, dat u niet tot Jezus kunt komen. De Schrift is hier glashelder als gezegd wordt, dat de mens dood is, dood: in zonde en misdaden. Een dode kan niets; hij kan niet zien; hij kan niet horen; hij kan niet gaan. De oorzaak van het niet-kunnen ligt dus in onze doodstaat. Omdat we dood, geestelijk dood zijn, daarom kunnen we niet tot Jezus komen.
Niet-kunnen komen tot Jezus én niet-kunnen geloven in Hem is gelijk. Jezus zegt: ,,die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten". Tot Hem komen is in Hem geloven. Niet kunnen komen is dus niet kunnen geloven. Nogmaals - wij kunnen niet tot Hem komen, wij kunnen niet in Hem geloven vanwege onze doodstaat.
Meen nu niet, dat het zonder reden is, dat de Heere Jezus dit zegt. De illustratie van het niet-kunnen komen vindt u in hen tot wie Jezus spreekt. Hij had het grote wonder van die spijziging van 5000 gedaan. Dat wonder had de mensen aangegrepen en tot de belijdenis gebracht: „Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Jezus moest Zich toen verbergen, anders had men Hem met geweld genomen en Koning gemaakt. Evenwel de schare zocht Hem op, en toen sprak Hij: „Gij zoekt Mij, omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. Werkt niet" - dat wil zeggen: zoekt Mij niet - ,,om de spijze, die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal. Ik ben het Brood des Levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren".
Echter dit verstonden zij niet; er was geen geestelijke honger en dorst die hen naar Jezus deed uitgaan. Daarom zegt Jezus: „Gij hebt Mij gezien en gij gelooft niet". Door tekenen en wonderen heeft Hij latenzien wie Hij is, dat Hij waarlijk spijs, dat Hij waarlijk drank is. En toch is daar het niet geloven, het niet komen, het verwerpen van Hem en straks aan het kruis nagelen van Hem. Hoe is dat toch mogelijk? Hoe is het toch mogelijk dat mensen, die verloren zijn, de enige Zaligmaker verwerpen?
Hoe is het mogelijk dat zulken er ook vandaag zijn? Het is u, die onder het Evangelie leeft, bekend, dat Hij is de Zaligmaker van zondaren. U stemt dat toe en u belijdt dat. En toch zijn er velen van dezulken, die verre van Christus blijven, Hem niet zoeken en niet begeren, en Hem verwerpen; die met woord en daad zeggen: ,,wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust". Hoe is dat toch mogelijk? Hoe kunnen zij !de' Christus toch verwerpen, zonder wie zij geen leven hebben, zonder wie zij voor eeuwig verloren gaan?
De Heere Jezus blijft niet staan bij ongeloof en verwerping. Hij gaat achter die verschijnselen terug. Hij zegt: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke".
De woorden „niemand kan tot Mij komen" zijn algemeen.
Het woord „tenzij" geeft de uitzondering. Tenzij het geval zich voordoet; tenzij deze voorwaarde vervuld wordt. Het trekken van de Vader is de voorwaarde. Daar valt alle nadruk op. Zal een zondaar tot Jezus komen, zal een verlorene in Hem geloven, dan moet God de Vader hem trekken. Trekt de Vader hem niet dan komt hij niet, dan blijft hij in z'n ongeloof volharden, dan verwerpt hij de Christus.
Er zullen er zijn die zeggen, dat mag en dat moet toch niet gepredikt worden. Zo worden de mensen toch alleen maar lijdelijk gemaakt. Echter Jezus Zelf predikt dit, en Hij fluistert dit niet een paar ingewijden of slechts Zijn discipelen in het oor, neen - Hij spreekt dit publiek uit. Let u er echter wel op, dat Hij hiermee niet begonnen is. Hij heeft dit niet onmiddellijk op de voorgrond geplaatst. Hij is begonnen met het Evangelie van het brood des levens. „Ik ben het brood des levens". Maar als dan het ongeloof zich openbaart dan spreekt Hij van de onmacht van de mens en de noodzakelijkheid van het trekken door de Vader. Hij doet dat tot heel die schare, tot die vele, vele mensen die voor Hem staan; en zegt Hij dit nu, opdat zij zouden zeggen: nu, Heere Jezus, als het dan zo staat, als wij niet kunnen, als God. ons moet trekken, dan moeten wij maar rustig afwachten tot het God belieft te trekken. Dan moet u het ons niet kwalijk nemen als wij U verwerpen en aan het kruis nagelen. Dat te denken dat is verschrikkelijk, dat is diep zondig; dan ontkent u de ernst waarmee het Evangelie gepredikt wordt,
Waarom worden wij dan door de Heere Jezus gewezen op onze onmacht, op onze doodstaat? Neen -, niet opdat wij ons zouden verontschuldigen, maar juist opdat wij schuldenaar zouden worden. Immers heeft God ons zo gemaakt? Neen .toch. Die onmacht, die doodstaat is het gevolg van mijn verlaten van de Heere! Daar willen wij 't liefst over heengaan. Doch de Christus gaat daar op in. Hij laat de diepte van uw val zien. Opdat ge leert buigen, ja buigen onder de rechtvaardigheid van het oordeel. Opdat ge leert toestemmen, dat het vonnis van de eeuwige dood verdiend is.
Er is nog een tweede reden waarom de Heere Jezus predikt onze onmacht, onze doodstaat. Dat is opdat ge niets van uzelf verwacht. Daarin zijn we hardleers. We willen zo graag nog enige hoop en verwachting van onszelf overhouden, Dat snijdt de Heere Jezus hier bij de wortel af. Waarom? Waarom doet Hij dat? Het antwoord is ide derde redden van de prediking van onze machteloosheid; en dat is, dat ge geheel en al geworpen wordt op de Heere Zelf, dat ge u leert vastklemmen aan een belovend God. Dit woord „niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft hem trekke" wil niet anders dan u op de knieën brengen met de bede: o God, ik lig machteloos gebonden, ik kan niet en ik wil niet, en dat ben ik door eigen schuld geworden; Heere, trek mij; zo zal ik tot de Christus komen; trek mij, Heere, en ik zal U nalopen.
Leert ge uw machteloosheid kennen. Leert ge ook uw onwilligheid kennen? Ook dat laatste hoort er bij. 't Is niet alleen dat ik niet kan, maar ik wil ook niet; ik ben vijand van een Christus, Die geleden heeft en Die gestorven is aan het vloekhout. Die Christus is een ergernis voor de natuurlijke mens!
De Heilige Geest leert de machteloosheid en de onwilligheid verstaan. Hij doet kennen de banden des doods en de banden van vijandschap. Dat geeft wat anders dan een verstandelijk toestemmen van deze zaken geeft. Dat geeft de bede om het trekken van de Heere. En hoe meer we die machteloosheid en onwilligheid beleven des te meer leren we de noodzakelijkheid. van het trekken door de Vader verstaan. God, de Vader moet trekken én altijd weer trekken.
De vraag kan en moet nu gesteld worden: op grond waarvan wordt door: de Vader getrokken tot de Heere Jezus? Deze vraag brengt ons tot het tweede:
de grond van dit getrokken worden.
In het teksthoofdstuk is sprake van degenen, die niet geloven, dus van degenen, die niet getrokken zijn èn van hen, die wel geloven, dus van hen, die wel getrokken zijn. Stel eens even die twee groepen naast elkaar. Kunnen we nu zeggen: kijk, in (die enne groep is iets waarom. God deze niet getrokken heeft, en in die andere groep is iets waarom. God, die wel getrokken heeft? Met andere woorden - moeten er bepaalde dingen in ons zijn die voorwaarden vormen voor het trekken Gods? Om maar iets te noemen: minder gezondigd hebben dan anderen, zou dat soms een grond zijn? We willen ons nog wel eens vergelijken. De een is dan meer zondaar dan de ander. Of zou het voor de waarheid zijn of strijder voor de waarheid zijn van beslissende betekenis zijn? Of ook godsdienstigheid, ernst, het lidmaatschap van een bepaalde kerk, mijn zoveel jaren er al om gebeden hebben, mijn christelijke aktiviteiten? Of zouden we nu eerst ontdekt moeten worden aan onze nood, aan ons niet kunnen en niet willen, aan onze zonde en ellende?
Neen -, niets van dat alles! Let u er maar goed op dat aan de ene kant van de Heere Jezus staan farizeërs en schriftgeleerden. Zij meenden allerlei plussen te hebben op grond waarvan God ze zalig moest maken. Daar staat ook bij een rijke jongeling die uitgesproken had: „wat ontbreekt mij nog". Al deze werden echter niet getrokken. Aan de andere kant van de Heere Jezus staan tollenaars en zondaars, mensen die alles verzondigd hadden. Daar staat ook bij Simon Petrus die gezegd had: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens". Deze werden wel getrokken. Wat dit ons zegt? Dat het trekken tot Jezus door God nimmer geschiedt op grond van iets van of in de mens!
Dit betekent ook niet het geloof als voorwaarde gesteld kan worden. Sommigen willen het zo zien. Als we nu eerst maar geloven, als we Christus maar niet verwerpen, als we nu maar geloven dat Hij het ook voor ons volbracht heeft, nu dan zal God wel de rest doen, dan komt het allemaal wel goed. Doodstaat van een mens, noodzakelijkheid van getrokken- worden, dat zijn slechts dogma's. Als een mens eerst maar wil; men moet willen, dat is van beslissende betekenis. Echter heel deze gedachte is 'in strijd met de Schrift. Komen tot Christus is toch gelijk met geloven in Christus? De tekst zegt duidelijk dat daaraan voorafgaat het trekken van: God de Vader. Eerst trekken, daarna het komen tot dat is geloven in Christus.
Maar wat is dan toch de grond van het trekken Gods?
Die grond ligt geheel buiten die mens; die grond ligt 'in God. De grond van het trekken is het welbehagen Gods! Iets anders is er niet; al het andere komt op uit vlees en bloed. Al het andere maakt het werk der verlossing afhankelijk van de mens, en legt de verlossing uiteindelijk in handen van de mens. Men moet willen, men moet geloven, men moet het aannemen, zo wordt er dan gesproken. Echter men vergeet dan dat ser niemand is die kan en dat er niemand is die wil, dat allen onmachtig en onwillig zijn.
Nogmaals - de enige grond is het welbehagen Gods, dat is Zijn vrije, soevereine verkiezende liefde.
In het teksthoofdstuk leest u de woorden: „al wat de Vader Mij gegeven heeft", en: ,,al wat Mij de Vader geeft". De eerste woorden wijzen heen naar de eeuwigheid. In de eeuwigheid: heeft God reeds het volk van Zijn verkiezende liefde aan Christus gegeven. In de tijd wordt dat nu gerealiseerd. Daarom is het ook; „al wat de Vader Mij geeft". In de tijd worden zij, die tot dit volk behoren, aan Jezus gegeven, dat is tot Jezus getrokken.
In het voorgaande hoofdstuk heeft Jezus gezegd: „Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook". Jezus werkt: Hij predikt het Evangelie. Hij is Zelf het Evangelie, geworden door lijden en sterven. Hij bewerkt de verzoening door voldoening. Maar Zijn Vader werkt ook: Hij trekt zondaren tot Zijn Zoon en Hij geeft ze aan Zijn Zoon, opdat ze door Hem worden zalig gemaakt. Alleen dus die God verkoren heeft, niet één meer, ook niet één minder, worden getrokken tot Jezus.
Nu zult ge er wel acht op moeten geven, dat ge niet met de verkiezing begint. Ge kunt redeneren: als ik verkoren ben, wel dan zal ik ook getrokken worden, en als ik niet verkoren ben, wel dan word ik niet getrokken. Begint ge zo, dan raakt ge in de strikken van satan verward, en het is Heere om het even of hij nu vroom of goddeloos ten verderve kan voeren.
Weet u -, juist omdat de grond van het trekken niet in de mens maar in God is, daarom is er zo'n ruimheid van zaligworden. Veronderstel dat u aan voorwaarden zou moeten voldoen, en u ontdekt dat die voorwaarden in u niet zijn, dan zou er plaats zijn voor wanhoop. Als u nu aanbotst tegen de hardnekkigheid, weerspanningheid en de afkerigheid van uw hart, dan behoeft ge in 't geheel niet wanhopig te worden. Als ge nu leert zien de boosheid en de verdorvenheid van heel uw bestaan, als g nu ontdekt wordt aan ,de vuile bron van al, uw wanbedrijven, dan moet ge 't hoofd niet naar beneden laten hangen en denken: voor mij, kan het niet meer. Neen -, juist omdat de Heere trekt op grond van wat in Hem is, dat mag hoop en verwachting geven. Omdat het zo is, daarom kan het voor ieder, daarom wordt niemand buitengesloten, daarom kan zelfs de grootste zondaar zalig worden.
Als hier in Gods huis iemand zou zitten die zou ' zeggen: ik heb te veel, te lang, te zwaar gezondigd - o, u moest het eens weten welke zonden door mij zijn bedreven, neen voor zulk een kan het nooit - tegen beter weten in gezondigd, waarschuwingen in de wind geslagen, een wenende moeder gehad, die al op het kerkhof ligt... Stil nu eens. Nu niet meer tegenwerpen. De boodschap van dat vrij ontfermen komt tot u. O klem u aan dat woord, vast, pleit op dat woord, en ge zult ervaren dat er een God: is Die mild’lijk geeft en nooit verwijt, een God Die Zich met eeuwige liefde ontfermt over zondaars!
Hier op aarde komt een volk, dat het leert verstaan dat het trekken alleen maar kan op grond van wat er in God is, op grond van vrije verkiezende liefde. Dat valt niet mee voor het vlees. Het werk van de Heilige Geest is echter niet anders. Elke grond in de mens breekt Hij weg.
Kent ge dat afbrekende werk van de Heilige Geest? Wordt het vrome en bekeerde vlees al meer vlees, waarvan het bedenken vijandschap is tegen God? Vallen de verkeerde plussen al meer weg?
Het kind des Heeren leert steeds meer verstaan dat de grond van zaligworden in God ligt, in Zijn welbehagen. Er blijft niets over om te roemen in zichzelf. De getrokkene leert te roemen in. vrije gunst. Zo wordt deze pasklaar gemaakt voor de eeuwigheid, om daar eeuwig te zingen van Gods goedertierenheén.
Laten we eerst dit vers zingen:
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheén;
Uw waarheid t'allen tijd vermelden door mijn reén.
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit , zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.
Psalm 89: 1
Wij hebben. gehoord de noodzakelijkheid van het getrokken worden tot Jezus. Toen hebben wij gezien de grond waarop, God de Vader trekt. In de derde plaats moet . nog gesproken worden over
de wijze van dit getrokken worden.
Hoe geschiedt nu dat trekken? Op welke wijze heeft dat plaats? Dit is een uitermate belangrijke vraag. Een vraag waaraan we niet voorbij mogen gaan. Want er kan misvatting dreigen ten aanzien van dit getrokken worden. Hier en daar is zelfs te konstateren, dat reuen dit trekken op verkeerde wijze uitlegt. Daarom moeten we goed weten de manier ervan.
In het woord trekken zitten drie elementen, en wel vastgrijpen, vasthouden en ergens naar toe trekken. God de Vader grijpt een zondaar vast. Hij houdt vast, en Hij trekt naar Jezus toe. Hij geeft aan Jezus over opdat Hij zaligmaakt.
Dat dit trekken als werk van. de Vader genoemd wordt en niet als werk van de Heilige Geest hangt samen met de tijd waarin dit woord gesproken is. Pinksteren moest nog komen. De Heere Jezus had nog slechts een enkele keer van het werk van de Heilige Geest gesproken. In het openbaar zelfs nog in 't geheel niet. Later wordt heel het trekkende werk aan de Heilige Geest toegeschreven. Op en na Pinksteren wordt het: de Geest Die uitgaat van 'de Vader en de Zoon, Hij grijpt vast, Hij houdt vast, en Hij trekt naar Jezus toe. Dit is vanaf Pinksteren het specifieke werk van de Heilige Geest.
We kunnen dit getrokken worden met een voorbeeld duidelijk maken. Ik denk -dan aan •een schip, dat in een grote storm te pletter is geslagen op de rotsen bij de kust. Het S.O.S. - dat is: red onze zielen - wordt uitgezonden. De reddingsbrigade komt op het strand yin aktie. Een lijn wordt vanaf de kust weggeschoten naar het zinkende schip. De bemanning in nood vangt die lijn op en maakt deze ergens op het schip vast. Aan die lijn zit een soort stoel. Zodra een schipbreukeling daarin is gaan zitten, wordt hij naar de kust toegetrokken. Op deze wijze komen alle schipbreukelingen aan land, in veiligheid. Zo worden zij behouden.
De Heilige Geest doet het S.O.S. - dat is: „Red mij, Schutsheer, God der goden, troost in noden, grote Hoorder van 't gebed" - roepen, en dan trekt Hij, zoals die schipbreukeling naar de kust getrokken wordt, naar Jezus toe, naar de Behouder, de Zaligmaker van zondaren.
Er moet nog meer gezegd worden van dit trekken.
Het zal u bekend zijn, dat een ezel buitengewoon halsstarrig kan zijn. De ezel van Bileam was dat ook eens. Echter toen was er een bijzondere oorzaak. Zo'n dier kan opeens stokstijf blijven staan. Wat z'n berijder ook doet, er zit geen beweging meer in. Tenslotte zie je dan de man met alle kracht aan de kop van het dier trekken.
Nu - trekt de Heere ook zo? Worden zondaars zo tot de Heere Jezus getrokken, als bij de haren, één en al onwil, tegenspartelend, als een steen, als een blok? Nu ja - zo denkt men soms -, als de Heere mij trekt dan overwint Zijn kracht mijn kracht, dan word ik overweldigd, dan moet het, dan gaat het tegen wil en dank. Doch niets is minderwaar. Men stelt dit trekken zich geheel verkeerd voor.
Denkt u even aan de roeping van Simon en Andréas. De Heere Jezus sprak tot hen: „Volg Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken". Dan volgt er niet: en zij wenden gedwongen. Er staat: „zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd". Van Levi in het tolhuis leest u niet anders. Jezus zei tot Levi: „Volg Mij"; en daarna leest u: „en hij opstaande, volgde Hem". Bovendien ziet u in het teksthoofdstuk de woorden: ,,al wat ;die Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". Dit komen hier vermeld iis niet passief, doch aktief. Het is een metterdaad komen; niet gedwongen, maar gewillig; men wil niet anders.
Hoe dat kan? Hoe dat mogelijk is? Is zo een dan niet geestelijk dood? Heeft zo een dan voeten om te gaan? Ja, en nogmaals ja! Dat komt vanuit het eerste element van het trekken nl. het vastgrijpen voort. Dat is, de wedergeboorte, het vanuit God geboren worden. Daardoor wordt een onwillige zeer gewillig gemaakt; die niet wilde wil nu metterdaad. Epen onmachtige, een geestelijk dode wordt levend. Er komen voeten des geloofs om te gaan, om te komen tot de Heere Jezus, ja zelfs om naar. Hem toe te snellen. Het is toch „trek mij, en wij zullen u nalopen?" Dat nalopen is de vrucht van het getrokken worden.
Kent u dat trekkende werk van God de Vader, van die Heilige Geest? Wordt gij die van uzelf onmachtig, dood zijt én onwillig, een vijand van de Christus, bekwaam en ongewillig om tot die Christus te gaan?
Weet u -, door dat trekkende werk wordt de Christus zo gepast, zo noodzakelijk en dierbaar. Christus de Gezondene des Vaders, hét bewijs van Gods liefde. Christus hét Manna, dat uit de 'hemel is nedergedaald, het levende Brood. Het wonder van Zijn liefde is, dat Hij wilde sterven aan het vloekhout, dat Hij dood is geweest om het leven te kunnen geven aan 'doden. Och - we zijn het waard in onze doodstaat te blijven, eeuwig te blijven. We kunnen God niets ongerijmds toeschrijven als Hij ons erin laat en eeuwig in laat. Wie zou Hem van onrecht 'durven. betichten? Hebben we onszelf niet door niets daartoe gedwongen daarin gebracht? Evenvel God heeft Zijn Zoon gezonden, en Christus is dood geweest! De liefde Gods en de liefde van Christus zijn zo kostelijk tentoongespreid! Die liefde moet stukbreken; ik moet niet langer staande kunnen blijven; ik moet op dit ogenblik op de knieën vallen en uitroepen: Heere, hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk dat Gij zulken zo hebt liefgehad? Heilige verwondering, aanbidding is ook een kenmerk van het getrokken zijn geworden tot Jezus. Echter daar begint het niet mee.
Heel het trekkende werk van God'. door sde Heilige Geest is niet anders dan plaats maken voor de Gezondene des Vaders. Door dit werk komt waar van nature geen plaats voor is plaats voor. Waarom heeft Petrus alles verlaten, en waarom blijft hij bij de Christus als tot hem gezegd wordt: „Wilt gij ook niet weggaan?" Omdat Jezus heeft ,,de woorden des eeuwigen levens". Door het trekkende werk is voor die woorden plaatsgemaakt. Door datzelfde werk komt er plaats voor Jezus als Zaligmaker. Door datzelfde werk komt er plaats voor Jezus als Middelaar. Door datzelfde werk komt er plaats voor Jezus als Borg.
Nu - leert ge te luisteren naar Zijn Woord, of luistert ge nog naar eigen woord en naar dat van anderen? Leert ge de Zaligmaker nodig te krijgen, of hebt ge nog mogelijkheden in u zelf om zalig te worden? Leert ge de Borg nodig te krijgen, of hebt ge zelf nog geldstukken om uw schuld bij God te betalen? Leert ge de Middelaar nodig te krijgen, of kunt ge u zelf nog met God verzoenen?
Uw antwoord op deze vragen beslist of het trekkende werk bij u begonnen is of niet.
Zo heeft het Woord ons gepredikt, dat alleen getrokkenen komen tot Jezus. We hebben gezien de noodzakelijkheid, de grond. en de wijze van het getrokken worden.
In het teksthoofdstuk staan die verschillende woorden: „Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem". Geërgerd gingen zij heen. Voorgoed zich afkerend. van Hem, Die alleen kan helpen, redden en zaligen. Boos, nijdig op Hem, Die alleen maar wilde leren dat,. als God niet trekt, er niemand zalig wordt, omdat niemand tot Jezus kán komen; die alleen maar plaats wilde maken voor het gebed „Heere, trek mij, en ik zal U nalopen".
Niet-getrokkene, onbekeerde, wat is het ruim voor u om zalig te worden! U moet getrokken worden. Dit allereerst. Wordt u niet getrokken, dan blijft u in de dood en dan volgt straks de eeuwige dood. Met alle klem wordt dit u voorgehouden. Bedenk wat het zeggen wil: de eeuwige dood. Dan eeuwig te laat. Dan kunt u nooit meer getrokken worden. Dan eeuwig het zelfverwijt. Want als u niet getrokken wordt dan kunt u de Heere hiervan niet de schuld geven. Hij heeft u toch bekend laten maken de noodzakelijkheid van het getrokken worden, opdat u het van Hem alleen zou verwachten en Hij u zou trekken? 0, verwacht het dan toch van Hem, leer toch schuldenaar te worden voor Hem. Erken het toch dat ge geen rechten hebt, en smeek Hem om de genade van het trekkende werk. Door dit woord „niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke" wil de Heere u bemoedigen. U behoeft niets van u zelf te verwachten; u mag alles van de Heere verwachten. Door dit woord komt Hij met de belofte van het trekken tot u. Bovendien uw doop is ook het zegel van de Heilige Geest, dat Hij u trekken wil. Pleit dan toch en smeek dan toch. Bid nu het gebed: ,,Heere, trek mij, dan zal ik u nalopen". Hij is de Hoorder van het gebed! Dan geeft Hij voeten om te snellen naar de Heere Jezus, opdat de Christus ook u zaligwake.
Welk een bemoediging, welk een vertroosting is het gepredikte woord. Niemand hoeft te wanhopen. Ge kunt staan voor de grootheid van het bedreven kwaad, voor uw zonde en schuld, voor de hardigheid en de onbekeerlijkheid van het hart. Ge kunt denken als dat nu eerst allemaal anders zou zijn, dan zou er hoop zijn. Maar hoort u het: de grond van het trekken ligt niet in u, doch buiten u, in God. Daarom laat er zijn een biddend hopen en verwachten. „Hij kan en wil en zal in nood., zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven!"
Getrokkenen, de zaligheid is uit de drieënige God, dat leert ge verstaan nietwaar? God door de Heilige Geest, Hij grijpt vast en Hij houdt vast, Hij trekt en Hij trekt steeds weer. Christus wordt groter en al groter in wijsheid, in rechtvaardigheid en in heiligheid.. Het wordt een al meer overgegeven worden aan Christus. Hij wordt het alleen, de Zaligmaker, de Middelaar en de Borg. Hij maakt zalig en Hij maakt heerlijk. Straks ede door Hem: herstelde mens naar ziel en lichaam.
Daarom omdat de zaligheid, is uit de drieënige God, daarom zal de hemel eeuwig vol zijn van de lofzang.
Amen.

Januari 1974