Op de nieuwe aarde geen dankdag.
Dankdagpredikatie door Ds. P. van Zonneveld.
Ps. 146:1 en 5
Lezen: Openbaring 7 : 9-17
Ps. 16:3 en 6
Ps. 22:13
Ps. 72:2
Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten".
Openbaring 7: 16a
U hebt misschien ook wel eens op Schiphol gestaan na-ogend een zo juist opgestegen vliegtuig. Vooral als daarin familieleden zittten dan plakken de ogen zich als het ware vast aan het wegvliegende toestel. U tuurt zolang tot het een stipje is geworden en tenslotte geheel en al is verdwenen.
Het is niet alleen een opstijgend vliegtuig dat verdwijnt. Kunt u eigenlijk wel iets noemen dat niet verdwijnt? 't Zijn ook niet slechts de uren, dagen, maanden, jaren, die als een schaduw heenvliegen.
Alles verdwijnt. Mensen en dieren, bomen en planten.
„Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt".
Er is een stad, schoon, welgelegen, met imposante bouwwerken, resultaat van jarenlange moeizame arbeid. Eén orkaan, één aardbeving en er rest slechts een troosteloze puinhoop.
Er is een groots, machtig imperium, een trotse keizer. Een bloedige revolte en de keizerskroon rolt van 'het bebloede hoofd.
Er is een mens groot in aanzien, geweldig in eer. In de kracht der jaren blijft plots het hart stilstaan, een graf wordt gedolven. Nog vijftig jaar dan zal ook zijn praalgraf verdwenen zijn.
Hier is de tragiek van de aarde, van het aardse bestaan. Niets is er dat niet verdwijnt.
Gods Woord alleen biedt troostend perspectief. Niet iets van de aarde. Doch alleen God van hemel en van aarde, de eeuwige God.
Johannes, de apostel heeft visionair gezien dat wat komen gaat en nooit meer verdwijnt: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Er zal zijn een ontelbare schare, eeuwig zingend voor de troon van God en voor het Lam, in geen ander gewaad meer dan in het feestkleed. Verdwenen zal zijn voorgoed elk vuil kleed, elk treurgewaad. Verdwenen zal zijn voorgoed elke verdrukking, elke benauwing, alle tranen. Verdwenen zal zijn voorgoed alle zingen en aanbiddenloosheid. Verdwenen zal zijn voorgoed alle Godsgemis. 't Geheim van het verdwijnen van al het oude en het eeuwig blijven van het nieuwe wordt aangegeven door: „en Die op de troon zit, zal hen overschaduwen". God spant Zijn tent over hen uit. 't Is de tent der samenkomst. God temidden van Zijn volk. Alsdan voor dat volk ongestoorde en onverbrekelijke gemeenschap met God.
Ook de dankdag zal verdwijnen. Nu moet de dankdag nog gehouden worden. Doch straks niet meer. Er zal op de nieuwe aarde geen dag meer zijn van afzondering om de Heere te danken, dat Hij oogst heeft gegeven. Eten en drinken zullen niet meer noodzakelijk zijn. Het staat er over duidelijk: „zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten".
Dit plaatst ons er voor dat de dankdag slechts van deze tijd is, en dit heeft z'n betekenis juist voor ons in het heden. Gods Woord boodschapt:
DE DANKDAG ZAL VERDWIJNEN
Drieërlei vraagt hier onze aandacht
1. de ongepastheid daarvan nu
2. de reden daarvan straks
3. de betekenis daarvan heden.
De opkomst van de gemeente op de dankdag laat nog al eens te wensen over. Soms moet men een van de twee diensten laten vervallen, omdat er te weinig belangstelling is. Zelfs is het bijwonen van één dienst voor sommigen al bezwaarlijk. Vaders hebben geen snipperdag meer. Moeders hebben het te druk in 't huisgezin. Jongens en meisjes moeten naar school en hebben 's avonds hun huiswerk.
Eist de kerk niet te veel om midden in de week dankdag te houden? Heeft de kerk er ook wel begrip voor dat de scholier de volgende dag op school mikpunt van spot kan worden? Is het maar niet beter om de dankdag af te schaffen? Bovendien - is het nu wel nodig om dankdag te houden?
Het afnemende kerkbezoek op de dankdag heeft onmiskenbaar een achtergrond. Men ziet het niet zo als noodzakelijk om dankdag te houden voor gewas en arbeid. 't Gaat toch allemaal vanzelf. Alles is toch resultaat van het menselijk presteren. Aan het begin van het seizoen kunnen er zorgen zijn. Soms blijft het te koud; soms is het te droog. Maar 't valt altijd toch wel weer mee; er is altijd toch wel weer oogst. De landbouwkundigen geven immers hun adviezen, en de landman doet immers zijn best? Natuurlijk kan men bezorgd zijn vanwege een toekomstig voedsel-tekort. Echter als dit er komt dan is dit te danken aan de mens die gefaald heeft. Zorgen kunnen er zijn over 's lands economie, over toenemende, werkloosheid, over werktijdverkorting, over dreigende ontslagen. Doch ook hier spelen allerlei menselijke factoren een rol: het wanbeleid van een directie, het tekortschieten van regeringsleiders, enzovoort. Op school is het niet anders. Zijn de prestaties ook hier niet te danken aan eigen inspanning?
In de tekst wordt gesproken van hongeren en dorsten. Dat zijn op zichzelf geen vreemde dingen. Een kind weet er reeds van. Moeder hoort om vier uur na schooltijd nog al eens: „mam, ik heb zo'n honger", of „mam, ik heb zo'n dorst".
Toch weten we het ook weer niet. Ik bedoel: wat echte honger en wat echte dorst is. Vele mensen in de hongerwinter 1944/'45 hebben 't wel geweten, althans wat honger is. Ook vandaag zijn ze er. Zelfs bij duizendtallen. Ouderen en ook kinderen; sterk ondervoed, holle ogen, geraamtes gelijk, een smekende blik, een bedelende hand om een stuk brood.
Wie goed hongert, wie goed dorst is in stervensnood. Heel de natuur spreekt daar trouwens van. Als u de plant in de huiskamer geen water geeft, verlept hij en gaat dood. Als een dier geen eten krijgt, sterft het. Zo ook de mens. Wij kunnen niet zonder voedsel en drinken. Beide zijn ons noodzakelijk. We kunnen er niet buiten. Daarom omdat wij steeds weer hongeren en dorsten. Wordt onze honger niet gestild, en wordt onze dorst niet gelest dan kunnen wij niet verder leven. Dan sterven wij.
Neen - hongeren en dorsten zijn geen vreemde dingen, net zo min als sterven. Echter ik vraag u: is het gewoon dat een goede oogst voor ons van het grootste belang is? Is het gewoon dat steeds weer terugkeren van honger en dorst? Is het gewoon dat we niet zonder voedsel en ,drinken kunnen? U kunt mij verbaasd aankijken wanneer deze vragen gesteld worden. 't Lijkt allemaal de gewoonste zaak van de wereld te zijn. Evenwel het is niet gewoon! 't Is hoogst eigenaardig! 't Is volstrekt abnormaal! 't Is iets waar we echt over moeten nadenken.
Hongeren en dorsten, hoe is dat gekomen? Hoe is het gekomen dat we niet zonder voedsel en drinken kunnen? Hoe is het gekomen dat als we goed hongeren en dorsten het sterven nabij komt?
Gods Woord geeft daarop hèt antwoord. De oorzaak van alle honger en kommer is de zonde, ligt in het verlaten van God. Wie bij God is, wie in Zijn gemeenschap deelt, kent geen honger en dorst. Daar bij God, bij de levende God kan geen sterven, zelfs geen beginnend sterven zijn. Daar bij God, in Zijn gemeenschap, is geen enkel gebrek. Daar is verzadiging en lafenis. Zo was het in het paradijs. Maar daar zijn we niet meer. We zijn moedwillig ongehoorzaam geweest, en we zijn het elke dag nog. We hebben God de rug toegekeerd. We zijn God kwijt. Hier is de oorzaak. Daarom nu móéten we eten; daarom móéten we drinken. Spijs en drank, ze zijn ons onmisbaar geworden. Ontvangen wij ze niet, dan ebt het leven uit ons weg, dan sterven we.
Weet u wat het grootste wonder is? Dat is dit: dat we dankdag kunnen houden! Het is niet zo dat alles wat we hebben te danken is aan onze prestatie. Die gedachte ontspruit alleen aan het Godevijandige vlees. Het is de geest dezer eeuw die dat leert, en die geest is niet de Geest Gods. De mens verheft zich. De mens van de wetenschap en de techniek; die het leven zal laten aanvangen en het leven zal beëindigen naar dat hij wil, die het heft in eigen handen heeft genomen. De tot god geworden mens, onafhankelijk, almachtig.
Echter God heeft ons niet geschapen onafhankelijk. We zijn geen op gang gebrachte machine. We kunnen 'het niet stellen zonder God. We zijn en we blijven diep afhankelijk. God moet het leven, dat Hij gegeven heeft, van moment tot moment onderhouden. Diezelfde almachtige handen die mij gemaakt hebben, moeten onder mij blijven. Anders val ik terug tot stof.
Dat onderhouden geschiedt ten dele middelijkerwijs; door ons werken, door ons zorgen, door ons zaaien, door ons oogsten. Maar dan zo dat God de kracht geeft om te kunnen arbeiden, en de gezondheid en ;de wijsheid en de bekwaming. Alles, alles komt uiteindelijk van Hem, is aan Hem te danken. „Loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand''.
Hèt wonder is dan: God onderhoudt zondaars.
Wij werpen weg, wat voor ons waardeloos is geworden. Maar de Heere dan? Wat zijn wij voor Hem? Wij hebben van onszelf niet meer God lief boven alles en de naaste als onszelf. Wij beantwoorden niet meer aan het scheppingsdoel. Wij verheerlijken God niet meer. We zijn liefhebbers van onszelf. Alles geconcentreerd op onszelf. Onbekwaam tot enig goed; geneigd tot alle kwaad; verdorven, onheilig. Denk er tegelijkertijd aan hoe het toegaat in ons land, in de wereld. Gods wet, Zijn inzettingen worden met voeten getreden. De ongerechtigheden nemen op ontstellende wijze toe. De zonde wordt veelal niet meer gezien als zonde. Denk er. tegelijkertijd aan hoe het toegaat in de kerk. Hoeveel liefdeloosheid is er niet in de kerk? Hoeveel staan tegenover elkaar, en verwerpen van elkaar? Hoeveel zonde en schuld ligt hier niet?
Dat we nu toch dankdag mogen houden, dat er oogst is, dat we mochten arbeiden, en dat die arbeid gezegend werd, dat we niet hoeven te sterven van honger of van dorst, dat er eten is, dat er drinken is, beide zelfs in overvloed, dat, dat moet in verbazing zetten; en de Heilige Geest zet hier in verbazing. Dat is Zijn werk. Hij doet mijzelf kennen. Hij breekt innerlijk stuk:
„Gods offers zijn een gans verbroken geest
Door schuldbesef getroffen en verslagen;
Dat offer kan Uw heilig oog behagen;
't Is nooit, o God, van U veracht geweest".
Dan is zelfs het kleinste groot. Dan ga ik zelfs met het koekje bij de thee in de hand zingen in heilige verwondering:
„Wat zal ik, met Gods gunsten overlaán,
Dien trouwen Heer voor Zijn gen á vergelden?"
t Was ergens in een ziekenhuis. Een zieke, uitgeteerd. Een verpleegster bracht een lepeltje sinaasappelsap naar zijn mond. Op dat moment riep hij uit in een en al verwondering: „Heere Jezus, daarvoor hebt Gij moeten dorsten aan het kruis". Ontroering greep de verpleegster aan. Het lepeltje sinaasappelsap viel uit haar hand op de dekens. Ze zag het niet; ze snelde weg. Tranen van bewogenheid werden gezien, ook bij de andere zieken op de zaal. Hier was de beleving van het wonder van Gods goedheid; hier was de aanbidding.
Ja, de Heere Jezus heeft het verdiend. Hij heeft gehongerd in de woestijn der verzoeking. Veertig dagen en nachten lang. Hij heeft gedorst aan 'het kruis op Golgotha, Aan het einde van de drie-urige
duisternis, als daar is de volkomen verlating van God, als daar is helse benauwing, roept Hij uit de klacht: ,;Mij dorst". Dat is Zijn liefde, Zijn onuitsprekelijke liefde. Hij heeft willen hongeren, en Hij heeft wllen dorsten, opdat God Zijn goedheid aan ons kan betonen, opdat er voor ons eten en drinken zou zijn, en wij van honger of dorst zouden omkomen.
Neen - de dankdag mag nu niet verdwijnen. Dat zou hoogst ongepast zijn. We geen dankdag houdt, die verstaat Gods goedheid niet, die is zonder de Heilige Geest, die is blind. De oproep komt tot ons:
„Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; 't is God, die z'u bewees".
Dankdag voor gewas en arbeid. 't Zou echter elke dag dankdag moeten zijn. Overlaadt de Heere niet dag aan dag met Zijne gunstbewijzen?
Toch zal de dankdag verdwijnen, Voorgoed. Eeuwig.
We komen hier aan het tweede:
de reden daarvan straks.
De vraag kan gesteld worden: waarom wordt er in de hemel geen dankdag gehouden? Waarom zal als de Heere Jezus wederkomt het met de dankdag afgelopen zijn? Waarom zal er op de nieuwe aarde geen plaats meer zijn voor de dankdag? Nu - de reden daarvan wordt duidelijk aangegeven: zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten. In de zaligheid zal geen honger en geen dorst meer zijn. De gevolgen van de zonde-val zullen daar verdwenen zijn. Daarom zal er geen dankdag meer gehouden worden voor ontvangen spijs en drank om de honger te stillen en de dorst te laven.
Geen dankdag meer. Dit geldt naar twee kanten. Dat is aangrijpend. Maar als 't een gezegd wordt, moet ook 't andere gezegd worden. We hebben te spreken naar het Woord. Geen dankdag meer in de verlorenheid. Daar eeuwig hongeren en dorsten. Doch zonder enige verzadiging, zonder enige lafenis, zonder enig voedsel, zelfs geen stukje brood meer, zonder enig drinken, zelfs geen druppel water meer. Daar geen algemene genade meer, geen enkel betoon van Gods goedheid meer. Denkt u slechts aan de rijke man in de rampzaligheid. „Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lazurus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam",
Wat zal het verschrikkelijk zijn om verloren te gaan. Temeer als we Abraham tot vader hebben, als we delen in de Verbondspositie, als. Gods beloften betekend en verzegeld zijn aan het voorhoofd, als de Heere in dit leven steeds weer heeft willen betuigen en verzekeren: „Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin heb. Ik lust dat gij u bekeert en leeft", als Hij steeds weer heeft willen toeroepen: „Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, ze zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk". Ook op de dankdag komt de oproep tot ons: bekeert u, bekeert u, waarom zoudt gij sterven? Geloof Zijn heil en troostrijk woord; verhardt u niet, maar laat u leiden.
Geen dankdag meer, In de zaligheid niet meer, omdat zij niet meer zullen hongeren en niet meer zullen dorsten. Let u er op, dat dit wordt uitgesproken door één van de 24 ouderlingen die rondom de troon van God zijn. Dat is door één van de vertegenwoordigers van de kerk van het Oude en Nieuwe Testament, door één van de gezaligden.
Het maakt nog al wat verschil uit wie iets zegt, nietwaar? Of men over iets of er uit spreekt; of er slechts theoretische kennis is of dat er praktische kennis, de beleving van iets is; of iets vanaf de aarde of iets vanuit de hemel gezegd wordt.
Nu - één die gezaligd is spreekt vanuit de hemel: hier is geen hongeren en geen dorsten meer. Sterk wordt zo de zekerheid daarvan geaccentueerd. Niemand behoeft eraan te twijfelen. Het is ontwijfelbaar zeker. Dit gáat komen: zij zullen niet meer hongeren en niet meer ,dorsten.
Het effect van Christus' Borglijden zal straks tenvolle blijken. In de woorden „zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten" treedt naar voren Zijn volkomen genoegdoening. Hij is immers tot levend Brood en tot levend Water geworden? Zo verkondigt Hij Zichzelf: „Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, -is Mijn vlees, 'hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld". „Zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven".
Het heeft Hem alles gekost om tot Levend Brood en tot Levend Water te worden. Hij moest de hemelse heerlijkheid verlaten, Hij moest komen in de gestalte van een dienstknecht. Hij moest geboren worden om te kunnen hongeren en dorsten, om te kunnen lijden en sterven, om het aan het kruis stervend te volbrengen. Groot is de betekenis daarvan. Voor zondaars die recht hebben op eeuwig hongeren en dorsten zonder enige verzadiging en zonder enige lafenis, wordt het: niet meer hongeren en niet meer dorsten! Zo groot is de kracht van het levende Brood en van het levende Water!
Verder nog. Wat de zaligheid is, wordt door de woorden ,,niet meer 'hongeren en niet meer dorsten" slechts negatief uitgedrukt. Uiteindelijk is de zaligheid: de herstelling van de paradijssfeer, en dat is niet alleen niet-hongeren en niet-dorsten, dat is het allerhoogste en het allerrijkste en "het allerzaligste, dat is weer in de nabijheid Gods, in Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid. De kloof weg, de scheiding opgeheven, de volle gemeenschap met God. Dit maakt de hemel tot hemel. Dit maakt de zaligheid tot zaligheid. God alles en in allen. God te midden van Zijn volk. Het „zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten" vloeit voort uit ,,Die op de troon zit, zal hen overschaduwen", is het gevolg van het weer bij God zijn.
Dit is de volle en rijke betekenis van het werk van Jezus Christus. Hij verlaten, tot een vloek geworden en weer tot God te brengen, om te brengen in het binnenste heiligdom, in het Vaderhuis, in s Vaders armen.
Nabij God, voor Zijn troon, in Zijn tegenwoordigheid - daarom geen hongeren en geen dorsten meer; daarom geen dankdag meer. Volkomen verzadiging, volkomen lafenis, eeuwig en altoos.
Geen dankdag meer. Voorgoed verdwenen. Welk een boodschap! Welk een inhoud die woorden „zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten!" Welk een vooruitzicht!
Geen dankdag meer. Neen -, maar dan dank-eeuwigheid. In de tempel Gods, als priester slechts het lofoffer. Eeuwig vóór de troon en voor het Lam het grote Te Deum Laudamus - Wij loven u, o God, wij prijzen Uwen Naam. Eeuwig dankdienst!
Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten. Wie zijn die „zij?" Wie zijn het die niet meer zullen hongeren en niet meer zullen dorsten? Dat is uitermate belangrijk. Dit moeten we weten!
Het tekstverband geeft het duidelijk aan. Het zijn zij, die uit de grote verdrukking komen, en die hun lange klederen gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam.
Uit de grote verdrukking - klopt dat nu wel! 't Is toch geen martelarentijd? Echter de Schrift zegt, dat wij voor vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. Langs geen andere weg worden we zalig. Heel dit aardse leven is voor Gods kinderen één grote verdrukking. Ze zijn immers nog niet in hun element? ,,Het goede, dat ik wil, doe ik niet. Ik ellendig mens!" De zonde breekt de vreugde. Er is de verdrukking van de zonde, en van de satan en van de wereld. „En gij zult gehaat worden van allen om Mijns Naams wil".
Zij hebben hun klederen wit gemaakt. Dat is hier op aarde dus gebeurd. Er was geen onderscheid. Ze hadden ook vuile klederen, evenals de anderen. Er is onderscheid gekomen. Ze zijn uitgegaan door de Heilige Geest tot het Lam dat geslacht is. Zijn bloed reinigt, reinigt van alle zonde, van alle vuilheid, van alle besmetting.
Nu - dezen zijn het. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten.
Kent u de grote verdrukking? Kent u de noodzakelijkheid van het gewassen en gereinigd worden door het Bloed van het Lam? Alleen dan wanneer we gewassen en gereinigd zijn door dat bloed zullen we straks verkeren in Gods onmiddellijke nabijheid. Alleen dan kan het. Dan geen vertering door Gods heiligheid.
Een vuil kleed -, och wat kunnen we bezig zijn om het schoon te krijgen. Doch de Heilige Geest leert verstaan, dat wij het nooit wit krijgen, dat wij het al vuiler maken. Het bloed, het dierbare bloed van het Lam alleen.
Met dat bloed gewassen, een wit kleed. Dan straks niet meer hongeren en - niet meer dorsten. Met dit vooruitzicht zing ik:
Ik loof eerlang U in een grote schaar,
En, wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar,
Eetaal ik, op het heilig dankaltaar,
Bij die U vrezen.
't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
Ten dis geleid.
Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
Zo leev' uw hart, door 's hemels gunstbewijzen,
In eeuwigheid!
Psalm .22: 13.
Wat doen we nu met de wetenschap, dat de dankdag zal verdwijnen? Heeft dit nu betekenis voor vandaag, heden, op deze dankdag?
Deze vraagt brengt ons tot het derde:
de betekenis daarvan heden.
Het heeft grote betekenis, dat we weten vanuit Gods Woord, dat de dankdag zal verdwijnen. We worden er voorgeplaatst, dat de dankdag van deze bedeling is, dat het op de dankdag gaat om tijdelijke dingen, om dat wat slechts voor deze tijd is, en niet voor de eeuwigheid.
Het is nodig, indringend nodig, juist vandaag, dat we dit goed beseffen. Immers we leven in een tijd, waarin het leven steeds meer verzakelijkt en ver~materialiseert.
De Heere Jezus heeft gezegd: „Gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen; zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk; zij werden ten huwelijk gegeven, tot de dag, op welke Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen. Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen; even alzo zal het zijn in de dag, op welke de Zoon des mensen zal geopenbaard worden".
De laatste dagen zullen zich dus kenmerken door eten, drinken, trouwen en werken. Door niets meer, door niets anders. Het is slechts eten, drinken, trouwen en werken. Punt, meer niet. Het leven heeft geen enkele voorwaarde. Er zijn geen hogere belangen. Aan God wordt eenvoudig niet gedacht. Alleen het eten, het genot, de handel, het produkt, het voordeel is alles geworden.
Dit zien wij al meer worden; en denk dan niet aan hen die buiten de kerk zijn. We zijn te spoedig geneigd om te kijken naar die wereld waar God geen plaats heeft, en om het hoofd te schudden over zoveel goddeloosheid in de wereld. Zeker, daar is de toename van ongerechtigheid. Het proces der zonde komt op een hoogtepunt. Maar ik dacht, dat het altijd gaat om het huis Gods, om de kerk. Hoe is het met de Kerk des Heeren? Daar gaat het om!
Erg is het als het leven van de kerkmens aangeeft, dat hij het kan stellen met de tijdelijke dingen. Dat gebeurt vandaag! Er zijn kerkmensen, die geen tijd hebben om Gods Woord persoonlijk te lezen. Er zijn jonge mensen, die geen tijd hebben om naar de catechisatie te gaan. Het kan zijn, dat het leven zo boordevol van jacht en van onrust is, dat men 's zondags geen lust heeft of soms zelfs geen tijd heeft om tweemaal naar de kerk te gaan.
Hoeveel honger en dorst openbaart zich vandaag niet ook bij kerkmensen? Ik bedoel een andere honger dan naar brood. Ik bedoel een andere dorst dan naar water. Een hongeren en dorsten en te dorsten naar God. Dan kunnen we niet meer leven bij wat niet verzadigen en wat niet laven kan. Dan schreeuwt mijn ziel gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen tot God om God. Dan dorst mijn ziel naar God, naar de levende God.
Zeker - hier reeds wordt die honger gestild en die dorst gelaafd. Door het geloof. Door Christus. Door het bloed van het Lam, het bloed der verzoening. Daardoor God weer terug. Daardoor delend in Zijn gemeenschap. Daardoor verzadiging van vreugde.
Doch hier is de verzadiging en de lafenis nooit volkomen, nooit voortdurend. Dikwijls God weer kwijt. Onze zonden die altijd weer scheiding maken. (Hongeren en dorsten naar God niet eenmaal, maar steeds weer.
Nu dat volk, dat die honger en dorst kent naar God, wordt hier rijk getroost: zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten! Nooit, kind van God, zal er meer scheiding zijn. Nooit zult gij God meer kwijt zijn. Nooit zult ge Hem meer missen. Hier in het heden, in de verdrukking, het wordt u vanuit de hemel toegeroepen en verzekerd: zij zullen 'niet meer hongeren en niet meer dorsten. Uw honger naar God straks eeuwig verdwijnen. Uw dorst naar God straks eeuwig voorbij.
Gods Woord heeft ons gepredikt: de dankdag zal verdwijnen. Voorgoed! Want „zij zullen niet meer hongeren en zij zullen niet meer dorsten". Vanwege Hem, Die heeft gehongerd en gedorst, Die tot vloek is geworden. Door dit wonder, door dit wonder van Zijn plaatsvervangend werk, door het wonder van Zijn liefde, door het wonder van de vrije gunst, die God van eeuwigheid heeft bewogen, door het wonder van Gods welbehagen, van Zijn verkiezende liefde, straks voor eeuwig danken. De lofzang vóór de troon en vóór het Lam.
Nu nog dankdag. Verschrikkelijk als we dankdag houden overbodig achten. We móéten dankdag houden, en we mógen nog dankdag houden. En is het wonder van oogst hebben; er is het wonder van eten en drinken, van spijze en drank. Ik, de vloekwaardige en de strafwaardige, ik, die verdiend heb de eeuwige vloek en de eeuwige straf: eeuwig hongeren en dorsten zonder enige verzadiging en lafenis, rijk gezegend! Tel ze, die zegeningen, één voor één!
„Heer, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
Zo zal mijn mond Uw lof gestaág vermelden".
Amen.
Oktober 1974