Johannes 21:18b 'Brengen, waar gij niet wilt' ds. P. van Zonneveld

Brengen, waar gij niet wilt.

Predikatie door Ds. P. van Zonneveld.

Psalm 66 : 4
Lezen: Johannes 21 : 15-25
Psalm 116:1, 5 en 8
Psalm 73:12
Psalm 145:4

„en brengen, waar gij niet wilt. En dit zeide Hij betekenende, met hoedanige dood hij God verheerlij ken zou".
Johannes 21 : 18b en 19a

Als twee jongens op het schoolplein met elkaar slaags zijn geraakt, staat er dra een kring van toeschouwende kornuiten omheen. Luide kreten van aanmoediging zijn niet van de lucht. De spanning komt op een hoogtepunt, wanneer blijkt dat de twee knapen in lichaamskracht elkaar evenaren. Wie zal het winnen? Dat is de allesbeheersende vraag.
's Werelds geschiedboeken spreken van oorlog, en ze zeggen wie als triomfator uit het strijdperk is getreden. Alleen bij een nieuwe oorlog is er de spanningsvolle vraag: wie zal het winnen?
De heilsgeschiedenis spreekt ook van strijd, strijd als uitvloeisel van het „Ik zal vijandschap zetten". Och - we weten de afloop.
Daarom is er geen spanning meer. We weten dat de spies van Saul net langs David heen in de wand terecht kwam. We weten dat niet Mordechai maar Haman aan de galg kwam. We weten dat Jozef en Maria net met het Kind uit Bethlehem weg waren toen Herodes! de kinderen van Bethlehem ombracht. We weten dat de Heere Jezus aan het kruis juist door dat kruis satans kop vermorzelde. We weten zelfs hoe de eindafloop van de heilsgeschiedenis zal zijn. Jezus Christus zal de grote Triomfator zijn. Satan en alles wat Babel en van Babel is, zal geworpen worden in de poel van vuur en sulfer. Dat neemt niet weg, dat we wel eens het hart vasthouden bij het zien en het ervaren van de geweldige tegen-machten, en dat de vraag opkomt: wie zal het winnen?
't Staat vast, onomstotelijk vast, dat al Gods kinderen zalig worden. Er zal er niet één verloren gaan. We weten ook dat weer overduidelijk. Er is geen afval der heiligen; en is Jezus Christus niet de Eerste en de Laatste? Maar staat de ingang in het hemels Kanaän voor de kinderen Gods altijd zo vast? Een verstandelijke conclusie geeft echt geen houvast. De Heere leert Zijn volk te wandelen door het geloof. Doch dat geloof functioneert niet altijd. O, als ze met Simon Petrus zien op de golven, als ze ervaren de grote kracht van de drie doodsvijanden, als ze in de geestelijke strijd onderliggen, als het overgebleven vlees of de wereld of satan de overhand heeft ... Spreekt een psalmdichter niet van duizend zorgen, duizend doden, die 't angstvallig hart kwellen? Ik denk, dat de engelen in de hemel ook wel eens de adem inhouden. Weten de engelen dan niet van verkiezing, van Gods almacht, van de zekere overwinning van Jezus Christus? Ja - zeker! Maar ze zien de geweldige worsteling van vlees en Geest, van God en satan; ze zien hoe heel de hel afstormt op dat wat aan de hel ontworsteld is.
Simon Petrus - kind van God, kind van het welbehagen Gods, van verkiezende liefde. Maar wat triomfeerde Simon, wat triomfeerde satan dikwijls! Wat is Simon toch sterk; wat is satan toch machtig! Hoe zal dat toch aflopen? Wie zal hier overwinnen? Wie zal als triomfator uit het strijdperk treden?
In zijn leven ziet u, dat er kracht, veel kracht is in het vlees, dat satan macht, veel macht heeft. Aan de andere kant ziet u, dat de God van het welbehagen de Almachtige én de Getrouwe is. Hij is de Triomfator, de God, Die Zichzelf verheerlijkt.
Gods Woord spreekt ons van
GODS TRIOMF AAN PETRUS LEVENSEIND.
We zien:
1. de weg van die triomf
2. de wijze van die triomf
3. het doel van die triomf.
God zal Simon Petrus brengen waarheen hij niet wil. Dat spreekt de Heere Jezus, de Zone Gods, uit met een: „voorwaar, voorwaar zeg Ik u". Hij zegt hier: „'t is waar en zeker, ge hoeft er niet aan te twijfelen of het wel zo is, en geen helse machten, geen aardse machten en geen vleselijke macht zullen het kunnen beletten - God zal u brengen waarheen gij niet wilt.
Deze woorden worden gesproken na het liefdegericht; nadat de Heere Jezus tot driemaal toe Petrus de vraag had gesteld: „Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief?"; nadat Petrus temidden van zijn. medediscipelen in het ambt hersteld was geworden.
't Is weer volkomen goed geworden tussen Jezus en Petrus. Neen - dat is niet van Petrus uitgegaan; niet hij kon het goedmaken. Dat is uitgegaan van de Christus met die doorboorde handen; vanwege Zijn liefde voor Petrus; vanwege Zijn onbezweken trouw.
Wij - kerkmensen - kunnen hier nog wel eens een punt zetten. We kunnen zo in de sprookjessfeer zitten. Ik bedoel - in de sfeer van een „gelukkig einde". In de zaal van Kajafas houden we 't hart vast. Daar maakt Petrus het met Jezus af; daar breekt hij met Jezus: „voorwaar, ik ken deze Mens niet". Maar aan de zee van Tiberias loopt het gelukkig allemaal goed af.
We kunnen ook zo denken met betrekking tot onszelf. „Als het nu maar goedkomt tussen God en mijn ziel; als ik nu maar bekeerd word; als ik nu maar vergeving der zonde heb".
Kijk eens naar Petrus. Als het goedgekomen is tussen de Heere Jezus en hem, dan volgt dat woord „en brengen waarheen gij niet wilt". In Petrus' leven is geen sprake van een gearriveerd zijn. Wie een punt zet achter z'n bekering, achter z'n geloof, achter z'n rechtvaardiging, is niet bijbels. Gods Woord kent geen gearriveerde christenen. Er is een vervolg, en dat is: „en brengen waarheen gij niet wilt".
Petrus zal ergens naar toe worden gebracht. Waarheen? Waarheen zal hij gebracht worden? Stond er nu maar niet achter ,,waarheen gij niet wilt", dan was dit woord volkomen te begrijpen. Immers al Gods kinderen worden naar de hemel gebracht. Als de arme Lazarus sterft, brengen engelen; zijn ziel naar de hemel. En wie is er die niet naar de hemel wil? Dat zal Petrus toch ook wel gewild hebben. Niet om van de rampzaligheid verlost te zijn; niet om van de moeiten, van het lijden of wat dan ook af te zijn, neen - om God. Zo leert de Heilige Geest dat.
Aan de hemel dus hebt u hier niet te denken. Aan de hel kan ook moeilijk; al ligt dit wel voor de hand. Want er is geen mens die naar de hel wil. Maar voor Petrus kon dat niet meer; hij kon niet meer naar de hel. Al was het dat Petrus uit de zaal van Kajafas naar buiten was gegaan bitter wenend, al had Petrus zich hellewaardig leren kennen, al had hij leren verstaan dat hij rechtens naar de hel moest, hij kon niet naar de hel. Waarom niet? Omdat een Ander voor hem naar de hel was geweest! Jezus Christus aan het kruis nedergedaald ter helle had voor Petrus voor eeuwig de hellepoort dichtgedaan, en de hemelpoort geopend!
Doch de vraag is nog niet beantwoord. Waarheen toch zal Petrus gebracht worden? We zouden het niet weten, het woord van de Heere Jezus tot Petrus zou voor ons niet te begrijpen zijn, als niet de apostel Johannes de verklaring er van had gegeven. Johannes schrijft: „en dit zeide Hij, betekenende met hoedanige dood hij God verheerlijken zou".
Het gaat hier om Petrus' levenseinde; en Johannes heeft dit meegemaakt. Daardoor zijn de woorden van Jezus: „wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen, waar gij niet wilt" voor hem doorzichtig geworden. De Heere Jezus doelt hier op Petrus' kruisdood. We weten uit de overlevering dat Petrus in Rome gevangen is gezet, en dat hij onder keizer Nero ter dood is gebracht door middel van kruisiging.
Nu weten we wat de woorden „en brengen waarheen gij niet wilt" betekenen. Als Petrus oud geworden zal zijn, als hij een grijsaard is, hoogbejaard, dan zal aan zijn leven op geweldadige wijze een einde worden gemaakt. Vijandige handen zullen hem nemen en aan de kruispaal slaan. Dit voorzegt hier de Heere Jezus.
Petrus had zich beroepen op de alwetendheid des Heeren: „Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb". Dat wéét de Heere Jezus. Ons hart is geen verborgen zaak voor Hem; Hij weet wat in uw hart is; is dat tot troost of tot verschrikking?
Hij weet alle dingen. Hij weet dat Petrus als martelaar zal sterven. „Een ander zal u brengen waarheen gij niet wilt". Nu - dat is dus op de plaats van de terechtstelling, aan het kruis.
Maar er is hier meer te zeggen.
„Een ander zal u gorden, een ander zal u brengen". Een ander, daarmee wordt bedoeld: mensen. Vijandige mensen, mensenhanden zullen Petrus in de gevangenis brengen, mensenhanden zullen hem aan een kruispaal vastspijkeren.
Denk nu echter niet dat God slechts alwetend is, dat Hij slechts de dingen ziet. Zonder Zijn wil kan zich geen schepsel bewegen of verroeren. Wat kunnen mensen doen, als God het niet toelaat? Daarom mag u rustig dat woordje „ander" van „een ander zal u gorden, een ander zal u brengen" met een hoofdletter lezen.
Hier is Gods weg met Petrus.
Begrijpt u mij goed -, dat heft de schuld van die mensen niet op. Men kan zich nooit beroepen op Gods raad en wil, en zich daarmee verontschuldigen. De mens behoudt zijn verantwoordelijkheid. Zo is 't ook met de kruisiging van de Heere Jezus.
„Deze" - zegt Petrus op de Pinksterdag - „naar de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en aan 't kruis genageld".
„Een ander zal u gorden, een ander zal u brengen" -, dat zijn mensen, maar uiteindelijk is het God Zelf. God Zelf zal Petrus brengen waarheen hij niet wil. God Zelf zal Petrus brengen naar en aan het kruis. Dat is Gods leiding met Petrus.
Die leiding Gods was begonnen na dat koninklijk bevel van de Heere Jezus: „Volg Mij". Toen had Petrus verlaten zijn vissersboot, zijn huis, alles; toen was hij Jezus gaan volgen. God had toen zijn rechterhand gevat. Gods werk was toen begonnen in Petrus. God heeft hem al die jaren geleid, en die weg van God met Petrus zal tenslotte uitlopen op de kruisdood.
Die leiding Gods is er in het leven van al Gods kinderen. Als de mens bekeerd wordt, nu - dat is niet anders dan dat de Heere de rechterhand vat. Dan gaat Hij leiden door en naar Zijn raad, Dan gaat Hij brengen naar - de plaats zier bestemming. U zegt: dat is de hemel. Zeker — u hebt gelijk. Alleen die geleid worden door de Heere, ze worden de hemel ingeleid. Daarom klemt het zo in ons leven, of we reeds door de Heere geleid. worden, of Hij onze Leidsman is.
De hemel - dat is de uiteindelijke plaats der bestemming. Maar daar gaat een andere plaats aan vooraf. Een plaats waarheen gij niet wilt!
Petrus zal gebracht worden naar een plaats waarheen hij niet wil. Een plaats, waar hij afkerig tegenover staat. Waar hij zich met hand en tand tegen verzet. Die afkeer is volkomen te begrijpen. Niets is meer vanzelfsprekend dan dit. 't Geldt al met elk sterven. Men kan zeggen: de dood is natuurlijk. Maar de dood wordt altijd als tegennatuurlijk ervaren. Niemand die leeft, wil sterven. Hoeveel te meer: de gewelddadige dood. Hoe smartelijk is de terechtstelling door kruisiging. We kunnen Petrus best begrijpen, dat hij dat niet wil, dat hij daarvan afkerig is.
Betreft die afkeer niet alle leed en smart? Waarheen kan de Heere al niet brengen? Denk eens even aan Job. Hoe donker kunnen Gods wegen al niet zijn? Denk eens even aan Asaf. Misschien bent u gedompeld in rouw; misschien moeiten en zorgen; misschien een kwaal die ongeneeslijk is. Van dat alles en van wat er ook al kan zijn, zijn we afkerig. Dat willen we niet!
Toch grijpt die afkeer veel dieper.
Weet u wat het probleem in ons leven is? Dat is niet dat we afkerig staan tegenover dood, nood en verdriet. Het zou onnatuurlijk zijn als we dat niet zouden zijn. Het is dat we niet „onder God" willen komen. Het is dat we afkerig staan tegenover sterven aan onszelf. Dat is het probleem.
Daar nu wil Simon niet heen, en daar wil niemand heen.
God gaat Petrus brengen naar het kruis. U mag dit ook zo omschrijven: God gaat Petrus voor de keus stellen.
In het kerkelijke leven kennen wij de verkiezing van ambtsdragers. We krijgen een briefje met twee namen er op. Een van de twee kiezen wij.
Aan het eind van Petrus' leven is er ook verkiezing. Petrus krijgt ook een stembriefje. Van God. Met twee namen er op: de naam van God én, de naam van Simon Bar Jona. 't Is hier een kwestie van leven of dood. God belijden, Jezus Christus belijden, dat betekent onherroepelijk de dood, de kruisdood. God en Jezus Christus verloochenen, dat betekent Simon gaat uit als vrij man; hij heeft zichzelf behouden.
‘t Is hier ten diepste dus een zaak van God en Jezus Christus verloochenen of van zichzelf verloochenen. Niet een zaak van én-én, maar van óf-óf.
Naar dit moment leidt God. Waar Simon tegenin worstelt, waar zijn natuurlijke mens niet wil komen, daar zal God naar toebrengen. Simon zal dit niet kunnen tegenhouden. God zal triomferen door Simon te brengen waarheen hij niet wil.
De vraag kan nu gesteld worden: hoe triomfeert God? Deze vraag brengt ons tot het tweede de wijze waarop God triomfeert.
God maakt niet tot slaaf, maar tot kind. Er is niet een onderwerping door God aan God tegen wil endank. Er ontstaat niet een
willoos mens. Om het met de belijdenis te zeggen: „God dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes". Er komt een kind, dat zingt: „Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, o God, mijn sterkt`, U hartelijk beminnen"; een kind, dat God weer liefheeft boven alles en de naaste als zichzelf; een kind, dat uitspreekt: „Mijn ziel heeft zich met Uw wil vereend".
Let u nog eens even op het tekstverband. De Heere Jezus heeft gezegd: „voorwaar, voorwaar zeg Ik u, toen gij jonger waart, gorddet gij uzelf en wandeldet alwaar gij wildet". O, die alwetendheid des Heeren! Niets is er voor Hem verborgen. Heel Petrus' leven is een open boek voor Hem. „Toen gij jonger waart" - dat ziet op de tijd toen Simon nog visser was, toen de Heere nog niet in zijn leven verschenen was. Och ja, de mens van nature, de mens zonder wederbarende genade, die wordt zichzelf. Hij kan in eigen kracht voortgaan; hij is niet hulpeloos, niet zwak; hij kan dit en hij kan dat; daar is zijn lichaamskracht, zijn verstand, zijn inzicht, zijn kennis; en hij wandelt alwaar hij wil. Hij vraagt niet naar Gods wil. Hij doet wat hijzelf wil. De levensroute stippelt hij zelf uit.
Maar zo zegt u: Simon is toch Petrus geworden? Hij was Simon, maar hij is toch bekeerd geworden? Ja - zeker! Uit Jezus' mond Zelf had het geklonken: „zalig zijt gij, Simon Bar Jona, want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is". En toch ,- die woorden „toen gij jonger waart" slaan nu ook op heel de tijd van het volgeling~zijn van de Heere Jezus. „Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelf" -, wie had een zwaard aangegord en wie trok dat zwaard in ide hof van Gethsemané?; wie sprak: „al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden"? „Toen gij jonger waart, wandeldet gij alwaar gij wildet" -, wie liep, er nog al eens vóór of naast de Heere Jezus?; tot wie moest de Heere Jezus zeggen: ,ga weg achter mij, gij satanas"? Simon door Gods werk Petrus geworden. Maar wat was hij vaak nog weer Simon! Wat had hij nog veel eigen kracht, wat had hij nog veel eigen wil, wat had hij zichzelf nog lief, wat was er nog veel zelfhandhaving en zelfbehoud! Hoe duidelijk was dat in de zaal van Kajafas! God nam hem daar examen af in het stuk der liefde. God stelde Zijn eigen werk in Petrus op de proef. Het goud ging in de smeltkroes. Doch Simon overwon. Hij gordde zichzelf.
Wanneer is het anders geworden? We zouden menen na de verloochening; als Petrus naar buiten gaat bitterlijk wenend. Dan krijgt Simon als Simon toch wel de doodsteek. Dan is toch alle zelfverheffing wel gebroken? Dan houdt hij toch geen eigen kracht en geen eigen wil meer over? Maar ach -, daar is het woord van de alwetende Heere: wanneer gij zult oud geworden zijn, dan zult gij de handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt". Dan pas zal Simon als Simon geheel ten onder gaan. Aan Simons levenseinde zal er zijn een kind dat God weer liefheeft boven alles en volkomen met Gods wil is vereend.
Wonderlijk zijn Gods wegen. Aan het einde van Simons leven zal er precies hetzelfde zijn als in de zaal van Kajafas. Weer zal hij voor dezelfde keus geplaatst worden. Weer zal hij examen moeten doen in het stuk der liefde. Heeft hij niet beleden: ,Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb"? Welnu de Heere zal opnieuw onderzoek doen naar die liefde, die liefde die niet zoekt zichzelf, die liefde die zichzelf verloochent.
Wie overwint? Jezus verloochenen, dat betekent niet aan dat verschrikkelijke kruis, met die smartelijke dood. Wie zou hier niet terug huiveren? Maar neen - het is Jezus belijden: voorwaar, ik ken deze Mens, het is mijn Redder, mijn Goël, mijn Losser, mijn zondevernieler. Hij is voor mij naar de hel geweest. Hij heeft met Zijn doorboorde handen mijn tranen gedroogd toen ik bitterlijk weende, toen ik niet meer zalig kon worden.
Toen namen vijandige handen hem op, en spijkerden hem vast aan de kruispaal. Hier was niet meer Simon. Hier was slechts Petrus. Hier was Gods triomf niet over, maar in Simon. Hier is een kind, dat bewijs geeft God weer lief te hebben boven alles. Neen, daar kwam niets van Simon bij. Van Simon bleef het gelden: brengen waarheen gij niet wilt. Hier is slechts Gods werk in de mens, Zijn herstellende werk. Daardoor de ondergang van de oude mens Simon, daardoor de volkomen zelfverloochening, daardoor volkomen eenswillend.
Hier ziet u duidelijk de wijze waarop God triomfeert. Waar de natuurlijke mens niet wil komen, vol afkeer tegenover staat, daar keurt de geestelijke mens Gods wegen goed, en is eenswillend met de Heere. Door die triomf Gods blijft hij God liefhebben boven zichzelf en blijft hij de Heere belijden al brengt dat mee spot, verdrukking of zelfs de kruisdood.
Nu kunt u, kind des Heeren, zeggen: wat zie ik weinig van die Goddelijke triomf in mijn leven. Denk nu niet dat de Heere steeds weer de nederlaag lijdt. Zo zoudt ge ook kunnen denken ten aanzien van Simon in de zaal van Kajafas. Zeker - van 's mensen kant bezien had. Simon als Simon; daar de overhand. Maar dat was dan onder Gods toelating. Dat was niet anders om plaats te maken voor de Christus.
Christus werd ook gebracht naar het kruis. Mensen namen Hem op en spijkerden Hem vast aan het kruis. Doch uiteindelijk was het ook God Die Hem daar naar toebracht. God bracht Zijn Zoon naar het kruis.
Hier is echter een tegenstelling. Wilde Simon als Simon niet naar het kruis, Christus wilde wel. Simon stond daar vol afkeer tegenover. Christus niet. Van Hem kon gezegd worden: en brengen waar Gij wilt. Was voor Hem dan de kruisdood minder pijnlijk, smartelijk, onterend? O neen! Hij was toch waarlijk mens geworden? Maar zo eens was Hij het met God, zo eens daarover dat de zondaar vloekwaardig en :des doods schuldig is. Daarom wilde Hij!
U kunt zeggen: daar op Golgotha geschiedde het grootste onrecht. Inderdaad, want de Christus is zonder zonde. „Wie van u overtuigt Mij van zonde?" Hij is rechtvaardig mens. Hij heeft altijd God liefgehad boven alles en de naaste als zichzelf. Daarom in de hof van Gethsemané had Hij terecht kunnen spreken: Vader, Ik wil niet. Daarom aan het kruis had Hij terecht kunnen spreken: Vader, waarom, waarom Ik hier aan dit vloekhout, waarom ik hier in de helse benauwdheid, waarom Ik hier de dood stervend? Christus aan dat kruis, Hij de Zondeloze, dat is toch het grootste onrecht?
In welke nood, lijden, dood wij ook zijn, ja zelfs als wij aan een kruis genageld werden, niemand van ons kan zeggen: God doet onrecht. Naar Gods recht hebben wij toch tijdelijke en eeuwige straffen verdiend? Omdat wij schenders van Gods heilige wet zijn. Omdat wij die wet met woorden, gedachten en werken zwaar en menigmaal hebben overtreden. Daarom Gods gramschap dubbel waardig, en het vonnis van vloek en van dood geheel rechtvaardig.
Doch Christus dan? Hij, Die Gods wet droeg in 't binnenst ingewand, de Heilige en de Rechtvaardige? Ja - maar Hij is tot zonde gemaakt. Hij is de Plaatsbekleder. Hij is gaan staan in de plaats van een schuldig volk, van vloekwaardigen, van des doods schuldigen. „Sion zal door recht verlost worden"! Alleen zo is er verlossing, alleen zo is er behoud. Alleen als aan Gods recht wordt voldaan.
Let toch eens op die gewilligheid van de Christus. Hoe buigt Hij Zich onder de wil van de Vader; wat is Hij het volkomen eens met de Vader; wat verloochent Hij Zichzelf; wat geeft Hij bewijs God lief te hebben boven alles. In de hof van Gethsemané - als Hij Zijn Vader als Rechter ontmoet, de Rechter Die Zijn bloed opeist, als de drinkbeker aan Zijn lippen wordt gezet, dan is het: „Vader niet Mijn doch Uw wil geschiede". Als de bende aankomt in de hof, dan laat Hij Zich binden. „Zou Ik de drinkbeker niet drinken, die de Vader Mij te drinken geeft'. In dë zaal van. Kajafas laat Hij Zich bespotten. In het rechthuis van Pontius Pilatus laat Hij Zich ter kruisdood veroordelen. Hij laat Zich het kruis opleggen en Zich brengen naar Golgotha. Op dat kruis - het eerste kruiswoord begint met Vader en het laatste begint met Vader - Hij blijft met het aangezicht gekeerd naar de Vader. Hij is gehoorzaam geweest tot de dood, ja de dood des kruises. Daarom Zaligmaker. Door het dragen van de straf rechtvaardigheid voor onrechtvaardigen; door Zijn gehoorzamen heiligheid voor onheiligen. Om God zonder verschrikken te kunnen ontmoeten. Om de vrede met God te hebben.
Is er plaats voor deze Christus? Gods Geest maakt ruimte voor Hem. Hoe kreeg Petrus de Christus nodig als Zaligmaker en Borg juist door zijn zakken voor het examen in het stuk der liefde! Weent ge over de triomfen van uw vlees, o zie dan toch op naar die Christus! Hij is gekomen om zulke treurenden te troosten!
Ach, hoe weinig nog hebben God lief boven alles, hoe weinig nog zijn met Gods wil vereend, God echter triomfeert. Duidelijk ziet u dat aan Petrus' levenseind.
Een legende vertelt dat Petrus op zijn verzoek met het hoofd naar beneden is gekruisigd. Het zou hem te grote eer zijn geweest om op gelijke wijze als Christus gekruisigd te worden. 't Is slechts een legende. 't Mag echter wel onderstrepen: hier is niet meer Simon, hier is alleen Petrus; hier is Gods triomf; hier is de nieuwe, de herstelde mens, de door God toebereide mens om opgenomen te worden in heerlijkheid.
Zo maakt de Heere pasklaar voor de hemelse zaligheid. De gemeenschap met het lijden van Christus is niet anders dan om met Christus verheerlijkt te worden. De oude mens gaat ten onder, wordt gekruisigd; de nieuwe mens komt meer en meer, de nieuwe mens die bestemd is voor de hemel. Dat is het uitzicht.
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst pijn,
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.
Ps. 73 : 12
We hebben gehoord van de weg van Gods triomf: God zal Petrus brengen naar het kruis. We hebben gehoord van de wijze van Gods triomf: Petrus zal geheel eenswillend zijn met de weg die de Heere met hem gaat. We komen nu aan het derde:
het doel van die triomf.
Wij, mensen, zitten soms vol met waaroms, waarom dit, waarom dat. Welnu - waarom zal Petrus zijn leven moeten beëindigen aan het kruis? Is het niet verschrikkelijk, dat aan het leven van een dienstknecht des Heeren, de prediker van de blijde boodschap voor verloren zondaars, zo'n eind moet komen? Is dat nu Gods triomf? Het lijkt hier veel meer op Gods nederlaag. Het lijkt alsof God het moet afleggen tegen de satan en tegen satanische machten.
Petrus aan het kruis gespijkerd -, is dat nu om de hel te laten lachen vanwege helse triomf, of de vijanden van Christus vanwege duivelse triomf? O neen! Luister eens -, Johannes gedreven door de Heilige Geest zegt het zo heel duidelijk: „En dit zei Hij, betekende met hoedanige dood hij God verheerlijken zou". Het doel van Simons dood aan het kruis is de verheerlijking Gods.
Protesten onzerzijds kunnen nu opklinken.
De verheerlijking Gods, dat God. Zichzelf verheerlijkt, dat God Zichzelf liefheeft, dat heel Gods werk gericht is op God Zelf, is voor ons een moeilijke zaak. Hier openbaart zich het conflict tussen de mens en God.
In het paradijs was de mens op God gericht. Zo had God de mens gemaakt. Alles geconcentreerd op God, Alles van, in ons geheel en al God bedoelend. God is niet veranderd, maar wij - door onze val. Wij geworden liefhebbers van onszelf, geneigd God en de naaste te haten, een verdorven natuur. Met die misvormde aard maken wij God tot onze Knecht. God is er om ons, mensen. U kunt ze ontmoeten vandaag de duizenden, die God hebben afgeschreven, omdat God niet voldeed aan de verwachtingen. „Als er een God is, waarom die nood, dat lijden, waarom laat Hij dit of dat toe, waarom grijpt God niet in... nu weet ik, dat er geen God is". Goed, dat zijn dan mensen buiten de kerk die zo spreken. Doch als kerkmens zonder wedergeboorte bedoelen we ook slechts onszelf. We zijn godsdienstig, maar heel onze godsdienst kan zijn een ik-dienst, een dienst waarbij God er is om de mens op zijn wenken te bedienen en te dienen. Een godsdienst die onszelf bij voorbaat niets mag en moet kosten, maar God dan alles. Of Zijn heiligheid, Zijn rechtvaardigheid, Zijn waarachtigheid of ook zelfs Zijn liefde op 't spel staat, dat interesseert niet.
De vraag kan gesteld worden: wordt God niet teveel voorgesteld als een God Die er is om te helpen, om te beschermen, om van de hel te verlossen, om in de hemel te brengen? \Vordt over de liefde Gods niet te eenzijdig gesproken, alsof het voorwerp van de liefde God slechts de mens is? Evenzo kan gesproken worden over de bewogenheid Gods. Doch is het niet zo, dat God Zichzelf liefheeft en dat God bewogen is met Zichzelf?
Onderzoekt u uzelf eens wie bij u in het middelpunt staat, Gaat het ir uw leven niet om verlost te worden uit de nood en dood, uit lijden en smart, van heil en verderf, maar allereerst om de verheerlijking Gods. Om het toe te spitsen: wilt ge alleen maar zalig worden zonder dat een van Gods deugden gekrenkt wordt? Dat is een kenmerkend onderscheid tussen onbekeerd en bekeerd.
Door wederbarende genade komt God voorop te staan, Nog meer: dan wordt God God en wordt de mens nietig schepsel, zondaar. Dan wordt God groot en ik klein. Dan wordt God de Pottenbakker en ik het leem. En nu is na de wedergeboorte heel Gods werk in de mens, dat Hij door Zijn Geest de oude mens, die alleen zichzelf op 't oog heeft, ten onderbrengt, dat er al meer komt íde nieuwe mens die alleen God bedoelt. Daartoe brengt God naar plaatsen waar we niet naar toe willen, plaatsen waar het ik ten ondergaat, waar het gekruisigd wordt en sterft.
O zeker, als God naar die plaatsen brengt dan gaat het honderd keer fout. Precies als bij Simon in de zaal van Kajafas. Ik kies mijzelf, ik bewaar mijzelf, ik handhaaf mijzelf. Ik heb God niet op 't oog, maar mijzelf. Of ook - ik roep God ter verantwoording, want Hij voldoet niet aan mijn verwachting. „Waarom brengt Hij in die nood, in dat lijden; waarom doet Hij geen recht"?
„Vrome" mensen zeggen wel eens wat die Petrus in de zaal van Kajafas gedaan heeft, dat heb ik al duizend keer gedaan. Maar hebt u met Petrus al eens één keer bitterlijk geweend, of met Job op de ashoop uzelf verfoeid en berouw gehad in stof en as. Want - nogmaals - wat ogenschijnlijk nederlaag Gods is en triomf van het vlees, dat laat God alleen maar meewerken ten goede; om u recht en grondig te ontdekken aan uw verdorven aard. God laat u uzelf wegwerpen als niet meer deugend voor God en voor Zijn verheerlijking. God laat die verdorven aard uw schuld worden. Immers God heeft u niet zo gemaakt. Doch gijzelf; en daar gaat de Zichzelf verheerlijkende God niet aan voorbij. De zonde wordt tot zonde, en de schuld wordt tot schuld. Wie met Petrus bitterlijk weent, wie met Job zichzelf verfoeit en berouw heeft, die wordt een verloren zondaar voor God, die wordt schuldenaar voor God, die kan vanuit zichzelf niet meer zalig worden, die moet naar Goddelijk recht voor eeuwig verloren gaan. Maar daar is een God Die Zichzelf verheerlijkt, niet slechts in een paar deugden, in de deugd van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, maar in al Zijn deugden. Zingt de dichter niet: „Door al uw deugden aangespoord, hebt Gij Uw Woord en trouw verheven"? Welk een ruimte ligt hier voor zalig worden!
Onbekeerde godsdienstige, gij die God alleen, maar wilt gebruiken of misbruiken ten dienste van uzelf, hoe kunt ge nu naar de hemel? In de hemel wordt God alleen maar verheerlijkt; vanwege uw verdorven aard past ge er niet. 't Zou een eeuwige kwelling voor u zijn. Doch welk een pleitgrond hebt ge nu: God Die Zichzelf verheerlijkt! U kunt zeggen: maar als God mij nu gaat brengen op plaatsen waar ik niet wil, neen, dat kost mij te veel. Onthoud toch dat er onderscheid is tussen veel kosten en alles kosten. Bekeerd worden, ja, dat kost u veel, dat kost tenslotte uzelf, maar onbekeerd blijven, dat gaat u alles kosten. Want ziel verloren is alles verloren. Daarom pleit toch op de Zelfverheerlijking Gods. Bid toch: Heere, om Uws Naams wille, om Uw eer, om Uw heerlijkheid, bekeer mij toch. Wat zal God nalaten als het gaat om Zijn verheerlijking?
Simon sterft aan het kruis een God-verheerlijkende dood. Let u er wel op: niet om wat na die dood kwam. Maar die dood zelf. Die dood zelf is God verheerlijkend. Hier voor dat kruis, op dat kruis lijdt Simon de grootste nederlaag. God heeft Simon steeds meer afgebroken. 't Is bij stukjes en beetjes gegaan. O, dat onstuimige karakter van Simon. Die geldingsdrang. Het de eerste willen zijn. Maar als Simon aan dat kruis sterft, dan is er Goddelijke triomf. God was begonnen met Zijn werk in Simon; Hij was met dat werk doorgegaan ondanks de triomf van Simon als Simon in de zaal van Kajafas; Hij voltooit hier op de plaats van de terechtstelling Zijn werk in Simon. Hier is een mens die Gade niets ongerijmds toeschrijft, die volkomen met Gods wil is vereend, die God weer liefheeft boven alles, die alzo het beeld van Christus geheel gelijk is geworden. Een mens die was liefhebber van zichzelf, maar nu door Gods werk in hem geworden is liefhebber van God. Alzo toebereid door God om God te verheerlijken in de hemel.
Zal Petrus aan dat kruis niet meer verbaasd zijn geweest vanwege de komst van Eén? Eens had hij uitgeroepen: „Ga uit van mij, Heere, want ik ben een zondig mens". Wat zal het voor Petrus geweest zijn toen de Christus kwam toen Petrus daar aan ,dat kruis hing? Simon was niet op Golgotha. Toen Christus voor hem de dood inging, toen Christus zijn schuld betaalde met de vloekdood liet Simon verstek gaan. Hier moogt ge dit leren: „Hij handelt nooit met ons naar onze zonden"! Christus is er wel als Zijn dienstknecht aan het kruis hangt. Dat is Zijn liefde, Zijn trouw. Hij is er om te zeggen: „Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", om Petrus mee te nemen naar de plaats waar God alles is en in allen.
Als God u heeft gebracht op een plaats waarheen gij niet wildet, kan dan ook gezegd worden dat God wordt verheerlijkt? Is dat ziekbed God verheerlijkend, of dat lijden, of die benauwdheid? Och, de Heere heeft zoveel plaatsen waarheen wij niet willen. De Heere, Die werkt tot Zijn verheerlijking, doet dat naar Zijn wijsheid. Voor de een is het dit, en voor de ander weer iets anders.
De natuurlijke mens is het nooit eens met God. God doet het altijd verkeerd; en ook als de Heere in ons leven begonnen is; och, wat kunnen we staan tegenover de wegen die de Heere met ons gaat. Hoe sterk is toch de oude mens; wat kan hij nog weer de overhand hebben; hoeveel vijandschap kan er nog weer zijn tegen God Die Zichzelf verheerlijkt.
Gods werk in Zijn kind gaat door. Omdat God Zichzelf verheerlijkt. Geen satan, geen wereld, geen mensen, geen vleselijke macht kan dat werk Gods afbreken. „Hij, Die een goed werk begonnen is in u, zal dat voltooien. Opdat Hij tot in alle eeuwigheid verheerlijkt zal worden. Daarom zal het kind Gods het beeld van Christus gelijkvormig worden. Daarom zal Christus al meer gestalte verkrijgen. Daarom, zal Zijn beeld al meer naar voren treden. Daarom zal Gods kind hier reeds een leesbare brief van Christus worden.
Kent ge iets van die onderwerping, van dat eenswillend zijn met de Heere? Leert ge zeggen: Heere, wat Gij doet is goed.
Brengen waarheen gij niet wilt, dat zijn de plaatsen waar ge moet sterven aan uzelf. Voor Simon Petrus was dat het kruis. Maar al Gods kinderen wonden gekruisigd! Ze moeten sterven aan zichzelf. „Zo wie Zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen. Maar wie zijn leven zal verliezen om. Mijnentwil, die zal het behouden". De kruisdood sterven dat is een smartelijk, een pijnlijk sterven. Dat gaat niet buiten de mens om. Doch 't is de weg van de Zichzelf verheerlijkende God. Het „ik" moet aan de kruispaal, sterven.
Brengen waarheen gij niet wilt -, o als ge door 's Heeren genade eenswillend moogt zijn, weet u, dan is Christus er ook precies als bij Petrus aan dat kruis. Dan moogt ge verbaasd zijn vanwege Zijn nabijheid, vanwege Zijn vertroosting uit en met Zijn doorboorde handen. En als ge op het sterfbed ligt en 't zo eens bent met God dat ge sterven, gaat, dat het vlees het graf ingaat, dan is Hij er ook om mee, te nemen naar de heerlijkheid van de Zichzelf verheerlijkende God, opdat ge tot in alle eeuwigheid God verheerlijkt.
We hebben geluisterd naar Gods triomf aan Petrus' levenseind. We hebben gezien de weg, de wijze en het doel van die triomf,
Heel duidelijk heeft Gods Woord ons getoond, dat we niet zo maar naar de hemel kunnen. We moeten door de Heere Zelf toebereid worden. Een mens met die verdorven natuur, als liefhebber van zichzelf, blijft buiten, eeuwig buiten. Onbekeerde, roep dan toch die God, Die geen lust heeft in uw dood, in uw ondergang, tot die God Die met dat herstellende werk om, Christus wil ook in u kan en wil beginnen en dat voltooien. Pleit toch om uws levens wil op Zijn belofte! Hij is toch een belovend God? Word dan toch werkzaam met Zijn toezeggingen aan de troon der genade? Opent toch uw mond, om het dan te ervaren, dat Hij mild en overvloedig schenkt al wat u ontbreekt! Zo is de Heere, de grote Hoorder van het gebed!
Nu kunnen we roemen in Christus Jezus, in Zijn volbracht werk. Doch onze roem is ijdel als we niet veranderd worden, als we het beeld van Christus niet gelijk worden. Denk eens even aan het woord van de Heere Jezus: „Die vader of moeder liefheeft boven. Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden". Leren we Hem liefhebben boven alles? Leren we het kruis op te nemen om Hem te volgen? Leren we onszelf te verliezen? neen - u hebt het gehoord - dat zijn geen zaken die onze natuur ons leert. Onze natuur is daar volstrekt afkerig van. God, 'Gods Geest leert dat. Door Goddelijke triomf leren we dat. We leren dat op de plaatsen waarheen wij niet willen, maar waar de Heere brengt. God examineert steeds weer in het stuk der liefde. Het goud gaat in de smeltkroes, opdat al wat geen goud is uitgezuiverd wordt, en er tenslotte alleen maar goud overblijft. God beproeft Zijn eigen werk. Omdat God de Zichzelf verheerlijkende God is. „Al wat Hij wrocht zal juichen tot Zijn eer".
Is er de openbaring van die triomf in uw leven? U zegt; maar God triomfeerde toch pas aan Petrus' levenseind? U hebt gelijk. Pas aan het eind van het leven van Gods kind Gods triomf volkomen. Maar kent u dan iets van dat bitter wenen van Petrus? Is er de ontdekking van uw verdorven natuur, de ontdekking van uw eigen-liefde, van de zelfhandhaving, van de zelfbewaring, van het niet meer deugen voor God, waard om eeuwig weggeworpen te worden? Zulken worden opgezocht door de Christus, Die gebracht werd waarheen Hij wilde.
Groot en sterk zijn de tegen-machten en krachten in en buiten Gods kind. Wie zal het winnen? De Zichzelf verheerlijkende God is de grote Triomfator! Niets, maar dan ook niets keert Zijn overwinning af. Zijn verheerlijking begint hier reeds, en zal straks volkomen zijn!
Amen.

Augustus 1973