De gegevenen des Vaders bewaard.
Predikatie door Ds. B. v. d. BERG te Kampen.
Ps. 32 :4
Lezen: Joh. 6 : 22-40
Ps. 25 : 2
Ps. 17 : 3 en 4
Ps. 68:11
Ps. 145: 7
En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft. Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uiterste dage.
Joh. 6: 39.
t Is een betekenisvol woord, M.G., dat de Heere eens sprak tot 't Israël van Jesaja's dagen: „dat zij Hem arbeid hadden gemaakt met hun zonden en moeiten met hun ongerechtigheid!" Wie, die zichzelf door genade leerde kennen, zal niet dit woord van ganser hart onderschrijven! Wat al arbeid toch heeft de Heere aan een zondaar besteed, om hem van een Adamskind weer een kind des Heeren; van een omzwervende buiten het aardse Paradijs, weer een deelgenoot te maken van het hemelse Paradijs! Wat al moeiten moet de Heere Zich getroosten, wat al arbeid aan hem besteden, eer hij de somtijds lange weg door dit leven afgelegd heeft, en als een gezaligde de hemelpoort kan binnengaan!
Immers, allereerst moet de zondaar op zijn zondeweg staande gehouden worden; getrokken uit de macht der duisternis en overgebracht tot Gods wonderbaar licht.
Door de krachtdadige en wederbarende werking des Heiligen Geestes moet een nieuw leven der genade in hem uitgestort worden, wijl dat de enge, maar ook de enige poort is, die hem brengt op de smalle weg, die leidt tot het eeuwige leven.
Een tweede werk is, dat zulk een getrokkene nu ook voortdurend moet geleid worden op die weg, waarop de Heere hem gebracht heeft. Alleen toch kan hij geen stap op de weg doen, wijl hij uit zichzelf onbekwaam is om ook maar één schrede hemelwaarts te doen, zonder omringd te zijn van allerlei gevaren. Daarom smeken ze ook gedurig: ,,Heere! maak mij Uw wegen bekend, leid mij en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils."
Maar niet minder moeten zij beschermd en bewaard worden op de weg, waarop de Heere hen door Zijn genade gebracht heeft.
Omringd zijn zij van een heirleger van vijanden, die het op hun ondergang toegelegd hebben, en elk ogenblik hun leven bedreigen. Omgeven zijn ze van talloze gevaren, die menigmaal door hen zelf niet opgemerkt worden, maar die niettemin hen van uur tot uur met een wissen dood dreigen. Daarom mogen zij geen ogenblik aan zichzelf overgelaten worden. Het alziend oog des Heeren moet gedurig op hen geslagen zijn. Beschermd en bewaard moeten zij worden van uur tot uur, van ogenblik tot ogenblik, tegen zoveel, dat hen dreigt, en beproeft uit de hand des Heeren weg te rukken. O, wat zou er van hen terecht komen, als de Heere ook maar één ogenblik Zijn oog en Zijn hand van hen aftrok.
Maar gelukkig, dat doet de Heere niet. De Schrift leert ons duidelijk, dat degenen, die eens aan de Zoon gegeven zijn, en door Hem getrokken zijn, ook door Christus worden bewaard tot het eeuwige leven.
Op die bewaring van de gegevenen des Vaders willen we u in deze ure wijzen. Heffen we vooraf onze harten op tot de Heere, met de bede of Hij ook ons in deze ure in genade gedenken wil.
Gebed.
Zingen Ps. 17 : 3, 4
Tekst : Joh. 6 : 39. En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uiterste dage.
Het grote hoofdonderwerp van het zesde hoofdstuk van Johannes, M.G., zouden wij kunnen noemen: het komen van de zondaar tot Christus. De evangelist beschrijft ons eerst hoe grote scharen tot Jezus kwamen, omdat zij Zijn tekenen gezien hadden, die Hij deed aan de kranken. Dat komen tot en volgen van Jezus vermeerderde nog toen de Heere Jezus op wonderbare wijze een schare van vijfduizend mannen met vijf broden en twee vissen, tot verzadigings toe, spijzigde. Zij volgden Hem zelfs toen Jezus met Zijn discipelen de zee overvoer naar de andere zijde. Maar er is tussen het komen tot Jezus een groot verschil.
Daar is een uitwendig, vleselijk komen, maar ook een inwendig, geestelijk komen, En op dat laatste komt het aan. Daarop wijst Jezus, als Hij tot de schare zegt: „Voorwaar, gij zoekt Mij omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt geworden." Dat is slechts een uiterlijk komen, waarvoor Jezus waarschuwt met de woorden: „Werkt niet om de spijze, die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven." Vervolgens wijst Jezus Zichzelf aan als die spijze tot het eeuwige leven, als Hij zegt: „Ik ben het brood des levens; die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmer meer dorsten. Die nu tot Hem komt als het Brood des levens, komt tot Jezus op de rechte wijze. Dat komen is een geestelijk komen. Maar wie zijn het, die zó tot Hem komen? Jezus Zelf zegt het ons: „Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen." Neen, niet allen zullen uit ware zielsbehoefte tot Jezus komen. Dat zullen alleen doen de gegevenen des Vaders. En die zó tot Jezus komen, zal Hij geenszins uitwerpen. Troostrijke waarheid, M.G., voor allen, die uit ware zielsbehoefte tot Christus de toevlucht hebben genomen. Immers, die gegevenen zijn de uitverkorenen ten leven, de opgeschrevenen in het boek des levens, van eeuwigheid reeds gegeven aan de Christus, om hen te trekken uit de macht der duisternis, hen door Zijn bloed te rechtvaardigen en door Zijn Geest te heiligen. Zalig, M.G., als we zulk een van de Vader aan Christus gegevene mogen zijn. Wij zullen dan zekerlijk tot Christus komen. De Heilige Geest zal niet alleen overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, maar ook tot Christus de toevlucht doen nemen, om als een gans verlorene in Hem behoudenis te zoeken. En dan zal er geen gevaar zijn van omkomen. Want, die door de Vader aan Christus gegeven zijn; door Christus bij aanvang verlost zijn uit de macht van zonde en satan, worden ook tot in eeuwigheid door Hem bewaard. Hoe duidelijk spreekt Christus dat uit in onze tekst. Soms is in de taal de ontkenning juist een sterkere bevestiging. Zo ook hier. De ontkennende uitdrukking „niet verlieze", wijst ons te sterker op het tegengestelde „maar beware." We moeten dit woord van Jezus naar zijn betekenis dan ook aldus lezen : „En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar beware) en het opwekke ten uiterste dage."
Overdenken we dan in deze ure:
DE GEGEVENEN DES VADERS BEWAARD,
terwijl we nagaan:
I. Naar wiens wil ze worden bewaard;
II. Door wiep ze worden bewaard;
III. Waarvoor ze worden bewaard;
IV. Waartoe ze worden bewaard.
I. Naar wiens wil de aan Christus gegevenen worden bewaard.
Dat ze bewaard worden, die eenmaal door de Vader aan Christus gegeven zijn, wordt ons op vele plaatsen der Heilige Schrift gepredikt. Denk slechts aan het troostrijk woord, dat de apostel Petrus de gelovigen toeriep „dat zij in de kracht Gods door het geloof bewaard worden tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd." Herinner u het woord van Christus uit het Hogepriesterlijk gebed : „Heilige Vader, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard." Van die bewaring spreekt Jezus ook in onze tekst. Hoe dikwerf wordt dus van de bewaring der gelovigen gesproken, en hoe troostrijk mag dat zijn voor aI het strijdend volk des Heeren, dat zo dikwerf wordt aangevallen met de vreze of ze nog niet eens zullen omkomen. Maar gelukkig, het is niet waar wat de vijanden van het ware werk Gods zo menigmaal verkondigen, dat iemand, die als een gegevene des Vader waarlijk tot Christus gekomen is, nog verloren zou kunnen gaan. Er is geen afval der heiligen. Het mag somtijds de schijn hebben, alsof sommigen van degenen, die Jezus volgen, weer afvallen ; het is ook slechts schijnbaar. Zeker, wel kan zulks geschieden met degenen, die slechts uitwendig tot Jezus kwamen, maar met degenen, die inwendig, op geestelijke wijze tot Jezus komen, niet. Zij, die alleen uitwendig tot Jezus komen, zijn geen gegevenen des Vaders. En zullen gaan, vroeger of later, weer van Christus heen. We zien het uit de schare, die in ons teksthoofdstuk ons getekend wordt. Toen Jezus zei, dat alleen zalig zouden worden, die op geestelijke wijze het vlees van de Zoon des mensen zouden eten en Zijn bloed drinken, gingen velen van die uitwendige discipelen terug en wandelden niet meer met Hem. Maar toen Christus tot de Hem gegeven en inwendig tot Hem gekomen discipelen zei: „Wilt gijlieden ook niet weggaan?", was het antwoord: „Heere, tot Wien zullen wij heengaan ? Wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des Levenden Gods!" Niettegenstaande alle verzoekingen zullen zij volharden tot den einde en niet meer van Christus heengaan.
Dat zij nu niet weggingen, hadden zij niet aan zichzelf te danken. Indien de Heere hen aan zichzelf overgaf, zouden zij naar de inspraak van hun natuurlijk hart ook weer van Jezus heengaan. Maar de Heere bewaart hen. er voor, omdat zij gegevenen des Vaders zijn. Daarom wordt het hen zelf een oorzaak van grote verwondering, en zeggen zij met een oude christen: „'t Was mij een wonder, dat God mij op de de weg der genade gebracht heeft, maar nog groter wonder, dat de Heere mij op de weg der genade gehouden heeft."
En als ze dan naar de diepste oorzaak van die grote weldaad vragen, ontvangen ze hier het antwoord in onze tekst. 't Is naar de wil des Vaders, dat zij bewaard worden. Hoor slechts hoe de Zaligmaker getuigt: „Dit is de wil des Vaders...... dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze." Met eerbied zij het gezegd: de Vader wil degenen, die Hij eens aan Zijn Zoon gegeven heeft, niet meer kwijt. Zij zijn in Zijn ogen als kostelijke edelgesteenten, die tot in alle eeuwigheid tot Zijn eer en heerlijkheid schitteren zullen. 't Is dus de wil des Vaders, dat alle gegevenen aan Christus tot de zaligheid bewaard zullen worden, omdat Zijn wil is een souvereine wil, om die gegevenen zalig te maken. Neen, Hij zocht niets in de mens, toen Hij hen verkoor om hen aan Christus te geven. Het was alleen Zijn vrijmachtig welbehagen, waardoor Hij hen verkoor en aan Zijn geliefde Zoon gaf om hen zalig te maken. Niets vond Hij in hen, waardoor Zijn liefde tot hen zou kunnen opgewekt worden. Wel had Hij hen lief met een eeuwige liefde, maar de grond van die liefde lag niet in die verkorenen, maar louter en alleen in God Zelf. Maar juist daarom begeert de Vader nu ook, dat de verkorenen voor Hem bewaard zullen worden. Omdat Hij van eeuwigheid reeds Zijn oog en hart op die gegevenen aan de Zoon had gezet, is het Zijn vrijmachtige wil, dat zij tot in eeuwigheid voor Hem bewaard worden. Hier mag wel heilige verwondering het hart der gelovigen vervullen bij het zien op dat heilgeheim.
Meer nog! 't Is ook des Vaders onberouwelijke wil om die aan Christus gegevenen zalig te maken. Als de mens iets aan een mens geeft, heeft hij er later soms berouw van. Hoevele schenkingen worden later weer herroepen en ongedaan gemaakt! Hoevele voornemens blijven soms onuitgevoerd! De mens is veranderlijk als de golven der zee. Maar zo is het met God niet. Hij is geen mensenkind, dat Hij liegen zou, of dat Hem iets berouwen zou. Hij blijft de Onveranderlijke, ook in de wil om de aan Christus gegevenen zalig te maken. Daarin ligt de zekerheid voor het zalig worden `der gelovigen. En daarom kon de apostel Paulus, (en alle gelovigen met hem), roemen : „Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk." Welk een vastigheid ligt hier voor allen, die, als gegevenen des Vaders, waarlijk tot Christus gekomen zijn, als ze zien op zichzelf in hun ellende, ook na ontvangen genade.. Hoe de vijand hen ook met de vreze aanvecht, dat ze nog wel eens af zullen vallen hoe ze zelfs, soms in bange uren in kleingeloof uitroepen: „Ik zal nog een der dagen omkomen door de hand van Saul" ; zij zullen naar de wil des Vaders, die onberouwelijk is, bewaard worden, opdat zij niet verloren gaan. En hebben zij daarvan, bij ogenblikken, niet de lieflijkste bewijzen ? Waarom was het, dat zij in de ure der verzoeking niet teruggingen ? Dat ze onder alle strijd en aanvechting met Mozes verkozen, liever met het volk. Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genietingen der zonde te hebben ? 't Is, omdat zij naar de wil des Vaders bewaard worden, om van de Heere weg te gaan en met Ruth te kunnen getuigen: „Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, want uw God is mijn God en uw volk is mijn volk." Neen, dat is niet hun werk, maar Gods werk.' Als zij aan zichzelf werden overgelaten, en zichzelf moesten bewaren, was het een verloren zaak. Daarom geven ze daarvan ook Gode alleen de ere en belijden van ganser harte met onze vaderen: „Vanwege de overblijfselen der inwonende zonde en de bijkomende verzoekingen der wereld en des satans zouden de bekeerden in deze genade niet volstandig kunnen blijven, indien zij aan hun eigen krachten overgelaten werden. Doch God is getrouw, Die hen in de genade, hun eenmaal geschonken, barmhartiglijk bevestigt en in dezelve tot de einde toe krachtiglijk bewaart." (Leerr. v. Dordt. Vde Hoofdst. III) . Daarom zullen ze hier, bij het zien op die bewaring, reeds de lofzang der Godsverheerlijking aanstemmen: „Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwe Naam alleen geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil." Welgelukzalig als daarvoor ons oog mag ontsloten zijn, dat het des Vaders wil is, dat de gegevenen des Vaders bewaard worden tot de zaligheid. Het zal troost en sterkte geven te midden van de strijd des geloofs, die Gods kinderen hier gedurig hebben te strijden. Het leert hen steeds meer verstaan dat hun zaligheid vast ligt en uitgewerkt wordt door een Drieënig God. Dat zal ons blijken, als we er op letten:
II. Door wien zij worden bewaard.
Ook daarop geeft onze tekst het antwoord. Christus Zelf zegt ons: „Dit is de wil des Vaders...... dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze."
t Is dus Christus Zelf, Die de gelovigen, Hem door de Vader gegeven, tot het eeuwige leven bewaart.
Dat doet Hij allereerst, omdat Hij de opdracht heelt ontvangen om hen te bewaren. De Vader droeg Hem niet slechts op, om alles te doen, wat tot verlossing van die gegevenen nodig was, maar ook om hen bij die verworven verlossing te beschutten en te bewaren. In Zijn Middelaarslastbrief staat geschreven, dat Hij de gegevenen, als Priester door Zijn schuldrantsoen des bloeds, moet vrijkopen en verlossen; maar ook als Koning hen moet regeren, bewaren en beschermen, opdat ze niet verloren zouden gaan. Zo heeft de Vader al het werk tot zaliging van die, aan Hem gegevenen, in Zijn hand gelegd. Als de Knecht des Vaders moet Hij het verkoren Israël naar de geest, tot de Vader wederbrengen, maar ook ten einde toe voor Hem bewaren. Welk een troost ontspruit hier voor alle gegevenen des Vaders. Immers, het zegt hun dat hun zaligheid uit, door en tot God is. Dat hun werk tot behoudenis van het begin tot het einde; bij aanvang, voortgang en voleinding het werk des Drieënigen Gods is; van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest. Ja, naar de wil des Vaders, door de macht des Zoons, in de kracht des Geestes worden zij bewaard tot de onverderfelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor hen. O ! hier ontvangen ze stof om de wil en het raadsplan Gods tot hun zaligheid te bewonderen. En wat de Vader nu aan Christus opgedragen heeft, heeft de Zoon in eeuwigheid reeds vrijwillig op Zich genomen. In de eeuwige vrederaad weerklonk door de hemelzalen reeds het, van volkomen overgave getuigend, antwoord op de opdracht des Vaders : „Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uwe Wet is in het midden mijns ingewands." De Christus was niet slechts bereid, om die gegevenen te lossen voor de Vader, maar ook om hen voor Hem te bewaren. O, als Gods kinderen dat meer in de praktijk van hun leven mochten verstaan, wat zouden ze ook bij de voortgang op de weg des levens het werk hunner zaliging meer in de hand des Middelaars overgeven. Ach ! hoe menigmaal stellen zij zich nog aan, alsof zij zelf voor hun bewaring moesten zorgen. Geen wonder, dat zij dikwijls in vreze omtrent hun zaligheid hun weg moeten bewandelen. Gelukkig daarom, die het geleerd heeft, dat niet hij zichzelf moet bewaren, maar dat Christus de opdracht des Vaders ontvangen heeft om de Hem gegevenen te bewaren. Het zal hem met vertrouwen zich aan de bewaring des Middelaars doen overgeven. En dat kan hij veilig doen, omdat Christus niet alleen de opdracht heeft ontvangen, maar ook de begeerte heeft om de gegevenen te bewaren. Neen! Christus bewaart de Zijnen niet slechts, omdat de Vader het wil, maar ook omdat Zijn liefdehart er Hem toe dringt. Naar waarheid kon de evangelist er van getuigen, dat Hij degenen, die Hij lief heeft gehad, heeft liefgehad tot den einde.
Ja, Hij begeert hen te bewaren, omdat ze Hem zijn gegeven als een kostbaar loon op Zijn Middelaarswerk, De Vader had tot Hem gezegd: „Eis van Mij en Ik zal U geven de Heidenen tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting."
Hem was de belofte gedaan : „Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zal Hij zaad zien, en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan." Daarom draagt Hij de namen der gegevenen op Zijn Middelaarshart en zijn ze in Zijn ziel geschreven. Afgebeeld was dat reeds door de Hogepriester des Ouden Verbonds, die in de borstlap de namen der twaalf stammen Israëls, gegraveerd in edelgesteenten, als een kostbare schat op zijn hart droeg. Zó draagt de Hogepriester des N. Verbonds de twaalf stammen van het geestelijk Israël steeds op Zijn Middelaars- hart, omdat zij Zijn loon zijn op de arbeid Zijner ziel. Ook daarom begeert Christus hen te bewaren, wijl zij duur gekocht zijn door Zijn Middelaarsbloed. Hij heeft de kostbare prijs van Zijn bloed voor hen gegeven. „Wetende", zegt de apostel Petrus, „dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam."
Dat leren de gegevenen des Vaders dan ook allen verstaan, dat zij duur zijn gekocht. Wat heeft Christus onder nameloze smarten in Gethsémané en op Golgotha Zijn bloed moeten plengen om hen te kopen en tot Zijn eigendom te maken, Maar juist omdat Hij hen zo duur gekocht heeft, begeert Christus hen ook te bewaren. Gaat het niet reeds in het natuurlijke zo? Wat wij met veel moeiten en arbeid, voor een kostbare prijs hebben verworven, stellen we des te meer op prijs. Dat begeren wij ook te behouden. Maar nog veel meer begeert Christus de Zijnen, die Hij zo duur gekocht heeft, te bewaren. Hij draagt er zorg voor, dat Hij er niet één uit verliest, maar bewaart hen allen als kostbare kleinodiën. Ze zijn voor Hem de kostbare parelen, opgevist uit de diepste zee van des zondaars verlorenheid en schuld. Hier mag wel heilige verwondering alle begenadigden vervullen. Zij, die zichzelf hebben leren kennen als van nature gans onwaardigen, worden door Christus geschat als waardeloze parelen, die eenmaal aan Zijn Middelaarskroon en Middelaarsgewaad zullen schitteren tot in alle eeuwigheid. Welk een wonder van genade! Moet gij dat niet uitroepen; gij, die u zelf hebt leren kennen, als gans melaats van de hoofdschedel tot de voetzool toe? Maar, als ge door 't geloof dan ook iets moogt zien van de genade, door Christus voor en aan u geschonken, kunt ge toch bij ogenblikken met de Bruid uitroepen : „Ik ben zwart, doch liefelijk." Met Paulus wordt dan de roemtaal aangeheven : „Die Mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij heeft overgegeven." En als Christus Zich dan Zelf voor u heeft overgegeven, overgegeven tot in de dood des kruises, zal Hij u dan ook niet bewaren ? Zeer zeker, M.G. Ja, Hij begeert de Hem gegevenen te bewaren, ook daarom, wijl zij toegebracht zijn door Zijn Middelaarshand. Met eigen hand toch heeft Hij die gegevenen des Vaders getrokken uit de macht van zonde, wereld en satan, en hen toegebracht tot Zijn koninkrijk opdat zij Zijn onderdanen zouden zijn. Immers, zij lagen gebonden onder de macht van die drievoudige heerschappij. Uit die macht moesten zij verlost worden en Hem toegebracht. Eén voor één moesten zij uit dien slavendienst bevrijd worden. En dat doet Christus bij elk, op de tijd daartoe in Gods raad bepaald. De een brengt Hij toe als een Manasse of een Paulus, terwijl hij dreiging en moord blaast tegen God, Zijn Gezalfde en Zijn gemeente. En de ander brengt Hij toe, terwijl hij uitwendig godsdienstig leeft als een Lydia, wier hart werd geopend, zodat hij de stem van de Goede Herder begint te horen en verstaan. De een rukt Hij uit die macht der slavernij, terwijl hij nog maar pas begint te leven, gelijk Obadja en Timotheus; de ander in de kracht zijns levens, gelijk een Paulus op de weg naar Damascus; een derde, terwijl hij op hoge leeftijd gekomen is en tot de grenzen des grafs is genaderd, gelijk een moordenaar.
Maar welk een arbeid kost het Hem om hen toe te brengen. Daartoe moet Hij in het huis des Sterkgewapenden ingaan om hem die vaten te ontroven, en de macht van zonde, wereld en satan trotseren om ze uit die boeien te verlossen. Is het dan wonder, M.G.,dat de Christus begeerte heeft, om die met zoveel arbeid en moeite toegebrachten, te bewaren ? Neen, M.G. ! 0, Hij houdt nauwkeurig toezicht over Zijn schapen, opdat Hij niemand uit hen verlieze. Hij telt, om zo te zeggen, Zijn schapen gedurig. Hij kent hun getal. Hij heeft hen gemerkt met Zijn bloed, begiftigd met Zijn beeld, gesierd
met Zijn Naam, verzegeld met Zijn zegel. Welk een arbeid en zorg besteed Hij aan hen! Vestig uw aandacht er eens op als gij hope moogt hebben bij die gegevenen des Vaders te behoren. Dan zal het
u met heilige verwondering vervullen voor zulk een liefde, en met ootmoed doen uitroepen
„Waarom was 't op mij gemunt,
Daar zovelen gaan verloren,
Die Gij geen ontferming gunt."
Neen, onder Zijn bewaring behoeven ze niet te vrezen. Hij heeft immers de macht om ze te bewaren. Hij is de sterke Held uit Juda's stam, Die alle macht heeft in hemel en op aarde. Hij kon getuigen: „Ik heb de sleutels der hel en des doods." Welke vijand zich ook moge opmaken om die gegevenen des Vaders uit Zijn hand te rukken; het zal hen niet gelukken. Voor Zijn macht moeten ze terugdeinzen. Hij verslaat hen allen en doodt hen met de adem Zijns monds. Daarom roept Hij het de Zijnen zo troostrijk toe : „Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven. Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Niemand zal ze uit Mijn hand rukken."
O, laat het u tot bemoediging zijn, kinderen Gods, die nog zo menigmaal met de vreze wordt aangevochten of gij wel het eeuwig Sion zult binnengaan. Christus heeft de macht om al de Zijnen te bewaren. 0! mistrouw Hemt niet door ongeloof, maar geef u met vertrouwen over in Zijn hand. Naar waarheid heeft iemand gezegd: „Laat toch niet na te geloven en te hopen; de weg beneden u, hoe diep ook, is enkel zegen; de hemel boven u, hoe bewolkt ook, is enkel trouw." Mag het soms in de leiding van uw leven bij ogenblikken de schijn hebben, alsof Zijn bewaring niet over u is; eens zal het blijken, dat Zijn oog wakend over u was, ook toen gij het allerminst kondt zien, en in uw hart zei met Sion: „De Heere heeft mijner vergeten, de Heere heeft mijner verlaten." Dan zult ge in u zelf bevestigd zien, dat de Heere niet laat varen het werk Zijner handen, maar het voleindt tot op de dag van Jezus Christus, trots alle aanvallen des vijands.
Dat zal ons duidelijk worden als we zien:
III. Waarvoor ze worden bewaard.
Dat is voor de drie doodsvijanden, die volgens onze Catechismus, niet ophouden de gelovigen aan te vechten, en het op hun ondergang toegelegd hebben.
Zij worden bewaard allereerst voor de verwoesting der zonde. De zonde toch tracht ook die gegevenen des Vaders nog te verwoesten. En dat zowel de zonde in hen als buiten hen. Immers, al zijn zij, door de Vader gegeven, tot Jezus gekomen; al zijn zij bij aanvang verlost van de zonde, zodat zij de zonde hebben leren haten en vlieden; al zijn zij zelfs in beginsel dood voor de zond ; toch is de zonde voor hen niet dood. Zij werkt ook na ontvangen genade in hen nog na, en is buiten hen er gedurig op uit om hen in haar strikken te vangen, en, ware het mogelijk, nog eeuwiglijk te verwoesten. Daartoe komt zij nog telkens tot hen, soms in haar meest bekoorlijk gewaad, maar ook wel in haar dreigende gestalte om Gods kinderen te verzoeken, en, ware het mogelijk, te verleiden. O, wie van die gegevenen kent die verzoekingen der zonde niet ? Wat kan de zonde, na ontvangene genade, het hen nog bang maken, zodat zij telkens de jammerklacht slaken: „O, die zonde, die zonde !" En in wat al verschillende gestalten komt de zonde tot hen. Zij kwam tot Abraham, in de gestalte van vrees voor Farao, om hem te verleiden tot de leugen. Tot Lot in de gedaante van grootsheid des levens. Tot een Salomo in het gewaad van vleselijke begeerlijkheid. Zij weet zich te voegen naar de neiging in ieders hart, bij de een zo en bij de ander weer anders. Want al liggen de wortelen van alle zonden in ieders hart, toch is de ene ongerechtigheid bij die, en een ander zonde bij deze, weliger opgeschoten. Terecht is gezegd dat ieder mens zijn boezem of koningszonde heeft, waarvoor hij het meest bloot ligt. Te gevaarlijker is dáárom de zonde, omdat zij binnen in de gelovige nog een bondgenoot vindt in de oude mens, die nog trek heeft om de zonde in te willigen. In welk gevaar verkeren dus nog de gelovigen om door de zonde verwoest te worden.
Helaas! soms krijgt de zonde ook na ontvangen genade voor een ogenblik de overhand, en laat de Heere het in Zijn wijsheid even toe, dat de zonde haar dodelijke werking aan en in de gelovigen doet gevoelen. Denk aan Abraham in Egypte, aan Lot in Sodom, aan David op het dak van zijn paleis. Maar al mag de Heere naar Zijn wijsheid en rechtvaardigheid soms toelaten, dat de zonde de gegeven des Vaders nog een smartelijke wonde toebrengt; hen verlaten in en overgeven aan de zonde doet Hij nooit. Neen! Hij bewaart ze voor de dodelijke verwoesting der zonde, door ze weer tot berouw over, belijdenis van en vlieden van de zonde te brengen. Nooit zal de zonde over een eenmaal door de Vader gegeven de heerschappij terug ontvangen. De zonde mag tot hen komen in haar kwellende macht; de heerschappijvoerende macht blijft voor altoos verbroken. Dit niet in 't oog te houden, doet vele waarlijk bij aanvang verlosten vrezen, dat zij nog onder de heerschappij der zonde verkeren, terwijl het toch niet anders dan de kwellende macht is, waaronder zij zuchten. Daarom vraag of de Heere daarover licht geve. En dan mag het u tot troost zijn, dat Christus al de Zijnen bewaart voor de verwoesting der zonde en ook deze vijand van de gegevenen volkomen heeft overwonnen. Welk een weldaad, M.G.! Dat mag, ook onder alle strijd der zonde, soms zelfs ten bloede toe, met het oog op uw Zondevernieler, u Bemoedigd uw weg doen gaan.
Niet minder worden zij bewaard voor de verderving der wereld.
Ook de wereld tracht de gegevenen des Vaders nog aan Christus te ontroven. En ook deze werkt door verlokking en bedreiging. Nu eens tracht zij het kind Gods te lokken naar het terrein der wereld, en dan weer door bedreiging hem te dwingen om Jezus de rug toe te keren en der wereld het aangezicht. Zij zegt tot de kinderen Gods, dat hun christen-zijn hen toch niet behoeft te hinderen om ook nog iets van de wereld te genieten. Zij moeten zich niet zo streng afzonderen! Als ze dat willen, zouden ze wel uit de wereld moeten gaan! Daar zijn toch ook nog wel geoorloofde vermaken! Helaas! hoeveel uitwendige christenen bezwijken voor die lokstemmen der wereld.
Zij menen zelfs nog steun voor hun handelingen in Gods Woord te vinden. Heeft de Heere Jezus Zelf niet gebeden: ,,Vader! Ik wil niet, dat Gij ze uit de wereld weg neemt, maar dat Gij ze bewaart van de boze?" Zo trachten zij eerst God en de wereld beiden te dienen. Maar als blijkt, dat dit niet kan, wordt tenslotte de dienst des Heeren verlaten en de wereld gekozen. Dan worden zij Demas gelijk, van wien de apostel eens moest klagen : „Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld wederom lief gekregen." O, hoe droevig M.G. ! Wel mag er een gedurig gebed opgaan, dat de Heere ons daarvoor beware. Maar ziet! daarvoor bewaart Christus nu de door de Vader gegevenen. Ach! wel kunnen zij soms tot op de grens der wereld naderen, ja, voor een ogenblik in haar strikken verward raken. Zie het maar aan Lot, en aan Naomi, hoe de een in Sodom en de ander in Moab voor een tijd verstrikt wordt.
Ook kunnen zij, helaas! de wereld nog in haar schijngeluk benijden. Als de Heere Zijn vriendelijk aangezicht verbergt; als hun wateren eens vollen bekers uitgedrukt worden, en hun bestraffing er is alle morgens; terwijl zij zien dat de wereld geen banden heeft tot de dood toe; o zie, dan zijn zij nog in gevaar om die wereld te benijden, en - door die wereld verdorven te worden...... Maar gelukkig, al zijn zij in gevaar, daarvóór worden zij door hun getrouwe Zaligmaker bewaard. Hij verlost ze ook uit de strikken der wereld, Hij doet het licht der genade weer over hun ziele opgaan, zodat ze in hartgrondig berouw met Asaf erkennen, dat de Heere ook in ,donkere wegen de Zijnen goed is. Dan belijden zij de dwaasheid van hun wereldbenijding, instemmend met zijn lied:
„Maar ach! hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed,
Schier uitgeweken en mijn treén,
Van 't spoor der godsvrucht afgeleén !"
Maar daarin ligt juist het bewijs dat de Christus de Zijnen ook bewaart voor de eerdervingen der wereld en hen in de strijd met de wereld bemoedigend toeroept: „Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen !"
En eindelijk, zij worden ook bewaard voor de verslindingen des satans. Deze gaat om als een briesende leeuw. Hij waart rondom de gelovigen, zoekende om hen te verslinden. Hoe hij hen zoekt te verderven, bemerken we, als we vernemen, hoe hij David aanport om het volk te tellen; Petrus om de Meester te verloochenen, de discipelen om vuur van de hemel te begeren, en hen God te doen verlaten om hem toe te vallen.
Maar al laat de Christus soms even toe, tot ontdekking van hun eigen zwakheid en dwaasheid, dat hij een ogenblik vat op hen krijgt; toch geeft Hij hen niet in zijn verdervende macht over. Uit degenen, die de Vader Hem gegeven heeft, heeft de Zaligmaker niemand verloren. Een David bevrijdde Hij uit zijn strikken; een Paulus mocht roemen: „ik ben uit de muil des leeuws verlost", en een Petrus zeide Hij reeds van te voren zijn bewaring toe: ,,Simon! Simon! de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoud!"
O, welgelukzalig dus het volk dat in de strijd met de drie loodvijanden door de sterke Held Immanuël bewaard wordt. Wel kunnen die vijanden het hen bang maken. Zelfs kunnen zij hen zeer in de engte dringen, zodat ze uit de benauwdheid tot hun Bewaarder moeten roepen: „Heere behoedt ons, wij vergaan!" Maar hoe hoog de nood ook moge gaan, te midden van het woeden en briesen hunner vijanden mogen zij van hun Zaligmaker het profetisch lied van de zanger des Ouden Verbonds aanheffen:
Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,
God zal Zijns vijands kop verslaan, enz.
Ps. 68 : 11.
Komt, doen wij dat ook in deze ure,
ja, zo bewaart de Christus de Hem van de Vader gegevenen door de kop Zijner vijanden te verslaan en neder te vellen al wat zich tegen hen durft stellen. En dat doet Hij niet slechts voor een ogenblik, hier op deze aarde, maar altoosdurend zowel in, ja zelfs na dit leven.
Dat zullen wij verstaan als we met elkander nagaan:
IV. Waartoe zij worden bewaard.
Dat is M.G., tot de zalige wederopstanding der doden in de jongste dag. Hoor het maar uit het getuigenis des Zaligmakers: „Dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke te uitersten dage." 't Is dus de wil des Vaders, dat Christus de Zijnen altoosdurend zal bewaren, vanaf het ogenblik, dat zij als gegevenen des Vaders tot Hem komen hier op aarde tot de stonde, dat zij door Hem opgewekt worden uit het graf der opstanding. Dat toch wordt er mede bedoeld als Jezus spreekt van te uitersten dage. Tot zolang gaat de bijzondere bewaring van Christus over de Zijnen. Dan pas is het ogenblik gekomen dat zij naar lichaam en ziel volkomen bevrijd worden van alle verdervende machten. Zo worden ze dus in en na dit leven door Christus bewaard; bewaard met bijzondere zorg tot de opwekking te uitersten dage. Dat is het grote doel van de verlossing, dat Christus de Zijnen, Hem door de Vader gegeven, in de dag der opstanding aan de Vader zal teruggeven, als een door Hem volmaakte gemeente zonder vlek of zonder rimpel.
Met het oog op die opwekking te uitersten dage bewaart de Christus hen in dit leven. Omdat Hij ze moet opwekken te uitersten dage, trekt Hij in dit leven Zijn bewarende hand geen ogenblik van hen af. Wel schijnt het soms naar het uitwendige zo, als Hij ze in grote verdrukking neerwerpt, ja, zelfs de vijand schijnbaar over hen doet triomferen. Maar ook dan nog vervult Hij Zijn beloften, gelijk wij gezongen hebben: „Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken." Ja, in alle benauwdheid is Hij met hen benauwd en als de Engel van Gods aangezicht gaat Hij voor hen henen. Met de drie jongelingen is Hij in de brandende oven, met de discipelen in het door storm bedreigde schip, met Petrus en Paulus in de gevangenis. Waartoe worden ze nu zo nauwkeurig in dit leven door Christus bewaard? Omdat het de wil des Vaders is, dat Hij hen opwekt te uitersten dage. Hij moet hen naar lichaam en ziel uit de dood tot de Vader wederbrengen. Niet slechts voor de ziel maar ook voor het lichaam heeft Hij hun volkomen verlossing op Zich genomen.
Met het oog op die opwekking te uitersten dage bewaart Hij hen ook bij het scheiden uit dit leven. Neen, ook in de stervensure ver laat Hij de Zijnen niet. 't Is waar, ook dan kunnen de vijanden nog dreigen met verderf .en ondergang. Toen Christen uit Bunyan's pelgrimsreize in de dood-Jordaan was, dreigden de vijanden hem nog met dood en verderf van rondom. Maar Jezus Zelf stond aan de oever om hem veilig door de rivier des doods te doen geleiden. Ja, Hij voert hen Zelf de doods-Jordaan in om hen straks te kunnen opwekken te uitersten dage. Juist door de tijdelijke dood moet het sterfelijke van dit leven verslonden worden. Daarom behoeven de gegevenen des Vaders ook voor het sterven niet te vrezen. Wel doen ze het menigmaal. Maar de wetenschap, dat Christus hen ook in het sterven niet verlaat, maar hen bewaart tot de opwekking te uitersten dage, mag hen met David het lied des geloofs doen aanheffen: „Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zal geen kwaad vrezen, want Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij!" O, zij er maar veel gebed, dat de Heere bij het scheiden uit dit leven.
Zijn bewaring ons kennelijk mag doen ervaren. Dan zal in onze uitgang de hand des Zaligmakers gevoeld worden om ons te leiden tot de eeuwige Fontein der levende wateren. Want Jezus bewaart de
gegevenen des Vaders tot de opwekking te uitersten dage zelfs na dit leven. Hun ziel is, ontkomen aan alle strijd, onder Zijn onmiddellijke bewaring in de hemel. Johannes zag de zielen der gezaligden
aldaar vertoeven onder het altaar. Geen vijand kan ze daar meer vervolgen, noch enig leed doen. Zij verkeren onmiddellijk onder Jezus' beschermende vleugelen. Maar ook hun lichaam wordt tot de dag der opstanding met zorg door Jezus bewaard. Hij waakt over hun graven. Met een dichter mogen zij getuigen:
Ook mijn stof rust op Uw trouw,
Sluimert in Uw vaderhand,"
Welk een genade, zo door Christus bewaard te worden tot de opwekking te uitersten dage. Laat dan het graf het lichaam tot stof verteren ; laat het de laatste vernedering zijn, die de gelovige wegens de zondeval moet ondergaan; wat deert het, als straks het woord des apostels door Christus Zelf vervuld wordt : „Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvorming worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen Zichzelve kan onderwerpen." Welk een troost voor de gelovigen, bij het zien op het donkere graf dat zij tegemoet reizen, dat hun Zaligmaker ze óók in het graf bewaart om ze op te wekken te uitersten dage. Die troost mag hen met de psalmist des Ouden Verbonds, zelfs met het gezicht op hun doodsspelonk, het lied der hope op de lippen doen nemen:
„Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd,
Mijn tong, mijn eer, zingt Godgewijde tonen
Ook zal mijn vlees, thans afgesloofd, ten spijt
Des vijands in de grafkuil zeker wonen.
Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten.
Uw Heilige zal van geen verderving weten !"
Want al werd dit woord profetisch gezongen van de Borg, het geldt toch ook van degenen, die van Hem zijn. Juist omdat Hij voor hen het graf is ingegaan en is opgestaan, heeft Hij verworven, dat ook zij in het graf niet blijven, maar door Hem opgewekt worden te uitersten dage. Dat mag hun tot een rijke bemoediging zijn als zij zien, dat hun levensweg steeds meer naar het graf neigt, en de aardse tabernakel steeds meer afgebroken wordt. Daarom de vraag M.G. ! Moogt gij reeds behoren bij die door de Vader aan Christus gegevenen? Moogt gij door genade daarop bevestigend antwoorden? Dan mogen we u gelukkig prijzen. In dit woord ligt een krachtige sterkte voor allen die het weten mogen, dat zij daartoe behoren. O, als ge een oog moogt hebben voor de verdorvenheid van uw eigen hart, en de macht uwer vijanden, zult gij moeten belijden dat gij die bewaring nodig hebt, Hoe troostrijk is het echter, dat de Vader Zelf aan Christus opgedragen heeft de Hem gegevenen te bewaren. En mag de vijand u soms trachten wijs te maken, dat ge wel kans hebt op omkomen, gedenk dan dat dit onmogelijk is t is Christus Zelf Die u bewaart. En in Zijn hand zijt gij veilig. Niemand zal de Zijnen uit Zijn hand rukken. Zegt ge, dat ge dit niet altijd vast kunt houden? Vraag daarom geloof om u kinderlijk daarop te verlaten, ook al kunt gij 't niet altijd zien. Dan zult ge er de troost van genieten. Bedenk echter, dat wel de troost van die bewaring, maar niet de bewaring zelf van het geloof afhangt. Christus bewaart de Zijnen ook, al kunnen zij er bij ogenblikken niets van zien. En hoeveel uw verzoekingen ook mogen zijn, hoe talrijk ook uw vijanden, Jezus is de Machtige om u voor de verdervingen van allen te bewaren, hier aan deze zijde des grafs, maar ook zelfs in het graf, waaruit Hij u zal opwekken te uitersten dage, om u zonder vlek of rimpel aan de Vader voor te stellen. Laat het hier dan schijnbaar naar de diepte gaan, door de diepte heen, zelfs door de diepte des grafs, wordt zij door Christus gevoerd tot de hemelse hoogten, waar het woord vervuld wordt, dat al de Zijnen met Hem zullen zitten in Zijn troon om als koningen te heersen tot in eeuwigheid: Neen, Hij bewaart u niet slechts aan deze zijde des grafs, maar zelfs als ge in het graf ligt. Hij zal al Zijn gegevenen opwekken te uitersten dage, hen aan alle vijanden ontkomen heenvoeren naar dat land waar geen Kanaäniet meer is, en waar niemand zeggen zal: ik ben ziek, maar waar het volk, dat daar woont, vergeving van ongerechtigheid zal hebben.
Maar misschien durft ge nog niet zeggen, dat ge bij die gegevenen behoort. Toch mag dit woord ook tot bemoediging zijn voor u, die leeft in de begeerte om bij dat volk te mogen behoren. Zo zullen ze ook in ons midden zijn. Is dat niet uw begeerte, gij die bij aanvang aan uzelf ontdekt zijt en u als een verlorene hebt leren kennen? Gij ziet u als een gans schuldige tegenover God, omringd van vijanden; meent, dat gij er gans buiten staat, en vraagt, hoe gij het weten kunt of gij ook zulk een aan Christus gegevene zijt ? Hoor dan uit het woord van Christus Zelf het antwoord: „Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen." Onderzoek u dus of ge als een gans verlorene tot Christus gekomen zijt. Kunt ge dat niet ontkennen? Schep dan moed! Al fluistert de vijand u dan in, dat gij te schuldig zijt en dat Hij met zulke ellendigen niet te doen wil hebben; Jezus Zelf roept u toe: „die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." Pleit op dat woord! Houdt u daaraan vast! En dan zult ge 't steeds meer ervaren, dat zij, die zo tot Christus komen, ook door Hem bewaard worden. Bewaard in dit leven, bewaard zelfs na dit leven, bewaard tot in eeuwigheid.
Maar daarom ligt hier ook een ernstige vermaning voor degenen, die menen bij die gegevenen des Vaders te behoren en toch nog nooit in waarheid tot Christus gekomen zijn. Het voorbeeld zien we in de Joden, die slechts uitwendig tot Jezus kwamen. Ach! zij erge n zich aan. Jezus, toen Hij Zichzelf als de Enige weg tot zalf d predikte. O! hoevelen van zulken zijn er ook in onze tijd. Die roemen op uitwendige volrechten, maar nog nooit als verlorenen tot Jezus zijn gekomen als het zo met u is, hoor dan nog naar de vermaning om nog als een schuldige tot Jezus te komen. Want, als ge niet als zulk een tot Hem de toevlucht leert nemen, hebt ge niet te rekenen op Zijn bewaring, maar zult eenmaal eeuwig van Zijn aangezicht verworpen worden. Die waarschuwing geldt ook u, die nog gans geen begeerte hebt om bij die gegevenen des Vaders te mogen behoren, maar met lust des harten nog de wereld en zonde dient. En ook zulken zullen er zeker in ons midden nog worden gevonden. Die nog gedurig op al de roepstemmen des Heeren antwoorden: „Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben we geen lust!" O! hoe droef is dan uw toestand. Gij zijt dan niet het eigendom van Christus, maar het eigendom van satan, die als de sterkgewapende u bewaart tot de eeuwige rampzaligheid. Een van tweeën: we worden door Jezus bewaard of door satan bewaard! Hoe vreselijk, M.G., als dat laatste met ons nog het geval is. Want is de bewaring van Jezus zalig, de bewaring van satan is rampzalig. Brengt de bewaring van Jezus tot eeuwige heerlijkheid, de bewaring des satans is voor allen, die zijn eigendom zijn, tot eeuwig afgrijzen. O, daarom! vlucht nog heden tot Jezus en hoor naar het woord des dichters, dat u zo ernstig waarschuwt :
„De proeftijd krimpt ; nog moogt gij kiezen!
Wat wilt gij winnen ? wat verliezen?
Het kort genot ? de lange schrik ?
Zie de ochtend der vergelding krieken,
Uw eeuwigheid daagt op de wieken,
Van 't tegenwoordig ogenblik !"
Amen.
Ps. 145:7.
Februari 1952