Johannes 4:28a 'Een vergeten waterkruik' ds. P. van Zonneveld

         Een vergeten waterkruik.

Predikatie door Ds.P. van Zonneveld.

                        Psalm 63:1 en 2
                    Lezen:Joh. 4:4-30
                    Psalm 42:1 en 5
                    Psalm  4:4
                    Psalm 17:7 en 8

    "Zo verliet de vrouw dan haar watervat"
                            Johannes 4:28a

"De kruik gaat zolang te water, totdat hij barst".
Zolang, dat kan kort zijn, dat kan lang zijn. 't Is beslist niet eeuwig. Er is een totdat. Het einde!
Het einde en dat niet in de betekenis van dit modewoord van vandaag, van een en al verrukking, van toppunt van heerlijk-heid, van "zalig" of zo iets. Neen... totdat hij barst! Het volkomen tegengestelde! Waardeloos geworden! Een gebarsten kruik, daar doe je niets meer mee.

De kruik is voor ons een vreemd artikel geworden. Ik bedoel dan de waterkruik. We hebben de kraan in huis.
Ook de warmtekruik is er zo goed als uit. Slechts toen we pasgeboren waren, werd hij gebruikt. Een aan de ene, en een aan de andere kant, om op temperatuur te houden.
Stel, dat we de waterkruik nog zouden hebben en dat we die zouden vergeten, we kwamen om van dorst. Stel dat moeder de warmwaterkruik had vergeten, de dood zou z'n koude armen naar ons hebben uitgestrekt.

Vergeten, iets vergeten, dat gebeurt nogal eens. Ondanks het goede geheugen, ondanks de zakagenda. Of we nu de universiteit of de lagere school hebben gehad, het kan de beste overko¬men.
Rampzalige gevolgen kan het vergeten hebben. De vrouw vergat de strijkbout uit te doen, het huis werd tot as. Nog erger. De waarachtige bekering vergeten, de reiniging door het bloed van Jezus Christus vergeten, dan eeuwig rampzalig.
Het vergeten kan soms ook gelukkig zijn. Ik meen eens gelezen te hebben van een man op weg naar het vliegveld. Hij ontdek¬te zijn portefeuille niet in de zak te hebben. Hij rende terug naar huis, maar daardoor miste hij het vliegtuig. De volgende dag meldde de krant dat dit toestel neergestort was...

Er was eens een vrouw, die haar waterkruik vergat. Ergens bij een waterput liet ze hem staan. Ze dacht er niet meer aan.
Ook dit vergeten was alleen maar gelukkig.
Even gelukkig zou het zijn, als wij - ouderen èn jongens en meisjes - ook eens onze kruiken zouden vergeten.
Zo op 't eerste gezicht lijkt dat dom. Wie vergeet nu z'n kruik? Bij nader inzien is hier alleen maar vrucht van het ware geloof. Nog meer. Die achtergelaten kruik verkondigt op kostelijke wijze de Christus, zegt u op duidelijke wijze wie Hij is.

We zien:

            EEN VERGETEN WATERKRUIK.

Dit vergeten: lijkt dwaasheid;
            is geloofsvrucht;
              predikt Christus.    
            
Het Evangelie stelt ons voor een vrouw uit Samaria. Beter gezegd: de Samaritaanse vrouw. Zo immers staat ze onder ons bekend.
Ze woont in het land tussen Judea en Galilea.
Die laatste landstreek werd genoemd het Galilea der heidenen.
Daar was het volgens de bewoners van Judea zo'n beetje hele-maal heidens. Vandaar dat men zei:"Kan uit Nazareth iets goeds komen?"
Zo erg was het in het land Samaria nog niet. In Samaria was het volgens Abrahams kinderen half heidens.
Dat was ook zo. In vroeger jaren had vermenging plaats gevon¬den. Verbondskinderen waren getrouwd met heidense jongens en meisjes.
Och, we weten wel waar dat veelal op uitloopt. Neen, God wordt nog niet vaarwel gezegd. Men doet nog wel aan godsdienst. Evenwel: "gijlieden aanbidt, wat gij niet weet". Dat zegt de
Heere Jezus straks tegen de Samaritaanse vrouw. God, de enige, ware God, zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart, kennen ze niet. Daarom geen ware aanbidding, geen ware godsdienst. Namaak, surrogaat.

Tussen de Joden en de Samaritanen was een grote kloof. Men deed echt aan apartheidspolitiek. Joden, die naar het noorden reisden, maakten het liefst een grote omweg om maar niet in kontakt te komen met Samaritanen. En de Samaritanen lieten een Jood zelfs in het holst van de nacht rustig buiten de deur staan. Toen de Heere Jezus in de avond in een Samaritaans dorp aankwam, ontvingen zij Hem niet, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem. Johannes en Jakobus, de zonen des donders, wilden toen maar vuur van de hemel laten neerdalen om die haatdragen¬de Samaritanen te verteren.
Die vijandschap was dus over en weer; en deze komt wel heel duidelijk naar voren in die vraag: "Hoe kunt gij als Jood van mij, die een Samaritaanse vrouw ben, te drinken vragen?"
De achtergrond van dit konflikt was niet het ras, niet de politiek, niet een stelsel. Het was de religie. De godsdienst gaf de scheiding. Dat zien we ook vandaag genoeg. Een land - ik denk aan  Ierland -, kerken en zelfs in één kerk. We weten ook vanuit de nu-situatie hoe bijzonder fel men tegenover elkaar kan staan. Men vecht voor zijn gelijk.
Het konflikt tussen Joden en Samaritanen lag rondom de berg Gerizim. Het ging om aanbidding op díe berg of op de berg Sion te Jeruzalem.
Dat moeilijke probleem, dat geschil wordt straks door de Samaritaanse vrouw de Heere Jezus voorgelegd. Dan blijkt dat het niet is Gerizim, maar Jeruzalem. Evenwel het wàs Jeruza-lem. Want: "de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid". De Samaritaan heeft ongelijk en de Jood krijgt ongelijk als hij doorgaat met zijn aanbidding te Jeruzalem.

We kunnen ons nu de Samaritaanse vrouw duidelijk voorstellen. Ze is een grensbewoonster. Je kunt haar niet kerkelijk noemen. Ook weer niet buitenkerkelijk. We zouden haar en randgeval kunnen noemen. Een beetje godsdienst is er nog wel bij. Een aanhangster van de Gerizimleer. We zouden haast geneigd zijn te denken aan iemand die zegt: God dienen? -, daar heb je de kerk niet voor nodig, dat kan ook in de vrije natuur! In dit geval, dat kan ook op de berg Gerizim!
Er is nog meer van haar te vertellen. Slechte dingen. Ze is zo'n beste vrouw niet. Let u er op, dat ze om twaalf uur
's middags uitgaat om water te putten. Dat wil zeggen: op
't heetst van de dag. De afstand was wel niet groot. Ze onge¬veer een kwartier lopen. Echter dat doet men toch niet als de zon op het felst brandt. In de regel ging men water halen tegen het vallen van de avond. Bovendien moet het uw aandacht niet ontgaan, dat ze alleen uitgaat. Een vrouw alleen, dat is nogal wat. Nu daar zal ze haar reden voor hebben. Ze wil kennelijk alleen zijn. Daarom juist gaat ze op 't heetst van de dag. Ze schuwt de mensen. En dat vanwege haar zondige leven. Ze heeft reeds vijf mannen gehad. De een zal gestorven zijn en de ander daar zal ze van gescheiden zijn of hij van haar. Dat kan ook nog. We weten het niet precies. In ieder geval ze heeft er nu weer een. Blijkbaar heeft ze nog al wat aantrekkingskracht. Echter met die zesde is ze maar niet getrouwd. Ze bedrijft nu zo'n beetje vrije liefde. Dat is gemakkelijker als de zevende in het vizier komt...
Deze vrouw leeft voor de sex. Haar leven kenmerkt zich door één dorst naar mannen, liefde, sex.
Men wil in onze tijd doen geloven, dat al wat menselijk is, geen zonde is." Leef menselijk, en ge leeft goed", zo zegt men. Echter niet de mens bepaalt de leefnormen. Dat doet Gods wet. En Gods wet veroordeelt deze vrouw, veroordeelt haar leven geheel en al.
Ik dacht, dat niet alleen zij vanwege dat zondig leven de mensen mijdt, maar dat de mensen ook haar uit de weg gaan. Het zal haar plaatsgenoten toch al te erg geweest zijn nu al de zesde en dan zonder huwelijk. Hoe gaat dat: veel, veel praat¬jes, smalend lachen, natuurlijk achter je rug, maar je voelt die stekende blikken. Neen, de zonde mag je niet goed praten. Zonde is en blijft zonde.
Echter Gods wet veroordeelt niet slechts deze vrouw. Die veroordeelt ook die smaders, ieder, ook u. Er is niemand rechtvaardig, ook niet tot een toe. Allen overtreders. Werken, woorden en...gedachten. Wie kan dan staande blijven?                    
Daar gaat ze. Uit Sichar naar de Jacobsbron. De waterkruik draagt ze op het hoofd. Weldra zal ze hem vullen met levend water uit de bron, die gave Gods wordt genoemd. Geen brak water, doch helder, zuiver water zal ze putten.
Haar uitgaan is noodzakelijk. Wie kan er zonder drinken? De mens dorst immers steeds weer. Hij kan er niet buiten.
Ismaël zou gestorven zijn als hij geen water had gekregen. Dorsten, echt dorsten dan, is eigenlijk reeds het begin van sterven.
Maar wat een dwaasheid is het dan als we zien, dat de water-kruik daar bij de Jacobsput staat. De vrouw is weg, en de kruik is vergeten, gewoon vergeten. Ze denkt er eenvoudig niet meer aan. Is dat geen dwaasheid?

Wij hebben - figuurlijk gesproken - ook kruiken die gevuld moeten worden, mòèten worden. Het is noodzakelijk. Het kan niet anders. Dat behoort bij ons bestaan. We hebben ook drin¬ken nodig, en voedsel, en kleding, en een huis, en meubels. We hebben nodig werkgelegenheid, een goed loon, rust en ontspan¬ning.
Daarnaast hebben we vandaag een heleboel andere kruiken, die wij gevuld willen hebben. We kunnen dorsten naar sport en spel, naar een bromfiets of een auto, naar een ijskast of een bontjas.
Och, met hoeveel kruiken eigenlijk sjouwen we niet om ze gevuld te krijgen.
En om die nu te laten staan, gewoon te vergeten, dat is toch de dwaasheid gekroond? Wie doet dat nu?
Jongens en meisjes, hoeveel kruiken dragen ook jullie niet om ze te vullen? Straks examen, straks een baan, straks promotie, straks eer, aanzien, iets worden in het leven. Je jonge hart kan naar zo heel veel dorsten, naar pret, naar geluk, naar liefde. En dat vergeten? Die kruik, al die kruiken achter laten? Dat is toch zotheid!
Ook in andere zin kunnen we van kruiken spreken, van kruiken, die wij gevuld wensen te zien: de leegheid die in het leven gekomen is door het missen van de ander, de eenzaamheid, dat verdriet, de zorgen omtrent een kind, het kinderloos-zijn, de moeiten op fabriek of kantoor, die ziekte, die kwaal. Vergeet dat nu eens, dat kan toch niet? Dat zou iets bovenmenselijks wezen!
Dan zijn er ook kruiken van  de zondige begeerten. Die zijn er vandaag ook legio. Natuurlijk, hun aantal is altijd groot geweest, maar ik bedoel we dragen ze meer, omdat er meer gelegenheid is ze te vullen dan vroeger. Er is een grote toename van ongerechtigheid te konstateren. Kruiken van zondi¬ge begeerten worden veelvuldig gevuld. Specificeren is hier moeilijk. Omdat er veel meer zonde is dan wij voor zonde houden. Gods Woord zegt immers dat al wat uit het geloof niet is, zonde is. Maar goed, we denken aan de dorst naar sex in al z'n ontaardingen, zonder huwelijk, in het huwelijk, mannen met mannen, vrouwen met vrouwen. We denken naar dorst naar vrij¬heid zonder gezag. En - mogen we dan maar samenvatten? -
we denken aan dorst naar al die dingen, die de Gode-vijandige wereld biedt. Nu om deze kruiken achter te laten, te vergeten, wie doet dat, wie kan dat? 't Zou eigenlijk moeten. Het gewe¬ten zegt het ook. Maar 't is je natuur toch. Het kan toch niet anders? en anders willen?... och het water uit die kruik smaakt zo heerlijk. Wat moet een mens anders. Neen het is dwaasheid om die kruik te laten staan, om hem te vergeten.

Is het dwaasheid van de Samaritaanse vrouw om haar waterkruik te vergeten? We kunnen zo snel zijn met onze konklusies. Het lijkt dwaasheid van deze vrouw. Maar 't is het niet.
De Heilige Geest heeft gewild, dat Johannes dit vergeten van de waterkruik door de Samaritaanse vrouw zou opschrijven.
Waarom? Is dit dan zo belangrijk? Ja, want hieruit blijkt haar bekering. Dit vergeten is enkel:

                          g e l o o f s v r u c h t

Wonderlijk is die ontmoeting met de Heere Jezus. De voor de vrouw Onbekende bij de Jacobsbron spreekt haar over dè gave Gods, over hèt levende water. Van die heilsboodschap begrijpt ze niets. Ze meent dat Jezus het heeft over het water van de Jacobsput.Maar Jezus spreekt niet van dit water. Hij spreekt van dat water, waarvan iemand moet drinken om dan in eeuwig¬heid niet meer te dorsten; van dat water, dat wordt tot een fontein, springende tot in het eeuwige leven. De vrouw vindt het toch wel aanlokkelijk om dat water te hebben. Dan behoeft ze nooit meer te  putten. Van de noodzakelijkheid om van dat water te drinken, verstaat ze dus ook al niets. Heel Jezus' prediking is voor haar onbegrijpelijk. Dat kan ook niet an¬ders. Het vlees verstaat niet de dingen, die des Geestes zijn. Ze zijn voor het vlees, voor de mens, zoals hij door geboorte is, een dwaasheid.
De Heere Jezus, de Heilige Geest moet Zelf ruimte scheppen voor het levende water. Zal er plaats komen, zal de noodzake¬lijkheid van het drinken van dit water verstaan worden, dan moet Hij dat doen.
Zie, hoe Hij die ruimte schept bij de Samaritaanse vrouw. "Ga heen, roep uw man, en kom hier". Met een enkel woord legt Hij heel haar vroeger, zondig leven bloot.
Zeker, dat hebben mensen ook gedaan. Ze hebben haar zonden breed uitgemeten, ze hebben haar uitgescholden, ze hebben haar net de vinger nagewezen, ze hebben de omgang met haar ge¬staakt, ze hebben haar als het ware uitgestoten. Dat alles wekte de grootste weerstand op. Dat deed haar spottend smalen van schijnheilige huichelaars, die geen haar beter zijn.
Hoe geheel anders doet de Heere Jezus. Hij schuwt haar niet. Hij houdt geen zwaargeladen preek. Hij meet haar zonden niet breed uit. Hij scheldt niet. Hij vermaant zelfs niet. Hij legt slechts dat zondeleven open. En als in een bliksemflits moet ze dan wel overzien heel haar leven, dat verprutste en verzin¬nelijkte leven; moet ze wel zien, hoe ze zich vergooid heeft in de dwingende slavernij van haar hartstocht; moet ze wel zien, hoe ze zichzelf heeft vermoord, dat ze al het schone heeft bezoedeld, tot iets walgelijks heeft gemaakt, alleen door die éne, telkens terugkerende begeerte.
Let u erop, dat de Heere Jezus aan het zondeleven niet voor¬-
bijgaat. Hij zegt niet: "vrouw, nu moet u maar geloven". Och neen, hoe zou zij kunnen. Er is geen ruimte voor het geloof, er is geen dorst naar het levende water, als de zonde niet tot zonde, tot schuld voor God wordt.
Men wil nog aleens doen geloven, dat het eerste stuk - de kennis van zonde en ellende - wel overgeslagen kan worden. Het is niet noodzakelijk voor de zaligheid. Nu ja - zo zegt men -,
op het laatst van je leven een beetje kennis er van... de Catechismus zegt immers dat het nodig is; en staan op Schrift en belijdenis - dat is zo'n mooie term - dat mag beslist niet worden prijsgegeven. Leer dan hier, dat Jezus ermee begint. Bedekking moet ontdekking worden; wat gesloten is moet open worden. Dat is geen voorwaarde, maar de weg waarin de Heilige Geest plaats maakt, ruimte schept voor het geloof, voor het levende water. In die weg ontstaat er de dorst naar dat water, wordt verstaan de noodzakelijkheid er van.
Jezus breekt de geslotenheid bij deze vrouw open. Ja, dan gebeurt er wat. Dan blijven we niet passief. Met grote handig¬heid brengt ze het gesprek op een ander onderwerp. Ze vlucht weg uit dit dubieuze, verontrustende terrein.
Wij doen niet anders als het breekijzer wordt gezet in ons hermetisch-gesloten zondaarshart. Dan gaat duidelijk blijken onze afkerigheid van ontdekking. We willen niet een verloren zondaar voor God worden. Daar zijn we vijand van, geheel en al! Ik denk aan iemand, die zei: "Ik sta naar de rechtvaardi¬ging." Dat is prachtig gezegd. Daar maak je een goede indruk mee op de ander. Een soortement vroom kleed, dat het nog wel eens doet. Maar wie staat naar de rechtvaardiging? Wie wil als een goddeloze gerechtvaardigd worden? We willen als vroom, als net mens gerechtvaardigd worden, als godsdienstig, als be¬keerd, als gelovig mens. Doch er is geen andere weg: goddelo¬zen worden gerechtvaardigd, om niet. Dit is de weg door God bepaald en wel omdat Hij werkt tot Zijn verheerlijking.
Vijanden van ontdekking zijn we. Of we nu aanhangers zijn van de 'Gerizimleer' of van de 'Jeruzalemleer', tot welke modali¬teit we ook behoren, dat doet niets ter zake. Door niets van
ons wordt die vijandschap opgeheven of verbroken.
Die vijandschap kan zich op grove wijze uiten. We kunnen ook vriendelijk, fatsoenlijk, beleefd blijven. We kunnen als die vrouw doen: zo snel mogelijk op een ander onderwerp overstap¬pen.
De Samaritaanse vrouw komt met dat verschil in aanbidding. Moet dat nu in Jeruzalem of op de Gerizim? Wie heeft er nu gelijk? Wij zouden op onze vlucht zeggen: "Hoe word je zalig, als 'oud-gereformeerd' of als 'gereformeerd'?" Wie heeft er nu eigenlijk gelijk?
Wonderlijk is het, dat Jezus haar volgt op haar vlucht. Hij laat haar zien wat de ware aanbidding is. Daar komt het op aan. Of je nu rond Gerizim woont, of rond Jeruzalem!
De godsdienst was voor deze vrouw tot nu toe iets geweest, waarover men vocht. De godsdienst was voor haar slechts een afzetten tegen de ander.
Het komt aan op het aanbidden in geest en in waarheid.
Hier is weer de pijl regelrecht op haar gesloten hart gericht.
Ze wou vluchten, maar ze kan Jezus niet ontvluchten. De ware aanbidding in geest, dat is niet uiterlijk, niet vleselijk, doch geestelijk, door de Heilige Geest. Heel haar godsdienst was tot nu toe vleselijk. De ware aanbidding, ook in waarheid,
dat is zonder bedekking, eerlijk voor God. Hoe was haar  godsdienst tot nu toe onoprecht, met een toegesloten hart, vasthoudend aan de zonde.

Daar staat haar waterkruik. Eenzaam achtergelaten. Is ze nu helemaal weggevlucht? Voorgoed? Dat zou echt geen wonder zijn. Een mens, die mij alles gezegd heeft, alles wat ik gedaan heb. Alles over mijn zondeleven, alles over mijn godsdienst. Wie kan dat verdragen? Is dat niet om nijdig weg te lopen?
Maar neen, neen, dat is niet de oorzaak waarom ze haar water¬kruik vergat. Die werd ook niet vergeten door een totaal overstuur zijn, omdat de Heere Jezus haar alles heeft gezegd wat ze gedaan had. Die werd ook niet vergeten, omdat ze sensa¬tie wil verwekken in Sichar.
De oorzaak is iets anders. Ze vergat haar kruik na de zelf-openbaring van de Christus. Nadat Hij gezegd had: "Ik ben de
Messias, Ik, Die met u spreek." Haar vergeten is alleen maar geloofsvrucht. Door de Heilige Geest spreekt ze uit het amen des geloofs op de woorden: "Ik ben het".
Die vergeten waterkruik getuigt van haar waarachtige bekering tot God.
Ik weet het, het is heel simpel. We kunnen menen, dat de bekering dan pas de ware bekering is, als deze op opzienbaren¬de wijze plaats heeft. Nu hier komt de bekering in het simpele naar voren: een vergeten waterkruik! En de bekering is er niet minder om. Die is hier ware bekering tot God.
Maar hoe simpel ook, van die achtergebleven waterkruik gaat toch een geweldige sprake uit. Die vertelt dat zij, de zonda¬res, een teug gedronken heeft van dè gave Gods, van hèt leven¬de water. Zij, de zondares, van de gave Gods, dat heeft haar zo overweldigd, dat ze eenvoudig haar kruik vergat. De Chris¬tus Zich aan haar geopenbaard, aan haar..., zij ontfermd! Een mens die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb. Is deze niet de Christus? Ze is er vol van. Ze ontloopt de mensen nu zelfs niet meer. Ze schaamt zich zelfs niet om te zeggen: alles wat ik gedaan heb. Ze belijdt haar zonde en schuld voor God en de mensen. Nog meer: "komt en ziet." Ze wordt Christus¬ge¬tuige. Ze begeert niets liever dan heen te leiden tot Hem, Die Zich over haar ontfermd heeft.

Hebben wij onze kruiken al eens laten staan, gewoon vergeten, als geloofsvrucht? Natuurlijk, u hebt gelijk als u zegt: die kruiken moeten toch gevuld worden. Dit moet toch; het kan toch niet anders? En u hebt ook gelijk als u zegt: maar die Samari¬taanse heeft haar kruik later toch opgehaald. Zeker, zij kon niet zonder die waterkruik. Maar kijk, de noodzakelijkheid van deze kruik valt straks weg voor allen die deze kruik eens hebben laten staan, die gedronken hebben van hèt levende water; de noodzakelijkheid van deze kruik èn die van alle andere kruiken. Immers, straks in de eeuwigheid zullen ze niet meer dorsten. Het water waarvan zij dronken springt toch tot in het eeuwige leven?
Kijk als we een teugje krijgen van de gave Gods, van het leven¬de water dan komt al dat andere op de tweede plaats, dan is dat niet meer het belangrijkste. Als er echt de ontmoeting
met Christus is, dan verdwijnen onze kruiken naar de achter-grond.
Jongemensen, hoeveel kruiken moeten we vandaan al niet vullen, en er komen er steeds meer bij. Altijd weer uitgaan, altijd weer dorsten, er komt geen eind aan. Heerlijk nietwaar, als we al onze kruiken eens vergeten En als er echt die ontmoeting met Christus is, nu dan worden de kruiken van de zondige begeerten helemaal vergeten; die blijven voorgoed achter. De Samaritaanse haalt die kruik echt niet meer op. Er is een breuk gekomen met de zonde. Dat vloeit uit de waarachtige bekering voort. Dat is ook geloofsvrucht.
Eén teug van dat levende water, dàt springt tot in het eeuwige leven, dringt al wat eerst zo belangrijk was terug naar de achtergrond. Eén teug reeds doet zingen:

        Gij hebt m'in 't hart meer vreugd gegeven,
        Dan and'ren smaken in een tijd,
        Als zij, door aards geluk verheven,
        Bij koorn en most wellustig leven,
        In hunnen overvloed verblijd.
        Ik zal gerust in vrede slapen,
        En liggen ongestoord ter neêr;
        Want Gij alleen, mijn schild en wapen,
        Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen,
        Zult mij doen zeker wonen, Heer.
                                    Psalm 4:4

Ziet u die vergeten kruik staan, daar bij de Jakobsbron? We zouden zeggen: 't is maar een kleinigheid, niets bijzonders, niet de moeite waard om er op te letten. Er zijn vandaag toch wel imposantere dingen om naar te kijken. Doch wacht eens even en luister! Ja, luister naar wat die kruik spreekt! Wat? Spreekt die achtergebleven kruik? Maar dat kan toch niet? En toch...die kruik spreekt. Hij preekt! Een woordeloze preek, maar niettemin een kostelijke preek. Geen mens kan het beter. Die vergeten kruik:

                    p r e d i k t  d e  C h r i s t u s.

In de oorlogstijd aten we suikerbieten en tulpenbollen. Toen ze vervangen werden door dikbelegde boterhammen zijn we ze echt wel vergeten. Dat is een normale zaak. Zo gauw als er iets beters komt, vergeten we het mindere. Dat vroegere, dat slechtere is dan hoogstens een kwestie van herinnering.
Welnu, zou de Samaritaanse niet waarlijk geslaagd zijn, zou hèt levende water niet beter geweest zijn, zij zou haar kruik niet vergeten zijn. Die vergeten kruik preekt dat Christus waarlijk laaft. Hij laaft zo volkomen, dat al het andere vergeten wordt!
Hij, de Christus, heeft dat levende water en Hij is dat leven¬de water. Ik, de Christus, ben het levende water.
Dat zouden we zo niet zeggen, als we Hem daar zien zitten bij de Jacobsput. Hij is vermoeid van de reis en heeft dorst. Hoe menselijk is dat! Maar moet Hij dan, kan Hij dan echt de dorst lessen? Is Hij dan hèt levende water? Hij, Die Zelf dorst heeft?
Hij de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht, is mens geworden, ons in alles gelijk. Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen, om aan het kruis op Golgotha te kunnen lijden... de eeuwige dorst, om vanaf dat kruis te kunnen roepen "Mij dorst", om alzo tot levend water te kunnen worden, om mensen die recht hebben op de eeuwige dorst eeuwig te kunnen laven.
Die vergeten kruik spreekt van het wonder van zijn eeuwige liefde. Hij tot levend water geworden, opdat mensen gelaafd zouden worden, dat zij hun kruiken vergeten.

Christus wordt nog meer gepredikt door die vergeten kruik.
Die kruik op zichzelf spreekt van de noodzakelijkheid van drinken. Wij moeten eten en wij moeten drinken. Wij kunnen er niet buiten. Dat is gekomen door ons verlaten van de Spring¬ader des levenden waters. Er is oorzaak en gevolg. Verder nog. Die vergeten kruik van wie is die? Van een, die getracht heeft haar zieledorst te lessen met sex, van een zondares, van een die zonde op zonde stapelde, die dagelijks de schuld groter maakte.
Nu toch ontfermd! Een teug gekregen van het levende water!
Jezus mòèst door Samaria gaan. Er was echt geen toeval bij.
Hij mòèst. Hij maakte geen omweg, zoals de Joden. Voor Hem bestaan niet vanzelfsprekende, natuurlijk gegroeide verhoudin¬gen. Wij kunnen scheidingen maken: wij kunnen er buiten plaat¬sen. Doch tegenover onze vanzelfsprekendheid staat die van Hem: Hij moest door Samaria gaan. Hij moest, opdat een verlo¬ren zondares zou gezaligd worden.
Hij moest. Dat wijst ook heen naar Gods raad. Die vrouw bij die put reeds van eeuwigheid liefgehad, een kind van het welbe¬hagen Gods! Hij moest, opdat naar dat welbehagen Gods deze diep gezonken vrouw uit de macht van zonde en satan getrokken zou worden.
Hij schuwde niet de ontmoeting met deze zondige vrouw. Hij zocht in liefde deze verloren dochter. Neen, niet zij zocht. Zij zocht slechts water, waarnaar altijd weer gedorst wordt, water dat nimmer laaft. Hij was de Eerste.
Dat Hij nu juist haar gezocht heeft, dat zij het is, die haar kruik daar achterlaat, doet ons zien wie Christus is. Hij laat Zich in met wat veracht is, met verstotelingen en verschoppe¬lingen, met mensen gebonden onder de macht van zonde en satan, met mensen die God de rug hebben toegekeerd.
Die verlaten kruik predikt Hem in Zijn wondere onbegrijpelijke zondaarsliefde. Een zondares, een schuldenares, één die naar Gods rechtvaardig oordeel recht heeft op eeuwige dorst zonder enige lafenis, nu een dronk van dat water, dat springt tot in het eeuwige leven!

Nog meer. Die vergeten kruik predikt ook Christus als de gave Gods. Hij als het levende water is de gave Gods.
Die Jacobsput was werkelijk gave Gods. Ons drinken, ons voed¬sel, het is gave Gods. Alles komt uit de hand Gods. Hij geeft het ons.
Doch Hij, Die daar zit bij de Jacobsput is dè gave Gods, de grootste Gave. Vaders eigen, eniggeboren Zoon. Het beste, het hoogste, het liefste wat Hij had, heeft Hij gegeven. Iets groters heeft God nooit kunnen geven.
Gegeven, dat wil zeggen overgegeven. Overgegeven aan kruis en vloekdood; overgegeven aan eeuwige dorst.
Gegeven en overgegeven, opdat Hij tot in alle eeuwigheid verheerlijkt wordt.
Gegeven en overgegeven, omdat Hij geen lust heeft in de eeuwi¬ge dorst van zondaren. Hier blikt u in het liefdehart van God. In die woorden gegeven en overgegeven hoort u als het ware Gods ingewanden rommelen van barmhartigheid jegens u en mij.

Op rijke wijze predikt die vergeten kruik dus de Christus. Hij laaft waarlijk dorstenden. Hij laaft zondaars en zondaressen. Hij, de gave Gods.
Wie van dit levende water drinkt, wie deze gave Gods ontvangt, komt tot de ware aanbidding van God. Dat kan niet anders. Omdat die gave Gods enkel genade-gave is. Zulk een spreekt Paulus na: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Zulk een zingt van de barmhartigheid en de weldadigheid Gods.
Een vergeten waterkruik. Dit vergeten lijkt dwaasheid, is geloofsvrucht, predikt Christus.
Christus als de gave Gods, als het levende water wordt u verkondigd.
U bent een dorstende. Die dorst kenmerkt een ieder, en ieder tracht die dorst te lessen. De lichamelijke en de zieledorst. De zieledorst trachten we te lessen door de genietingen der zonde en de dingen der wereld. De een doet dat door drugs, de ander door alcohol en weer een ander door sex. Het geschiedt op velerlei wijze.
Doch hoe wij ook drinken, we worden nooit gelaafd. Al wie van dit water drinkt, zal wederom dorsten.
Christus alleen geeft het levende water, dat de dorst van de ziel volkomen lest.
Indien gij de gave Gods kendet, gij zoudt van Hem levend water begeerd hebben.
Kent ge Hem?  Begeert ge van Hem dat levende water?
Aan onze kant de onbekendheid, het niet-verstaan van de nood¬za¬kelijkheid van dat water, de vijandschap tegen deze genade-gave Gods. De Heilige Geest doet Hem kennen, doet verstaan de noodzakelijkheid van dat water, doet begeren deze genade-gave Gods. Hij zet het breekijzer in het gesloten zondaarshart. Alles wat  ik gedaan heb. O God, mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden. Hij geeft te drinken van het levende water; Hij geeft de genade-gave Gods."Gij hebt mijn weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rei."
Dat de Heilige Geest dit moet doen, heft uw verantwoordelijk¬heid niet op. Wie de aangeboden Christus door ongeloof ver¬werpt, kan God niets verwijten. Bid dan toch om de Heilige Geest en Hij zàl u geschonken worden!

Christus ziet daar bij de Jacobsbron een vergeten kruik staan. Dan krijgt Hij een visioen: velden wit om te oogsten. Welk een perspektief! 't Blijft er niet bij één, die drinkt van het levende water. Het zal worden een schare, die niemand tellen kan!

De kruik gaat zolang te water, totdat hij barst. Er is en totdat.
Al onze kruiken waarmee wij ons gelaafd hebben, zullen bar-sten.
Er klinkt een  stem op: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vinger in het water dope, en verkoele mijn tong, want ik lijd smarten in deze vlam. En het antwoord daarop is: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven. Dat betekent eeuwige dorst zonder enige lafenis. Ontstellend!  Zoek dan toch het levende water, de gave Gods! Het is genade-gave. Daarom kan het voor de grootste der zondaars!
Zalig als we gedronken hebben van het genade-water. Dan kunnen al de kruiken, die noodzakelijk waren voor dit tijdelijk leven, barsten. Dat is niet erg. Want het genade-water springt tot in het eeuwige leven.

De kruik al eens vergeten doordat ge een teug kreeg van dat genade-water?
Dan kunt ge niet zwijgen van Christus, hier niet en straks niet.
Dan is er aanbidding hier en straks.
Vanwege die genade-gave Gods!

Amen.