Markus 15:42-47 'De begrafenis van Jezus' ds. J.C. van Ravenswaay

DE BEGRAFENIS VAN JEZUS

Goedevrijdagpredikatie over Marcus 15 : 42-47

Ds. J. C VAN RAVENSWAAY

En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat, kwam Jozef, die van Arimathéa was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.
En Pilatus verwonderde zich, dat Hij alrede gestorven was; en de hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was.
En als hij het van de hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en leide Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was... en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.
En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden waar Hij gelegd werd. Marcus 15 : 42-47
Er is een tijd om geboren te worden, en... er is een tijd om te sterven!
Dit woord der Schrift geldt voor de kerk des Heeren en voor de wereld. Hoe arm is de mens, die midden in de wereld leeft dan toch. Hij zorgt en zwoegt en slaaft ,op deze aarde en als de werkelijkheid op hem afkomt, moet hij bekennen: aan al deze dingen komt eenmaal een einde. En dan? Naar de mate men ongelovig is probeert men er zich overheen te zetten, door niet aan een eeuwigheid, niet aan God, niet aan vergelding te geloven. O, verraderlijke en ondeugdelijke gedachte. Naar Gods Woord komt voor iedereen het ogenblik, dat ,de tijd ophoudt en de eeuwigheid begint.
Daar is echter een volk, dat genade heeft ontvangen om te sterven terwijl heit leeft. Een volk, dat toch zal leven als het eens sterft. Sterven betekent dan gewin en het begin van bezitting .in het land, dat vloeit van melk en honing. Gods volk komt in de oefeningen des geloofs bij het graf van Jezus in de hof van Jozef van Arimathéa.
Wij moeten heden getuigen zijn van Jezus' begrafenis. De ontzettende kruisiging door Christus als Koning gedragen, is ten einde Hij is gestorven. Als Koning heeft Hij getuigd: Vader in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Dit stuk van lijden is ten einde. Zijn ziel gaat naar de hemel, naar Zijn Vader en Zijn lichaam blijft op aarde, doch niet verlaten. Zijn Goddelijke natuur vergezelt dat lichaam en bewaart het voor verderving. Toch behoort de begrafenis nog tot het gericht. Om onze schuld moet Hij deze gang beleven, maar heerlijk is de toekomst voor Hem en Zijn kerk, want nu zal, na het Zich stellen tot een schuldoffer, Hem zaad gegeven worden.
Deze begrafenis is de begrafenis tot het leven!
Overdenken wij met elkander: „De begrafenis van Jezus". Jezus wordt begraven:
1. Door Jozef;
2. Met toestemming van Pilatus;
3. In het bijzijn van de vrouwen.
De Joden zijn blij met het sterven van Jezus. Nu kunnen zij van harte zingen vrij te zijn en van ;zorg ontslagen. Zij zullen God danken en prijzen voor de blijdschap, die Hij hun geschonken heeft. Welke blijdschap? Wel, de gehate volksverleider is eindelijk uit de weg geruimd.
Zo 'gauw ze dan ook weten, dat Jezus gestorven is, spoeden zij zich naar Pilatus, en vragen een gesprek aan over de begrafenis en over het breken van de beenderen der andere -ge kruisigden, opdat deze toch allen voor de sabbat begraven kunnen worden. Zij hebben grote haast uit vreze, dat anders de sabbat zou ontheiligd worden, dewijl het 'de voorbereiding was, en die dag van de sabbat was 'zeer groot.
Wat zijn ze vroom. Ze houden het ene gebod om vele . andere geboden te kunnen overtreden. Zij deinzen niet terug voor doodslag. Zij vinden het helemaal niet erg de Zoon van God, Die onschuldig is, om te brengen. Volgens hen is Hij immers de Zoon van God niet. Uit allerlei voorvallen meenden zij op te kunnen maken, dat men hier te doen had met een zielenverleider, met een duivel. En zulke mensen moet men zo spoedig mogelijk opruimen. Maar op het sabbatsgebod zijn zij zeer precies. Welk !een zelfverblinding, die meent God een dienst te doen met de overtreding Zijner heilige geboden!
Zo zijn er heden ten dage nog velen, voor wie het lichaam van Jezus allerminst een voorwerp is van godvruchtige eerbied, maar een teken van vloek, iets dat weggedaan moet worden, opdat de godsdienstige mens geen hindernis ondervindt bij het dienen van God in het houden van de feestdagen.
Dit geschenk des Vaders is gedurig de oorzaak van twistgesprekken. Zelfs op begrafenissen komt dit meerdere malen uit. Dan wordt het duidelijk, dat men niet eender over Jezus denkt. Men spreekt wel over dezelfde Persoon, maar o zo verschillend. Dan komt het uit, dat de één Hem nodig heeft leren krijgen als Borg en Zaligmaker, en de ander Hem tegemoet komt met zijn eigen geloof. We zouden ook kunnen zeggen: dat sommigen door genade liefde tot Hem ontvingen, en anderen Hem met al hun liefde wel kunnen doden.
Bedenkt het, medereizigers, u moogt van de duivel net zoveel van Jezus houden als u maar wilt, als die liefde maar niets te maken heeft met de uitverkiezende liefde des Vaders, de verlossende liefde des Zoons en de heiligende liefde des Heiligen Geestes. Als het initiatief slechts van u uitgaat, krijgt ge van de vorst der duisternis de naam kind van God! We mogen ons op dit punt wel nauw onderzoeken. Wie niet door God aan zijn zonden is ontdekt, zal nooit behoefte krijgen aan een geschonken Middelaar; hij zal trachten in de weg van het verbroken werkverbond zalig te worden.
Jozef en de vrouwen hebben eveneens belangstelling voor het lichaam van Jezus. Zij beschouwen het lichaam des Heeren niet als een voorwerp van de vloek, doch hebben begeerte om voor een eerbare begrafenis te zorgen. Zij hebben Jezus lief. Waarom hebben zij dan zo'n haast? Omdat de wet verbood een overledene op de sabbat te begraven. Uit liefde zullen zij trachten om in enkele uren deze laatste taak te verrichten.
In die laatste paar uren zal echter nog veel gedaan moeten worden. Een graf moet gezocht, gevonden en gekocht worden. Specerijen en lijnwaad moeten gehaald en verlof verkregen worden om het lichaam in ontvangst te nemen en te begraven. Dan moet de voorlopige balseming nog plaats hebben om voorlopig het bederf te weren. Doch hoe moet dit alles op zo korte tijd klaar komen?
Ziet, hoe God zorgt, want toen kwam Jozef, die van Arimathéa was.
De valse vroomheid der Joden wordt aan het licht gebracht, en Jozef van Arimathéa uit de achterhoede naar voren geschoven. Twee vruchten reeds van de nu nog overleden Jezus. Jozef van Arimathéa, een eerzaam raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende. Gods Woord geeft dit getuigenis niet van hen, die zich beroepen op hun afstamming van Abraham en Mozes.
We hebben hier een kind van God, dat in de nachtploeg werkt. Deze man staat niet hoog met zichzelf, maar moet zich aanklagen vanwege zijn zwakheid.
Hij heeft een stille natuur, geenszins oppervlakkig, maar kan zich moeilijk uiten. In het diepst van zijn ziel worstelt hij met grote problemen, die betrekking hebben op het uitverkoren volk, en koestert hij een innig verlangen naar de Messias, Die komen zou. De andere vertegenwoordigers van het Sanhedrin spreken wel van het Koninkrijk Gods, maar hun ziel gaat er niet naar uit. Maar Jozef kan zich in zulk een dubbel leven niet vinden. Hij dorst naar het waarachtige heil.
In dit leven is Jezus gekomen. Jozef heeft Hem horen prediken en Zijn wonderen gezien. Dit heeft hem getroffen, doordat hem telkens de gedachte van het Koninkrijk Gods daaruit tegemoet kwam. De daden van Jezus waren in overeenstemming met Zijn woorden en beantwoordden aan de eis van het Koninkrijk Gods. Hij heeft de woorden van Jezus mogen indrinken en hij is er van overtuigd, dat deze Jezus de geboren Koning der Joden is, en dat het door vele geslachten gelovig verwachte Godsrijk nu is gekomen.
Door de houding van de andere leden van het Sanhedrin tegenover Jezus heeft hij soms geaarzeld, maar als hij Jezus weer hoorde spreken, werd zijn geloof dikwerf opnieuw gesterkt en mocht hij God erkennen voor het vinden van deze Gave van onbeschrijflijke waarde. Doch hij miste de moed om openlijk getuigenis af te leggen van zijn oordeel over Jezus.. Hij is een discipel van Jezus, maar bedekt om de vreze der Joden. Toch wordt deze levenshouding steeds moeilijker voor hem al naar mate de vijandschap tegen Jezus krachtiger wordt. Het wordt straks schier onmogelijk nog langer in het Sanhedrin te blijven zonder zich tegen Hem uit te spreken. En waar Jozef niet openlijk durft belijden, past hij het middel toe zich afwezig te houden. Zó meende hij vóór Jezus te kunnen zijn zonder met het Sanhedrin te breken. Maar zijn geweten heeft hem blijkbaar verhinderd om volle vrede te hebben met zo'n gedrag.
En ziet nu hoe verschillend God werkt. Als Christus gestorven is, klaagt Jozef zich sterker aan dan ooit te voren. Er moet nu wat gebeuren. Het wordt hoog tijd dat hij partij kiest. En dan opeens werpt hij het masker af.
Plotseling komt de zo stille, terughoudende man naar voren. De vrees is geweken. Hij verstout zich. Als God wat doet, doet Hij een vol werk. Als Hij de zwakke sterkt, maakt Hij er een held van. Dan gaan de zwakken voor niemand uit de weg. Dan zien zij duidelijk wat zij zien moeten. Dan doen zij alles in Gods kracht en durven zelfs in het hol van de leeuw te kruipen. In zulke ogenblikken zijn zij onweerstaanbaar en vroom, dat is dapper en krachtig. Vroomheid is niet maar een gevoelige stemming, doch zeker ook een weldoordachte houding in de dienst van God. Vroomheid heeft allereerst te maken met schriftuurlijke beleving, maar de vroomheid leeft zich uit in schriftuurlijke daden. Dat is tezamen vroomheid! Vroomheid is naar de Schrift: Leven uit, door en tot God! Daar is niets van ons bij, maar de drieënige God werkt zulks uit in het uitverkoren schepsel. In zulke belevingen gaan alle onzekerheden er aan. Een misschien en mocht zijn hier contrabande. Mijn medereiziger, wilt u er wet op letten, dat we het hebben over Gods werk, niet wat wij er van denken of maken!
Hoe heerlijk komt dat uit in Jozefs leven. Vroeger durfde hij nooit en nu alles tegen schijnt, gaat zijn hart door genade met kracht en warmte gloeien voor de zaak des Heeren. Bij het graf! Bij een overleden Jezus! Openlijk stelt hij zich aan de zijde van de gekruisigde. Met vrijmoedigheid gaat hij naar Pilatus en vraagt om het lichaam van Jezus.
En de reinigingswetten dan? Hij is onrein door zijn gaan naar Pilatus en omdat hij het lichaam van een dode heeft aangeraakt. Och, dit deert hem niet. Maar men zal zijn daad bespreken en hij behoeft er niet op te rekenen, dat deze bespreking gunstig voor hem uit zal vallen. Ook dat vindt hij niet erg. En hij zal er velen tegen zich in het harnas jagen. Ja, dat is waar, maar niet minder waar is: Zo God voor mij is, wie zal dan tegen mij zijn? Bezwaren vallen weg wijl het hem alleen om Jezus is te doen, en om Zijnentwil zal hij alles kunnen verdragen en trotseren.
Dit zijn bewijzen, dat hij het Koninkrijk Gods was verwachtende. Thans zou hij immers tijd gehad hebben om weder te keren. Was het niet duidelijk gebleken, dat deze Jezus Zich had vergist, om niet te zeggen, dat Hij het volk had bedrogen? Indien Hij waarlijk de Koning Israëls was - de overpriesters, schriftgeleerden, ouderlingen en farizeën hadden het wel terecht geroepen - dan had Hij moeten ,afkomen van het kruis en zij zouden in Hem geloofd hebben. Nu Hij dit niet had gedaan, en als een gewoon misdadiger gestorven was, bleek Hij Zich iets ingebeeld te hebben, en mocht Jozef van geluk spreken, dat zijn goedgelovigheid nimmer naar buiten was openbaar geworden. Hij had zich nooit gedupeerd en niemand zou hem beschuldigen, dat hij in Jezus had geloofd.
Toch kiest Jozef die weg niet. Op het ogenblik, waarin degene, die vroeger openlijk Jezus' koningschap had beleden, Hem allen verlieten, heeft hij juist partij gekozen en zich Zijner niet geschaamd; dat is zijn onvergankelijke kroon. Er zijn berekende mensen en koninkrijken genoeg, die de overwinnaar te hulp snellen en dan verklaren, dat zij altijd zo bijzonder veel voor hem gevoeld hebben. Maar als alles tegenloopt, dan moet de trouwe vriendschap blijken. En waar nu het natuurlijk oog ook het laatste spoor van Jezus' Koninkrijk niet meer zet, daar heeft deze geestelijke mens door het geloof het juist in zijn volle schoonheid zien opdoemen voor zijn geestesoog, zodat hij thans zonder enige reserve in daden toont, dat naar zijn overtuiging nu het Koninkrijk was gekomen, dat hij verwacht had heel zijn leven.
Na zijn begeerte van Pilatus verkregen te hebben, heeft Jozef vervolgens met spoed gehandeld. Kloek, zelfbewust treedt hij nu op (vers 46) . Geen ogenblik mag verloren worden, want weldra is ;de sabbat daar. De vraag der vrouwen, wie nu toch helpen zal om het lichaam te begraven, dat haar zo lief is, heeft de Heere Zelf beantwoord door deze man op het rechte tijdstip te zenden. Zijn rijkdom stelt hem in staat om op de terugweg fijn lijnwaad te kopen. Nu gaat het naar Golgotha om voorzichtig het lichaam af te nemen. Dan wordt het met eerbied weggebracht naar de hof, waar het graf is in de steenrots, dat nimmer tevoren gebruikt werd. Het beste is voor Jezus nauwelijks goed genoeg. Nicodemus, een figuur, die veel overeenkomst met Jozef vertoont, heeft voor hem niet onder willen doen in liefdebetoon en kwam inmiddels met mirre en aloë van omtrent honderd ponden gewicht, die hij uit de overvloed zijner liefde heeft gekocht om de beminde dode te eren. Toen hebben zij het lichaam van Jezus genomen en gebonden in linnen doeken met de specerijen. En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in deze hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest. Aldaar dan leiden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was. En tenslotte heeft Jozef met een laatste inspanning van al zijn kracht een zware steen genomen, en die gewenteld tegen de deur van het graf, opdat niemand dit lichaam zou kunnen schenden en het veilig bewaard zou blijven tot zij na de sabbat gelegenheid zouden hebben om de voorlopige maatregelen voor beslissende te vervangen.
Zo is het lichaam des Heeren na het einde eveneens als na de geboorte in doeken gewonden door degenen, die Hem lief hadden. Maar welk een verschil tussen Bethlehem en Golgotha, bij alle overeenkomst. Toen de hoop op Hem gevestigd; nu Zijn verwachting, zo het schijnt, vergaan. Toen de liefde, die de hopeloze strijd tegen de dood onderneemt. Toen alleen vreugde en zaligheid, nu de diepste smart en grootste teleurstelling. Is Hij dan even arm in. Zijn sterven als in Zijn geboren worden, ja zelfs nog armer omdat nu alle toekomst voor Hem schijnt ,afgesneden? Neen, Hij Is veel rijker 'geworden. Ziet het slechts aan deze Jozef, dien thans niets meer kan weerhouden om Zijn Naam openlijk te belijden. Niet vergeefs stelde Hij Zijn ziel tot een schuldoffer en reeds voor Zijn opstanding ziet Hij zaad. Hier is meer dan de sympathie voor een jonggeborene, voor Wie de heerlijkste beloften Gods zijn verkondigd - hier is de innerlijke liefde, die alles trotseert om Hem, Wiens zaak geheel verloren schijnt. O, in die Jozef zien we zo heerlijk de kracht der genade en welk een vrucht het sterven van Christus doet rijpen. Hij weet de Zijnen op Zijn tijd te brengen, waar Hij hen hebben wil. Dan zijn er geen bezwaren meer en komt ook alles in orde eer de sabbat aanbreekt. En dan leren wij in het graf de poort van het hemels Kanaten te zien. Nog is Jozef zo ver niet gebracht, en niemand op aarde. Eerst de opstanding zal dit doen verstaan. Maar terwijl Jozef, Nicodemus en de vrouwen met weemoed staren naar de steen, die de rotsmond sluit, is er in hun zielen toch een droefenis, die geheiligd wordt door het geloof in het Koninkrijk, dat zij blijven verwachten ondanks dood en graf. Hoe het komen zal, weet niemand. Dat het niet komen kan, zegt alles wat voor ogen is. En toch, aan deze stille avond, na een dag zo heet geworden door Gods toornengloed, leeft in hun ziel vreugdevolle weemoed. Dit graf is een belofte van het ganse Kanaan der rust, als de vreemdelingschap voorbij zal zijn. Hier verliest de mens zijn 'eigen heerlijkheid en wordt de schuchterste tot een held. Hier wordt de persoonlijkheid niet neergedrukt, maar alles wat in haar ligt naar voren gebracht. Hier verandert het geklag in gejuich.
Zingen wij daarover uit Psalm 30 de verzen 4 en 8:
Perst eens de bitt're tegenspoed,
des avonds, het benauwd gemoed
tot naar gejammer en geklag;
nauw rijst des morgens vroeg de dag,
of God verleent, in plaats van lijden,
Weer stof tot juichen en verblijden.

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei;
mijn zak ontbonden, en mij weer
met vreugd' omgord, opdat mijn eer
niet zwijg': zo klimt uw lof naar boven:
mijn God, U zal ik eeuwig loven.
II.
Jezus wordt begraven met toestemming van Pilatus.
De Schrift beschrijft allerlei personen. Hebben we zojuist gelet op de beschrijving van Jozef van Arimathéa, nu worden we in kennis gebracht met een gans ander mens, Pilatus. Een heiden, die het leven op zijn eigen manier bekijkt en er uit probeert te halen wat er maar uit te halen is. Ook een diplomaat, want hij wil zoveel mogelijk met iedereen goede vrienden blijven. De Schrift typeert hier van hem onderscheidene trekken van het gedrag der wereld tegenover Christus' dood. In vers 44 staat: En Pilatus verwonderde zich, dat Hij alrede gestorven was; en de hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was. Pilatus verwondert zich, dat betekent: hij is verbaasd. En met recht, want de ge kruisigden leefden in de meeste gevallen veel langer. De kruisdood was ook daarom een vreselijke dood, omdat de slachtoffers lang, zeer lang worstelden met de dood. En als ge dan bedenkt onder welke omstandigheden zij die doodstrijd voerden, dan moet het u duidelijk zijn dat deze dood één van de vreselijkste was.
Pilatus' verbazing 'heeft dus iets te maken met het vroege! sterven van de Heere. Toch moeten we hier een diepere achtergrond zien. Zijn verwondering is tevens ontroering. Vroeger dan hij dacht is Jezus gestorven, en nu het einde van deze bijzondere man gekomen is, komen Pilatus allerlei voorvallen weer voor de aandacht, die met Jezus te maken hebben. En is Pilatus zelf niet in het nauwste contact met Hem geweest? Nu hij moet nadenken bij dit bericht, denkt hij aan een eventuele verlossing van deze mens, in Wie hij geen schuld heeft kunnen vinden. Hij heeft misschien gehoopt op een bovennatuurlijke verlossing van Christus. Deze is echter niet gekomen. En hij weet heel goed, dat hij deze Jezus uiteindelijk overgeleverd heeft aan de fanatieke Joden, die geen medelijden laten gelden in verband met deze godsdienstige aangelegenheid. Hij herinnert zich de droom van zijn vrouw. Hij is gewaarschuwd. En nu is de Veroordeelde gestorven. Hij kan niet meer terug en hogere machten hebben Jezus niet geholpen. Zijn geweten wordt even opengetrokken, en van binnen gaan de beschuldigers zeggen: Dat is uw werk, gij hebt Hem vermoord! En daarop moet hij antwoorden: Ja, dat heb ik gedaan. Ik, tegen beter weten in! -
Deze !ontroering is er echter niet één tot zaligheid. We kunnen voorwerpelijk toestemmen schuldig te zijn, maar daarom zijn we nog niet aan het schuldbelijden toe. Door indrukken van Godswege gewerkt, kan men uit gaan. roepen: Te laat, voor eeuwig te laat! Men kan er zelfs van overtuigd zijn, dat men hiermede een ,waarheid uitspreekt, maar het hoofd buigt zich slechts even onder de schuldenlast, doch niet het hart. De ziel gaat niet smeken: Verzoen de zware schuld, die mij met schrik vent; bewijs mij eens (genade. Er is wel een zekere nood, maar niet zó groot, dat het hopeloze van het geval wordt ingezien en beleden. Het is nog een nood met uitwegen. Het is een nood, die alle moed nog niet heeft opgegeven aan eigen kant.
De dichter zou er dit van zeggen:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
zodat mijn dood voorhanden scheen,
en alle hoop mij gans ontviel,
daar niemand zorgde voor mijn ziel.
En toch zal. de Heere straks ook de ziel eisen van dezulken, die vele malen gewaarschuwd zijn, doch die telkens antwoordden: Als ik gelegener tijd zal bekomen hebben; en zo blijven weigeren te luisteren naar de roepstem des Heeren. Hoe zullen zij zich verwonderen, wanneer de Heere hun ziel van hen eist, dat dit nu reeds, geschiedt. Ze waren nog niet gereed. Ze hadden op andere wijze uitkomst verwacht, maar nu was het nog niet de ure om zich met de dingen van Gods Koninkrijk te bemoeien en Jezus recht te doen...... Iran is er verwondering, dan één ontzettende angstkreet: Te laat! Voor eeuwig verloren! En dan, is het ook verloren, dan is het voor goed te laat! Dan beleven we die waarheid als waarheid reeds op aarde in onze ziel. Vreselijk zal dat zijn.
Zo kan het voor twee mensen te laat zijn en toch verschillend te laat. Voor Pilatus was het te laat en ook voor Jozef van Arimathéa. Maar toch, welk een verschil tussen die beiden! Als Jozef vreest, dat het te laat is omdat Jezus reeds stierf, en hij zich dus niet meer bij Diens leven voor Hem kan uitspreken, doet hij nog alles wat mogelijk is om zijn kwaad goed te maken en toont een oprecht en sterk berouw, waardoor het graf hem de weg ter behoudenis nog ontsluit. Dit is van God. Onmogelijk is het voor Jozef om het zó goed te maken voor God, dat de Heere Zich hierdoor met hem zal verzoenen. Jozef tracht zich niet in de hemel te werken, terwijl hij zich om God niet zou bekreunen. Jozef beleeft, dat vin zijn kant niets zó goed valt te maken, waardoor de Heere andere, betere gedachten over hem zal koesteren. Neen, Jozef moet en wil doen wat hij 'doet. Hij wordt er toe aangedreven van hogerhand en daarom zoekt hij in deze werken geen verdienste voor Gods aangezicht. Hij schaamt zich, dat hij tijdens het leven van Jezus zo 'laf geweest is.
Maar als Pilatus merkt, dat het te laat is, verwondert hij zich even, ontroert een ogenblik, doch daarbij blijft het. Het is reeds gebleken toen zijn vrouw hem waarschuwde, en het werd nu wederom duidelijk: het hart van deze man wordt door niets geraakt, zó dat hij tot bekering komt, voor hem is geen behoudenis: hij heeft geweigerd ,op de weg des heils te wandelen. Denkt aan dit verschil, geliefden. Indien gij vreest reeds te zeer de roepstemmen des Heeren te hebben veronachtzaamd en te laat te zijn voor de eeuwigheid, doch in uw ziel is daarover nog een diepe smart en ge hebt berouw over uw zonden: o, vlucht dan nog heden tot die Zaligmaker, Die wij u verkondigen, en het zal voor u een Goede Vrijdag worden. Zo gij echter de stem des Heeren versmaadt en onverschillig blijft, dan zal, vrezen we, de stem des archangels en de laatste bazuin nodig zijn om u te ontroeren, maar dan wacht u ook de eeuwige straf.
Pilatus doet toch nog dienst in Gods Koninkrijk, niet alleen om die waarschuwing, die wij aan zijn verwondering ontleenden, doch ook omdat hij, die zo nadrukkelijk de onschuld des Heeren had vastgesteld, thans met niet minder nadruk zijn dood moet vaststellen. Hij roept de wachtcommandant om van hem te vernemen of Hij reeds lang gestorven was. Vers 45 zegt: En als hij het van de hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam.
Dankbaar nemen we dit getuigenis aan en letten er goed op, dat de Heilige Schrift ons geen ogenblik in het onzekere laat over die beide dingen, dat de Heere onschuldig werd veroordeeld en dat Hij werkelijk de lichamelijke dood stierf. Die moeten ontwijfelbaar vaststaan omdat aan die twee het borgtochtelijk karakter van des Heeren dood hangt.
Dit nu komt ook duidelijk uit in Pilatus' beschikking: hij schenkt het lichaam aan Jozef. Wat een grote en diepe vernedering! Ten eerste, dat hij, de Romeinse landvoogd met zijn bezoedeld geweten, het recht der beschikking heeft over het lichaam des Heeren. Ten tweede, dat hij zo welwillend is om het ten geschenke te geven zonder, zoals wel gebeurde, daarvoor geld als beloning te vragen. Zijn geweten wil hij met zulk een vriendelijk gebaar gerust stellen, en met een gunst wil hij zijn onrecht wat goedmaken. En zo denkt hij van Jezus af te zijn. Hij wil geen last meer van Hem hebben. En als straks de Joden opnieuw over die oude kwestie bij hem komen, krijgen ze een snauw en een grauw: het moet nu uit zijn. Zo maakt de goddeloze wereld zich van Jezus af. Een gunst voor Zijn belijders - nu, dat kan soms nog. Maar dan op de manier van Pilatus. Met een vernedering voor de Christus. En met een aangematigd recht en een misplaatste vriendelijkheid.
Verwacht niets anders van die wereld. Hoe kunt ge nog iets goeds van haar denken? Die Hem haat, zal ook u haten en vervolgen. Doch uit haar vijandschap is nog wel iets aangaande de Christus te leren, en zij moet ook medewerken ten goede. De goddeloze wereld vindt men ook in de kerk, want wie voor God niet is, is tegen Hem, al hebben we een gedoopt voorhoofd en hebben misschien de dood des Heeren met Gods volk aan één tafel herdacht. Al zeggen we, dat we Zijn goedheid hebben geproefd en gesmaakt, kan toch de duivel ons nog geheel in zijn greep hebben. Hij vindt het niet erg als ge u bedriegt voor de eeuwigheid. Hij vindt het schitterend als ge steelt en liegt, hij doet immers precies hetzelfde en hij is een een trouwe leermeester van alle dieven en leugenaars. Hij probeert u rustig te houden door het kwade goed te praten en het goede verdacht te maken. Hij vindt het niet nodig, dat de mens iets bijzonders meemaakt in zijn leven, hij probeert u wijs te maken, dat het bijzondere dit is, dat gij nog wat voor God doet en dat ge het zó kwaad nog niet meent. Hij wil zelfs doen geloven, dat de wedergeboorte noodzakelijk is, als u maar niet meemaakt wat wedergeboren worden is. Hij laat u zelfs mediteren over Christus, maar, en pas dan toch op, gij schenkt Hem wat, Hij niet aan u. Altijd tracht de vorst der duisternis de zaken om te keren. Hij doet u op zijn manier geloven in Christus, maar gij behoeft niet door Zijn Geest en Woord te geloven in Hem. De werkzaamheden gaan van u uit, niet van Hem, Die in Gods Woord leert, dat wij door een geschonken geloof Christus en al Zijn weldaden aannemen. En als men wat geeft voor de dienst van God of aan Gods volk, probeert men daardoor het geweten te ontlasten van allerlei beschuldigingen, die van binnen luid en schuldig uitspreken. Door dit gebaar echter van gulheid wil men die stemmen het zwijgen opleggen, en als men zo door blijft gaan, lukt dat op den duur ook nog. Alleen als God de bedriegerijen ontdekt, deze schandelijke handelwijze blootlegt, zal men uitroepen: verloren! Vele mensen, die op kerkelijk erf geleerd hebben, zullen dit pas door hebben als hun laatste uur geslagen is. Als ge één van hen zijt, smeekt God dan nog om bekering eer het te laat is, en wie weet, God mocht zich wenden.
Mogen we u tenslotte, aan het einde van de tweede gedachte, nog enkele tegenstellingen voor de aandacht brengen uit deze geschiedenis?
Pilatus, die geen recht heeft, geeft wat hij eigenlijk niet bezit, want welke macht heeft de sterveling over de Schepper? Maar Jezus, Die alle recht heeft, geeft wat Hij verwierf door alles prijs te geven in de smadelijke dood des kruises. Pilatus verwondert zich, dat Jezus alrede gestorven is, maar de christen verwondert zich dat Hij leeft.
Pilatus' verbazing verandert zijn binnenste niet, maar de christen heeft geleerd te aanbidden aan de voet van het kruis. Pilatus vindt het voorval met Christus lastig en wil zo spoedig mogelijk er af zijn. De christen echter wil er al meer van horen en heeft nooit genoeg van de overpeinzing dezer dingen.
Pilatus kan de dood constateren, doch het leven van de Verrezene niet zien, maar de christen heeft met de ogen des geestes Hem aanschouwd, Die is opgestaan uit de doden, met datzelfde lichaam, waarover nu nog de beschikking van de heidense landvoogd, die het recht vertrapt, werd geduld.
Pilatus, eindelijk, schenkt het lichaam van Jezus aan Jozef, maar de Heere deelt Zich geheel mede aan al de Zijnen, en wil hen inleiden in de nieuwe wereld, die zonde noch gebrek kent, en waar de troon Gods op het eeuwige recht onwankelbaar gegrond is.
Dat leert ons het gedrag van Pilatus bij de begrafenis van Jezus.
III.
De begrafenis van Jezus vindt plaats in het bijzijn der vrouwen.
In vers 47 staat: En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden waar Hij gelegd werd.
Opnieuw stelt de Schrift ons voor tegenstellingen. Maria Magdalena is de sterke vrouw, de rijk begaafde, die grote kracht had van gemoed en die een fel bewogen leven had gekend. Maria, de moeder van Joses, de echtgenote van Klopas, daarentegen een veel stillere en meer tedere figuur, en een meer rustig leven kennend.
Over Maria Magdalena staat veel in de Schrift geschreven en over de andere Maria heel weinig. De eerste Maria is door de Noorderpoort ingegaan en de tweede Maria wellicht door de Zuiderpoort, maar ze kwamen toch in dezelfde stad, Jeruzalem! En toen zij bij het verlaten van dit leven die stad benaderden, hebben ze samen kunnen zingen: Jeruzalem, dat ik bemin, we treden uwe poorten in.
Misschien heeft de ene een krachtdadige en de andere een geleidelijke omzetting in het leven ondervonden, maar dan toch een omzetting, beter is het te spreken over de bekering. En dan niet te vergeten, dié bekering, welke de Schrift noemt de wedergeboorte, die de eerste bekering is. De één zowel als de ander is van dood levend gemaakt en wel door Woord en Geest. Een drieënig God heeft naar hen omgezien en is hun genadig geweest. Hij heeft hen uit de dood opgehaald en in het leven gesteld, en God weet daar dus alles van, en ook hoe Hij dat in hun leven heeft klaar gemaakt. Van dit werk van God is hun kennis gegeven in de ziel en zij hebben mogen geloven, dat God het heeft gedaan. Zij hebben er iets van ondervonden, dat God het heeft gedaan om Christus' wil, naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Zij hebben moeten en door genade mogen en willen geloven, dat dus ook Christus met hun zaligheid alles te maken had. Hoe vèr zij in die geloofswetenschap waren 'ingeleid is en blijft hoofdzaak, ook nu nog voor ieder kind van God. En we denken, dat Maria Magdalena meer gepraat heeft in haar leven dan Maria, de moeder van Joses. Doch wat zou dat? En die veel spreekt en die veel denkt heeft veel te verantwoorden, de één voor zijn spreken, de ander voor zijn denken.
Maria Magdalena zal haar aanhangers gehad hebben, die misschien de zaak naar hun smaak wat duidelijker en krachtiger hadden beleefd, maar Maria, de moeder van Joses had ook bewonderaars, omdat zij de uitgesproken lieflijke was, de tere vrouw, die zo zacht was en niet zo gauw een afkeurend woord zou spreken.
Laat dat allemaal waar zijn en laten zich heden dezelfde dingen nog vertonen, we moeten niet vergeten wat Gods Woord ons hier meedeelt, en daar mochten we nu eens uit geleerd worden. Deze vrouwen zijn aanwezig bij de begrafenis van Jezus, hun dierbaarste Vriend, Die zij onmogelijk missen kunnen. En hoe het verder moet, och, zij weten het niet. En de krachtiger ontdekte èn de meer lieflijke niet. Maar als zij zien op het graf, dan hebben zij elkander gevonden. Eerst in de smart, dan in de vreugde. Het sterven van Christus staat met Zijn verrijzenis toch altoos in het midden van heit leven der wereld, en Jozefs hof is het centrum van haar geschiedenis.
Deze vrouwen hebben op de Goede Vrijdag de tijd om zich neer te zetten 'bij het graf van Jezus. Mijn medereiziger, gij ook? Menigeen laat zich meesleuren door het drukke gewoel van de wereld en laat deze vrijdag voorbijgaan als iedere andere vrijdag. De hoogtijdagen van Christus' kerk spreken hen niet meer aan. Men jaagt achter eigen genot aan, alsof daar het leven in te vinden is. En als we dit niet meer nodig vinden, om zulke dagen samen te toeven in het huis des Heeren, dan hebben we ook geen behoefte in ons leven om in de binnenkamer onze knieën te buigen, waar zulke zaken ons bezig houden. Geen enkel oprecht christen kan deze geestelijke werkzaamheden missen.
Daarom dienen we ook nog aan de beschamende tegenstelling te denken, dat de wereld bij het graf wel spreekt van de opstanding, waarvan de discipelen zwijgen en waaraan zij zelf niet kunnen geloven als hun die geboodschapt wordt. De overpriesters en farizeën waren indachtig wat de Heere aangaande Zijn opstanding had gezegd, maar de jongeren des Heeren herinnerden zich Zijn woorden niet.
En toch: de wereld wordt ook door de uitnemendste kennis der godgeleerde waarheden niet behouden, zij blijft onbekeerlijk; maar de kinderen des Heeren,'hoezeer ook menigmaal de waarheid vergetende tot hun schade, worden tenslotte door de Heilige Geest er aan indachtig en aanvaarden haar dan door het geloof.
Nu is het de voorsabbat.
Zie daar de vrouwen, die het graf aanschouwen. Zij kennen iets van leedwezen en hartelijk berouw over hun zonden. Doch daar zal meer zijn. Daar zal ook wezen of nog komen de stille hoop, dat het graf niet het laatste woord zal houden. En straks komt het grote ogenblik in Maria's leven, dat Jezus haar ontmoet en zij haar naam hoort noemen uit een mond, die zij niet direct herkent. Maar Jezuskent haar -wel, dat is het voornaamste en daarom kan zij antwoorden: Rabbouni, dat is: mijn Meester!
De kerk, die eens juichen zal, moet nu nog wachten en blikken op het graf. Maar zij leert hier reeds, dat het graf niet zo, vreselijk is als het schijnt te zijn. Door Gods onderwijs krijgt de bruid een andere kijk op de zaken van het graf. Een graf zal zij kopen in deze wereld, die haar straks door de herschepping zal toevallen, niets dan een graf. Daar zal hun stof vergaan, maar de kerk zal in onverderfelijkheid opgewekt worden. En die opwekking zal geschieden door Hem, Die geen verderving heeft gezien.
Wie deze zaken gaat leren, heeft niet alleen een andere zienswijze ontvangen, doch begeert nu ook op een andere wijze te leven. Waar door genade een geloven des harten is, daar komt tevens een belijden met de mond van dat wat men met het hart gelooft. In woorden en daden!
Zij verwachten met Johannes op Patmos het Koninkrijk Gods; Jozef van Arimathéa mocht aan het begin van deze gang des geloofs toeven en aanschouwen.
En die hier geen vreemdeling van zijn, gaan zich verstouten om die dierbare Naam zonder aarzelen te belijden. Ook de werkers uit de nachtploeg, zie het in het leven van Jozef. Ziet het pop het graf: het 'is geen ieinde, maar een begin, een hoop voor allen die geloven.
En medereiziger, als straks de avond van ons leven gaat dalen, zal dan uw oog meer en meer peinzend dolen naar het graf? Naar dat van u alleen? Of zult ge met de vrouwen mogen blikken op het graf van die gezegende Hogepriester? Zo ja, dan komt het goed.
Op de voorsabbat stille sabbat in het graf, voor u en voor mij. Is dat het laatste? Neen, het is toch sabbat, daarom zal de eeuwige morgen der opstanding volgen. En dan schouwt de kerk niet meer van de plaats, waar Zijn lichaam is neergelegd in het graf, doch waar het verheerlijkt gezet is aan de rechterhand des Vaders in de hemelse troon.
Voor u en voor mij? Een stille sabbat in het graf! Dat vragen we nog eenmaal, medereiziger. Als het werkelijkheid gaat worden, die scheiding tussen ziel en lichaam, is de ziel dan gered door die hoogste prijs, die geëist werd door de Vader? Met minder zal het niet kunnen. Bedrieg u niet voor de eeuwigheid met gestolen goed. Met minder zal het niet kunnen, maar dierbare Christus, omdat Gij alles hebt gegeven, zal Uw bruid ook alles krijgen, wat Gij voor haar verworven hebt. Die rijkdommen zuilen niet blijven in het (graf. En wat zal het groot zijn als Gij uw kerk leert komen tot de Vader. Hij gaf de uitverkoren aan U, en eenmaal zult Gij ze allen wedergeven aan Uw Vader. Dan zal God alles zijn en in allen. Amen.

Maart 1963