SCHIJNBEKERING
Predikatie over Mattheus 12 : 43-45
Door Ds. C. SMITS
Psalm 139: 14
Lezen: Mattheus 12 : 38-45
Psalm 17 : 2 en 3
Psalm 26 : 2 en 10
Psalm 18: 8
Tekst: Mattheus 12 : 43-45 : En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
Dan gaat hij henen en neemt met zich-zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook zijn met dit boos geslacht.
Wezen en schijn. Twee begrippen, die elkander kunnen dekken, maar die ook de grootste tegenstellingen kunnen vormen. Deze tegenstrijdigheid kan in gunstige betekenis Voorkomen.
men kan de schijn hebben van een kwade zaak, waardoor men belasterd en veroordeeld wordt, terwijl men toch in 't wezen der zaak, geheel vrij is van de misdaad of handeling, waarvan men beticht wordt, verricht te hebben.
Zo had Jozef eenmaal de schijn op zich van ongunstige handelingen, werd gesmaad en gelasterd door zijn broeders, werd daarom overgeleverd naar Egypte terwijl hij in waarheid godvrezend was; werd daarna in de gevangenis geworpen door Potifar, terwijl hij in waarheid onschuldig was.
David werd vervolgd en gesmaad door Saul als een belialsman, terwijl hij in wezen niets kwaads tegen hem beging.
Doch zie hier, en daarover wordt ook gehandeld in het onderwerp onzer overdenking, deze tegenstrijdigheid kan ook in een ongunstige betekenis voorkomen.
En daar is niets, waar Gods W oord meer tegen waarschuwt, dan de schijn te hebben godzalig en godvrezend te zijn, terwijl men daarentegen in waarheid het tegenovergestelde is, nl. gans onbekeerd en een vijand van God en Zijn volk.
Zo b:v. Bileam scheen een oprecht mens te zijn, als men z'n profetieën leest. „Zou ik vloeken die God zegent", terwijl hij zich op 't laatst openbaarde als één, die het met de vijanden van de God van Israël en van het Israël Gods hield.
Hananja scheen de waarheid Gods te profeteren, zodat Jeremia op zijn redenen antwoordt: ,,Amen, het zij zo", terwijl hij in de uitkomst niets anders dan een leugenprofeet was. Saul scheen godvrezend te zijn; men sprak: „Is Saul ook onder -de profeten?" terwijl hij nochtans een verworpeling was. De ganse Heilige Schrift waarschuwt met klem tegen zulk een schijn. En met name Christus in Zijn omwandeling op aarde, als Hij de eigengerechtige Jood en de vrome farizeër openlijk aanzegt, dat ze de schijn en een gedaante van godzaligheid vertonen, doch in waarheid de witgepleisterde graven gelijk zijn, die van buiten wel schoon zijn, maar van binnen vol dorre doodsbeenderen zijn.
Welnu een treffend voorbeeld om het wezen en de schijn der bekering te ontdekken vinden we in het woord, dat eenmaal van Jezus' lippen vloeide. Hard en ontdekkend waren deze woorden, doch waarachtig en getrouw. Welk een ontleding van het menselijk hart. Welk een ontdekking en ontkleding van de natuurlijk vrome mens, die de schijn heeft te leven, maar nog dood is in de zonden en de misdaden.
Onder het beeld, in ons tekstwoord omschreven, wordt zulk een schijnbekering ons voor ogen gesteld. De aanleiding, waarom Jezus dit woord sprak, vinden we in een gesprek met sommigen der farizeën en schriftgeleerden. Zij toch kwamen met een verzoek tot Christus om van Hem een teken te mogen zien. Ze doen dit op een zeer beleefde wijze, wat ze anders niet gewoon waren, door Hem te vereren met de titel van Meester. Het tweesnijdend zwaard, dat uit Zijn mond gaat, keert zich hier tot hen. En Hij wijst ze op het ene en grote teken van Jona de profeet, n.l. Zijn opstanding, waarvan Jona in zijn zijn in de buik van de grote vis, een schaduw en afbeelding is. Immers bij alle tekenen en wonderen, die de Zaligmaker verricht heeft, is dit het grote bewijs van Zijn Goddelijke zending: de opstanding uit de doden. „Die krachtiglijk bewezen heeft de Zoon Gods te zijn, door de opstanding uit de doden".
En nog pas heeft de Heere een machtig wonder verricht door het uitwerpen van een duivel. En toen zeiden zij: „Deze werpt de duivel uit door Beëlzebul". En hoewel de Heere altijd bereid is begeerten en gebeden te horen, zo wil Hij toch niet aan verdorven lusten voldoening schenken. En weigert hun daarom een ander teken te geven, dan dat van Jona de profeet.
In de volgende verzen stelt Christus nu voor ogen het droevig karakter van het geslacht, dat niet veranderd, niet verbeterd wenst te worden en zo z'n ondergang tegemoet gaat; en schetst ons hier, hoe zij zullen bevonden worden te zijn in de grote dag des oordeels. Want dan zal alle schijn wegvallen en de werkelijkheid aan het licht gebracht worden. En daarom zien we hier de mens, die zich altijd tevreden stelt met schijn en uitwendigheid, dat hij veroordeeld zal worden door de mannen van Ninevé in de dag des oordeels.
De. Ninevieten zullen hen beschamen, omdat die zich bekeerd hebben op de prediking van Jona. „En meer dan Jona is hier". De Koningin van het Zuiden had geen uitnodiging ontvangen om tot Salomo te komen; zij daarentegen zijn uitgenodigd om tot Christus te komen en „meer dan Salomo is hier". Maar dan stelt Christus ook dit geslacht voor, als onder de macht van satan, niet alleen besloten, maar ook om er onder te blijven. „Zo blijft dan in uw zonden".
De Heere nu schildert in ons tekstwoord een mens, uit wie de duivel is weggegaan, maar tot wie hij met een zevenvoudige kracht der verdorvenheid wederkeert. Zo toch is het met hen, wier godsdienst niet anders in dan schijn, die een bekering hebben, waar God niet van afweet, maar een vrucht is van het eigen werk des satans.
Let daarom op de toepassing, door Christus Zelf gemaakt als Hij zegt: „Alzo zal het zijn met dit geslacht".
Maar let dan wel: dit geslacht is nog niet uitgestorven, en daarom, dat we met dit woord ook winst mogen doen voor de eeuwigheid, ziende op ons bedriegelijk hart, waar we van nature toch niet anders dan een farizeïstisch hart omdragen, en we ons met de vormen en de schijn van de godsdienst tevreden stellen. Dit woord mochten we beluisteren met de bede van Psalm 139. „Doorgrond me o Heere en ken mijn hart; beproef me en ken mijn gedachten;" als de bovengenoemde woorden der Heilige Schrift spreken van: Schijnbekering in haar ergste vorm, als een bekering uit satan. We zien dan:
I. hoe deze soort ontstaat;
II. waardoor ze zich kenmerkt;
III. waarin ze eindigt.
I.
Hoe deze soort ontstaat.
Daar is schijnbekering in de dadelijke en lijdelijke zin van het woord. Dadelijk zouden we die kunnen noemen, b.v. die ontstaat uit angst voor de dood en het oordeel, hetwelk veroorzaakt een slaafse vrees. Men begint zich op te knappen, gaat anders leven, kortom, men wil de strop ontgaan. Zo b.v. was het bij Achab. Wanneer de profeet Elia de oordelen aanzegt, gaat hij in de rouw enz., en de Heere zegt: „Hebt ge niet gezien, dat Achab zich vernedert?" En Farao vernederde zich bij elke beproeving, die God zond. Zo zijn er velen ook in onze tijd. Zij vrezen voor hetgeen te wachten staat. Ze zijn bekeerd van de zonde tot de deugd, vertonen een huichelachtige boetvaardigheid. Dit komt wel voor in tijden van ziekte en sterven. Maar onze vaderen spraken wel eens, dat vele ziekbedbekeringen blijven aan het bedstro hangen. Men laat dan de zonde vanwege de schadelijkheid en schandelijkheid van de zonde, maar niet omdat men de zonde moe is. Daar is echter ook een schijnbekering in de passieve of lijdelijke zin van het woord. Ook dan laat men de zonde voor een tijd, doch niet omdat •men de zonde moe is, maar omdat de satan iemand met rust laat.
Zo kan er een bekering zijn, waar de mens begonnen is, niet God (actief). Doch ook nog een bekering, waar niet God, niet de mens begonnen is, maar wat een bekering is uit satan. Hier is de -mens een speelbal van de duivel, die het nu een ogenblik moe wordt en de mens tijdelijk loslaat, waarvan echter de mens zelf, die daar het onderwerp van is, zich niet bewust is. En zulk een geval hebben we thans hier.
De Heere stelt dit voor onder het beeld van iemand, die bezeten is van de duivel. Zulke bezetenen waren er in Jezus' dagen velen. Waarom dat?
Immers wij lezen nergens anders in de Heilige Schrift van zulke bezetenen, dan juist in de dagen van Jezus' omwandeling op aarde. En dit is te verklaren.
Satan toch is door iemand wel eens genoemd de karikatuur van God. En Luther noemt hem de aap van Jezus. De duivel kijkt alles af, aapt alles na. In het paradijs kwam God tot de mens in de wind des daags en sprak met Adam als een man met zijn vriend. Satan deed dit na op een listige wijze. Welnu, in Christus is God geopenbaard in het vlees. Ook dit wilde hij nadoen. En daarom nam hij intrek in verschillende mensen; en wee degene, die daar het slachtoffer van werd. Want er staat van dezulken, dat hij de geest des mensen geheel aan banden legt, en dat hij zelf regeert in zulk een lichaam. Daarom lezen we ook van zulk een bezetene, die door Jezus genezen is, dat hij zijn lichaam scheurde: Christus hem vragende: „hoe is uw naam?", antwoordt, niet de mens, maar de duivel zegt: „Legio". Daarom bad hij ook, dat hij in de kudde zwijnen mocht varen; hij wenste dus in een lichaam te wonen, zij het dan in zwijnen. Zulke bezetenen nu waren er vele in Jezus' dagen, en Jezus heeft verschillende malen duivelen uitgeworpen.
Maar nu gebeurde het ook, dat de zonen der profeten duivelen uitwierpen, doch vele malen, wanneer ze uitgeworpen waren, keerden ze -na enige tijd weer terug. Doch als de Heere Jezus het deed, waren de duivelen er voorgoed uit, en keerden zij nooit meer terug!
In de gelijkenis nu, die onze aandacht vraagt, is het eerste geschied; de duivel is niet alleen teruggekeerd, maar nog erger, hij is met zeven duivelen weergekeerd, en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.
Welnu, wij allen zijn, schoon niet op deze wijze, onder de macht van satan gekomen, wij zijn hem toegevallen. Hij heeft recht op ons, hij heeft zijn troon in ons hart gevestigd. Het hart des mensen, eenmaal een tempel des Heiligen Geestes, is nu in een werkplaats des satans herschapen.
En hoe is het nu bij deze mens in de gelijkenis gegaan? De satan is niet door Christus uitgeworpen. En daarom, hij laat zijn prooi niet los. Hij houdt krampachtig vast. Doch nu staat er: „En wanneer de onreine geest van deze mens is uitgegaan, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet". De duivel is een zeer onrustig schepsel, hij leeft van moord en tyrannie (mensenmoorder van den beginne). Welk een verschrikkelijke toestand, dat de satan mij doorwonen kan, dat de mens een slaaf is van de duivel, een voorwerp van zijn hels vermaak. En zie, nu gebeurt het wel eens, dat de satan vermoeid is van moorden, en laat dan de mens een ogenblik met rust. We zien dan een aanvankelijke verandering bij dezulken, gelijk bij de bezetene. Doch de onreine geest was daar niet voorgoed uitgeworpen, hij neemt slechts een ogenblik rust, althans, hij zoekt rust; er staat: „Zoekende rust, maar vindt ze niet". Hij zoekt die rust in dorre plaatsen. Dorre plaatsen zijn woeste wildernissen, zoals die in het oosten veelvuldig voorkwamen. En het schijnt, dat tle duivel zulke akelige plaatsen bemint. Hierop zinspeelt de profeet Jesaja wanneer hij van Babels verwoesting profeteert, zeggende: „Daar zullen nederliggen de woeste dieren der woestijn, en de duivelen zullen daar huppelen".
Welnu, we zeiden het reeds, er is bij die mens een aanmerkelijke verandering gekomen. De satan heeft voor een tijd zijn helse tyrannie en werk in deze mens verlaten. En het schijnt dat er nu een zodanige verandering heeft plaatsgehad, dat hij een omgezet, een veranderd, ja een bekeerd mens geworden is. Doch schijn bedriegt; zo ook hier. Want dit willen we zien, als we vervolgens letten op:
II.
Waardoor zulk een bekering zich kenmerkt.
Een bekering, waarvan ik lees omtrent een mens, van de duivel maar niet van God.
We lezen niet van de kenmerken der ware bekering, zoals die zijn droefheid voor God, vernedering des harten, ootmoed, berouw over de zonden, een liefde tot heiligmaking, enz. Neen! al zulke kenmerken, die we vinden in de waarachtige bekering, ze worden hier gemist. Want hoe ziet dit huis er uit, dat satan een weinig rust gegeven heeft? 't Is een versierd huis, geen vernieuwd huis.
Zo zijn er velen, die uitwendig versierd zijn; er is een aanmerkelijke verandering in hun leven gekomen, en zó zoudt ge zeggen: er is waarlijk wat aan geschied!
Vervolgens is het met bezemen gekeerd. Het uiterlijke vuil der zonde is weg. Er is ingetogenheid gekomen. Bij sommigen kunt ge een hele geschiedenis beluisteren van hun verandering, soms zo, dat waarlijk bekommerden over hun staat er jaloers op worden. Maar met de bezem komt men niet in de hoeken. Er is niet beleefd wat Gods Woord zegt, dat Gods Geest de binnenkameren van de buik doorlicht en al onze zonden worden gesteld in het licht van Zijn heilig aangezicht. Neen met de bezem komt men niet in het verborgene en innerlijke en neemt vandaar het vuil niet weg. Zo is hier slechts een opgeknapte zondaar.
In het weergaloze boek van Bunyan: „Eens christens reize naar de eeuwigheid", vinden we hier één treffend voorbeeld van. Christen is gekomen in het huis van zekere meester Uitlegger. Verschillende taferelen worden hem getoond, o.a. deze: Hij komt in een kamer, die vol stof is, en waar thans een man met een bezem bezig is het vertrek schoon te vegen, zodanig dat het stof opvloog en het Christen benauwd werd. Meester Uitlegger liet daarna echter door een vrouw water sprenkelen. En zodra had zij dit niet verricht, of de man kon z'n reinigend werk voortzetten. Wat is nu de betekenis hiervan?
Deze kamer betekent het hart des mensen, dat nog nooit geheiligd is door de genade des Evangelies. Het stof is zijn aangeboren zonde, die de mens in het geheel verontreinigd heeft. En zo is ook hier wel het vuil opgejaagd, maar het huis is niet gereinigd door het water des Evangelies.
Het is eindelijk een ledig huis, omdat satan verdwenen is. Doch het is geen tempel des Heiligen Geestes. De Heere Zelf is er niet voor in de plaats gekomen. De zogenaamde bekering is hier af. En, dat is het kenmerk van een valse bekering. Men is klaar gekomen in dit stuk. Waarom? Omdat men vreemd is aan ontdekking. Het huis is met bezemen gekeerd, maar er was geen last van het stof, dat die bezem opwierp. Men is tevreden over zichzelf, gelijk de farizeën in Jezus' dagen. Evenwel, hoe opgeknapt, hoeveel schijn en vertoning naar buiten, de satan mag hem een wijle verlaten hebben, dat wil zeggen, dat hij zo zichtbaar niet meer in hem werkt, evenwel was hij onder diens macht en zijn eigendom gebleven, want hij noemt hem nog zijn huis.
Hoe velen zijn er zo, die voor een tijd schijnbaar geloofden, die de schijn hadden van bekeerd te zijn. Doch het was geen werk van God de Heilige Geest. Daarvan zijn vele voorbeelden in de Heilige Schrift. Denk aan Lots vrouw; wel uit Sodom, doch nimmer in Zoar. Saul, als David voor hem speelde, zo was de boze geest een ogenblik van hem geweken. Denk aan Demas, die eerst scheen met Paulus vereend te zijn in Christus, door de band des geloofs; maar och neen, hij heeft de tegenwoordige wereld weer liefgekregen, zo schrijft de bedroefde Paulus.
Ja, denk aan zovelen in de loop der geschiedenis en ook in onze tijd. Zij schenen bekeerd, maar het was een bekering niet uit God. Mensen bekeren mensen. Ook satan bekeert mensen, maar God bekeert zielen; en daarom, en zie hier onze derde gedachte:
III.
Waarin zulk een bekering eindigt.
Want de duivelse lust komt weer op. Hij zocht rust in dorre plaatsen, doch vond ze niet. Gelijk toch van de goddeloze gezegd wordt, dat hij niet slapen noch rusten kan, zo hij geen kwaad gedaan heeft, zo geniet ook de onreine geest geen rust als hij God en mensen niet kan lasteren. Zijn naam is, diabolis: lasteraar. Waarom we ook lezen, dat de kerk uitroept, „Die ons dag en nacht verklaagde voor onze God".
Denk ook aan de geschiedenis van Job. Hij klaagde hem aan, en lasterde hem. En wenste de Almachtige ongunstig te stemmen tegenover de rechtvaardige Job. Daarbij komt, de duivel is een woelig schepsel; zijn leven slingert tussen smart en ver- veling. En geen wonder, dat hij in die dorre plaatsen geer, rust vindt. Want hij vond geen prooi, en daar hij geen roof vindt, blijft hij niet lang. En daarom, hij keert weder tot hetgeen hij noemt zijn huis, om dat te bezien. En waarlijk het ic zo ten gunste . veranderd, dat hij er niet weinig door wordt opgewekt, om er weder te gaan wonen. Het huis was gereinigd en versierd, zo lezen we. Immers het gebeurde, dat een duivelbezweerder met veel moeite en kunstmiddelen er in geslaagd was de duivel uit de bezetene te verbannen. Het was dan de bedoeling, om deze, n.l. waar de duivel was uitgeworpen, naar woeste plaatsen heen te zenden, teneinde hem buiten het bereik te stellen van de boze geest. De mogelijkheid echter was niet uitgesloten dat de geest weer terugkwam, want zulk een bezweerder had hem wel uitgeworpen, maar de deur er van open gelaten. Hij toch had geen macht, die voorgoed voor hem te sluiten, d.w.z. hij kon de volstandigheid der genezing niet waarborgen.
Welnu, de duivel dan wedergekeerd om het huis te bezien, ziet, dat het aanmerkelijk verbeterd is om er weer intrek in te nemen; want zulk een lichaam leed geweldig onder de inwoning van satan. Hij beziet dat de lichamelijke kracht van zijn slachtoffer dermate weer is toegenomen, dat het geschikter voorwerp is dan ooit. Het kan zijn kwellingen beter doorstaan. Hij kan er zijn woede weer in uitwerken. En daarom, hij neemt er wederom intrek. Maar thans zal hij zorgen, dat geen bezweerder hem er meer uitdrijft, en daarom neemt hij zeven andere geesten met zich, bozer dan hij zelf, en zij wonen aldaar.
Men kan er nu op rekenen, dat de lijder thans ongeneeslijk is geworden: zijn laatste wordt erger dan zijn eerste. Satan heeft hem nu ten volle in zijn macht, bewerkt zijn lichamelijke en geestelijke ondergang. Geen bezwering kan die mens ooit weer genezen; het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Dit ° is dan ook het beeld van zulk een mens, uit wie de duivel wel was uitgevaren, maar die niet door Jezus was uitgeworpen. Van hem n.l., die een tijd lang met rust gelaten was en de zonde niet meer openlijk diende.
Maar hoeveel erger is hij thans geworden! Dit is het beeld van dezulken, die een tijd lang mee gaan met het volk van God, maar die straks, hetzij in hun gezonde dagen of op hun ziekbed, als een huichelaar en een schijnvrome openbaar komen. Doch niet altijd komen ze openbaar aan deze zijde van het graf. Het kan ook wezen dat ze met een ingebeelde hemel naar de hel gaan, maar nooit zaligmakend afgebracht zijn van de zonde en van de duivel en overgebracht zijn in Christus Jezus als hun enige troost in leven en in sterven.
Het is voorzeker een ontroerend beeld wat de Heere Jezus ons tekent van zulk een bezetene. Maar niet minder ontroerend is het beeld, dat in deze gelijkenis ons voor ogen wordt gesteld van zulk één, die als een hond tot zijn uitbraaksel is weergekeerd, en als een gewassen zeug tot de wenteling in het slijk. Dit beeld voor ogen staande, mogen wij wel uitroepen met de dichter van Ps 26 : 2 en 10:
Beproef vrij, van omhoog,
mijn hart, dat voor Uw oog,
Alwetende, steeds open lag;
doorzoek mij, toets mijn gangen,
doorgrond al mijn verlangen,
en stel mijn oogmerk in de dag.
Doe mij niet mee vergaan
met hen, die U weerstaan,
wier hart steeds schand'lijk misdrijf kweekt;
die trouw en plicht verachten
en 't recht om goud verkrachten
als d'onschuld om bescherming smeekt.
Toepassing.
Een bekering uit saten. Zo zagen wij, dat ook satan bekeert. Christus Zelf maakt de toepassing. Het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Want het einde zal dan ook vreselijk zijn. Hier de prooi van de vorst der duisternis te zijn is al vreselijk. Maar het „laatste", dat is inde eeuwigheid, eeuwig de prooi te zijn van en overgegeven aan de duivelen in de hel. Hoe diep is de mens gevallen. Willens en wetens is hij met de duivel in een verbond geraakt. En zo heeft de duivel recht op mij. Want in Adam heb ik het _gebod dat ten leven was, krachteloos gemaakt, en het oor afgewend van mijn Schepper, en gewend tot de vorst der duisternis. Rechtens kan hij zijn klauw op mij slaan en zeggen: Gij zijt mijn wettig eigendom. Hoe noodzakelijk dan ook dat we ons recht leren onderzoeken, als we bedenken dat we ook door de duivel kunnen bekeerd zijn. En zulk een bekering schijnt in vele opzichten zo veel weg te hebben van een ware bekering.
De apostel spreekt van dezulken, die eens verlicht zijn, de hemelse gave gesmaakt hebben, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en weder afvallig worden.
Een schijnbekering! We hebben wel eens gehoord van een schijndode. Maar zo kan men ook in geestelijk opzicht een schijnbaar levende zijn.
Schijn en wezen. Welk een onderscheid!
De dag zal het openbaren. Dat zal zijn: een dag van onderzoek. En wie zullen die toets doorstaan? Zij namelijk, die niet door zichzelf, niet door de satan, niet door een mens, maar door God bekeerd zijn. Dat is een bekering, die in de hemel bekend is.
Oprechte zielen schuwen het zelfonderzoek niet. En ik kan mij voorstellen, dat bij dezulken de vraag der bekommering wel eens oprijst: is dat ook mijn beeld? Want genade leert God lief te krijgen in al Zijn deugden. Ook in die der waarheid. Ze zijn bang voor zelfbedrog, omdat ze hierdoor de leugen eren.
En daarom, let wel, de bekering die uit God is, is geheel verschillend van deze, en dat in het begin, voortzetting en einde. De satan geeft de ziel rust. Het huis wordt met bezemen gekeerd en versierd. Doch in de ware bekering wordt hij niet versierd. Integendeel, dan ziet de mens niet dat hij beter wordt, maar slechter en vuiler voor God. De ontdekking leert naar de inleving: Steeds groter zondaar voor God te zijn. „Wie kan de afdwalingen verstaan? Reinig mij van mijn verborgen afdwalingen".
Zulk één heeft niet genoeg aan het nalaten van de zonde aan de buitenkant en om in de taal dezer gelijkenis te spreken: de afwezigheid van de boze, maar daar ontstaat een honger en dorst naar verzoening en heiliging, naar het bloed en de Geest van Christus. En naar de gemeenschap Gods.
Immers er kan een. verandering zijn zoals bij Herodes, wanneer hij Johannes de Doper hoorde. Zo deed hij vele goede dingen, hij liet voor een wijle zijn zondige praktijken na. Waarom? Hij was door Johannes bekoord, maar niet door God bekeerd. We hebben goed te verstaan dat wij God kwijt zijn. Dat wij daarom alle eigenschappen missen, waardoor we in aanmerking zouden komen dat God nog met ons te doen zou willen hebben. En daarom, we zijn God kwijt. En dit is de vraag der ware bekommering. Hoe word ik rechtvaardig voor God? Wie neemt mijn schuld weg? Hoe wordt God mijn deel voor tijd en eeuwigheid? Dat zal zeggen, dat de ware bekering en het leven Gods niet begint met bezit, niet met blijdschap, maar met gemis, met droefheid.
Want blijdschap komt, na veel smarten,
voor alle oprechte harten.
In een nabijkomend werk worden we een bezittend mens, een bekeerd mens, een klaar mens. Maar Gods volk is nooit afbekeerd. Daar ontstaat strijd van binnen, een onderzoek, een droefheid, een uitvluchten naar de Heere.
Zulk één vraagt veel om ontdekking. Hier vinden we het tegenovergestelde als in de gelijkenis. Het is hier niet een versierd huis, met bezemen gekeerd, maar: „Graaf maar dieper mensenkind, en ge zult nog meer gruwelen vinden". Dan worden we bang. voor zelfbedrog, want het gaat op een eeuwigheid aan. Och, in de gang van het leven der genade kan het leven vaak zo afebben, zo verachterd zijn in de genade, zulk een macht der verdorvenheid van binnen, zo duister, dat als men tot dezulken spreekt van kenmerken der genade, dan zouden ze antwoorden: Ik voel meer de kenmerken van een verworpeling, dan dat ik kenmerken der genade bezit. Ze vrezen wel eens een bekering te hebben als Saul, waarvan we lezen: De Heere sprak niet meer, noch door Urim, noch door dromen, noch door de profeten.
Hoe vreselijk is onze toestand van nature, dat we niet alleen een prooi kunnen zijn van de vorst der duisternis, maar ook dat we hem toevallen en dat uitspreken met onze daden. Ja, hoe vreselijk dat we kunnen menen bekeerd te zijn, maar een bekering hebben en bespreken, die niet uit God is. Wat de enige weg is, om door zijn listen niet verleid te worden ten eeuwigen verderve? Namelijk om te leren wat de ware bekering is, hoe God zondaren bekeert.
O, welk een genade, medereiziger naar de eeuwigheid, dat het nog kan. Het is nog niet te laat.
De ootmoedige leert Hij
Zijn godzalige voetpaden.
Hij toont ook Zijn wegen vrij
de arme zondaar beladen.
Dat volk heeft niet alleen een eerste bekering van node, maar een voortdurende. En o wat een voorrecht, dagelijks wakende te zijn aan de posten Zijner deuren.
Zij leren te onderscheiden tussen schijn en zijn, en het snode van het kostbare uit te trekken. Het is en blijft, o volk, een strijdend leven tegen onvermoeide vijanden: satan, wereld en bovenal hun eigen ik.
Eens zal die strijd ten einde zijn, dan zal de bekering geheel af zijn, dan zal ook de satan geen vat meer hebben op hen. Want Hij Die ze verlost heeft, is eenmaal gekomen om de werken des satans te verbreken, en heeft intrek genomen door de Heilige Geest. „Want Ik en de Vader zullen woning bij hem maken", ten spijt van satan en allen, die Sion gram zijn, als het kind zijn Vader, het volk zijn God, en de bruid haar Bruidegom zal zien, tot eeuwige verwondering in heerlijkheid.
Dan is de strijd gestreden, de loop geëindigd.
Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,
verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
zingt vrolijk, roemt. Zijn deugden t'allen tijd',
gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Tot zie zaligheid roept de Heere geen rechtvaardigen (in zichzelf) maar arme zondaren. Het brenge ons op de knieën voor God en we mochten in alle strijd, nood en verlegenheid bij bevinding met de grijze Ethan leren:
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, en onze Koning is van Isrels God gegeven.
Amen.
Juli 1964