De klop op de deur van Laodicéa
Voorbereidingspredikatie voor het Heilig Avondmaal
Door: PROF. G. WISSE
Psalm 25: 5
Lezen Openb. 3: 14-22
Gebed
Psalm 95:4
Psalm 16: 3 en 6
Psalm 40: 8
Tekst: Openbaring 3 : 20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
Geliefden!
Heden gaan we op kerkvisitatie in Laodicéa. Aldaar was in Johannes' dagen al vroegtijdig een gemeente gesticht. En deze gemeente was, uitwendig gezien, niet een slechte; maar inwendig geen geestelijke. Terwijl in andere gemeenten in Klein-Azië ketterijen of(en) bijzondere zonden waren, óf ook dat ze leden onder vervolging; niets van dit alles vinden we aangaande Laodicéa vermeld. Evenwel, er was geen bedienende Heere Christus in haar midden te onderkennen, en dies was haar toestand verre van geestelijk. De Heere zegt van haar: noch koud, noch heet, als dit zo blijft, moet Ik u als een dronk onaangenaam smakend lauw water uit Mijn mond spuwen.
En onder deze omstandigheden komt de verhoogde Christus haar een bezoek brengen, gelijk bij de andere gemeenten, als ter kerkvisitatie; dat is om een onderzoek naar haar toestand te doen en orde op zaken te stellen.
Hij meldt Zich aan als de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige Gods. Die dus alleen tevreden over haar kan zijn als er volle, waarachtige beantwoording zal zijn aan het werk en doel des Heiligen Geestes.
Zij hadden het Evangelie aangenomen, maar zonder dat het hart recht was geraakt. Dit had geleid tot zelfgenoegzaamheid. Zij waren zo tevreden over zichzelf, dat ze geen bedienende Heere Jezus nodig hadden.
En wat doet Christus nu? Komt Hij nu om haar het oordeel aan te zeggen? Ja, dat ook wel, maar als nog toekomend, Ik zal (ja zal) u uit Mijn mond spuwen, maar (en ziedaar de liefdevolle Zaligmaker) eer Ik dit doe, ben Ik gekomen om u aan uw armoede te ontdekken, opdat ge eens waarlijk rijk mocht kunnen worden.
,,Zie", dus geef daar nu eens waarlijk acht op. „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop" - ook hedenmorgen in deze voorbereidingsure. Hoor dan Zijn kloppen, hoor dan Zijn nu nog lokkende stem. Laat die klop en die stem u heel deze week eens recht onrustig en heilbegerig maken, om als een arme, blinde, naakte, aan alles gebrek hebbende, u aan Zijn dis te laten verrijken met de geestelijke verbondsgoederen. Al ware het dan als een hondeke onder de tafel. Dan zult gij zeggen: nu is het mij beter dan toen.
Zo gaan we naar luid dezer woorden in Openb. 3 : 20 beluisteren:
DE KLOP OP DE DEUR VAN LAODICEA
waarbij we bepaald worden bij:
L Een buitenstaande Christus.
II. Een binnengelaten Christus.
III. Een bedienende Christus.
I.
„Zie, Ik sta aan de deur....” O ontroerende gewaarwording; Jezus staat dus buiten. En als Jezus buiten staat aan de deur, dan is het zeker en gewis achter die deur, daarbinnen, verre van in orde.
76
Daar was het nu eens geen naamchristendom slechts, maar een waanchristendom.
Het verschrikkelijke van de toestand was maar niet, dat Laodicéa arm was, maar intussen dacht rijk en verrijkt te wezen, hebbende geens dings gebrek.
Laodicéa was een plaats van rijkdom en waar veel geld verdiend werd; en zulke toestanden zijn in den regel schadelijk, althans een gevaar voor het geestelijk leven. Zo licht vervalt men onder zulke omstandigheden tot gemakkelijkheid, een zekere rustigheid en werkeloosheid op geestelijk gebied. Hoe dit ook zij, in Laodicéa was een toestand ontstaan, welke allicht onder dit beeld gebracht kan worden. Namelijk, stel u voor, in een sneltrein, nog wel coupé eerste klas, zitten de reizigers verwarmd en wel in de zachte kussens en blikken door het glasvenster over schone landouwen. Het treingevaarte davert in snelle vaart voort, de brug over een rivier tegemoet. Maar terwijl de reizigers zich niets gevaardreigends bewust zijn, staat de brug open, nog één, twee minuten, en het ganse ijzeren gevaarte stort onder doodsgegil der reizigers in de diepte neer.
Ja, zó is de toestand van een ieder uwer, die thans nog in de slaapdommel van Laodicéa verkeert.
O, dat zal wat zijn, zo in uw ingebeelde welstand der ziel in de eeuwige afgrond neer te storten. Nooit missers te zijn geweest, en daarom met valse rijkdom u tevreden stellend; nooit u voor God onbekeerd te hebben bevonden, en alzo in een waanbekering het oordeel tegemoet te gaan.
En wat is nu onder deze omstandigheden het aloverweldigende, het albeheersende, het alvertederende van de liefde van Christus? Dat, waar gij uw toestand niet beseft, Hij wel dreigend gevaar weet; en waar gij voortreist, onbekend met uzelf en met het schrikkelijke van het naderende oordeel, Hij met innerlijke ontferming blijkt bewogen te zijn. Verdriet deze uw toestand u niet, het gaat Hem wèl diep ontfermend ter harte, zodat Hij u nog opwekken wil uit uw valse gerustheid, door Zijn klop op uw hartedeur. En dat maar niet in het voorbijgaan, maar Hij vat opzettelijk post aan uw deur. „Zie, Ik sta". Hij is blijven staan en getroost Zich de moeite. Een klop op de deur. Hebt ge die nooit gehoord? Als Hij door wet- en Evangelieprediking, door vloekspraken, als door Evangelische lokstemmen, u wil doen ontwaken en prikkelen. Als Hij door bijzondere zegeningen of door harde slagen in uw huis, familie, zaken enz., u tot stilstaan, tot ontdekking, tot wenen en roepen uit uw ellende, wil doen op-waken.
Hedenmorgen valt hier nu wederom de klopper op de deur. Vals geruste, óf in de strik van satan verward geraakte, óf voortlevend in onbeleden zonden, óf in uitdoving van een zoveel beter eertijds, of.... , ja hoe het ook zij, hier is voor u een boodschap, die mogelijk u te groot kan schijnen, en toch dierbaar waarachtig is, namelijk de klop zegt: Ik sta buiten, maar zo gaarne zou Ik bij u, ja bij u willen binnen komen. Hij wil achter de deur bij u in uw binnenkamer komen.
Wilt ge, durft ge dit weigeren? Bedenk, het loopt uit op één van beide: óf ge laat Hem binnen door 's Heeren genade, en het wordt een eeuwige bruiloft; óf ge doet niet open, en dan zal dit uw gericht en verdoemenis des te meer verzwaren.
Verloren gaan, terwijl de Heere de klopper heeft gehanteerd... dit zal erger zijn dan met Sodom en Gomorra. O, we bidden u in Zijn Naam: laat Hem niet onbeantwoord staan. „Zie, Ik sta". Het is om te sidderen, óf een reden tot een zalig festijn.
Als dit kloppen door genade nu eens wordt beantwoord, ja, dan is er een heerlijke boodschap.
Ja waarlijk, dit kloppen kan beantwoord, nooit anders - dit hebben we nimmer te verbergen - dan wanneer Gods Heilige Geest u leert om open te doen. Daarover een tweede woord.
II.
Een binnengelaten Christus.
Onze verantwoordelijkheid blijft. Houdt dit goed vast. Tevens, dat de Heere middellijk werkt, en door kloppen u zó prikkelt, dat ge tenslotte oprijst en naar de deur gaat.
Dan dient de klopper tweemaal gehoord te worden.
De dichter zegt, dat God een woord tot hem heeft gesproken, en hij dit tweemaal gehoord heeft.
En dat rechte horen van Zijn stem wordt gekenmerkt door inzonderheid de volgende zaken: tranen van berouw en boete,
rj gepaard met een breken met de zonde, en een smart over en strijd tegen de zondige aard. O, wat zou die hoorder daar achter de deur dan gaarne de zaken weer in orde hebben; o, kon hij ze, tot wat prijs ook, maar (weer) in orde brengen; maar zijn knieën knikken, alle kracht is in hem vergaan, en hij gevoelt zich ten enenmale onmachtig om iets tot zijn behoudenis of herstel tot stand te brengen.
Daar roept hij het uit: o Heere, gans onbekwaam tot zelfbehoud,, ach, zoudt Gij het niet kunnen en willen doen? Zoudt Gij mij niet in de gunst Gods kunnen wederbrengen? En dat is de plaats, waar de Heere dan de hand van de Laodiceeër beweegt naar de grendel, die de deur zo gesloten houdt.
De Heere Zelf moet het doen, en Hij doet het zó, dat de hand bewogen wordt door de Heilige Geest, om de grendel weg te schuiven. „Werk uws zelfs zaligheid, want het is God, Die in u werkt"; dát wordt aldaar en in die weg onderwezen en gedaan. Dit drijft de Laodiceeër naar de verlaten binnenkamer; dáár wil en zal hij het ondernemen om door de deur, die opengaat, Hem te zien van aangezicht tot aangezicht, al zou het ook zijn leven kosten. Want ja, dat is wat, om als zo één, die de Heere heeft buitengedrongen, Hem nu vlak in het aangezicht te zien. Maar het kan en mag en zal niet anders. Al zou die buitenstaande Jezus mij ook doden, het zij zo, het zou eeuwig rechtvaardig zijn; maar buiten mag Hij niet langer staan.
Daar valt hij de Heere onbedongen en onvoorwaardelijk in handen. O Heere, doe Gij nu maar alles aan mij wat aan mij gedaan moet worden. En alzo stelt hij zich onder Zijn dierbare ambtelijke bediening.
Is er nog een weg ter ontkoming?
0, hoe beleeft men dan dat onafwijsbare en toch hartelijk toegestemde: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Ja dat wordt dan, als 't moest, met ons bloed ondertekend. God moet voldaan, zal ik, met God verzoend, weer in Zijn gunst mogen delen.
Hoe wordt daar God Zelf eeuwig souverein aanbiddelijk, ja dierbaar. Daar God Zelf die Christus tot dat einde heeft ge- schonken, als het ware opdracht en bevoegdheid heeft verleend om deze ambtelijke bediening uit te oefenen, om alzo ook voor de uitkomst in te staan.
Maar dan is er ook geen beperking. Het luidt zo algemeen en onbeperkt mogelijk, ook voor a.s. Zondag, de Avondmaalsbediening: „indien iemand de deur zal opendoen, Ik zal tot hem inkomen". Als de Heere dan daar vóór Zich ziet een boetende David, een wenende Petrus, een schreiende Magdalena, een tot zelfmoord gerede stokbewaarder, en wie dan ook; maar is er mogelijk ernstige bestraffing, zelfs tucht en loutering, doch nimmer terugwijzing, nimmer afstoting. Neen, Hij spot niet met onze tranen, en lacht niet om onze gebreken. Hij is (ja waarlijk!) veel te verheugd over die open deur, dan dat Hij anders zou doen dan binnentreden, met het pardon op de lippen, het „zalig zijn de armen van geest" als uitroep.
Ja, dezulken wil Hij als juist de waardige disgenoten van Zijn heilige Avondmaalsdis ontvangen, waar Hij dan plaats neemt als
III.
een bedienende Christus.
„Ik zal tot hem inkomen", zo luidt het bemoedigende woord van Zijn gezegende lippen. Juist dat huis, die gemeente, die ellendige arme, daar wil Hij de schatten van Zijn vreêverbond aan bedienen. Zulken als we daareven noemden, dezen zijn de geschikte voorwerpen voor de Heere Jezus.
De Christus is niet alleen de Middelaar en de Borg, maar ook de Bedienaar van het genadeverbond. Het wordt nog al eens uit het oog verloren. Hier in ons tekstwoord vraagt deze bediening onze bijzondere aandacht. En voor deze bediening zijn zulke aan hun blindheid, naaktheid en armoede ontdekten de gewenste voorwerpen. Toen de bekende Ds. Groenewegen in voriger eeuw op zijn sterfbed lag, kreeg hij bezoek van een mededienstknecht des Heeren, die hem vroeg hoe hij er voor lag. Waarop Ds. Groenewegen antwoordde: „Ik lig hier ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt, en deswege ben ik een geschikt voorwerp voor de Heere Jezus". Hij had ook kunnen zeggen „voor de hel", maar juist die zich daarvoor geschikt weten, zij zijn die geschikte voorwerpen voor een bedienende Heere Jezus. En als de Heere dan inkomt, zo brengt Hij met Zichzelf alles mee. Dit beluistert men in Zijn allerdierbaarste toezegging: „en Ik zal Avondmaal met hem houden, en hij met Mij". Dat zijn geen twee avondmalen, maar bij die éne maaltijd is de Heere de Eerste, de Bedienaar. Om dit recht te verstaan, moeten we in het oog houden, dat we hier een Oosterse beeldspraak hebben. Onder avondmaal hier in de tekst versta men niet in de eerste plaats wat wij het Heilig Avondmaal noemen. Het woord in de grondtekst wijst dit duidelijk uit. Het betekent de gewone maaltijd, tegen het einde van de dag gehouden. Als het gehele gezin zich als één enig man verzamelde rondom de dis. Ook wordt dit woord gebruikt voor grote feestmalen, als de koninklijke bruiloft. En nu in zijn geestelijke strekking, kunnen we de grote gedachte, die aan die maaltijd ten grondslag ligt; ook toepassen op de dis van het Heilig Avondmaal.
In dat gemeenschappelijk maaltijd houden is de grote gedachte vertolkt van: we zijn een eenheid, wij behoren bij elkaar, wij leven saam uit één spijsschotel, want we zijn familie. En let wel dan met de nadruk op de gastheer, die zulk een maaltijd toeschikt, en, gelijk dat in het Oosten geschiedde, die aan het hoofd van de dis gezeten, de spijze uitdeelde. Daarom staat ook hier voorop: „Ik zal avondmaal houden met hem". We hebben niets, of de Heere Christus moet het ons beschikken en aan ons uitdelen. Hier treedt dus de heerlijke gedachte op de voorgrond, dat Christus wil te kennen geven: gij en Ik, wij zijn één, en daarom, Ik zorg voor u! We zijn bondgenoten. In oude tijden werden door koningen wel maaltijden, feestmalen aangelegd, waar honderden personen tegelijk deel aan namen, meermalen in het open veld. De koning zorgde voor zulk een reusachtig diner, en nodigde een groot aantal daartoe uit. Daar wilde hij dan mede zeggen: wij zijn bondgenoten; het moest de intieme band illustreren. Hoe heerlijk is dit in alle geestelijke zin en inhoud verwezenlijkt in de viering van het Heilig Avondmaal.
Nergens is men dichter nabij een bedienende Heere Jezus dan hier; nergens kan zó de band van het bondgenootschap worden gevoeld dan aan die dis. Hier is de plaats, waar de zichtbare en de onzichtbare kerk samenvloeien. Een voorsmaak bij uitnemendheid van de hemel.
Nog een punt van geestelijk heilgenot is hier aan de orde, namelijk zulk een gastheer of koning aan het hoofd van zulk een gastmaal betekende ook: en nu zijt ge opgenomen onder mijn bescherming, ik sta voor u in. Hier denken wij aan Psalm 23 ,,Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijn wederpartijders". Hier aan deze heilige dis wordt ons a.s. Zondag hetzelfde verzegeld. Haal uw hart er alvast maar aan op.
En wat houdt nu dit sacramentele eten en drinken van Christus in?
Ach, wat verstaan nog zo velen deze dingen gans verkeerd, of nog maar zeer gebrekkig.
Voorop sta, dat in het Heilig Avondmaal niet wij de eerste handeling doen, maar de Heere. Hij stelde het in; Hij bedient het; Hij deelt uit. O, dat moment, waarop de dienaar in Jezus' Naam u dat brood en de wijn overhandigt, laat uw ziel daar toch goed en innig aandacht aan schenken; zie dan de Heere Jezus als vóór' u staan en hoor Hem dan tot u persoonlijk zeggen: dit deed Ik voor u; hier hebt ge er het onderpand van. Ik pas het u toe, neem het dus vrijmoedig aan; Ik ben er Zelf op gesteld; daartoe heb Ik geklopt net zo lang tot Ik Mijn bediening aan u hier kon gaan uitoefenen.
Laat ik u op drie belangrijke zaken wijzen, welke aan die heilige dis dienen verstaan en beoefend te worden.
le. Het is een teken; een zichtbaar Evangelie wel genoemd. Als dat brood wordt gebroken en de wijn uitgegoten, zie dan onder deze tekenen afgebeeld hoe de Heere Jezus Zijn lichaam heeft laten verbreken en Zijn bloed laten vergieten, opdat de prijs uwer loskoping zou worden betaald. Maar dan niet om een soort gevoelsaandoening van medelijden te verwekken; neen, heel wat anders. Wij hebben tegen God Drieënig gezondigd, en nu moet allereerst de ,eisende en wrekende gerechtigheid Gods voldaan worden. En toen wij dit dan niet konden, heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik, om als het Lam, door U besteld, ter slachting te worden geleid. Het bloed uit een doodgemarteld, geslacht lichaam vult hier de beker, opdat de driemaal heilige God ons over het kruis van Golgotha heen weer de vaderhand zou kunnen reiken. Dit wijst, zegt onze Catechismus, op de enige grond onzer zaligheid; niet mijn vrome gestalte, maar Jezus' volkomen borgtochtelijk werk zij hier hetgeen waarop de aandacht moet gevestigd zijn. Smaakt en proeft hier, dat de Heere goed is.
2e. Doch het is niet slechts teken, maar tegelijk ook een zegel. En hierbij trede nog al meer op de achtergrond alsof godzalig Avondmaal vieren zou bestaan in een saamvatting van wat gevoelige aandoeningen. Niet genoeg kan er op gewezen worden, dat in het Heilig Avondmaal allereerst een daad Gods moet gezien worden. En wat daad is dat nu? Wel, niet minder dan dat de Drieënige Verbondsgod u hier uitreikt een onderpand van de welgemeende waarachtigheid van Zijn genadeverbond en al deszelfs beloften. Deze beloften van genade en al wat genade insluit, zijn zó groot en zó vele, dat mijn geloof wel eens kan menen: maar zou dit alles waar kunnen zijn, en dat voor zulk één als ik? En nu komt de Heere in dit Avondmaal u te zeggen: het is zó waar en zó zeker als dit brood en deze wijn u uitgereikt worden, en gij dezelve eet en drinkt. Dus een zegel. Neen, we komen niet ten Heiligen Avondmaal slechts alleen om onze zonden te belijden en vergeving in te roepen. 0, dat kan thuis ook geschieden; het wordt wel mede ondersteld, maar de avondmaalstafel is niet gelijk aan de zondaarsbank in het Heilsleger. Het is van deze vergeving, heiliging en toekomstige verheerlijking een zegel, een onderpand. Niet een verklaring slechts van onze zijde: ik geloof daarin; maar veel meer een verklaring van Gods zijde: Ik, de Heere, verzeker u ten deze van Mijn waarachtigheid, eeuwige liefde en trouw. Hier is het, dat de Bruidegom als het ware de ring van ondertrouw u aan de vinger doet, de ring met het inschrift:
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Een zegel aldus. Op de brief van Gods beloften aan u. Evenals wanneer men op een brief met geldswaarde een zegel zet. Daar wordt de waarde niet door vermeerderd; die blijft dezelfde; maar het is een waarmerk van zulk een inhoud. De sacramenten voegen niet één genade aan de geschonken gunstbewijzen toe, maar zij verzekeren, waarmerken dezelve als Goddelijk waarachtig. „Ik ben de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige". En alzo dienen zij tot versterking van het geloof; van het geloof niet maar in mijn bekering of diergelijke, maar in de beloften Gods. Vanwege onze zwakheid en grovigheid, zegt onze Gereformeerde Belijdenis, heeft God de sacramenten ingesteld. Het is dus heel anders dan men wel eens wil voorstellen, alsof een rechte avondmaalganger een zeer wel verzekerd en bevestigd christen zou moeten zijn. Wel moet hij inwendige kennis hebben aan de drie bekende stukken uit Zondag 1, maar juist wegens onze zwakheid en grovigheid moet er van het geloof versterking plaats vinden; hetwelk de Heilige Geest op mystieke, verborgen wijze uitoefent in het gebruik der heilige sacramenten. Onnaspeurlijk moge deze werking zijn voor ons verstand, maar als een mysterie is toch deze werking daadwerkelijk in onze ziel. Bij het gebruik van natuurlijk voedsel kunnen we ook niet (altijd) precies naspeuren, hoe daarvan kracht uitgaat op ons lichamelijk organisme. En zo ook hier. Hoe meer nu echter onze zinnen door de Heilige Geest geestelijk gericht worden op deze hemelse spijs en drank Christus, onder de tekenen van brood en wijn, hoe meer er een mystieke, geestelijke, gevoelige, zoete genieting zal zijn van deze Borg en Bedienaar des verbonds. En evenals bij het natuurlijk voedsel, kan ook ná het gebruik des Heiligen Avondmaals zich het voelen van de versterking doen gelden.
3e. En nu nog een derde element, dat bij het gebruik des Heiligen Avondmaals ter sprake dient te komen. We moeten niet aan het uitwendige brood en wijn blijven hangen, zegt ons formulier, maar onze harten hemelwaarts heffen, waar Christus is. We eten en drinken hier. Juist zo ete en drinke nu de ziel de hemelse Christus, zoals Hij de ware spijze en drank is voor de hongerige en dorstige ziel naar God. Christus leeft in mij, zegt Paulus. Wie met de mond des geloofs Christus eet en drinkt, en alzo Christus in zich opneemt, wordt gesterkt en bekrachtigd om de weg af te wandelen, die anders voor hem te veel zou zijn.
O, gij arme, zwakke, ellendige medechristen, waar zouden wij de lust, de kracht, de bekwaamheid vandaan halen om in de vreze Gods te blijven wandelen? Het is alleen uit deze nu genuttigde Christus. Komt vrienden, roept de Heere uit, eet, drinkt, weest vrolijk. Ja vrolijk, want in deze weg van Avondmaal vieren, op deze wijze zal de vreugde in God onze ziel kunnen vervullen. Hier ontmoeten we de heerlijke, Drieënige God Zelf.
Voegen we het alles saam, dan komt de Heere Jezus binnen om u witte klederen aan te trekken in uw naaktheid: de weldaad der rechtvaardigmaking; om uw kranke ogen te zalven tot genezing: heiligmaking; en u in uw armoede te verrijken met goud van Gods verbondsweldaden.
Bedekking, genezing, verrijking, en dat alles betekend en verzegeld aan des Heeren heilige dis. Wie daartoe verwaardigd moge worden, zal, zo ooit, aldaar kunnen zingen (Psalm 16 3 en 6):
Getrouwe Heer'! Gij wilt mijn goed, mijn God,
Mijn erfenis en 't deel mijns bekers wezen;
Gij onderhoudt gestaag mijn heuglijk lot,
Dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.
De schoonste plaats mat 'Gij met ruime snoeren;
O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend,
Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde;
De lieflijkheên van 't zalig hemelleven
Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.
Toepassing.
Zo is dan hedenmorgen de klop ook weer op de deur gevallen; en wat zal nu uw antwoord zijn? De Heere staat te wachten. Bedenkt, Hij staat aan de deur; ja, Hij staat er nóg; en Hij gaat in den regel niet zo snel of gehaast verder. Maar er komt voor ieder onzer toch zeker een moment, dat Hij wél doorgaat, en dan om nooit meer terug te komen.
Dan zullen de rollen worden omgekeerd, als gij zult beginnen buiten te staan, en op uw roepen: Heere, Heere, doe ons open", het ontzettend oordeel zal zijn: „Ik heb u nooit gekend"; en dan blijft die deur daarboven voor eeuwig gesloten.
En dan te laat voor eeuwig, terwijl ge hier de klopper op uw deur gehoord hebt. Het zal naar Jezus' eigen woorden de lieden van Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden.
Dit geldt niet slechts de openbare, ruwe zondaar, maar ook en niet minder de lauwe Laodiceeër.
Daarom binden wij u met diepe ernst op het hart, brengt deze week van voorbereiding toch eens door op uw knieën, in zelfbeproeving, met de bede: Heere, onderzoek Gij mij.
Geen gestalte om Avondmaal te kunnen vieren, dat houdt ook in: geen gestalte om te kunnen sterven. Gevoelt ge mogelijk: ik ken geen leven, ik ben hoogstens een slaperige Laodiceeër? Och, neem daar geen genoegen mede; en zeg niet als uw laatste beslissing: ik voel me onbekeerd en ongerechtigd, en dus blijf ik maar af; dan vermeerder ik althans niet de zwaarte van mijn gericht en verdoemenis. Want ach arme, blinde toehoorder, afblijven is evenzeer een belediging van een kloppende Heere Jezus als ongerechtigd aangaan. We kunnen uit sleur aangaan, maar het afblijven kan ook een sleur en gewoonte worden. Er is een zich eten van eenoordeel, maar ook een afblijven tot een oordeel. Lees het maar in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft, hoe de koning de stad met vuur verbranden liet; van de lieden, die zijn avondmaal hadden veracht.
Een gemeente, die geen Avondmaal viert, is dat een gemeente van Christus, Die gezegd heeft: ,;doe dit tot Mijn gedachtenis"? Durft ge dan wel de vrijmoedigheid hebben deze Christus te verloochenen? Ja maar, zegt ge, men mag toch zó maar niet aankomen; de man zonder bruiloftskleed werd uitgeworpen in de buitenste duisternis. Gewisselijk ja, het is waar. En allen, die zonder berouw en boete de zonde meer blijven beminnen dan de Heere, Zijn Christus en Zijn zalige dienst, zullen zich van deze dienst hebben te onthouden. De heilige dingen van de kinderen Israëls zult gij niet ontheiligen.
Maar kunt ge het daar nu onder uithouden? Waarom laat dit alles u onberoerd? Is er geen reden om u voor God diep te verootmoedigen? Wilt ge dan zo gaarne verloren gaan? Laat ge de Heere Jezus dan maar buiten staan? Het is nu de week van voorbereiding; ligt -er wat tussen God en uw ziel? 0, de Heere laat u vanmorgen nog aanzeggen, dat ge niet bevreesd behoeft te zijn om het Hem te belijden. Kom, doe het; breek met de zonde. Misschien wel een speciale boezemzonde? De Heere weet het toch. Ja, al zoudt ge het aan het oor van uw eigen vader en moeder niet durven fluisteren, ge moogt het Hem belijden. Hij klopt, Hij klopt nu. Laat Hem niet langer buiten staan.
De avondmaalstafel staat aangericht in het midden der gemeente; het zal van een iegelijk onzer worden afgeëist: wat hebt ge er mede gedaan? Hier is geen uitweg, bedenk het. Afblijven is een schandvlek op de gemeente van Christus; en verkeerd aangaan is zich een oordeel eten. Er is maar één oplossing, en die moet komen van Boven: aangaan en dan goed. Maar Hij, Die daar staat te kloppen, weet dit alles beter nog dan gij en ik. O, zeg het dan eens hardop of fluisterend aan Zijn liefdeoor.
O, dag en nacht moet hier geworsteld worden deze week: Heere, ik behoor te komen en ik kan niet; ach, zalf mijn ogen en bekleed Gij mij; schenk mijn ziel uw goud. Dacht ge dat een kloppende Heiland u niet zou willen horen?
Onderneem eens de gang naar de grendel van de deur. Wilt gij niet verloren gaan? Hij wil het nog minder. En laat u dan zakken en zinken op Zijn onfeilbaar Woord. Hij kondigde Zich immers aan als de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige.
Wilt ge nog iets horen van de kenmerken en vereisten voor een gelovig aangaan?
Een mishagen aan onszelf vanwege de zonde. Een hartelijk vertrouwen in de belofte Gods. Let wel, niet een verzekerd christen te zijn, maar Gods belofte van de vergeving niet in twijfel te trekken. En een begeerte om de Heere te mogen vrezen en dienen.
Het is mogelijk bij u alles nog zo weinig en gering in uw ogen? Maar als ge in waarheid kunt zeggen: Heere, ik ben een misser, maar ik begeer U als mijn bezit; dan zegt de Heere: „Ik raad u, dat ge van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur".
En wat ik u bij deze dan bijzonder op het hart druk: zie niet op mensen. Hoor alleen maar de klopper van Hem, die daar buiten staat. Daar zijn vaak behoeftige zielen, maar ja, zij durven van hun stoel of bank niet opstaan, want dan zouden de mensen wel eens gaan denken of.... verdenken....
Laat af van al deze dingen. Satan loert daarbij op u. Ge hebt tenslotte alleen met de Heere te maken; en die staat en klopt, dus Hij wil binnenkomen.
Blijf ook niet in uw huis zitten; want wie weet, de Heere mocht nog eens, als te elfder ure, u te sterk worden.
En laat ook uw kinderen niet thuis of elders kerken, onder het schandelijk gezegde: het is vanmorgen „maar" Avondmaal. Menigmaal heeft de Heere juist bij deze gelegenheid het kinderhart jaloers gemaakt op Zijn volk; en daarenboven: „u komt de belofte toe, en uw kinderen".
Tenslotte: liggen er soms struikelblokken tussen u en andere leden der gemeente, deze moeten deze week worden uit de weg geruimd. God wil, God eist het. Draal niet, ruim op wat nog kan.
En nu nog een laatste woord ditmaal. Als daar dan Gods kinderen soms ook wel verzekerd worden in zalige genieting van wat voor hen in een Drieënig Verbondsgod wordt gevonden, o volk van God, leunende op uw Liefste, bij het aankomen door Goddelijk licht geleid, zing uw psalm de Heere: „Het is door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen". Dat is een oceaan, waarin, we zalig mogen wegzinken.
En hebt ge niet zulk een groot geloof, zegt ge? Zijt ge in eigen oog een hondeke, een Kananese? Zie, zulk een hondeke springt niet boven op de tafel, om de brokken te stelen, maar kruipt onder de tafel, om van de kruimkens verzadigd te worden. Onder de tafel ja, maar daar liggen de kruimkens, die van datzelfde brood zijn; en dies even zoet van smaak en even krachtig van inhoud; en de grote Gastheer zal daar nog wel eens opzettelijk een extra stukje laten vallen...
Ja, als Boaz op Zijn veld die bukkende, rapende Ruth ziet, Hij zal zeker en gewis bevelen, dat de maaiers wat aparts voor haar opzettelijk zullen vallen laten.
En dan komen ze van de tafel terug met het danklied op de lippen:
Schoon 'k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig.
Amen.
Nazang: Psalm 40 : 8.
Mei 1957