Markus 5:28 'De bloedvloeiende vrouw' ds. J.C. van Ravenswaay

Jezus' heerlijkheid geopenbaard in de genezing van een zieke vrouw

Predikatie over Markus 5: 28

Door Ds. J. C. van Ravenswaay

Psalm 146: 8
Psalm 2:7
Lezen Markus 5 : 25-34
Psalm 113:3,4
Psalm 32:3
Psalm 118: 13

Tekst: Markus 5 : 28. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden.
Ik ben ten einde raad! Ik heb alles gedaan wat ik kon, maar het eindresultaat is op niets uitgelopen. Niets heeft geholpen, integendeel, het is erger geworden dan ooit tevoren. Ik houd er maar mee op!
Wat is er dan aan de hand, mijn medereiziger naar de eeuwigheid? Waarom zit ge daar zo moedeloos terneer?
Mag ik u eens iets vragen?Gaat deze zaak over het welzijn van uw ziel, of belangt het stoffelijke aangelegenheden?
Zeker, de welvaart van onze tijd doet menige klacht verstommen. Toch neemt de ondankbaarheid toe en... iedere dag zijn er mensen, die verzuchten: Ik ben ten einde raad!
Zo was het ook met een zieke vrouw, die leefde tijdens Jezus' omwandeling op aarde. Zij had stad en land afgelopen om genezing te vinden, doch zonder resultaten. Lichamelijk en geestelijk was zij geradbraakt. En als zij reeds denkt: Nu is het gebeurd, voor mij is er geen redding meer, komt de Heere in haar leven en wordt zij met Goddelijke genade dubbel gezegend. Gods Woord spreekt ons heden over Jezus' heerlijkheid geopenbaard in de genezing van een zieke vrouw, want

I. Jezus lokt haar;
II. Jezus redt haar;
III. Jezus leidt haar.
I.
Men weet hoe iets is, als men het zelf heeft meegemaakt. We zouden het bevinding kunnen noemen. Bevinding? Kan dat dan niet? Is dat woord wel schriftuurlijk? Om eerlijk te zijn, komt het woord bevinding slechts éénmaal voor, en wel in Romeinen 5 : 4, waar gezegd wordt, dat de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop werkt. Maar bevinden kunt u in Oud- en Nieuw Testament herhaaldelijk vinden.
Maar u bent het wel met me eens, dat we iets bevinden moeten, om te kunnen weten wat het is? Ik hoop het, want als men tegenwoordig over bevinding spreekt inzake geestelijke onderwerpen, dan merkt men dikwijls het optrekken van de schouder en ziet men een laatdunkende glans in het oog. Met andere woorden: ik weet niet, of dat wel zo is. Zou geloof, waarachtig zaligmakend geloof, ook bevinding zijn? En zou een mens, die ten einde raad is, nog aan redding kunnen geloven?
Ja, dat is mogelijk en zeker waar. De vrouw, hier vermeld, is reeds twaalf jaar ziek en zij wordt uit haar grote ellende verlost. Twaalf jaar ziek! Denk u dat in, niet maar zes weken of een half jaar, doch nu reeds twaalf jaar en nog steeds is het einde niet in zicht. Bovendien is haar toestand niet verbeterd, doch veel verergerd. Wij kunnen ons indenken dat zij dikwijls moedeloos werd.
Hoe oud bent u, mijn medereiziger? Vijftig jaar? Als u nog onbekeerd bent, zit u al vijftig jaar in de ellende, in de duisternis, bezeten door dodelijke kwalen.
Hoe erg is dat! Hebt u daar al eens over nagedacht? Of vindt u het voldoende dit verstandelijk te weten? Is er tóch niets aan te doen? Zegt u met verschillende andere mensen: Als God de mens niet uit de ellende verlost, jahem aan die ellende niet ontdekt, dan zal hij voor eeuwig omkomen?En't is nog waar ook. God ontdekt aan en verlost een mens uit zijn ellende. Gelukkig doet Hij het, want als Hij dat niet deed, zou er niemand zalig worden. En waarom niet? Omdat geen enkel mens uit zijn ellende verlost wil worden. Hij is niet alleen dodelijk onmachtig, doch ook met een dodelijke onwil bezet.
Wat is dat erg: de weg wel weten, maar niet bewandelen; de duisternis te verkiezen boven het licht, en de dood boven het leven, en de ellende boven de verlossing! Iedere dag wordt dat erger, maar u wilt er niet aan, en wij verzetten ons zó fel, dat we er geen eens last van hebben dat we zó ellendig zijn.
Onder hen moeten we ook rekenen, die beweren verlosten te zijn, doch die niets kennen van hun ellendestaat voor God. Ze verstaan er niets van, dat de mens verloren ligt voor zijn Schepper, Die zijn Rechter is!
Deze vrouw is ook ellendig. Laten we nog even dieper ingaan op haar toestand, waarin zij verkeert.
Zij heeft een ernstige kwaal. Een ziekte, waarover ze niet gaarne met een ander spreekt. Zij schaamt zich min of meer. Daardoor loopt zij nog meer te tobben met de last, die zij in haar leven te dragen kreeg. Ieder mens wil zich toch wel eens tegenover een ander uiten. Zij draagt het echter alleen. Nu ja, ze heeft het natuurlijk tegen de doktoren en kwakzalvers moeten zeggen wat er aan scheelde, maar voor de rest keert zij met deze zaak altijd weer naar haarzelf terug. En met dat vertellen is zij alleen maar armer geworden, doch niet beter. Zij bezit nu geen penning meer.
Maar wat erger voor haar is: zij mag ook niet in de tempel komen. Samen met Gods volk opgaan naar Gods huis is verboden. Zo staat het opgetekend in Gods Woord. Zij is onrein! Zij is lichamelijk en geestelijk een gehandicapte, aan handen en voeten gebonden, zij kan geen kant meer uit.
Begrijpt u er nu iets van, hoe erg het met deze vrouw is gesteld? Zo zijn er mannen en vrouwen en jongeren, die ronddolen over de aarde. Je hoeft er niet eens ziek bij te zijn om je ellendig te gevoelen. Geestelijk lopen zij te tobben en weten met zichzelf geen raad. Zij hebben er heel wat voor over om uit die toestanden verlost te worden, maar wat zij ook doen: de kwaal wordt erger, niet beter.
Zij zijn naar geestelijke doktoren en kwakzalvers gaan luisteren, misschien wisten die mensen een middel. Het eindresultaat was, dat zij geen penning meer over hadden en dat de kwaal nog erger werd.
En wie werkelijk over zijn verloren staat voor God ligt te worstelen en steeds weer op zichzelf teruggeworpen wordt, komt er achter, dat hij armer en... niet beter wordt.
En wie werkelijk kennis krijgt aan zijn verlorenheid, heeft er geen behoefte aan om over zijn gruwelijke zonden te spreken. Die zonden sluiten zijn mond.
Helaas is er een geslacht, dat zich uitermate vermaakt in het spreken over het kwade. Zij kunnen de zonden helemaal afmeten en wegen, en met een zekere vaardigheid kunnen zij u het één en ander over de schulden en de smet van de mens meedelen. Soms zou je denken: ze doen het met smaak. Ook ontbreken de tranen niet, maar als zij hun „wijsheid" over de kennis der zonden hebben gelucht, gaan ze met hun eigen leven door alsof er geen God in de wereld is, Die eenmaal de levenden en de doden zal oordelen.
Groter zondaar worden en minder zonde doen, wordt wel besproken, doch niet beleefd!
Hoe staat het nu met de vrouw, die straks naar Jezus komt? Is zij een gelovige? Is zij gerechtvaardigd voor God? Weet zij iets af van heiligmaking? Is zij een bekommerde? Och, laten we ophouden met al die vragen. Weet u wat zij is? Zij is ongelukkig! Zij is misser! Zij kan ook geen bekering vertellen, nu tenminste nog niet. Zij weet zich diep ellendig.
Geliefden, ook in deze geschiedenis leert Gods Woord ons, dat Hij doden levend maakt. En wat zal een dode nu te vertellen hebben? Waarmee zal een dode de Heere kunnen behagen? Wat kan een dode opbrengen voor Gods aangezicht? Maar is zijn kennis over de ellende dan geen grond voor God om hem genadig te zijn?
Neen, God zal al Zijn lieve kinderen leren, dat de ellende de grond is waarop zij verloren moeten gaan. Maar wie dan van God geleerd wordt in de zaak der ellende, die zal er niet mee gaan pronken, dat hij het zo goed weet, maar hij zal zich schamen, dat hij zo voor God durfde te zijn en zo is.
En met het praten over de ellende worden we niet slechter en armer, al zeggen we het misschien; doch als we de ellende gaan beleven, zien we pas dat we veel armer en slechter zijn dan we ooit geweten of besproken hebben.
Dus die het werkelijk gaat inleven, gaat meer en meer zwijgen! En... zij moeten uit die ellende verlost worden, waarin zij door eigen schuld verstrikt raakten. De belever der ellende kan het niet in de ellende uithouden. Waarom niet? Omdat God, Die de ellende door de Heilige Geest in het hart van de zondaar ontdekt, Zich haast om die ellendige uit te helpen tot Zijn eer, tot de verheerlijking van Zijn Naam. Hoe komt de vrouw uit haar ellende?
Heel eenvoudig deelt de Schrift mede: Deze v an Jezus horende... Meer niet. Geen omstandig verhaal, een doolhof van vertelsels waarin we de weg uit het oog verliezen; alleen maar een kernachtige mededeling, die waarachtig is.
Dit is de weg des Heeren met deze vrouw, waar wij ook op moeten letten om te kunnen weten hoe God met de zondaar gaat onderhandelen. Zeker, niet iedereen krijgt dezelfde behandeling, maar iedereen wordt wel door dezelfde God behandeld. En in de hoofdzaken wordt ieder mens gelijk behandeld. Er is geen zondaar in de levende kerk te vinden, of God maakte hem van dood levend! Ieder levendgemaakte zondaar wordt door God wederomgeboren. Met minder kan het niet. En die wedergeboorte vindt plaats door Woord en Geest. Deze vrouw had van Jezus gehoord en dit horen van Jezus is een bijzonder .doren geweest.
Zij ving niet alleen klanken op over Jezus, maar kreeg ook verbinding aan de Persoon over Wie zij hoorde spreken. Er wordt niet gezegd wat zij hoorde over Zijn werken en dat zal zij ook gehoord hebben, maar nadrukkelijk zegt de Schrift, dat zij over Jezus hoorde vertellen. Onze aandacht moet dus vallen op de Persoon en dan op Zijn werken. Daarom zegt de Catechismus ook, dat wij met het geloof Christus en Zijn weldaden aannemen. Op deze zaak willen wij zeer nauwkeurig uw aandacht vestigen, omdat velen andersom zalig willen worden: eerst de weldaden van Christus aannemen en dan... ja, dan verder niets meer.
De levende kerk krijgt te horen over Jezus. Niet de weldaden eerst of alleen verzoenen met God, maar wel de gegeven Borg en Zaligmaker èn Zijn verworven weldaden brengen die verzoening tot stand. Wij krijgen dus een betrekking op de Persoon, Die hier Jezus heet. Jezus, Die verlost van het grootste kwaad en brengt tot het hoogste goed.
Wie tegen God gezondigd heeft, kan niet buiten het Geschenk des Vaders. Dat is die zondaar niet terstond in alle onderdelen duidelijk. Daarom luistert de kerk zo gaarne naar die dichter, als hij zingt:
God zal Zelf zijn Leidsman wezen;
Leren, hoe hij wand'len moet.
En de Heere maakt Zijn kerk eerlijk en door geestelijk onderwijs horen wij haar belijden: -
's Heeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door
Onderwijzing hen, die dwalen,
Brengen in het rechte spoor.
Als deze vrouw naar Jezus wil gaan, haar hart aan Hem verbonden wordt, dan rijzen de bezwaren. Zij zal zich door die schare heen moeten wringen, zij die verzwakte vrouw. Bovendien, wat zal Jezus tegen haar zeggen, als Hij zulk een vrouw ziet?
De kerk kent die ophouders op de weg, die van Jezus proberen af te houden. Alles mag desnoods nog, als men maar niet bij Jezus komt. Vaak lijken die bezwaren gewettigd, net echt en oprecht. U hebt echter licht van de Heere nodig om het ware van het snode te kunnen onderscheiden.
In dit geval dringen de mensen om Jezus heen. Hoe kan een zwakke vrouw daar doorheen komen? Is dit bezwaar oprecht? Als we het alleen van de vleselijke kant bekijken, zouden we ja zeggen. Maar er is hier meer aan de hand. Deze vrouw verkeert in geestelijke nood. En wie waarlijk in zo'n geestelijke nood verkeert, kan zichzelf niet meer verklaren, doch heeft dringend hulp nodig. En zij, die geholpen moet worden, weet niet hoe! Dat is de zaak, waar de vrouw mee zit te tobben.
Menigeen wist krachten te verzamelen om tot Jezus door te dringen. Bezwaren kent hij niet. Met een zekere brutaliteit dringt hij zich aan Jezus op en we horen hem zeggen: Zie hier ben ik, hoe heb ik dat er afgebracht? Dat laatste zegt hij er niet bij, maar men kan aan zijn ganse houding merken, dat hij zich in geestelijke zaken niet laat afschrikken; hij weet wel hoe het hoort en moet. En met de grote zaak van genade zit hij geen ogenblik klem. Hij lost het met een handomdraai op en zegt: Natuurlijk, dat komen tot Jezus is enkel genade. Natuurlijk! Maar hij weet er niet van, dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten. Hij denkt, dat het komen tot Jezus toch maar een ik-prestatie is.
Met deze vrouw is het anders gesteld. Onder het voortschrijden naar Jezus moet zij er aan denken hoe die ontmoeting toch wel zijn zal. Jezus is immers de Heilige, en zij is een onreine zondares. Die twee passen niet bij elkaar, daar moet toch een oplossing voor worden gevonden, anders loopt de zaak verkeerd af. Zij durft Hem niet aan te zien en het enige, dat haar aannemelijk lijkt, is Jezus van achter te benaderen en te trachten de zoom van Zijn kleed aan te raken. Zij durft niet zeggen tegen deze Heilige: Zie, hier ben ik!
Wij willen de bezwaren niet goed praten, geliefden, doch anderzijds zal geen kind van God zonder bezwaren zijn als God hem tot Jezus brengt. En de bezwaren zullen op Gods tijd worden opgeruimd. Maar ze zijn er.
Als wij lessen krijgen over Gods heiligheid en onze onreinheid is er heus niet direkt een effen weg tussen God en onze ziel. Die komt, die gebaande weg, als we Jezus hebben ontmoet met Zijn onderwijs over de weg der zaligheid. Buiten Jezus, buiten Christus, is God een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan. Maar God de Vader leidt Zelf naar Jezus en God de Heilige Geest ontdekt God als een vertoornd Rechter over onze zonden. In die weg ontdekt God de nood van de zondaar en zo leidt Hij een zondaar in nood naar Jezus. Dit is Zijn werk, Zijn werk alleen. Zo wordt de ellende ellende, waarin we het niet uit kunnen houden. Daar wordt de schuld onze schuld. En dan beleefde schuld! Och, in zulke ogenblikken kunnen we beter denken dan praten.
Op zulke ogenblikken moeten we ook niet bij mensen zijn om, uit de nood geholpen te worden. Mensen zijn dan slechts moeilijke vertrooster,. Mensen bezwaren dan, omdat zij als een haag om Jezus staan en wij er maar niet bij kunnen komen. Ze zijn er nog altijd, die erg op gaan spelen als je in de buurt van Jezus komt. Dat mag en kan niet. Dat is veel te ver gesprongen en gesproken, en dan komen de maatstaven en weegschalen weer voor de dag. Noem vooral de naam van Jezus niet, want dan is het alsof je heiligschennis pleegt. En zij hebben de haken bij de hand om die in je ziel te slaan en je nog dieper door de modder te trekken dan je er al in zit. Ze willen je nog doder maken dan de dood, en je mag vooral niets horen van Hem, Die de dood heeft gedood! De levende kerk moet zo klein mogelijk gehouden worden, opdat... Gods Woord niet waar zal blijken, als het zegt: In de veelheid der onderdanen is des Konings heerlijkheid.
O, die ophouders op de weg, die Jezus omringen en misschien niets van Hem willen weten, dus Hem haten.
De vrouw moest het eens weten, dat Jezus haar lokt! Ze moest eens weten, dat de Vader haar aan Jezus gegeven heeft en dat zij bemind wordt met een eeuwige liefde. Haar lichaam kwelt haar en ze wil graag een gezond lichaam hebben, maar ze kan nog meer krijgen. En nu moet dat wondergeloof er wel zijn. Zij moet kunnen geloven, dat Jezus haar van de lichamelijke kwaal genezen kan, doch boven dat wondergeloof uit moet het zaligmakende geloof klimmen.
Door genade heeft zij het zaligmakende geloof ontvangen, Jezus zal het straks Zelf zeggen, maar de gelovige is nog zo zwak. Zij zegt immers: „Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden!"
Op het eerste oog lijkt dit een sterk geloof, maar als we dieper blikken, blijkt de gelovige niet zo'n sterke indruk van Jezus te hebben. Met deze woorden drukt zij immers uit: het is noodzakelijk, dat ik Zijn klederen aanraak, dat ik Hem aanraak en dan zal ik genezen worden. Dat lijkt wel sterk, maar het is erg zwak. Wilt u het bewijs? Hoor dan de hoofdman zeggen: „Spreek slechts één woord en mijn knecht zal genezen zijn". Is dat dan misschien een trotse man, die wil demonstreren met zijn geloof? Integendeel. Hoort slechts als hij stamelt: „Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak inkomt".
Het geloof werkt ook in deze zwakke vrouw, maar zij vermengt dit geloof met haar gebreken en dwalingen. Dit verhindert echter de Heere niet haar toch aan te nemen.
U ziet haar op dit ogenblik een weg banen door de schare en als zij achter Jezus staat, ziet u haar bukken. En al die tijd is zij met vrezen en beven vervuld. En terwijl zij zich bukt en het kleed van Jezus aanraakt, willen wij gaan zingen (Ps. 32 : 3):
'k Bekend', o Heer', aan U oprecht mijn zonden;
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;.
Maar ik beleed, na ernstig overleg,
Mijn boze daan; Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd, met ootmoed smekend komen;
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
II.
Ten tweede willen wij overdenken dat Jezus haar redt.
„En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was". Na twaalf jaren tobben is deze vrouw ineens beter, radicaal genezen. Dat zal een gewaarwording voor haar geweest zijn. Ook hier is bevinding van zaken nodig om mee te kunnen spreken, om te kunnen weten wat dat is. Als zij Jezus' kleed aanraakt, is haar ziekte verdwenen, zij voelt zich sterk. Zij weet, dat het afdoende geholpen heeft. En tot nu toe heeft haar dit niets gekost. Maar dit is háàr overkomen, haar persoonlijk, dat weet zij zeker.
Wij krijgen hier wel iets te overdenken. In deze geschiedenis zijn twee personen in het geding: Jezus, Die God en mens is, en de vrouw, die twaalf jaar ziek was. De vrouw wordt naar Jezus gelokt en Hem aanrakend wordt zij genezen. Die vrouw weet zeker, dat Jezus dit wonder verricht heeft. Zij weet zeker, dat zij het voorwerp was van Zijn bediening. In deze handeling was Jezus de eerste en zij was de tweede.
Als wij geestelijk door God bediend worden en ons wordt aanvankelijk verlossing geschonken, dan weten wij, dat dit van de Heere geschied is en het is wonderlijk in onze ogen. Wat God aan de zondaar doet, blijft niet onbekend. De begenadigde zondaar mag weten: Dit heeft de Heere gedaan.
Maar nu wil de *theere ook de eer van Zijn werk hebben, en • wel speciaal wil Hij een dankzegging ontvangen uit de mond des zondaars, omdat deze gered werd.
Die dankzegging is geen vrucht van eigen akker, doch een door God gewerkte dank. De dank die voor God bestaan kan, is die welke Christus heeft opgebracht en uit die dank moet de zondaar worden bediend.
En nu geeft de Heere nimmer een halve redding. Zijn reddende arbeid laat de zondaar niet ergens in het donker toch weer omkomen of vele jaren in twijfel verkeren. Let u er goed op, wat in onze geschiedenis gebeurt.
De vrouw wil, nadat zij Jezus heeft aangeraakt, stilletjes weggaan. Zij schaamt zich en is bevreesd. Toch blijkt hier duidelijk, dat haar geloof slechts zwak is en dat er meer gebeuren moet, zal God aan Zijn eer komen.
Zij moet in haar nood niet tot het kleed van Jezus de toevlucht nemen, maar tot Jezus Zelf. Het is het werk van de Heilige Geest, zeker, ook de weldaden van Christus te ontdekken aan het hart van de zondaar, maar veel meer nog om Hem als Persoon voor te stellen aan de bruid. De bruid kan niet leven, een moment leven bij de zoom van Jezus' kleed, doch moet leren leven uit het Leven, uit Christus Zelf. De bruid moet inleven, hier, wie Jezus is, wie de Zaligmaker is. Zij moet een klein beetje inleven wat zaligworden is, en dat zit niet in de zoom van Jezus' kleed, maar is te verkrijgen bij Hem Zelf. Daarom mag zij niet bij Hem weggaan, maar moet bij Hem blijven!
Weet ze dat al, en beseft zij dit reeds? Neen! En daarom is deze redding ook nog niet klaar.
En gaat zij nu uit eigen beweging naar Jezus terug, of gaat het van Jezus uit, dat zij niet weg kan lopen? Misschien zegt u: Een overbodige vraag. Toch niet, mijn medereiziger! Wij hebben reeds opgemerkt, dat velen in eigen kracht naar Jezus gaan, zij kunnen best bij Hem komen zonder die lokkende liefde, die van Hem uitgaat.
Maar verder, als de Heere het goede werk in hem begint, dan zal de zondaar bij den voortduur onder Gods leiding moeten vertoeven om de rechte weg te blijven betreden. De zondaar zou in eigen kracht gedurig de weg uit het oog verliezen, en daardoor steeds in nieuwe moeilijkheden geraken. Dat laatste gebeurt daarom toch nog heel vaak.
Als nu deze vrouw weg wil gaan, in de gedachte niemand merkt wat ik gedaan heb, ook Jezus merkt het niet, dan houdt Jezus haar vast. Dit is een kenmerk van genade: De Heere laat niet varen de werken Zijner handen. En zo goed als ik weet, dat de weldaad van God was, zo goed zal ik weten, dat God mij na de geschonken weldaad vasthoudt. In het zaligworden van de zondaar moet het steeds duidelijker worden, dat de Heere de weldaden niet geeft om er wat mee te spelen, maar dat Hij die geeft om de Weldoener er in te eren. Derhalve wordt de zondaar duidelijk gemaakt, dat Hij niet allereerst zalig wordt door het genieten van de weldaden, doch wèl door de Persoonlijke bemoeing van de drieënige God. Hij wordt wijs gemaakt tot de hoge zaligheid: God zal alles zijn en in allen!
Jezus houdt deze vrouw vast.
Hoe? Gods Woord zegt: „En Jezus bekende terstond bij Zichzelf, dat er kracht van Hem uitgegaan was".
Niet door de aanraking van Zijn kleed, maar in Zichzelf bemerkt Jezus Zijn genadebetoon. Het bewijzen van genade is er niet door onze handeling, het is er wel uit loutere genade. Genade zoekt niet naar een oorzaak in de mens, of naar een aanleiding, door het schepsel gegeven. Genade is enkel Gods werk, genade is Gods welbehagen. God bewijst genade om Zijns Zelfs wil. God wacht niet op onze handeling aleer Hij genade bewijst; dan kon Hij eeuwig wachten. Hij geeft het om niet, niet om de werken onzerzijds. Zelfs in de genadebediening brengen wij elementen, die de volle luister der genadebedeling verduisteren, alhoewel het de Heere niet belet waar te maken: „Vijanden worden met God verzoend en goddelozen gerechtvaardigd om niet". Dit genadebetoon wordt niet alleen aan de stoutste kinderen van God bewezen, maar aan ieder kind van God: Met minder kan het niet. Wie hier nog een vreemdeling van is, mag zijn zaken wel goed bekijken, als hij zou menen een kind van God te zijn.
De Heere deelt Zijn eer niet met een ander, Hij duldt geen eerroof. Bewust in Zichzelf geeft Hij de genade om niet, en daarom laat Hij zich niet de kroon van het hoofd rukken. De hoogste trap in het zaligworden is dan ook: Gods eer bedoelen. Daartoe wordt Gods volk onderwezen en opgeleid, en daar krijgen al Gods kinderen zin in: Komt, maakt God met mij groot, etc.
De vrouw heeft Jezus' kleed niet alléén aangeraakt. Als de mensen zich om Jezus verdringen, geschiedt zulks ieder ogenblik, doch niet in het geloof.
De Heere weet het dus pertinent als Hij- genade schenkt aan de zondaar en ook aan wie? Ja, dat weet Hij, zoals God het alleen maar weten kan. En nu wil Hij dat de zondaar weet: de Heere weet ervan wat Hij aan u deed. De Heere houdt dit weten dus niet voor zichzelf! Zeker niet, het is Gods genade om de zondaar zekerheid te verschaffen in God Zelf! Geloven wat God werkt,: is een zeker weten. God weet het eerst, daarna de zondaar.
Het is een stuk van de zaligheid, te weten dat twee het weten: God en ik, en daarom is het zeker waar. Maar altijd éérst God en dan ik.
En toch vraagt Jezus: ,,Wie heeft Mijn kleding aangeraakt?" Wat nu? Weet Hij niet wie dat gedaan heeft? Ja, Hij weet het wel, en daarom heeft Hij voor Zichzelf geen antwoord nodig. Maar zijn vraag is duidelijk gesteld. Hij zegt precies wat er gebeurd is. Men heeft Zijn klederen aangeraakt. Die vraag hoort ook bij de redding van de genezen vrouw. Ze dacht klaar te zijn en zo weer naar huis te kunnen gaan, maar zie, nu wordt zij door deze vraag en Vrager vastgehouden. Zij zal nog het één en ander moeten leren aleer uit Jezus' mond klinkt: „Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en wees genezen van deze uw kwaal".
Waarom stelt Jezus dan deze vraag?
In de eerste plaats zal zij moeten leren hoe groot haar zonde en ellende is, maar ten tweede ook, hoe ruim Gods ontferming is. Niet één van die twee, maar beide zaken. En voor de tweede maal zou ik u willen wijzen op een verkeerde eenzijdigheid. Men klemt zich vast aan het eerste en weet er niet uit te komen, of men stijgt met het tweede de hoogte in, maar weet niet waarheen. Beide groepen spreken over God en Jezus en de Heilige Geest, doch allen blijven ver van de drieënige God verwijderd.
Maar het gaat in onze tweede gedachte toch over de redding door Jezus? Moeten we dan toch opnieuw terug naar de ellende? Ja, 'we moeten nog even terug, want deze vrouw is wel blij met de genezing, maar nog niet blij voor Gods aangezicht. Iedereen mag weten en moet weten:
Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's Heeren hand alleen geschied!
Dit is tot heerlijkheid van God in Jezus geopenbaard. Daarom mag dit grote wonder niet eindigen in een vlucht naar de ellende terug, maar in een stijgen naar de dankbaarheid voor Gods aangezicht. Elk van Gods werken zal daar ook in eindigen.
En als er dan geen antwoord komt op Jezus' vraag, dan kijkt Hij alle kanten uit en om Zich heen. Hij gaat dit werk afmaken. Eindelijk valt Zijn oog op de beweldadigde vrouw. En als die ogen elkander ontmoeten, och, wie zal dan zeggen, wat er in Jezus' hart omgaat en in het hart van de vrouw? Toch zegt de Schrift daar wel wat van. Wat dan?
Wel, Jezus ziet om Zich heen om haar te zien, die dit gedaan heeft. Om haar te zien! Jezus weet dat een vrouw Hem aanraakte, Hij weet ook precies welke vrouw. Hij vergist Zich niet. Op al die nauwkeurige mededelingen moet u acht geven. Het staat er niet voor niets, dat het in dit geval een vrouw is. En het mocht u vertroosten, die nog zo dikwijls onzeker door het leven gaat en wel eens denkt, dat ge uzelf bedriegt voor de eeuwigheid. Weet het, God weet het zeker, wie het zijn, die de Zijnen zijn, wie. Hij aan Jezus gegeven heeft. En de tijd mocht spoedig aanbreken, dat Jezus' oog het uwe zoekt en ziet, zodat ge niet onder Hem uit kunt komen. En dat de liefde, die bij aanvang gewerkt is in uw hart, een volle bevrediging mag ontvangen in Zijn nabijheid, door nu zeker te weten, dat ge gelokt zijt door de uitverkiezende liefde des Vaders en de verlossende liefde des Zoons, en dat dit alles u toegepast en duidelijk gemaakt wordt door de Heilige Geest.
Ziet haar dan komen tot Jezus. Niet trots, hoogmoedig met veel eigendunk, doch vrezende en bevende. Och ja, er moet nog het één en ander recht gezet worden, waarin zij dwaalde. Doch let er op hoe liefderijk de Heere met Zijn kinderen onderhandelt.
III.
Laten we daarom ten derde met elkander nagaan hoe Jezus haar leidt.
Om te beginnen deelt Markus mede, dat de vrouw in het komen tot Jezus weet wat aan haar geschied is. Mag ik nog eenmaal uw aandacht vestigen op het persoonlijke van Gods werken? Het is aan haar geschied en dat weet zij. Niemand zal dit wonder ooit uit haar geheugen kunnen wissen. Zo leidt de Heere haar op de weg des heils. Zij krijgt hiermee een steunen rustpunt, waar de Heere nog wel eens op terug zal komen en waar zij in het geloof over zal mogen zingen:
Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.
Hoe kan uw ziel ontroeren als dat gelovig tot God gezongen mag worden! Wat wordt u bij zulk onderwijs en Goddelijke leiding meer en meer voor Gods zaak ingewonnen. En dan is de Heere zo goed u in de herinnering te brengen, dat u alleen maar echt blij was, omdat Hij alle vrezen en beven bij u weg kwam nemen. Hij openbaarde Zich niet als een God, toen u bij Jezus mocht komen, Die de zondaar verzengt door Zijn toorn, doch Die de zondaar aanziet in Zijn geliefde Zoon, in Wie Hij al Zijn welbehagen heeft! Onmisbaar onderwijs is dat. En hoe gaat het dan verder? Moet deze vrouw eerst uren liggen te beven en te vrezen aleer zij in een dragelijke toestand voor Jezus' aangezicht staat?
Welneen! Voelt zij zich dan niet als een onwaardige in Zijn nabijheid? En of!
De Schrift zegt, dat zij voor Hem nederviel.
Groter eerbetoon kan men Jezus niet geven. Zijn heerlijkheid komt openbaar, maar ook Zijn onderwijs, aan de vrouw gegeven, werpt vruchten af. Zij dwingt Jezus niet een kniebuiging voor haar te maken omdat zij in Jezus gelooft. Velen lopen met zo'n geloof op zak door het kerkelijk leven heen. Wie zal hen wat maken? Zij zijn gearriveerde, klare christenen. Doch het kind van God krijgt lessen uit de hemel, ook deze les, dat het nederknielt voor Jezus. Ja, en dan maar aanhouden op wat Gods Woord hier zegt: zij viel neder. Het is oprecht gemeend, zij legt haar ganse hart in deze zaak. Iemand, die door God geleid wordt, krijgt zin in de waarheid, om daar in te leven; en hij krijgt een hekel aan alles wat hij zelf deed, en veroordeelt dat van harte.
De levendgemaakte kerk gaat aan de Heere al de waarheid zeggen! Ontdekkende genade geeft ons Godskennis en zelfkennis. We leren tegen God zeggen, dat we oneerlijk en onwaarachtig zijn en dat God de Waarheid is. Wij worden voor die waarheid ingewonnen en willen ons leven daarnaar gaan inrichten, welke inrichting alleen een goed verloop zal hebben als we leven uit het geloof: Jezus' Geest leidt, onderricht mij in alle waarheid. Neen, wij bedoelen niet de mens, die het zelf wel kan. Die voor Gods aangezicht al de waarheid gaat zeggen, weet, dat hij er tot hiertoe niets van terecht gebracht heeft en dat het loutere genade is als de Heere met zó één nog één stap in het leven verder wil gaan.
Wat is die vrouw daar afhankelijk gemaakt, maar ze wenste wel daar geregeld in te mogen leven. Wat voelt zij zich verbonden aan die dierbare Borg en Zaligmaker. Hoe kan het ook anders, want het is Zijn liefae, die naar haar uitging en die zij nu met wederliefde mag beantwoorden.
Dan moet ook weg alle vrezen en beven. Ook daar zorgt de Heere voor. Hij heeft zó volmaakt gearbeid voor 's Vaders aangezicht, dat ook de zonden van kleingeloof, van vrezen en beven vergeven kunnen en zullen worden, en de kerk in Jezus een geopende toegang krijgt tot de troon der genade.
Als de vrouw Hem al de waarheid verteld heeft, hoort u dan dat Jezus hier breedvoerig op ingaat en op enkele plaatsen desnoods correcties aanbrengt? Ik lees er niets van. En waarom niet?
We willen niet beweren, dat wij onder woorden kunnen brengen wat genade is, die de Heere aan de zondaar schenkt. Neen, hij kan niet volkomen uitzeggen wat God aan hem, de vijand en goddeloze, deed. Maar de Heere verlangt ook niet het onmogelijke. Hij is volkomen bevredigd door het werkvan Zijn Zoon. Wij behoeven dat niet over te doen of proberen het te verbeteren met een manier van uitdrukken, die zo geweldig zou zijn. Och, arme stumperd, die zich daarmede vermoeit.
De Heere luistert, als de zondaar vertelt, of de besproken zaak de Zijne is, en laat het nu toch aan God over om de zondaar eerlijk te maken in de dadelijke bediening. God verheerlijkt Zich in Zijn eigen werk. Het is immers een werk om Christus' wil? Wat moeten wij dat toch diep leren door Goddelijk onderwijs. Niet maar zeggen of alleen bespreken, doch beleven. Deze vrouw beleeft, dat de Heere goed voor haar is, want Hij neemt de vrees weg en van de beving is spoedig niets meer te bemerken, om plaats te maken voor een ander vrezen en beven, dat God in het hart van de zondaar werkt om te werken aan zijn zaligheid, die God werkt in het willen en werken naar Zijn welbehagen.
Want we worden niet maar éénmaal eerlijk gemaakt voor God, dit dient dagelijks te geschieden. En wie zo door de Heere bearbeid en geleid wordt, ontvangt vrede voor het hart. Een vrede, die alle verstand te boven gaat. Die is dus niet te beredeneren, die laat zich alleen aannemen met het geloof en in dat geloven beleven.
Jezus leidt haar verder en zegt tot haar: ,,dochter!" Dat is hemelse muziek in haar oren. Als Hij „dochter" tegen u zegt, dan weet u waar u aan toe bent. Dan hebt u het zelf uit Zijn mond gehoord. Wat een vastigheid, als ik zeker mag geloven dat ik door genade en naar Zijn eigen uitspraak dochter ben. Neen, dan kan ik niet bij de pakken neer gaan zitten, als ik zo door Hem geleid wordt naar het zoon- of dochterschap. Dan wil ik Hem grootmaken. En ik kan het op dat ogenblik misschien niet uitzingen hoe goed God is voor een slecht mens, maar in mijn hart is het enkel zingen, enkel God bedoelen, en ik wilde wel dat het zo blijven mocht.
Tegen die dochter zegt Jezus immers: „Ga heen in vrede, en wees genezen van deze uw kwaal".
Mijn vrezen en beven weg. Door Jezus aangesproken met „dochter". En dan de verdere wegwijzing van Hem, heen te gaan in vrede. Letterlijk staat er: Gaat heen tot de vrede. Ga heen om vrede te genieten om de redding van uw ziel en de genezing van uw lichaam. Een dubbele weldaad dus.
Wij gebruikten in de vorige zin het woord genieten. 11 weet toch wat dat is? Het echte genieten verlangt sterke concentratie op het voorwerp waarvan u geniet. Een echte genieter praat niet zo veel, want dat gaat ten koste van de concentratie. De echte mystiek moet niet te veel gestoord worden door mijn zienswijze hier doorheen te vlechten. En als Jezus tot mij gaat spreken over de vrede, ga heen tot de vrede, hoe zal ik die vrede dan anders kunnen genieten dan uit de bediening van de Vredevorst? Mijn oorlogen tegen God werden door Zijn kruisverdienste genadiglijk vergeven, en deze maakte het waar dat God de vijand tot vriend maakt. Ik werd zelfs een medearbeider Gods in de dienst van Zijn koninkrijk.
Zonder arbeid komt u er niet af. Hij zegt immers: Ga heen tot de vrede. Dat is een heerlijke, doch ook moeilijke weg.
Waar Jezus in het hart woont, is er een gaan tot die vrede.
En dat zou eigenlijk iedere dag zo moeten zijn. Gelukkig verlaat Christus' Geest de Zijnen nooit. Maar de Zijnen moeten nog wel eens zingen:
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
Dat onbedacht zijn herder heeft verloren.
Onbekeerde medereiziger. U staat, o zo vaak, mee om Jezus heen te dringen. B.v. onder de bediening van Gods Woord. U bent Hem al heel wat malen nagelopen, misschien uit loutere nieuwsgierigheid, maar... u hebt Hem nog nooit, zoals deze vrouw, aangeraakt. Met al uw dringen om Jezus is het u nog
nooit om Hem te doen geweest. U liep wel mee en achter Hem aan, doch met eigen bedoelingen. Dat is hopeloos te kort voor de eeuwigheid.'
Daar zijn er ook, die niet met eigen zin in het gedrang om
Jezus kwamen te staan, denk maar aan Simon van Syrene. Ze willen er zo spoedig mogelijk uit zien te komen, want het bevalt hun helemaal niet. Het interesseert hen helemaal niet dat zij met teken en zegel van Gods verbond aan het voorhoofd lopen.
Voor u hoop ik, dat ge net als genoemde Simon door God wordt gearresteerd.
De scharen stonden tegen Jezus aangedrongen, het uitverkoren volk, onderwezen in het Woord, dat van de jeugd aan over Gods daden hoorde spreken, en die nochtans vreemd aan Jezus bleven, omdat zij Hem niet aangeraakt hebben in het geloof.
Want die aanraking moet er toch zijn. Het aanraken in het geloot van Zijn Woord en sacramenten. Anders hebt ge geen gemeenschap met Hem.
Velen roepen: Heere, Heere! Maar zij missen de gemeenschapsoefeningen met de verhoogde Heere, en juist in de gemeenschapsoefening ligt het leven. Dat is een aanraking des geloofs.
Dat alleen. Amen.


September 1965