Hemelraad temidden van aardse zorgvuldigheden
Nieuwjaarspredikatie over 1 Petrus 5 : 7
Door Ds. C. SMITS
Psalm 121 : 1 en 2
Lezen: 1 Petrus 5: 1-11
Psalm 84: 3 en 6
Psalm 27 : 7
Psalm 62 : 1
Tekst 1 Petrus 5 : 7: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
Nieuwjaarsmorgen. Weer zijn we een nieuwe tijdkring binnen getreden. God heeft in de schepping tijdsindelingen gesteld. Het wordt genoemd Zijn verbond van de dag en de nacht. Uren, dagen, maanden, jaren, ze zijn door God alzo gesteld. Dit nu herinnert ons, na onze rampzalige val, onze tijdelijkheid en onze vergankelijkheid hier beneden; dit zal zo door gaan totdat de engel van de hemel, zoals Johannes op Patmos dit zag, zijn ene voet op de aarde en zijn andere op de zee zal zetten, en zal zweren bij Dien, Die leeft tot in alle eeuwigheid, dat er geen tijd meer zijn zal elke golfslag van de tijd voert ons nader tot de stranden der eeuwigheid. Ook thans weer een jaar dichter bij dood en graf. Hoe velen, die met ons de vorige jaarkring ingingen, die thans niet meer zijn, voor wie het eeuwigheid geworden is, wier lot voor eeuwig is beslist. Aangrijplende gedachte. Wat mocht David bidden in Psalm 39: „Heere, leer mij hoe vergankelijk ik ben", en Mozes in Psalm 90: „Leer ons onze dagen tellen, opdat we een wijs hart bekomen".
Ja, we zijn als pelgrims, die voortreinen, en er is geen stilstand, al maar voort, rusteloos is de tijd, en met de tijd spoedt ons leven zich voorwaarts. Op de toren te Muiden staan deze woorden: Omnes vulnerant ultimo caedet - alle uren wonden u, maar het laatste slaat u dood -. Gewis, er is thans plaats om met de grijze Barzilai te vragen: hoevelen zullen de dagen der jaren Uws knechts zijn?
Niemand echter, wordt met de stellige gewisheid, als waarmede Jeremia de schaamteloze leugenprofeet Hananja eenmaal aansprak: „nog dit jaar zult gij sterven", zijn stervensuur aangekondigd. Evenwel, dat wij sterven gaan, is ons allen bekend. En dit jaar kan mogelijk -ons sterfjaar zijn.
Heil en zegen in het nieuwe jaar. Met deze wens horen wij ontelbaar velen, schier werktuigelijk, elkander ontmoeten. En toch, hoeveel houdt het in, hoeveel stof tot vragen en bidden. Wie weet wat goed voor ons is, wie weet wat ;dit jaar ons brengen zal? Hij toch, Wiens troon boven de sterren is, voor Wie alle inwoners dezer wereld als sprinkhanen zijn. Hij schenke ons genade om als pelgrims met verhoogde ernst de staf des geloofs op te heffen, en voort te reizen op het kompas van Zijn onveranderlijk Woord. Ja, het zij in uw en mijn harte: „en nu wat verwacht ik, o Heere, mijn hoop is op U".
We willen u voor deze ure bepalen bij 1 Petrus 5 : 7: „Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u". Dit Godswoord nu bevat: „Hemelraad temidden van aardse zorgvuldigheden". Hier vinden wij:
I. Een bezwaarde gemoedsgesteldheid;
II. Een opwekkend geloofsvermaan;
III. Een vertroostende Godsboodschap.
I.
Deze eerste brief van Petrus is gericht aan vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië. Aan vreemdelingen. Vreemdelingen kunnen we zijn in tweeërlei opzicht. Van nature zijn we allen vreemdelingen in de verstrooiing in geestelijk opzicht. Wij zijn God kwijt, dat maakt onze vreemdelingschap uit. Wij zijn uit het paradijs verdreven, omdolende ballingen, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. We zijn slechts doortrekkers door dit tranendal. Waarvan Mozes zegt: het uitnemendste is moeite en verdriet. Ja, ons leven is een reis, een snelle reis, wij vliegen daarheen. En het woord van de kerkvader Augustdnus wordt hier bevestigd: ,,Gij hebt ons tot U geschapen, o God, en onrustig is het hart, totdat het rust in U".
We kunnen echter vreemdeling zijn nog in een ander opzicht. Immers voelt de wereldling zich hier thuis, en zoekt hij in dit korte leven verzekerdheden en sterkten. Het kind van God, dat aan zijn vreemdelingschap ontdekt is, en de kracht heeft ervaren van het Woord der Heilige Schrift: zo zijt ge dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar huisgenoten Gods en medeburgers der heiligen; zulk één toch leert zich een vreemdeling in de tegenovergestelde richting kennen, n.,l. wanneer hij zijn staat recht beleeft, dam leert hij deze wereld kennen als een plaats van omzwervingen en omdolingen, en leert de dichter verstaan: Gij weet o God, hoe 'k zwerven moet op aard'. En hoe meer de hemel in het hart mag zijn, hoe meer zij een vreemdeling op aarde worden, en zeggen wel eens met de psalmist in Psalm 119: „Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg Uw geboden niet voor mij". En met Van Alphen:
Wijk werelds gewemel,
Ik reis naar de hemel,
Verhinder mij niet.
Wijk zinnen, wijk lusten,
Ik kan hier niet rusten,
In 's vijands gebied.
Daarom woonde ook de vader der gelovigen, Abraham, in tabernakelen en had hier geen vaste woonplaats. Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker opperste bouwheer en kunstenaar God is. Hun burgerschap toch is m de hemel, vanwaar zij de Zangmaker verwachten.
Men neme nu in aanmerking wie het waren, in welke tijd en omstandigheden zij verkeerden, aan wie de apostel schreef. Het waren gelovigen in de verstrooiing. Zij waren bloot gesteld aan de hitte der verdrukking. Wat was deze jeugdige evangeliekerk reeds vervolgd en belaagd door de Joden. Thans echter zullen de heidenen, als zovele ongetemde dieren, de planting van Gods vingeren bespringen ten dode toe. Denk hier aan de 'gruwzame en moorddadige vervolgingen, die plaats vonden 'onder ede Romeinse keizers Nero, Domitianus, Trajanus, Marcus Aurelius, Decius enz. Onder dezer vervolgingen zijn, naar de overlevering, Petrus gekruisigd, Jakobus met het zwaard gedood, Paulus te Rome onthoofd en Johannes verbannen naar Patmos.
Ja, de kerk Gods werd vervolgd als een veldhoen op de bergen, en als schapen ter slachting geleid. Dit lijden en deze vervolgingen moeten de kerk niet vreemd zijn. Immers, zo zegt Petrus: Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, als of u iets vreemds overkwame. Hij wil zeggen: Gij hebt niets anders te wachten. In deze wereld zult gij verdrukking hebben. Zij zullen ondervinden de duivelse vijandschap, die in de paradijsbelofte genoemd wordt. De strijd tussen het vrouwen en het slangenzaad. En hoe meer die kerk getuigt, hoe scherper de scheidingslijn tussen haar en de wereld getrokken wordt, hoe meer de vijandschap openbaar komt, en dat zowel van de vrome als van de goddeloze wereld.
Dit is dan ook geheel overeenkomstig het Woord der Heilige Schrift: Want het Evangelie des kruises is der Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid, maar ons, die geloven beide de kracht Gods en de wijsheid Gods. Dit lijden nu moet voor Gods kerk een eer zijn. Dit is het kenmerk voor de echtheid: „Zij hebben Mij vervolgd, zij zullen ook u vervolgen". Waarlijk, het getuigt niet van wasdom in Christus en het is geen sieraad voor de kerk, als zo, weinig het verschil uitkomt tussen kerk en wereld, als de grenzen worden uitgewist. In onze dagen heeft de wereld geen last meer van de kerk, en daarom wordt ze zo geduld. Diep verval is er bij de kerk, de grenzen zijn weg. Er gaat geen getuigenis meer uit van de kerk en van Gods volk. Ds. Ledeboer liep eens met zijn ouderling door de straten van Leiden. De straatjeugd bespotte hen en riep: daar heb je de afgezette dominee van Benthuizen. Bespotte en besmeurde hen. De ouderling wilde zich wreken aan die jeugd, doch Ledeboer sprak: Laat ze broeder, gelukkig dat ze ons kennen.
Doch ter zake. Voor de kerk in Petrus' dagen, temidden van zulk een hitte der verdrukking zijnde, was er voorzeker grote plaats voor hetgeen in onze tekst genoemd wordt „bekommering". De vragen dezer vervolgde slachtschapen werden vermenigvuldigd. Hier was het hoe de verdrukking te ontwijken, daar weer hoe zijn bestaan te vinden, waar men uit de plaats zijns verblijfs, verjaagd van al het zijne, beroofd werd. In armoede in den vreemde omdolende, en overal opnieuw bestookt en belaagd. Viel men de vervolgers in handen, alweer, de vraag der bekommering, hio!e zijn 'wrede aanleg, zijn gruwzame handelingen in lijdzaamheid te verduren.. En dat men vertrouwen mocht, gelijk men gemeenschap had met het lijden van Christus, zich nu ook te mogen verblijden in Zijn heerlijkheid. Dit waren alzo de omstandigheden, waarom de apostel sprak van bekommering.
Ja, bekommering, een bezwaarde gemoedsgesteldheid. Het woord in de tekst wil eigenlijk zeggen: iets wat dit gemoed verdeelt, geen verontrustende gedachte, die het hart verscheurt. Men zou het kunnen noemen een 'krankheid van geest.
Welnu, als we door Gods goedheid bewaard zijn voor vervolging, gelijk de eerste christengemeenten, al mogen we thans nog in vrede samen komen, nochtans op deze nieuwjaarsmorgen kunnen bezorgdheid en bekommering het hart vervullen, als we denken wat mogelijk de toekomst in haar schoot voor ons verborgen heeft. Onwillekeurig toch dringt zich de gedachte aan ons op: Wat zal ons dit jaar brengen? En wanneer we rondom ons zien, dan zou er plaats zijn om te vragen: „Wie zal ons het goede doen zien?" Wanneer we een blik slaan rondom ons, in de wereld der volkeren, welk een droevige aanblik geeft het tegenwoordige wereldbeeld. Geruchten van oorlogen en revolutie zijn aan de orde van de dag. Ja, de ganse wereld is op het ogenblik als één groot kruithuis. De vonk behoeft er maar bij te komen, en de wereld staat in brand. En onder dit alles is er een zien naar het oosten, er is een zien naar het westen, en als men denkt aan de éne zijde klaar gekomen te zijn, dan springt de wond aan de andere zijde des te dieper open. Bekommering in het algemeen, maar ook in het bijzonder. Wat al vragen dringen zich aan ons op. Nu we wederom staan op de drempel van een nieuwe tijdkring. Aan deze vragen biedt deze aarde geen antwoord. Tevergeefs verwacht men het van de bergen en de menigte der heuvelen. In de Heere alléén is heil. En daarom biedt onze tekst temidden van alle wederwaardigheden voor het heden, en alle vragen die ons kunnen bezwaren voor het toekomende:
II.
Een opwekkend geloofsvermaan.
Werpt al uw bekommernis op Hem. Het woord hier m de tekst door werpen vertaald, wil zeggen: Zich op iemand werpen, iets over iemand brengen. Zorgen, die men als een last van zich op een ander werpt. We hebben ons hier dan iemand voor te stellen, die gebogen gaat onder een zeer zware last, een last, die hem doet bezwijken. Zo toch kunnen de zorgen en bekommernissen des levens ons drukken. Salomo zegt hiervan: bekommering yin het hart des mensen buigt het neder. Doch een goed woord richt het weder op. En het is zulk een goed en vertroostend woord, dat de apostel spreekt tot zulk een lastdrager, n.l.: Werpt al uw bekommernis op Hem.
Wat gelukkig toch is hij, die onder zulk een zware last gebukt gaande, die last op een ander, op een metgezel kan over brengen. In deze zin spreekt dezelfde Salomo als hij zegt: Twee zijn beter dan één. Want indien zij vallen, de één richt de ander weer op. Maar wat nu als die metgezel niet sterk genoeg blijkt, en ook hij er onder zou bezwijken? Meermalen ziet men, dat hij, die helpt, en hij die geholpen wordt, beiden bezwijken. De goedwilligheid om te helpen was er dan wel, doch het vermogen, de kracht daartoe ontbrak. Hij die onder een last gebogen gaat, moet er een hebben die sterker is dan hij, opdat hij zijn last op hem kan werpen. Van zulk een sterkere nu spreekt de apostel.
„Werpt al uw bekommernis op Hem". Dat is Hij, Wiens Naam is sterke God; dat is Hij, van Wie we lezen in Ps. 89: „Ik heb hulp besteld bij een held. Ik heb een Verkorene uit den volke verhoogd". Dat is Christus Jezus. Hij zal nooit zeggen: Ik kan al dat volk niet dragen. Wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet.
Hij is krachtiglijk bevonden te zijn een Hulp in benauwdheid. Daarom ook zong de dichter: Zalig hij, die in dit leven, Jakobs God ter hulpe heeft. Hij is een Held, Die verlossen kan. Jezus Christus, Die onze Hoop is. Hij is de Onveranderlijke, temidden van al wat wisselt en wijkt. Hij is de Rots der eeuwen, Wiens werk volkomen is. Op Hem hebben onze vaderen vertrouwd, en zijn niet schaamrood geworden. Hij is de Hulp voor een gans hulpeloos volk. Hij leidt en bestuurt alle dingen. Hij regeert met vaste hand over machtige vijanden, tot eer van Zijn Naam. Hij roept het Zijn volk in alle nood en verlegenheid toe: In Mij is uw hulp. Zijn Naam is Immanuël, Gods met ons. Hij doet Zijn hulp ter verlossing tonen en Hij slaat de zielen gade van allen die op Hem met smekend ogen staren. Dat ondervond Jakob te Bethel in die nachtelijke ure. Achter hem was zijn ouderlijk huis, dat hij om zijns levens wil moest ontvluchten. Vóór hem een onbekende toekomst. En dat reizende naar een vreemd land. Binnen hem een konsciëntie, die hem aanklaagde. Wat verwachting kon zijn ziel uit deze bekommering opheffen? Doch hier horen wij die Held der hulpe, die Engel des verbonds, deze zo verdrukte pelgrim dit troostrijke woord toeroepen: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Dat ondervond ook Jozua, de leidsman van het volk Gods, vóór hij Kanaan binnen treedt, waar hij ontmoeten zak de Kanaanieten en de Amorieten, die machtige vijanden. Als dan de Engel des verbonds Zich openbaart, zeggende: Ik ben de Vorst van het heir des hemels. Ik ben gekomen. De Heere zal u niet begeven en u niet verlaten. Dat ook er vaarde Salomo, voor hij het grote werk begon de Heere een huis te bouwen te Jeruzalem, als ook hij dit bemoedigende woord ontvangt: Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten.
Het is telkens dezelfde Goddelijke verzekering aan het Sion Gods van de oude dag. Schoon zij arm zijn en ellendig, de Heere denkt aan hen. Het is in die eeuwige van God gezalfde Verbondsmiddelaar, dat de Heere aan Zijn volk gedenkt, en in al hun noden tot een Toevlucht en Sterkte is. Daarom ook spreekt Jesaja van die grote Held der hulpe', de Immanuël Gods: In al hun benauwdheden was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft zie behouden. Om Zijn liefde en genade heeft Hij ze verlost. En Hij nam ze op, en Hij droeg ze alle de dagen van ouds. Ja, ook de kerk van de nieuwe dag heeft in Hem een sterke toevlucht en belofte in dit zo troostrijke woord: „Ik ben met u alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld".
Zullen wij echter de kracht en de toepassing van ons eigen hart daarvan hebben, zo is het nodig, dat wij deze Held, Immanuël kennen. Dat we door het geloof met Hem verenigd zijn. Dat we Hem nodig hebben voor de tijd, en bovenal voor de nimmer eindigende eeuwigheid. Om de last van onze zonde en plagen van onze nood en ellende van het heden, maar ook voor het toekomende op Hem te werpen. Want: Wie vlood er ooit naar Jezus heen, als niet zijn effen hoop verdween?
Welnu, wil dit nu zeggen, dat we dan van de rampspoeden en wederwaardigheden van het leven af zijn, dat onze weg dan in voorspoed zal gaan? Dat we dan bevrijd zijn van alle leed en smart ook voor 1963? Neen, ganselijk niet, maar het betekent, dat we dan in de oordelen, in de wegen van smart en tegen- heden een verberging vinden in Hem. Het wil zeggen: Temidden van alle vragen en raadselen, de Heere doet het, dat is de waarborg dat het goed is en goed zal gaan.
Als we zo onze last van 'zorgen, zonden en plagen door het geloof op Hem mogen werpen, dat wil zeggen, zich onbedongen met een onbepaald krediet en vertrouwen zich aan de Heere kwijt te worden, en zeggen met de dichter:
Zijn dan Zijn wegen zuurheid, zijn ze zoetheid,
Wij aanbidden, zwijgen stil.
Want de wezenlijke Goedheid
Maakt het goed met wat Hij wil.
Maar versta dit wel, zal pik zo in al mijn bekommering en noden mij op de Heere kunnen werpen, dan moeten we ons eerst aan de Heere kwijt geworden zijn. Velen willen wel gauw hun nood en zorgen kwijt worden, maar niet zichzelf. Ze willen wel gaarne een God, Die hen helpt en zegent, ze willen wel gaarne hun noden kwijt, maar niet hun hart. Dat zien we in tijden van oorlog en ziekte, dan is er menigmaal een roepen en schreien. Maar het gevaar is nog niet geweken of men leeft het oude leven weer.
Onze ouden plachten wel eens te zeggen, dat ziekbedbekeringen meestal aan het bedstro blijven hangen. Misschien zijn er wel in ons midden, die 'het afgelopen jaar ernstig ziek geweest zijn. Of in diepe nood verkeerd hebben, misschien wel belofte gedaan 'hebben, enz. En wat is er vaat dat alles overgebleven? Dit is een bewijs, dat ge de Heere nog missen kunt, dat ge wel met uw noden, maar niet met uw hart tot God komt. Als het gevaar maar weer geweken is, dan kan men God wel in de hemel laten, als Hij ons de aarde maar laat.
Neen, dit opwekkend geloofsvermaan: „Werpt al uw bekommernis op Hem", wordt volvoerd met een volkomen overgave des harten, en dan bepaalt zich onze bekommernis niet al hen bij onze aardse zorgvuldigheden, maar dan komen we met onze centrale nood, met die grote nood en bekommering onzer ziel, zoals de dichter in Ps. 38 uitroept: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Mijn zonden en mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd. Als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden.
Bij elke zondaar, die door Gods Geest arm en oprecht is gemaakt, begint het met deze bekommering. Dat is een bekommering, waar al het andere bij in het niet valt. Niet dat de Heere geen lichamelijke of tijdelijke noden gebruikt om ons te vernederen en tot Hem te trekken, doch het blijft er niet bij staan. En het is de nood van alle noden, die zich openbaart in de vraag der bekommering: Hoe word ik met God verzoend. Wie neemt mijn schuld weg. Hoe komt God door mij aan Zijn eer. Die leert uit de diepten van ellende en uit de nood zijner ziel tot God roepen. Bij hem wordt de noodzakelijkheid en onmisbaarheid geboren. Dat toch gaat voor alle dingen. Hoe wordt God mijn deel? Die leert: Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen, n.1. rakende dit tijdelijk leven, zullen u toegeworpen worden. Werpt al uw bekornmerniis op Hem, dat is Christus, de Held der hulp, de Immanuël, God met ons. Hij is Gods Metgezel, maar tevens van onze natuur, één geworden met arme zondaren, Die weet wat in de mens is, en Die machtig is om te verlossen. Bij Hem is voor dat volk hulp besteld. Hij is in ontelbare benauwdheden, smaadheden en angsten der hel geweest. Hij is waarachtig en rechtvaardig mens, nochtans sterker dan alle schepselen. Daarom kan Hij dragen al de last van zonde en plagen en alle bekommering des harten.
En wanneer die Borg ontdekt wordt, dan leert het geloof zijn last wentelen op Hem. Dan leert het voor de tijd en voor de eeuwigheid zijn last te wentelen op Hem, en zich te werpen op zulk een machtige Zaligmaker, te schuilen bij Hem, Die is de Rots der eeuwen. Die is de enige Toevlucht voor tijd en eeuwigheid. Die Man zal zijn als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land, en „als een verberging tegen de wind. En daarom is het, wat de dichter zegt in Psalm 27 : 7:
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou;
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de Heer', godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de Bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht; verlaat u op de Heer'.
III.
Een vertroostende Godsboodschap.
Wat dunkt u, als het geloof zich zo mag werpen met al zijn bekommering en nood op zulk een Held der hulpe, dat het dan nog voor alle mogelijke en onmogelijke dingen, ongoddelijke verzekeringen nodig heeft, om zijn berg voor de toekomst vast te stellen? Neen, ganselijk niet. Dan mag het leven uit hetgeen Paulus zegt: Zou Hij ons niet met Hem alle dingen schenken? En met de psalmist: In God is al mijn eer, mijn sterke Rots, mijn tegenweer. Dat is het uitzicht, dat is de hoop en de troost voor Gods volk. In Hem hebben ze alles, al zouden ze ook het ellendigste schepsel op aarde zijn. Door geloof en genade op Hem te zien, die leven en dood, hel, duivel, zonde en genade in Zijn handen heeft. Dan mogen ze in Hem rusten. En als ze dan hun ganse hart voor Hem mogen uitstorten, een onbepaald krediet op Hem mogen hebben, en hun zaken voor tijd en eeuwigheid aan Hem mogen kwijt worden, dan mogen ze ervaren: Hij zorgt voor u.
Voorwaar, met wat een bijzondere zorg is de Heere bewogen over Zijn volk. Zeker, des Heeren zorg pof voorzienigheid gaat over al wat bestaat, doch op 'n bijzondere wijze pover Zijn volk en gunstgenoten. Wat dit aangaat, onze vaderen stelden het werk van Gods zorg of voorzienigheid voor onder het beeld van drie koncentrische cirkels, d.w.z. drie cirkels vanuit één middelpunt getrokken. De buitenste noemden zij de algemene, en deze gaat over het ganse geschapene. De machtige sterren en planeten op hun banen bestierd God met vaste hand, maar ook het voor ons oog bijna onzichtbare insekt gaat de gang door Zijn vinger getekend. En wij moeten ten opzichte van dit alles uitroepen: Hoe groot moet God zijn, Die het al heeft geschapen?
De bijzondere zorgen gaan over de mensenkinderen. De ge. schiedenis der mensheid en de geschiedenissen der volkeren worden beschreven 'door Zijn vinger. Hij bestendigt het verbond van dag en nacht. Hij beschikt ons spijs en drank. Hij ontsluit Zijn hand, ontfermend en weldadig, opdat Zijn gunst al wat er leeft verzadigt.
De allerbijzonderste zorgen Gods gaan over Zijn volk, met tedere zorg is, de Heere over Zijn volk vervuld. Hij bestiert alle wegen en paden, die Hij gebruikt als zovele koorden van goedertierenheid, om ze uit de macht der duisternis te trekken tot Zijn wonderbaar licht. Hij voert ze langs wegen en paden, die ze niet gekend hebben, doch waarvan ze bij terug leidend licht mogen zeggen:
Heilig zijn o God Uw wegen,
Niemand spreek Uw hoogheid tegen.
Die wegen zijn voorspoed of tegenspoed, vreugde en smarten. Doch het einde is tot eer van Gods Naam en tot hun zielezaligheid. Waarom Paulus zegt: Want wij weten, dat degenen, die God lief hebben, alle dingen medewerken ten goede, n.l. die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Ja, als de Heere hun voeten richt op het smalle pad, dat naar Sion voert, ontvangen zij de staf der belofte als uit Zijn hand, waarop geschreven staat: Hij zorgt voor u. In het oorspronkelijke staat: Aan Hem is de zorg over u. Het gaat Hem ter harte, en daarom, als gij zult gaan door het water zal. Ik bij u zijn en de vloed zal u niet overstromen.
Welnu, die zich door genade aan zulk een zorgend God mag toevertrouwen, die 'kan ook de toekomst in Zijn handen leggen. Ook ten opzichte van het jaar dat voor ons. ligt. Want die zich zo aan God kwijt mag worden, is het met de Heere eens geworden in alles walt Hij over hem bescheiden heeft.
Wanneer de onderwijzer het stuk der voorzienigheid behandelt in Zondag 10, dan maakt hij ook de toepassing, en vraagt: Wat leert gans dit? Hij antwoordt: in tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar, en voor het toekomende een goed toevoorzicht hebben op onze God. Immers, ze hebben geleerd in de weg van schuldontdekking, dat ze rechtloze en eerloze schepselen voor God zijn. Voor zulk één wordt alles wat ze hebben boven dood en hel, genade en gunst.
Wij weten echter zeer wel, dat de ziel daar niet altijd is, want we zijn in Adam opstandelingen geworden, rebellen tegen het wettig gezag. Doch wij spreken niet, als het over deze dingen gaat, wat de mens is. Die is één stuk opstand en ellende. Die draagt een hel van verdorvenheid .in zich om, doch wat genade vermag en wie God voor Zijn volk is. En dan lezen ze, dat op de weg naar Sion niet alléén blijde psalmen, maar ook klaagliederen gezongen worden. En als dan aan Job, dat zwaar beproefde kind van God, alles ontvalt, roept hij uit: De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd. En als David over de beek Kedron gaat, en Simeï vloekt hem, zo mag hij het met God eens zijn, en zeggen: Laat Simeï vloeken, want de Heere heeft gezegd: vloekt David. Wandelt de Heere met hen in tegenheden, ze zeggen: Ik zal des Heeren gramschap dragen, omdat ik tegen Hem gezondigd heb. En gaat hun weg in voorspoed: Heere, wie ben ik, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt. Overweldigt door Zijn goedertierenheid, roepen zij met Petrus uit: Gij uit van mij, want ik ben een zondig mens.
Hij zorgt voor u, dat in de praktijk te hebben in deze nieuwjaarsmorgen, geeft ons de waarborg, dat het altijd goed gaat. Dat is een vertroostende Godsboodschap, temidden van der tijden donkerheid, temidden van de dreigende oordelen. Wat onwaardeerbaar voorrecht, die in alle nood en verlegenheid dat geloof mag beoefenen. In alles wat hem overkomt om met Asaf te zeggen: „Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, mijn Deel tot in eeuwigheid".
Medereizigers naar -de eeuwigheid. Tegenover dit alles, beklagenswaardig is uw toestand, die mist die sterkte, die troost voor uw eigen hart: God zorgt voor u. Dat wil zeggen, dat ge nog een vreemdeling zijt van God en uw eigen hart. Een vreemdeling van Christus, en van de vertroostende genade des Heiligen Geestes. Waar toch moet ge heen met al uw zorgen, al uw bekommering en noden? Misschien is uw hart op deze morgen vervuld met bange !zorgen en vragen, rakende de toekomst. Of misschien hebt ge uw verzekerdheden en sterkten gebouwd, waarop gij rust. Maar och, arme, wat meent ge? Dat ge Gods slaande hand kunt binden? Uw beeld is zo recht getekend in de rijke man, die zich schuren bouwde en deze vulde met zijn goederen, en tot zichzelf sprak: Ziel, wees welgemoed, want goederen zijn u opgelegd voor vele jaren. Doch in 'diezelfde nacht eiste God zijn ziel op. En dat is het deel van allen, die niet rijk zijn in God. Daarom moet ge zonder God deze nieuwe jaarkring in. Zonder God de toekomst in. Zonder God dood en eeuwigheid aandoen. O, weet het, al zoudt ge nog zoveel bezitten, en gemist God voor uw ziel, dan is alles tegen u. Dan geldt het, dat ge met al wat ge zijt en niet zijt, met al wat ge bezit of niet bezit, diep ellendig vloekwaardig zijt voor het aangezicht Gods.
Doch ook pop deze morgen 'geldt het voor u: Wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Maar ach, bij het heil van uw onsterfelijke ziel, laat er dan ook geen stilzwijgen bij u gevonden worden. Om af te zien van deze aarde, van alles wat zij biedt en geeft, al te zien van u zelf en alle schepselen, en heen te vluchten met uw zielenood, met uw tijdelijke nood tot Hem, van Wie het geldt: Laat al uw begeerte met bidding, smeking en dankzegging bekend worden bij God. Laat dit steeds uw vragen en zuchten zijn: Heere, ontdek mij, maak mij met mijzelf bekend. Heere, leer mij hoe vergankelijk ik ben. Immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Want wat zal het einde zijn, als ge zonder die God voort rust, ook in dit nieuw begonnen jaar?
Weet het: Het is beter met God in de druk, dan zonder druk maar dan ook zonder God. Met God in de druk, dat deed Paulus en Silas psalmen aanheffen in de gevangenis. Dat deed Ledeboer uitroepen: Ik was er even uit, met Jezus' zoete bruid, in een paleis bepereld. En Rutherford: 0 zoet kruis van Christus. Ik stap met mijn kruis al zoetjes aan naar huis.
Geliefden, wij staan hier bij een mijlpaal. Een mijlpaal van de tijd, waarop geschreven staat: Onvermoeid vooruit. O, mocht het dan wezen wat Mozes bad: Heere, laat ons van deze plaats niet optrekken, tenzij Uw aangezicht medegaat. Dan mogen we de pelgrimstaf opnemen, wetende dat alles wat ons in dit tranendal overkomt, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomt.
Voor Gods volk, die deze troost kennen en dit geloof mogen beoefenen, breekt eenmaal een nieuwjaarsmorgen aan, waarop geen oudejaar meer volgen zal. Die hier ervaren heeft de vernieuwende daad door God de Heilige Geest: Het oude is voorbij gegaan, ziet het is alles nieuw geworden. We reizen heen naar die stonde, waar de grote Borg en Zaligmaker zal spreken: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En wanneer dat in het harte levendig is, kunnen ze zingen:
En wat zou mij hinderen,
Ik zie de uurtjes minderen;
Laat het werelds gedruis
Mijn voet niet verslappen,
Nog weinige stappen,
En dan ben ik thuis.
Moge de Heere het gesprokene heiligen en toepassen aan uw en aan mijn hart, om Zijns groten Naams wil. Amen.
December 1962