De Heilige Geest gekomen
Pinksterpredikatie over Handelingen 2 : 1-4a
Door Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY
Psalm 118:12
Lezen Handelingen 2: 1-13
Psalm 118: 14
Psalm 119:3 en 88
Psalm 88: 4
Tekst Handelingen 2 : 1-4a:
En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
En er geschiedde haastelijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
En van hen werden gezien verdeelde tongen, als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest.
Tien dagen na de hemelvaart vindt de uitstorting van de Heilige Geest plaats; dat eeuwig merkwaardig wonderwerk op aarde, hetwelk zo krachtig de opstanding, de hemelvaart en het zitten van Jezus aan Gods rechterhand bewijst, en 'bevestigt dat de Heere Hem gemaakt heeft tot een Heere en Christus.
Naar des Heeren Woord is dit laatste feest voor de kerk gekomen. Feest, ja, zo wil de Heere dat we dit heilsfeit noemen. Wie :hier gaat klagen, verstaat niet wat God gedaan heeft en wat -Hij bereiden zal voor hen, die Hem vrezen. De derde Persoon in het heilig, Goddelijk Wezen is aan de 'kerk gegeven tot Trooster. Let wel: Trooster, en niet vertroosting allereerst.
Troost en vertroosting zijn van elkander onderscheiden. Vertroosting is een aangename, liefelijke gewaarwording der ziel, verwekt door de Heilige Geest in de harten der kinderen Gods,
waardoor zij zich, vooral in tijden van druk en tegenspoed, verkwikt, opgebeurd en versterkt gevoelen. Zo zingt de dichter, dat als zijn gedachten binnen in hem vermenigvuldigd werden, de vertroostingen Gods zijn ziel verkwikten; en verhaalt Hand. 9: 31, dat de gemeenten van Judéa en Galiléa en Samaria wandelden in de vreze des Heeren en in de vertroosting des Heiligen Geestes. Vertroosting is iets onderwerpelijks, iets afwisselends, iets dat hier op aarde nu eens in mindere en dan eens in meerdere mate genoten wordt; maar troost daarentegen is iets voorwerpelijks, iets vasts, iets bestendigs, en wordt ook we!1 het hoogste goed genoemd. Troost is de zaak, die troost aanbrengt, het goed, hetwelk staat tegenover de droefheid van een tegenwoordig of tegenover de vrees van een toekomstig kwaad, en dat, door. de Heilige Geest aan het hart toegepast, metterdaad verkwikking en sterkte doet genieten.
Die Troost nu is gekomen op de vijftigste dag na Pasen; de dag door God daarvoor bestemd.
We zullen nu dus luisteren naar de komst van de Heilige Geest. We willen met elkander
1. de tijd overdenken, wanneer de Geest komt;
II. op de personen letten, tot wie de Geest karnt;
III. de wijze nagaan, hoe de Geest komt.
I.
Wanneer komt de Geest?
Op vele plaatsen meldt Gods Woord de komst van de derde Persoon in het Goddelijk Wezen. Tevens deelt de Schrift mede, dat dan de hemelen van boven zouden afdruipen en de wolken zouden gloeien van gerechtigheid, en dat God in volle stromen 'de Geest zou doen stromen over alle vlees. De Geest der genade en der gebeden zou in ruime mate geschonken worden.
Op Gods tijd zou dit alles geschieden. Zijn tijd was bepaald op het Pinksterfeest, dat is het feest van de vijftigste dag. Dat was het ` laatste oogstfeest, waarop het nieuwe spijsoffer voor de Heere gebracht werd, een offer der eerste broden van de tarweoogst. Zo brengt het Pinksterfeest de gedachte van volheid, de oogst is afgelopen.
In het werk des Geestes treft ons dezelfde gedachte. De Geest brengt tot het hoogtepunt, reeds 'bij de schepping, ook in het werk der verlossing. Het Pinksterfeest brengt de voltooiing van het werk van Christus en is voorlopig het laatste heilsfeit; bij en uit de komst des Geestes moet de gemeente leven totdat Christus wederkomt; de Geest verlaat haar niet.
De laatste dagen uit Joëls profetie zijn aangebroken, de tijd door God in Zijn eeuwige raad bepaald, was vervuld. Nadat Jezus heeft vervuld al hetgeen geschreven is in het boek der wet, wordt de dag van het Pinksterfeest vervuld. Nadat Christus, de Eersteling uit de doden, uitgetogen is uit de omklemming van de vloek, is het Pinksteren geworden.
Velen komen niet tot het feest van Pinksteren, maar blijven staan bij Golgotha of bij het ledige graf. Anderen weten niet wat op Golgotha gebeurd is en vieren toch ieder jaar het Pinksterfeest. Eerstgenoemden blijven hangen in de klacht, en laatstgenoemden willen per sé alleen juichen. Wie Golgotha niet kent, zal nimmer de vervulling van Pinksteren bereiken, doch wie blijft staan bij Golgotha, zal de vreugde van Pinksteren niet smaken.
Wij zijn van nature zo geneigd tot ongeloof, dat de waarheid Gods op overtuigende wijze moet verzegeld worden aan onze harten, willen wij haar aanvaarden en er bij volharden tot het einde. Weliswaar schrijft God haar in het hart van ieder, die gelooft, door Zijn Heilige Geest, Welke daarom genoemd wordt Zegel op het Evangelie, maar die deze leer over heel de wereld zouden verkondigen, moesten vóór alles verzegeld worden. En het was nodig, dat God hen zo leidde, dat wij ten opzichte van de waarheid, die zij ons gebracht hebben, nu nog ten volle verzekerd zijn, dat wij haar niet van hen hebben verkregen als van sterfelijke schepselen, maar dat God er de eigenlijke Auteur van is. Want wij weten, dat ons geloof een veel te wankele grondslag zou hebben wanneer wij niet anders hadden dan het gezag der mensen.
Maar dit feest komt pas als Christus alles heeft volbracht, alles heeft verworven. Dan komt de Heilige 'Geest. Menigeen verwerpt Hem. Velen willen niets van Hem weten, omdat hun bekering dan niet klopt. Zeker, bruut Zijn bestaan ontkennen, doet men niet, maar Hij is voor hen een lastige Persoon op de weg; des heils. Hun kind van God zijn valt in het niet, als zij op schriftuurlijke gronden willen aantonen het kindschap Gods te bezitten. Ze spreken liever van een gave en een kracht Gods. De denkbeeldige invloed van de Evangelische waarheid op hun verstand en hart noemen zij de Geest van Christus in zich opnemen. Zij kunnen niet spreken van de dag der vervulling in hun leven - dat is de dag waarop de Geest hen wederbaarde door liet Woord van God. Zij kennen geen uur der minne. Zij -weten niets af van dood levend gemaakt te moeten worden. Geen wonder, daar er niets aan of in hen geschiedde, dat zij Christus" en Belial tegelijk blijven dienen, en geen ander ,getuigenis, van zichzelf af kunnen leggen, dan dat zij gedoopt zijn, belijdenis des geloofs hebben afgelegd, aan Jezus geloven en op Hem hopen, daar Hij in de wereld ,gekomen is om 'zondaren zalig te maken, en dus ook voor hen.
Die de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe; die bidt ook niet uit behoefte des harten: „Och! schonkt Gij mij de - hulp van Uwe Geest". „Neem Uw 'Heilige Geest niet van mij !" Tevens voelt hij zich niet thuis in het gezelschap van Gods volk, want daar heerst eendracht, een vrucht des Geestes. Door onderlinge liefde waren zij aan elkander verbonden. Och ja, ze hadden ook dagen gekend van twist en tweedracht, maar als do Heere Zelf in het midden van Zijn volk is, daar gebiedt Hij de zegen en het leven tot in eeuwigheid. Zij hebben verwachtende harten ontvangen om de vervulling van de belofte des Heeren te verbeiden. Hij toefde wel, maar ze geloofden: „Hij zal ge-wisselijk komen!" Zij hebben daar met elkander gebeden, geworsteld aan de troon der genade om de waarmaking van Gods Woord. Daar werden ze klein onder, en kleine mensen kunnen het goed met elkander vinden; grote lieden zijn twistziek en moeten de beste plaats in het gezelschap hebben. Ze hebben - werkzaam gemaakt door Gods Geest - liefde geoefend tot God. en tot de naaste. Niemand wilde daar de meeste, doch allen wel de minste zijn. Dat is dus een buigend leven voor God geweest en daarom een heerlijk, eendrachtig leven met elkander.
Och, dat de kinderen Gods onderling dat heilig gebod der liefde meer betrachten mochten, en elk hunner zich beijveren mocht, dat elke aanleiding tot duivelse twist en verdeeldheid uit hun bijeenkomsten moge geweerd worden. Twist en verdeeldheid zijn de boze werken des zondigen vleses. Zij zijn het eigen werk des duivels. Als de één de ander maar uitnemender mag achten, en niet over het leven, maar uit het leven mag gesproken worden, en God met eenparige schouder mag gezocht en gediend worden, dan woont -God niet Zijn Geest in hun midden en genieten zij allen in meer of mindere mate een zegen van Hem aan hun zielen.
In onze tijd wordt het steeds moeilijker om het feest van Gods gekomen Geest te vieren, vanwege de steeds groter wordende tweedracht. Men is bezig dit feest der vervulling te veranderen in een chaos van allerlei menselijke kleinzieligheden, en maakt van: het Pinksterfeest een begrafenisdienst. Begraven moet worden dat God Zijn Woord vervult. Begraven moet worden dat God. Zijn volk het feest van Pinksteren laat vieren. Zing vooral niet:
Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei.
Ja, ik weet het, anderzijds steelt men er op los en wil men van het dieper graven om nog meer gruwelen te vinden niets weten. Deze mensen komen, als God niet ingrijpt - wat voor ieder mens noodzakelijk is nooit tot de vervulling. Doch wie anderzijds al zijn best doet het feest van Pinksteren te verduisteren, zal evenmin de ruimte van de vervulling van Gods eigen werk kunnen proeven. Pinksteren is immers pas gekomen nadat Christus alles had volbracht? Daar was toch niets van u bij? En de drieënige God heeft immers Zelf Zijn werk naar de vervulling gevoerd? Hij heeft Zelf Pinksteren bereid en bedient daaruit Zijn volk, uit Zijn eigen werk, dat door Hem Zelf vervuld is. Mogen of moeten wij dat werk van die drieënige God in zijn klare helderheid verduisteren? Dat is Godonterend. Dat we misschien nog niet aan die vervulling toe zijn, is een andere zaak, maar de persoonlijke beleving hiervan is niet het voornaamste vat geschieden moet. Het voornaamste is dat God de Pinksterdag deed aanbreken en liet weten: Nu komt het loon op Christus werk over de ganse aarde.
Het is daarom belangrijk om in de tweede plaats met elkander na te gaan:
II.
tot wie de Geest komt.
De Schriftzegt: „En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest", en in het derde vers lezen we: „en het zat op een iegelijk van hen".
Gods Woord deelt ons mede, dat het werk van de Heilige Geest zich niet beperkt tot het zuiver ambtelijke, maar dat de gehele gemeente er in betrokken wordt.
Het werk der vervulling komt tot de levende kerk van God, waarvan Christus het Hoofd is. Jezus had beloofd een andere Trooster te zullen zenden en Hij had de Vader voor hen gebeden, dat deze Trooster bij hen zou blijven tot in der eeuwigheid.
Let ook hier op de harmonische samenwerking van de drieënige God: op het Pinksterfeest.
Alle werk van zaligheid is een eenzijdig werk van een drieënig God. Daarom is het een echt feest. Een feest, waaraan geen einde komen zal. De kerk lette er goed op dat er staat: „en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest".
In de nooit begonnen eeuwigheid heeft de drieënige God tot dit heilswerk besloten, en in de tijd werkt Hij het uit. Een ieder nu, die er iets van leert, zal dan ook instemmen met de dichter, die zingt:
De Heer' is zo getrouw als sterk;
Hij zal Zijn' werk
voor mij volenden.
Des te duidelijker het werk des Heeren wordt verklaard aan het hart van de kerk, des te sterker zullen ze van deze waarheid overtuigd zijn. De kerk buigt het diepst als 'zij de vervulling van Gods eigen werk beleeft.
Dan wil zij er zelf, in de vervulling, niets aan af- of toedoen. In die weg laat zij zich leiden en vervullen.
Hoe komt het dan, dat zij zo gewillig wordt, vooral op de Pinksterdag?
Wel, we lezen in het voorafgaande hoofdstuk, dat de apostelen met enkele gemeenteleden zo eendrachtig bijeen waren. Dat is schoon. Maar we lezen tevens, dat zij volhardende waren in het bidden en smeken. Dat is Gods werk. Zij zijn één door het gebed en de smeking.
Volhardend zijn zij in dit werk, omdat het een eigenschap van het geschonken geloof is, dat de Heere Zijn gegeven belofte laat geloven, doet aannemen. Er is, geen afwijzen bij als de Heere onwederstandelijk plaats maakt voor Zijn eigen waarheid.
Daar wordt de kerk Gods helemaal voor ingewonnen en leert de Heere geloven op Zijn Woord. In het leven van de kerk krijgt het ongeloof dan een gevoelige nederlaag te inkasseren en leert zij te omhelzen de waarheid van het Woord, alhoewel zij de zaak nog niet bezit, die God beloofd heeft te zullen geven.
En wie is het dan, die omtrent deze belofte werkt in het hart van de kerk? Zou het iemand anders zijn dan de Heilige Geest, Die de aan het werk gezette zondaar leert smeken om Zijn beloofde komst?
Tot hen komt de Heilige Geest; tot hen allen, die iets van dit bidden en smeken kennen. Ze leren de Heere wijzen op Zijn gegeven Woord. Daar kan Hij niet meer van af. De kerk mag het zeggen: Heere, U hebt het gezegd en Gij zijt de Waarheid. Gij zult niet laten varen de werken Uwer handen!
Dit werk gaat dus van de Heere uit, maar het volk krijgt er werk mee. Niet alleen de apostelen, maar ook de gemeente. Op deze zaak kan niet voldoende gewezen worden, dat het uitgaat van God, doch ook, dat de begenadigden aan het werk gezet worden. Wat gaat de gemeente des Heeren, tot wie de Heilige Geest komt, dan iets kennen van haar verantwoordelijkheid. Ja, dan is bidden en smeken om de komst van de Heilige Geest niet alleen, een voorrecht, doch ook heilige plicht.
En. de Heere zal er wel zorg voor dragen, dat zij in het vervullen van Gods eis niet hoogmoedig wordt. Hij zegt tot haar in Zijn Woord: „En als gij alles zult gedaan hebben wat Ik u heb bevolen te doen, zegt dan nog: wij zijn onnutte dienstknechten". Trouwens, in de dadelijke bediening der genade is niemand hoogmoedig, doch zijn allen ootmoedig.
Van groot belang is dat Gods Woord ons laat weten, dat alle werk van zaligheid van Hem uitgaat. Was dit niet waar, dan kon niemand zalig worden. Ook het werk der vervulling, waarvan steeds weer sprake is op het Pinksterfeest, is het werk des Heeren. De Heere nu leert Zijn kerk geloven in de weg van gebed en smeking, dat Hij Zijn werk in hen voleindigen zal.
Dat vervuld worden met de Heilige Geest is ook in de Handelingen des Apostelen een zeldzaam voorkomend gebeuren. Normaal is het voor de levende kerk, dat zij geleid wordt door Gods Geest. Wat op de Pinksterdag geschiedt, is iets buitengewoons. Hier komt de gemeente te staan onder de hoogspanning van het vervuld zijn.
God doet dit op de Pinksterdag om ons te tonen dat de toekomende eeuw in beginsel al is aangebroken; dat zelfs dit grote wonder van de vervulling is gaan behoren tot de mogelijke dingen; dat Hij zelfs zó ver kan en wil gaan met hen, die Jezus toebehoren.
Dit moesten de discipelen weten en ondervinden, om hen voorgoed van alle minderwaardigheidsgevoelens en slapheid te bevrijden.
Dit moest ook de wereld weten, om te verstaan dat iets heel nieuws in de wereldgeschiedenis zich baan gebroken heeft. De Heilige Geest vervult allen. Laten we letten op dat Heilig. We hebben te maken met de volstrekt Andere. Hij is volstrekt anders dan alles wat in deze bezoedelde wereld onder ons mensen gevonden wordt.
Hij is de Geest van Christus. In Hem is Christus Zelf aanwezig, de verhoogde Koning, Die waardig is de boekrol te openen en de wereldgeschiedenis tot haar zin en voleinding te brengen. Met die Geest worden zij vervuld.
Van tevoren hadden zij reeds iets van die Geest ontvangen, toen Jezus, na Zijn opstanding, op hen blies, zeggende: „Ontvangt de Heilige Geest"; maar nu ontvingen zij Hem in veel; grotere mate. Met stromen, zoals niemand Hem vóór hen ontvangen had. Hun verstand werd nu verlicht met een heldere kennis; niet slechts in de zaligmakende waarheden van het Evangelie en de profetische schriften, maar in al de verborgenheden van Gods Koninkrijk, waarvan zij voorheen zo weinig begrip hadden. Zij ontvingen de Geest der onfeilbaarheid, om anderen met een gewetenverbindend gezag die gewichtige waarheden te kunnen overleveren, die voor altijd de grondslagen zouden moeten zijn en blijven, niet alleen van Gods kerk in het algemeen, maar ook van eis geloof en zaligheid in het bijzonder.
Want deze Geest zou hen niet alleen leiden in alle waarheid, maar hun ook toekomende dingen verkondigen. Hun gemoed werd met zulk een standvastigheid begiftigd, dat zij het heerlijke werk hunner bediening, zonder vrees voor mensen, konden vervullen.
Zij ontvingen een mond en een wijsheid, die niet kon wedersproken worden, om op geen ding acht te geven en hun leven niet dierbaar te achten voor zichzelf, zo zij maar met blijdschap mochten volbrengen de loop en de dienst, welke zij van de Heere hadden ontvangen.
Zij werden allen vervuld met de Geest der tekenen, wonderen en krachten, tot bevestiging hunner leer, waardoor zij zelf zouden gesteld worden tot tekenen en wonderen van de Heere, Die op de berg Sion woont.
Zij werden allen zo vervuld met de Heilige Geest, dat zij de ontvangen gaven, met oplegging der handen, aan andere gelovigen konden meedelen.
Zij ontvingen het woord der wijsheid en der kennis, het geloof, de gaven der gezondmaking, werkingen der krachten, profetie onderscheiding der geesten, uitlegging en menigerlei talen. En nu ,,zat het op een ieder van hen".
Zitten duidt een rust aan en een blijven.
Het zakt niet in hen weg; het lost zich niet in hen op.
De Geest en de bruid zijn wel één, maar zij zijn niet identiek. Straks zijn het mensen, die gaan spreken onder de drang van de Geest, die gaan zeggen „wat de Geest hun gaf uit te spreken", maar zelfs dan, in die allerhoogste momenten, wordt hun ik-heid niet uitgeschakeld. De Geest vernietigt het persoonlijke in het mensenleven niet.
De Heilige Geest zal dus een onafgebroken verblijf geven in hun leven. De Heilige Geest wijkt nimmermeer van hen, al gevoelt Gods kind door zijn menigvuldige afdwalingen Zijn inwoning ook niet altijd in zijn ziel. Zijn werk, in hem begonnen, is als het vuur, zet Hij door met vuur, dat brandt, zuivert en loutert, dat verteert wat uit het vlees is, en alleen reinigt en doet lichten wat uit de Geest is en tot verheerlijking van God kan trekken.
Mocht er in de kerk van onze dag een gedurige bede tot God opklimmen om met de dichter van de oude dag in te kunnen stemmen (Psalm 119 : 3 en 88):
Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest!
Mocht Die mij op mijn pan ten Leidsman strekken!
'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd;
dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken,
wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest,
Hoe Uw geboón mij tot Uw liefde wekken.
En mochten we in onze geesteloze tijd dan ook komen tot de belijdenis van dezelfde psalmist:
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;
gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
dat onbedacht zijn herder heeft verloren;
ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;
want hij volhardt naar Uw geboón te horen.
III.
Hoe de Geest komt.
Met overtuiging deelt Gods Woord mede: „daar geschiedde"! God deelt ons een waarachtig feit mee. Een feit, o zo belangrijk voor Zijn kerk, die zo duur gekocht is met Zijn bloed. En even waar als dit feit is, even waar moet het voor ieder kind van God zijn, dat er een tijd in zijn leven aangebroken is, waarvan hij zeggen mag en kan: „daar geschiedde"! God greep in; ik vroeg er niet om; ik was een vijand. Wie kan spreken over dit geschieden Gods in zijn leven, mag ook gewagen van het deel hebben
aan de zalving des Geestes, aan de zalving van Christus Zelf deel te hebben.
Een ieder, die het ,,daar geschiedde" totaal niet kan verklaren, en toch meent het leven der genade deelachtig te zijn, bedriegt zich voor de eeuwigheid. Want niemand kan zeggen dat Jezus de Heere is, dan door de Heilige Geest.
En de Heere werkt verrassend, want wat hier geschiedde, was „haastelijk".
Het is een wonder; niemand kon het voorzien en er ging niets aan vooraf, waaraan men weten kon: nu gaat het gebeuren. En die bidders dan, die bijeen waren? Ze waren toch verwachtende? Ja, dat wel, maar dat het zo spoedig en op dit ogenblik geschieden zou, hadden zij niet verwacht. Ze hebben mogen beleven: „God vertraagt Zijn belofte niet".
En dat de Heilige Geest op deze wijze komen zou, hadden zij in het geheel niet verwacht.
Dit komen, de Heilige Geest in het hart van de zondaar heeft veel gemeen met het komen van de Heilige Geest op de Pinksterdag..
In de ziel van de zondaar was niets bereid om Hem te ontvangen. Zij moeten amen zeggen op Gods Woord als het luidt: „Heb ik ook omgezien naar Die, Die naar mij omzag?" De Heilige Geest komt uit de hemel, staat er in de tekst. De hemel is de vaste woonplaats des Geestes. Hij was nog niet, zoals Hij nu nederdaalde, gedurende de omwandeling van Jezus op aarde, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Daarna kwam Hij pas om alles te vervullen wat God door de mond Zijner profeten van Hem had laten voorspellen. Hij zou de Plaatsvervanger van Jezus op aarde zijn. Hij zou de apostelen in alle waarheid leiden, troosten en bij hen blijven in der eeuwigheid.
Zo ontvangt ieder wedergeboren mens de Heilige Geest uit de hemel. Die geboorte is van boven. Komt de Heilige Geest uit de hemel in ons, Hij brengt de hemel iin ons, want van dat ogenblik af zoeken wij de dingen, die boven zijn, waar Christus is, en niet meer .die op de aarde zijn.
Vervolgens leert Gods Woord ons, dat de Heilige Geest wordt ,,gehoord".
Het gehoor is van onze zintuigen het allerzekerste om ons van de waarheid ener zaak te overtuigen. Als Geest is God onzichtbaar, maar Hij kan wel gehoord worden. Daarom zegt de Schrift: ,,Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt". En als de godzalige van de oude dag de verzegeling van Gods werk ontvangt in zijn ziel, zegt hij: ,,Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord".
De Heere werkt een zeker werk, en die Hij bearbeidt, weet er van. Gods werk kan niet verborgen blijven. En als de dag van Pinksteren vervuld wordt, zal de Heere hoorbaar verkondigen wat Hij gedaan heeft, en niet alleen de kerk; doch ook de om standers zullen er iets van vernemen.
Zij horen een geluid op .het moment dat Israël saamkomt om te bidden.
Dat geluid was als een geweldig gedreven wind.
Geweldig is die wind. De Heere doet 'zulks om de mens een diepe indruk te geven van Zijn hoge majesteit, en om een heilige vrees in hun harten te verwekken.
Ezechiël spreekt van het geruis van vele wateren, en Johannes hoorde achter zich een grote stem als van een bazuin.
Elke zondaar, die Hem ontvangt, hoort Zijn geluid; de dove oren worden doorboord. Zalig daarom zijn zij, die niet alleen het geklank horen, maar ook kénnen. Zoals zij dan horen, als de Heilige Geest tot hen komt, zo horen zij het nimmer; dat geluid is onvergetelijk, die stem Gods: „Zondaar, waar zijt gij?" waarop zij voor God nedervielen.
Met kracht schrijdt de Heere naar Zijn toekomst heen. Er is vaart en kracht in dat gebeuren. De Heilige Geest wordt vergeleken met de wind. Voor de Persoon van God en voor het schepsel vinden we in het Oude Testament hetzelfde woord. In wezen zijn zij onderscheiden, maar in de weiaken komen zij overeen.
Door de wind komt er beweging op de aarde en in de lucht. De zondaar, die dood is in de zonden en misdaden, en vleselijk verkocht onder de zonde, komt in beweging als de adem des Geestes hem beroert. Voor menige ziel is Gods Geest een verkoelende wind als zij bedroefd is over haar zonden en zij er voor in de schuld mag komen voor Jezus. Al is de ziel dan nog vermoeid en beladen, toch blaast Hij dan reeds een aangename vertroosting op de ziel.
En vergeet niet, dat deze geweldig gedreven wind de overheden en machten, ja de poorten der hel deed daveren.
De Heilige Geest wordt ook genoemd de Adem des Almachtigen, omdat Hij uitgaat van de Vader en de Zoon. Hij daalde met kracht -neder op de Zoon.
Al Zijn werken zijn krachtig. Het hardste zondaarshart weet Hij te vermorzelen, dat het zich aan de Heere onderwerpt. Hoe slecht willen onze knieën buigen, hoe blind en onwetend zijn we van en in onszelf. Maar de Geest weet de zondaar gevangen te nemen, hem neer te buigen aan Gods troon en hem als een blinde te leiden aan de voeten van Jezus. En daar aan de voeten van Jezus roept hij uit: ,,Gij Zoon Davids, ontferm U mijner". Daar erkent hij dat het noodzakelijk is, dat de zondaar krachtdadig en onwederstandelijk ` wordt bearbeid, omdat hij onwillig is en tot het laatste toe verzet pleegt. Hij erkent 'het hartelijk: Ik wilde daar niet komen en ik zou er niet gekomen zijn zonder de geweldig gedreven wind van God de Heilige Geest. Inderdaad, de Heilige Geest is de Geest der sterkte en der kracht, Die ons van onze hoogten afwerpt en doet buigen in het stof. Hij leert ons onze Rechter om genade bidden, en doet ons erkennen dat wij doemwaardige schepselen zijn. Maar ook doet Hij belijden: De Heere is mij te sterk geworden; wij moesten vallen en nederbuigen voor deze geweldig gedreven wind.
Deze Geest „vervulde het gehele huis daar zij zaten".
Wat een heilzame werking. Waar de natuurlijke wind ook is, daar bezet en vervult hij alles; en waar Gods Geest Zijn intrek neemt, daar vervult Hij het hart, hetwelk Hij tot Zijn woonplaats verkiest. Hij vervult dat hart met licht en warmte en met vele andere genadegaven. Het moet wel een wonder genoemd, dat de Heilige Geest in zo'n hart woning maken wil voor Zichzelf. Straks zullen we nog vernemen wat er dan wel geschiedt als Hij zulks doet. Hij neemt maar niet zonder meer intrek. Zeker, Hij is "niet tegen te houden en werkt onwederstandelijk - wat zeer gelukkig is - maar Hij moet heel wat uitzuiveren en blijven uitbranden.
Na de hoorbare tekenen geschieden er ook zichtbare tekenen.
En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur". Dë tong is het werktuig van onze spraak, en deze tongen beelden ons levend af hoe de apostelen, nadat zij de Heilige Geest ontvangen hebben, bekwaam zouden worden gemaakt om Gods Woord te verkondigen; hoe Hij hun tongen vaardig zou maken om onderscheidenlijk te spreken; hoe zij van nu voortaan met nieuwe tongen zouden spreken.
Niet door vleselijke wapenen zouden zij het rijk van Christus uitbreiden, maar door hun tongen, door de verkondiging van het Woord, hetwelk Hij in hun mond zou leggen. Hij zou hun mond wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaar allen, die zich tegen hen zetten.
Die tongen werden ,,gezien".
De Heilige Geest is als Persoon onzichtbaar, maar Zijn werken komen openbaar. Die werken kunnen niet verborgen blijven.
De door Hem bewerkte zondaar ontvangt ook een bewijs .van Zijn tegenwoordigheid, dat zelfs voor de wereld niet verborgen kan blijven, al probeert hij in den beginne dat werk te verbergen door gebrek aan vrijmoedigheid des geloofs.
Neen, spreken moet hij, want zijn tong is losgemaakt. Hij moet spreken van gans nieuwe dingen, die hij leerde kennen door het werk van Gods Geest.
Laten we niet vergeten, dat er ook een spreken bestaat door daden, door liefdebetoon. We mogen het begrip „spreken" niet al te zeer vastleggen op het gebruik der stem, al is dat gebruik stellig wel wezenlijk er in.
De tongen zijn van „vuur".
Vuur is een rein en reinigend element en grijpt alles aan wat onder zijn bereik is. Met onwederstaanbaar geweld dringt het in en door alles heen, versmelt en verteert en loutert, zet uit en verandert alles wat liet in zich opneemt.
In Gods Woord hoort u de Heere gedurig antwoorden uit het vuur.
De apostelen zouden met vurige tongen spreken, dat wil zeggen: de hardste harten zouden verbrijzeld worden. Zelf zouden zij Gods Woord gevoelen als een vuur in hun beenderen. Vuur geeft een helder schijnend licht. De apostelen zouden bekwaam gemaakt worden om een licht te doen opgaan voor het volk, dat in duisternis en schaduw des doods nederzat. Aan het licht zou worden gebracht wat onder schaduwen verborgen lag. Met brandende liefde zouden zij het Koninkrijk Gods uitbreiden tot aan de einden der aarde.
Aanvankelijk vertonen deze tongen zich nog als iets, dat buiten henzelf was.
Ook daarbij ligt weer de nadruk op het feit, dat het niet uit hen opkwam, niet uit hun onderbewuste naar boven sprong, maar dat het zeer bepaaldelijk van buiten, van boven kwam. Van boven!
Het beginsel dezer zaak ligt niet als een kiem verborgen in het hart des mensen. Neen, er is geen klein vonkje in onze ziel, dat alleen nog maar de aanblazing des Geestes nodig heeft om mee te kunnen spreken.
Het is een wonder!
Zeker, de Heere is een Waarmaker van Zijn Woord, en wat Hij in de eeuwigheid heeft uitgedacht, voert Hij uit in de tijd. Toch is het een wonder als het God belieft een zondaar van dood levend te maken door de krachtige adem des Geestes. Helaas vindt men het tegenwoordig een wonder als Gods Geest een mens in de kerk wederbaart. Een ieder vindt zijn kerk zo ongeveer de beste, en als wij daar maar bij horen, zal het eenmaal best met ons in orde komen. Zeker, wij erkennen wel dat Gods Geest er aan te pas moet komen, maar dat het zo krachtdadig moet, dat het moet door die geweldig gedreven wind, zie, dat is wel wat bar uitgedrukt. Als wij maar geloven de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, dan komt het er toch niet zo precies meer op aan of wij ook zaligmakend weten, toestemmen en vertrouwen hoe, wanneer en dat dit werk in ons is geschied!
Men wil uit dat ,,dorre dogma" wegvluchten, zich van dat „menselijk systeem" ontdoen, daarom heeft men aan zijn eigen geloof genoeg en vraagt men zich niet af hoe men aan het geloof gekomen is, en het is van geen belang meer of we nu wel zeker weten dat we met zuiver zaligmakend, dan wel met historiëel geloof te maken hebben. Zonder één spier te vertrekken, houdt men het geschiedkundig geloof voor het zaligmakende. En u zoudt er van staan te kijken waar men dat doet en durft. Gods Geest hoeft echt niet meer zo veel aan ons te doen. We geloven het zo wel.
O ongelovigen, bezint u, aleer ge zó door durft te leven. Gij behoort tot de gevaarlijkste mensen in de kerk. Gij meet u dingen aan, die u niet passen, en ge spreekt over bezittingen, die ge hebt gestolen. Ik geloof wel, dat ge heel wat weet te vertellen wat er met een mens gebeuren moet, zal hij voor God kunnen verschijnen, maar ik betwijfel of God u dit Zelf geleerd heeft. Geleerd heeft door de onwederstandelijke werking van de Pinkstergeest. Meepraten is te kort voor de eeuwigheid. En als ge over de Jordaan moet trekken, kunt ge dan Sjibbóleth zeggen, of zegt ge dan nog altijd Sibbóleth? U ziet en hoort, het scheelt maar één letter, maar op die ene letter komt het net aan. Die ene ontbrekende letter leert God u uitspreken met die nieuwe tong, die God geeft. Ja, ik weet het, gij durft ook over zaken te spreken, maar als u eerlijk bent tegen uzelf, dan weet ge, dat ge over zaken spreekt, die ge zelf nooit hebt beleefd. Het valt ook niet mee om als een dief geopenbaard te worden. Het valt niet mee, als ge jaren meegepraat hebt, en dan toch moet erkennen: Ik heb het niet van boven geleerd! Toch wilde ik, dat ge tot die belijdenis kwaamt. Het zou u zo meevallen bij de Heere. Hij slaat geen echte zondaar weg. Dat is nu het wonder. Ik hoor u al roepen: Maar Heere, dat kan voor mij toch niet meer? Willens en wetens heb ik mijn naaste bedrogen en U willen bedriegen, en nu het openbaar gekomen is, wie ik ben, moet Gij mij toch zeker voor eeuwig wegwerpen?
Och was het maar zo ver, wat zou het meevallen. Maar daar is Gods lieve Geest voor nodig om zulke taal van harte voor Gods aangezicht te kunnen uitspreken. U moest het eens weten koe gaarne de Heere luistert naar een oprechte schuldbelijdenis. Ja, er zal een zware wijs voor u op gaan om tot God bekeerd te kunnen worden. Niet dat het voor de Heere moeilijker is u te bekeren tot Hem. Maar ge hebt het voor uzelf zo moeilijk gemaakt, immers des te langer ge vasthoudt aan uw bedrog, des te blinder zult geworden. En last hebt ge er niet van. Een dief is blij over het welslagen van zijn diefstal. Hij is alleen maar bang ontdekt te zullen worden; daarom gaat hij des nachts óver de wegen, om door de mensen niet gezien te worden. Maar de Heere weet dat ge gestolen hebt, en als het niet radikaal verandert, zal de Heere u - en Hij doe het uit loutere genade - moeten breken met de waarheid: ,,Horende zullen zij horen en geenszins verstaan; ziende zullen zij zien en geenszins bemerken, opdat zij zich te eniger tijd bekeren en Ik hen geneze, spreekt de Heere".
In de geesteloze tijd, die we nu meemaken, krijgen de dieven steeds vrijer spel. Vroeger durfde de kerk des Heeren vrijer op te treden en eerlijk te vermanen als men zich bedroog voor de eeuwigheid. Maar nu zwijgt zij meer en meer, en het onkruid krijgt, mede door haar schuld, volop gelegenheid welig op te schieten.
Anders is het met u, bekommerde zielen. Gij vreest dat ge de Persoon des Heiligen Geestes nog niet ontvangen hebt en dat Zijn overtuigingen daarom niet zaligmakend zullen zijn. Wel erkent ge een dor land te zijn, maar had de Heere met het Pinkstervuur tot hen gesproken, dan zou het gezicht hunner zonden levendiger zijn, dan zouden zij oprecht kunnen bidden en meer strijd kunnen voeren tegen het inwonend verderf, vrijmoediger voor vriend en vijand voor de Heere Jezus uitkomen.
O, de van verre staanden durven zich zo'n groot heil niet toeeigenen. Zij durven niet zeggen dat de Heilige Geest woning voor Zichzelf in hun hart gemaakt heeft.
Het is het leven, dat God ons in de wedergeboorte schenkt, eigen, om niet te geloven voordat ons zulks van boven geschonken is.
Durft ge dan te ontkennen, dat het gebed om de Heilige Geest u vreemd is? Dat onder al uw bestrijdingen uws zelfs zaligheid uit te werken in vreze en beven uw lust, uw keuze geworden is? Waar is uw leven en het leven uwer zielen?
Hebt ge er zin in om als een arm zondaar, ontdekt, aan de voeten van de Heere Jezus te liggen, met dat volk te leven en te verkeren, die met u spreken over het enige nodige en onmisbare? Is hun spraak u altijd een onbekende taal? Hebt ge, wanneer het volk Gods over de wegen des Heeren sprak, nooit ergens uw naam horen noemen?
Mag ik eens vragen of er misschien tussen de Heere en u nog iets bestaat, waaraan ge nog vast zit, waarvan ge nog losgemaakt moet worden?
De wereld kent geen bekommernis, maar evenmin de tijdgelovige, die hoog met zichzelf staat en altijd weet te spreken. Bekommerde ziel, de Heere zal tot u komen in een gans andere weeg dan gij Hem verwacht hebt. De eerstelingen des Geestes hebt ge wel ontvangen, en Hij, Die het goede werk in u begonnen heeft, zal hetzelve ook voleindigen tot op de dag van Christus.
Och, dat ge heden pleiten mocht op de vervulling van die belofte ook aan u, dat Hij stromen van Zijn Geest over alle vlees uit zou storten.
De Heere geve u doorbrekend licht en genade, zodat uw tong loskomt en gij uit de overvloed des harten spreken moogt, ten spijt van satan, wereld en eigen vlees, van Gods grote werken, ook aan u geschied. Veracht de dag der kleine dingen niet, opdat gij de Heilige Geest niet wederstaan, noch bedroeven moogt:
Die er meer van geleerd hebben, weten dat zij de ongeschiktste voorwerpen zijn in zichzelf. Zij hebben vroeger uit Gods Woord horen prediken, dat de Geest des Heeren altijd in de gemeente van Christus blijven zou. Hierom hebben zij meer dan eens werkzaamheden gehad aan de troon der genade, en hebben . gesmeekt of dit voor hen ook waar kon. zijn. En toen de Heere deze waarheid aan hunziel ging bevestigen, is het wonder zo groot geweest, dat de Heere het aan zulken waar wilde maken. Als ze er nog eens echt in mogen komen, nemen ze voor eigen gewaarwording de laagste plaats in. Dezulken wensen niet vooraan te staan. Die laagste plaats is voor hen de belangrijkste. Juist daarom de belangrijkste, omdat ze van de Heere geleerd zijn.
Zij hebben nieuwe tongen ontvangen om te spreken van hetgeen de Heere aan hun ziel gedaan heeft. Eerst wilden ze zwijgen, toen het Pinkstervuur voor het eerst op hen nederdaalde, maar later ging dat niet meer. De stenen uit de straat zouden ge- sproken hebben als zij hun mond niet hadden opengedaan.
Toch zijn ze over dat spreken later aangevallen en menige ziel heeft gezucht: Ach, heb ik niet te veel gezegd? Toch was dat een goede tijd, en als ze nu letten op hun leven en het vergelijken met vroeger, o, wat kan het dan schrijnen in de ziel. Als ze er aan denken hoe hun mond werd geopend door de drijving des Geestes om te spreken over de zaken, die gekend moeten worden om getroost te leven en zalig te sterven.
Het werd uw begeerte om van nu voortaan met lichaam en ziel beide de Heere groot te maken. Gewerd gedurig uitgedreven naar de troon der genade, om door Gods Geest alleen verlicht, geleerd en getroost te worden.
Wat hebt ge toen hartelijk gezongen:
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
elk hunner zal in 't zalig oord
van Sion haast voor God verschijnen.
Neen, toen hadt ge er nog geen weet van hoeveel de Heilige Geest nog in uw leven af moest breken. Ge dacht er al bijna te zijn, maar ach, wat is dat tegengevallen.
Ge wist dat er in het Woord staat: Goddelozen worden gerechtvaardigd om niet, en vijanden met God verzoend; maar ge hadt nog niet geleerd, dat de Heere u daarmee bedoelde. Een ruime ontsluiting in de weg der verlossing doet ons spreken over Jezus en zelfs zaken behandelen over Zijn ambtelijke bediening. Dat ge hier echter nooit in uitgeleerd raakt, hadt ge toen nog niet gedacht. U hoorde de nog meer geoefenden wel zaken bespreken, die voor u nog te ver lagen, maar ge hebt u in die tijd kunnen redden met wat ge wist. En weest eens eerlijk, hebt ge nooit één woord te veel gezegd over de bevinding, die God u gaf. Zo lang ge in de bediening stondt, gebeurde dat niet, maar later hebt ge u wel eens meer toegedacht dan de Heere u had geleerd.
Dat de dag zou aanbreken om in te moeten leven wat Paulus uitroept: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" hadt ge niet gedacht.
Gelukkig werkt de Heere door aan Zijn eigen begonnen werk en Hij leert Zijn kerk, dat zij Gods werk niet kan afmaken. Zij blijft onrein en ellendig in haarzelf en zij zal op de knieën moeten belijden dat de Heilige Geest tot aan het einde van haar leven werk met haar heeft.
Zij moet geleid naar de eeuwige trouwe Voorbidder, terwijl ze
door Gods Geest ontdekt wordt als gans ontbloot bidster. Zo zal zij moeten leren om door Jezus naar God te gaan.
De mens is door God in de schepping geplaatst om zijn Schepper te loven. In de herschepping komt dat loven terug. Alle leven, door God gewekt, wil God grootmaken. De verst ingeleiden mogen het wel eens in de dadelijkheid beoefenen. Maar een echte lover is een buiger aan de troon van Gods genade. Hij weet van de Heere dat !hij thuis gebracht zal worden, maar waar hij erg mee te doen krijgt is: het loven van de Heere. Hij ziet uit naar de eeuwigheid, waar hij nooit meer zichzelf kan bedoelen, doch eeuwig als herschapen mens het oog op God zal hebben. Een klein beginsel krijgt hij aan deze zijde van het graf te smaken en te beleven. Het beginsel van die hemelse vreugde begint hier reeds.
Ze weten dat er voor hen geen verdoemenis meer is, omdat zij in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest
Geliefden, op die wandel kan niet genoeg gewezen worden. Daar zijn er, die zich er heel makkelijk van afmaken en zeggen: dat is maar wettische heiligheid. Doch de Schrift spreekt wel heel duidelijk over de levenswandel van de nieuwgeboren kinderkens. Waarover heeft dat volk dan anders smart dan over al die afmakingen, bedreven voor Gods aangezicht? Wat zou het gaarne volmaakt leven voor de Heere. De verder gevorderden weten dat hun heiligheid in Christus is en dat zij uit Hem bediening der heiligmaking van node hebben. Maar als die bediening geoefend wordt, zegt dat volk niet: dat is maar wettische heiligheid! maar wel: Die liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten!
De louterende werking van het vuur des Heiligen Geestes blijft doorgaan. De uitzuivering en uitbranding nemen geen einde vóór uw laatste levenssnik. Des te groter lover ge moogt worden, des te eerlijker zult ge gaan belijden: Heere, ik heb er in mijn leven niets van terecht gebracht, maar Gij hebt alles voor mij volbracht.
Een aangebonden leven is een nauw, maar ook een ruim en Gode verheerlijkend leven.
Alles wat van ons is, verdwijnt door het vuur des Geestes, en des te meer wij tot as vergaan, zal het sieraad Gods in ons leven gaan blinken. Dan zal steeds duidelijker worden wat de Heere aan ons gedaan heeft en in ons zal blijven doen, totdat de kerk in de volle heerlijkheid ingaat en zij Hem zal zien van aangezicht tot aangezicht.
Daar zal zij eeuwig loven: „Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed".
Louter welbehagen, eeuwige, rechtvaardige, majesteitelijke liefde Gods.
Amen.
Juni 1960