1 Petrus 2:2 'De redelijke onvervalste melk' ds. M.S. Roos

Woord en geestelijk leven

Predikatie over 1 Petrus 2 : 2

Door: Ds. M. S. ROOS

Psalm 89 : 7
Lezen: 1 Petrus 2
Psalm 119: 45 en 53
Psalm 38 : 9 en 15
Psalm 42: 1

Tekst 1 Petrus 2 : 2: En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.

Wij lezen in Prediker 11 : 7: „Verder, het licht is zoet, en het is de ogen goed de zon te aanschouwen".
Dit woord houdt een geweldige waarheid in. Wij weten, dat licht en donker, dag en nacht elkaar gedurig afwisselen. Het gaat eigenlijk ongemerkt aan onze aandacht voorbij. Toch, en dat zal iedereen toestemmen, wat heeft het licht een uitnemendheid boven de duisternis. Wij spreken van de donkere dagen voor kerst, en hoe kunnen wij gedurig de uitdrukking vernemen: gelukkig gaan de dagen
langer worden, en hoe wordt dit door mens en beest, ja door de gehele schepping begroet.
Het licht is zoet, en wat is dat waar. Wat kan de donkerheid en de duisternis soms benauwend zijn.
Dit wordt ervaren b.v. door mensen, die ziek zijn en pijn hebben. Het schijnt wel alsof het dan alles nog erger is. Men ziet soms geen doorzicht. Wat kan men dan verlangen naar het licht.
.Om een ander voorbeeld te noemen. Wanneer men in gevaar is en het is daarbij duister. Wij denken onwillekeurig aan de zeereis van Paulus. Zij werden geteisterd door storm en onweder. De golven verhieven zich, zij waren in levensgevaar. Wij lezen in de Schrift, dat zij verlangden dat het dag werd. Zo zouden er meer gevallen kunnen worden aangehaald om de aangenaamheid van het licht boven de duisternis aan te tonen. Hoe komt het, dat de duisternis bevreesd en angstig maakt? Komt dat zonder meer door de duisternis? Neen, dat niet! Voordat de mens gevallen was, was de duisternis voor hem niet beklemmend of beangstigend. Waar zou hij bang voor zijn? Er was geen geweten, dat hem aanklaagde, geen duisternis die hem benauwde.
Doch nadat de mens gezondigd had, is ook de beklemming der duisternis gekomen.
De duisternis is onheilspellend geworden, niet door de duisternis op zichzelf, doch om der zonde wil. De duisternis is geworden de tijd, waarin allerlei ongerechtigheid en kwaad gedaan wordt. Als het duister wordt, komt het roofgedierte te voorschijn, en het wordt gevaarlijk soms.
De boze en kwade werken worden genoemd werken der duisternis. De boosdoeners nemen de duisternis waar om hun boze werken te bedekken.
Satan wordt genoemd de vorst der duisternis. De duisternis is bij voorkeur zijn terrein om zijn daden van geweld en list uit te werken.
Deze wereld is door de zonde geworden de plaats van de vorst der duisternis, en door de zonde is ons hart geworden een plaats, waar de duisternis heerst.
Is er dan geen middel om deze duisternis te verdrijven? Ja, Gode zij dank! Wij hebben door onze zonde deze geestelijke duisternis over ons gebracht, doch wij kunnen zelf geen licht ontsteken. Wij kunnen dat ook niet in het rijk der natuur. De Prediker zegt: „Het is de ogen goed de zon te aanschouwen". De zon is door God gesteld in deze wereld, opdat zij de lichtdraagster zou zijn. Dat licht komt van God.
Zo is het ook in geestelijk opzicht. Er zou in geestelijke zin geen licht zijn, had God dat Zelf niet ontstoken. Alle mensen zouden in duisternis zijn ondergegaan. Het zou vervuld worden wat de Zaligmaker zei: ,,Die in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat".
Iemand, die in de duisternis wandelt, is in gevaar en kan elk ogenblik verongelukken. Het heeft de Heere behaagd om in deze duisternis licht te ontsteken. Wij hebben dat niet gevraagd, doch de Heere heeft dit gedaan naar Zijn vrij welbehagen. Het is zelfs zo, dat wij vijandig zijn t.o.v. dat licht. En toch heeft de Heere dit gedaan en dat licht geopenbaard in Zijn Woord, zodat het Woord van God genoemd wordt een licht op het pad en een lamp voor de voet. Wanneer dat ons belichten mag, dan weten wij waar wij henen gaan. Wij krijgen dan zelfs een andere naam en mogen genoemd worden kinderen des lichts, inplaats van kinderen der duisternis.
Zal het wel met ons zijn, is ons dit voor alle dingen nodig. Daar getuigt de Schrift van en daar hebben de bijbelschrijvers over gesproken, en ieder op hun wijze met de gaven en talenten, die zij van de Heere hadden ontvangen.
Ook de apostel Petrus zal ons daarop wijzen, wat dit Woord van God zeggen wil voor ons geestelijk leven. Wij willen u daarbij gaan bepalen.
De waarde van Gods Woord voor ons geestelijk leven. Dat Woord is:

I. het middel tot dit leven;
II. de noodzaak voor dit leven;
III. debegeerte van dit leven;
IV. de groei voor dit leven.

Wij hebben u reeds op dat Woord van God gewezen. Van deze zelfde apostel is de uitspraak: „En wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlicht en de morgenster opga in uw harten". Het Woord van God heeft voor Petrus een geweldige betekenis. Trouwens, dat heeft het voor ons allemaal. Het is beslist nodig voor ons tot zaligheid, doch het is tevens voor ons noodzakelijk, dat wij er naar leren luisteren en handelen. Het is niet zalig, zo gij deze dingen weet, doch zo gij ze doet.
Over de betekenis van dit woord voor het geestelijk leven heeft Petrus gesproken in hoofdstuk 1 vers 23 tot 25. In onze tekst spreekt hij over nieuw geboren kinderkens, en dat zijn zij geworden door de wedergeboorte, waar hij in hoofdstuk 1 : 23 van spreekt. Deze kinderkens waren geboren als ieder ander. De Schrift zegt: „Wat uit vlees geboren is, dat is vlees". Krachtens deze geboorte zijn wij allen in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Wanneer er geen andere geboorte plaats grijpt, zijn wij absoluut verloren. Nicodémus, die des nachts tot Jezus kwam, wist zelfs niet eens wat dit was en was van de noodzaak niet overtuigd.
Van nature weten wij niet wat dit is. Hoe wordt deze geboorte nu gewerkt? En wat is het middel, waardoor dit tot stand komt?
Daarop geeft Petrus ons een antwoord. Hij zegt: „Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God". Alle vlees, en al wat daaruit geboren wordt, is als het gras. Het is even vergankelijk als het gras en de bloemen. Van de waarheid daarvan worden wij elke dag overtuigd. De nieuwe geboorte door dit Woord is onvergankelijk en draagt in zich de beginselen van het eeuwige leven. Deze geboorte is een mysterie. Zij wordt door Gods Geest en Woord gewerkt op een voor ons onbegrijpelijke wijze. Dat Woord is het middel. Daardoor worden wij wedergeboren. Deze wedergeboorte komt tot openbaring door de vruchten. Zoals het in de natuur gaat, gaat het in het geestelijke. Wanneer een kind geboren wordt, moet openbaar komen of het leeft. Wanneer zo'n kind schreit, wordt er gezegd: „het leeft". Zo ook moet dit nieuwe leven, dat gewerkt wordt door het Woord, in de vruchten blijken. Dit Woord doet dit niet op zichzelf zonder meer, doch dit geschiedt door de Heere. Hij werkt dat door Zijn Geest met als middel het Woord. Zoals wij door te luisteren naar de vorst der duisternis in de dood terecht gekomen zijn, zo wordt op dezelfde wijze dit leven gewerkt.
Jakobus- zegt in hoofdstuk 1: 18: „Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen".
Eén der vruchten dezer wedergeboorte is het geloof. Johannes zegt: „Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren". Deze geboorte zal in vruchten openbaar komen, dat zij anders gaan denken en doen en dat zij gaan liefhebben wat zij vroeger niet beminden. Van deze verandering spreekt Petrus in hoofdstuk 2, daarom zegt hij: „Zo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen". Dat behoorde bij het vroegere leven. Dit moet worden afgelegd, want gij zijt nieuwgeboren kinderkens. Petrus wil zeggen: dit moet blijken uit de vruchten van uw leven. Hij geeft ze de naam van nieuwgeborenen. Ze zijn echter nog niet volwassen, doch kinderkens. Dit woord geeft aan, dat zij dus nog jong, klein zijn. Wij treffen dit woord meerdere malen aan in de Schrift, doch niet altijd in dezelfde gunstige betekenis.
In Efeze 4 : 14 heeft het niet zo'n goede zin. Paulus wijst er op, dat zij niet kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind van leer, door de bedriegerijen der mensen, door arglistigheid, om listig tot dwaling te brengen. Hoe nodig is deze waarschuwing in onze tijd. Tot de gemeente van Korinthe zegt hij: „En ik broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus".
Wij worden in de Schrift vermaand geen kinderen in het verstand te zijn, doch kinderen in de boosheid en in het verstand volwassen.
Hier spreekt Petrus de wedergeborenen aan met de tedere benaming van kinderkens. Zij zijn dus door middel van het Woord en Gods Geest van nieuws geboren.
Wanneer de Heere Christus niet als een kind geboren was en neergelegd in de kribbe van Bethlehem, zou voor hen geen nieuwe geboorte mogelijk geweest zijn. Ook van Hem wordt gesproken als van een Kindeke. Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Hij heeft de weg gebaand om wederom tot God te komen. Ja, dat wij uit God zouden kunnen geboren worden.
Hierom looft Petrus God de Vader, dat Hij ons wedergeboren heeft tot een levende hoop, door de opstanding van Christus Jezus uit de doden. Wanneer wij wedergeboren worden is dit alleen mogelijk doordat Jezus Christus dat verworven heeft door Zijn strijd en overwinning, door het overwinnen van de dood.
Zo kan dat nieuwe leven, dat uit God is, in ons worden geopenbaard door middel van dit Woord.
In de geboorte is de mens passief. In het geestelijke evenzo. God wederbaart ons naar Zijn wil, doch Hij doet dat middellijk door Zijn Geest en Woord.
Omdat de Heere dit doet door middel van het Woord hebben wij dat middel biddend en worstelend te gebruiken. Het is voor ons nu de grote vraag of het bij ons al geschied is. Wij schreven gedurig ons. Werd gij er toen ook bij ingesloten? Zo niet, het moge u dan niet met rust laten, want wanneer wij zo komen te sterven is het verloren. De Zaligmaker sprak tot Nicodémus: „Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien", nog minder ingaan. Het worde voor ons een aangebonden zaak. Wanneer wij hier wel van kunnen spreken dan moet het in de vruchten blijken, dat dit zo is. Daarom , gebruikt Petrus de naam van nieuwgeboren kinderkens.
Zoals een kindeke is in het natuurlijke, zo moet eigenlijk onze geestelijke openbaring zijn, n.l. afhankelijk, aanhankelijk. Onwillekeurig denken wij aan de psalmist, wanneer hij zegt:

Heb ik mijn ziel niet stilgezet,
En mij verloochend naar Uw wet;
Gelijk het pas gespeende kind,
Zich stil bij zijne moeder vindt?

Ja, die kinderlijke gestalte en hoedanigheden van zo'n nieuw geboren kindeke zijn zo begeerlijk.
Ach, dat wij dat mochten uitleven en beleven. Zal dit zo blijven? Neen, het Woord is middel tot dit leven, doch er is meer.

II.
Daarom letten wij op dat Woord als de noodzaak voor dit leven.
Wij hoorden, dat het Woord het middel was tot dit leven. Voor ieder mens, die opgegroeid is, is het Woord noodzakelijk! Of God dit niet anders had kunnen doen? Ach, hier kunnen de vragen nog wel vermeerderd worden! Het heeft God behaagd het alzo in te stellen om langs deze weg het nieuwe leven der wedergeboorte te werken. Hoe de Heere het doet eventueel met kleine kinderen of onvolwaardigen staat niet aan ons om dat te beoordelen. Laat ons bij dit mysterie halt houden. Trouwens, het wonder der wedergeboorte is altijd een mysterie, hetzij jong of ouder. Hier past eerder bewondering dan begrip.
Het Woord is niet alleen het middel tot dit leven, doch voor de instandhouding is het eveneens onmisbaar en daarom willen wij op een dubbele noodzaak wijzen voor dit geestelijk leven, én bij het begin én bij de voortgang. Wanneer een kind geboren is in het natuurlijke, dan heeft het voedsel nodig. Zo is het ook in het geestelijke. Het voedsel dat zo'n kind moet hebben, is onderscheiden b.v. van de volwassenen, zowel in de natuur als in de genade. Een kind heeft melk nodig voor de voeding.
Dit beeld gebruikt de apostel ook. Spreekt hij van kinderkens, dan zal hij ook spreken over het voedsel voor hen. Hij noemt de redelijke onvervalste melk. Voor deze kinderkens is dit het aangewezen voedsel. Deze melkvoeding komt in de Schrift niet altijd in gunstige zin voor. Zij wordt wel onderscheiden van de vaste spijze. De schrijver van de Hebreën zegt: „Een iegelijk, die de melk deelachtig is, die is onervaren in het Woord der gerechtigheid; want hij is een kind". Hij bedoelt ermee, dat zij de vaste spijze nog niet verdragen kunnen. Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe, dat hij ze met melk gevoed had en niet met vaste spijze, want, zo zegt hij, gij vermocht toen nog niet, ja, gij vermoogt ook nu nog niet. Dat had eigenlijk anders moeten zijn. Wanneer een kind niet groeit, mankeert er iets aan, of wanneer het niet goed is, moet het lichtere spijze hebben.
De gemeente van Korinthe kon de vastere spijze" niet verdragen! Hoe kwam dat? Zij waren meer vleselijk dan geestelijk. Vleselijk geboren zijn wij allemaal. Wat geboren is uit vlees, dat is vlees. Wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Deze twee voeren strijd. Wanneer dat vlees soms de boventoon voert, dan kwijnt het geestelijke nieuwe leven.
Paulus zegt: „Gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u is nijd en twist en tweedracht, zijt gij niet vleselijk en wandelt gij niet naar de mens? "
Hier zegt Petrus, dat zij moesten begeren redelijke onvervalste melk. Hier wordt dit woord gebruikt in gunstige zin. Wat bedoelt hij hiermede? Dat willen wij even nagaan. Dit woord redelijk komt elders in de Schrift voor, hier en in Rom. 12 : 1, waar gesproken wordt over redelijke godsdienst.
De kanttekening op de Statenvertaling stelt het zo voor, n.l. de redelijke melk, dat is de geestelijke melk, die gesteld wordt tegenover de natuurlijke melk. Inderdaad is voor dit geestelijk leven geestelijke melk nodig. Anderen nemen het voor woordelijke melk, dat is: die in Gods Woord bestaat, en alzo moet deze melk schriftuurlijk zijn.
Hier wordt in de kanttekening nog een treffende overeenkomst gemaakt. Zoals de moeder het kind voortbrengt en voedt, zo is het Woord van God het middel tot het leven en moet het daardoor ook worden gevoed. Het voedsel echter moet goed zijn, daarom gaat Petrus dat nog even benadrukken. Hij zegt de redelijke, onvervalste melk, dus de woordelijke, onvervalste melk.
Paulus heeft ook gesproken van het vervalsen van Gods Woord. Zo geschiedde het wel in de gemeente van Korinthe door dwaalleraars. Hij zegt: „Wij hebben de bedekselen der schande verworpen, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende". Wanneer de satan kan zal hij zoveel mogelijk zijn aanslagen richten op het Woord van God. En dat is geen wonder! Satan is bang voor Gods Woord! Waarom? Wel, omdat dit het middel is tot dit geestelijk leven en dit leven dit nodig heeft.
Gods Woord is het wapen tegen het rijk der duisternis. Alleen dit wapen is gericht op de stad mensziel en wanneer de Geest dit gebruikt moet deze burcht zich overgeven. God spreekt en het is er, en Hij gebiedt en het staat er.
De Heere spreekt ` door Zijn Woord met kracht, onwederstandelijk. Daarom wordt het wel vergeleken bij een hamer, een vuur en een tweesnijdend scherp zwaard. Geen wonders dat satan daar bang van is. Daar staat voor dat Woord niets. De satan heeft de strijd tegen de Heere Jezus verloren, gedurig met „er staat geschreven". Wanneer hij dat Woord nu maar onschadelijk kon maken! Daarop is alles gericht. Zeer zeker ook in onze tijd! Wie geen vreemdeling is in het kerkelijke Jeruzalem, die weet wat felle aanslagen op dit Woord gericht zijn. Men heeft getracht dit Woord met geweld weg te nemen. De aanslagen om dat Woord geheel te vernietigen bleken ijdel. Satan heeft de kerk ingeschakeld om dat Woord de mensen te onthouden. Denk aan de heerschappij van Rome. Het heeft Gode behaagd ons dat Woord te hergeven. God schonk ons de mannen der Reformatie. Wanneer satan de kerk inschakelt in de strijd tegen dat Woord, bereikt hij het meeste effekt. Onze tijd is een belangrijke tijd. Ook thans gaat het om dit Woord. Listig gaat de duivel te werk om ons dit Woord weer afhandig te maken of het te plooien en te schikken, dat het de gedachten Gods niet meer weergeeft.
Gij begrijpt wel, wanneer wij Gods Woord iets anders laten zeggen dan Hij bedoelt, dat wij Hem dan grotelijks beledigen. God heeft in Zijn Woord ons Zijn hart blootgelegd. Hij heeft in Zijn Woord ons medegedeeld wat er in Zijn hart was. Deze gedachten Gods zijn tot ons gekomen óp een bijzondere wijze in Zijn Zoon. Hij is daarom onze hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen raad Gods omtrent onze zaligheid volkomen heeft geopenbaard.
Wanneer wij hieraan tornen of veranderen, gij begrijpt het, dat wij dan een scheef getrokken beeld van God krijgen, doch ook een verdraaid beeld omtrent onze zaligheid.
Het heeft de Heere behaagd ons dat Woord te geven. Het is geen Woord van eigen vinding of van mensen. Het is niet door ons uitgevonden, doch de heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. De Heere heeft ze daartoe aangedreven en geleid, hen in dienst nemende met hun gaven en talenten, als organen gebruikt om ons dat Woord te schenken als een middel om God te leren kennen en Hem te dienen en te gehoorzamen en Hem lief te hebben en aan te hangen. Vandaar dat Petrus tot deze nieuwgeborenen de waarschuwing richt deze onvervalste, redelijke melk te gebruiken.
Het Woord mag niet vervalst worden. Wanneer het Woord vervalst wordt, wordt het aangepast aan de mens. Dan is het uiteindelijk Gods Woord niet meer. Wanneer wij een boodschap namens iemand moeten overbrengen, dan kan deze boodschap b.v. een geheel andere inhoud krijgen wanneer wij er iets uit weg laten of aan toevoegen. Zo ook met Gods Woord. Er mag niets van afgedaan of aan toegevoegd worden. Er waren destijds profeten in Israël, die uit hun eigen hart. spraken, doch zeiden, dat de Heere dat gesproken had. Dit waren valse profeten. Zij profeteerden van vrede en geen gevaar, terwijl een haastig verderf over de mensen komen zou. De Heere heeft het oordeel, over deze profeten uitgesproken. Onwillekeurig denken wij aan Openbaring 22 : 18, waar Gods Woord luidt: ,,Want Ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn, desgelijks iemand, die afdoet van de woorden des boeks dezer profetie. God zal Zijn deel afdoen uit het boek des levens".
Het is dus zeer op zijn plaats, dat Petrus daarvoor waarschuwt. Het Woord van God is voor demens tot zaligheid, doch het is tegen de natuurlijke mens, daarom is hij van nature tegen dat Woord. Wordt echter het Woord aangepast aan ons natuurlijk en vleselijk bestaan, dan kunnen wij het ergens nog wel verdragen. Dan moeten de scherpe kanten van dat Woord weggenomen worden. Het is dan net als bij Israël: „Spreek tot ons zachte dingen". Petrus wil daar niet van weten. Hij wist het bij ervaring uit de woorden, die de Zaligmaker tot hem sprak, dat dit de waarheid was, hoewel Petrus er niet aan wilde.
Petrus heeft er door geleerd en daarom ijvert hij zo voor dat Woord. Dit Woord is nodig voor ons allen, bekeerd of onbekeerd. Ook dat Woord komt tot de onbekeerden. Hoe welmenend, waarschuwend en opwekkend spreekt de Heere dan tot de mens. In dat Woord roept Hij ons. Dat Woord, wanneer wij het gehoord hebben, zal ons oordelen. Het Woord roept ons op tot geloof. Denk maar aan psalm 95: Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord. Het is nodig voor de nieuwgeborenen, voor de kinderkees. Daarom:

III.
de begeerte van dit leven.
Wanneer dit leven funktioneert, dan zal dit Woord begeerd worden. Laat de natuur ons maar weer tot leerschool dienen. Wanneer een kindgeboren is, dan weet het niet, dat het leeft, doch het heeft wel levensbehoeften. Wanneer het gezond is, heeft het voedsel nodig. Daar schreit het om. God heeft dit zo ingeschapen in de natuur, dat het niet alleenschreit om voedsel, doch bij de moeder zijnde zoekt zo'n kind de moederborst. Bij de moeder wordt het kind stil. Wanneer het niet voldoende voedsel heeft, schreit het opnieuw. Is een kind niet gezond, dan heeft het geen behoefte aan voedsel.
Hier liggen voor ons schone leringen. Ach, dat ons geestelijk leven recht gezond mocht zijn. Het zou dan gaan zoals in het natuurlijke.
Ook het geestelijke leven heeft behoeften. Als dit nieuwe leven wordt gewerkt, komt dit uit in de vruchten. Hoe staat een natuurlijk mens tegenover deze onvervalste melk? Zoekt hij het of is het hem meer tot last? Ach, er is niemand, die God zoekt, maar ook niemand, die dit Woord zoekt. Maar wanneer dit Woord hem tot een reuk des levens geworden is, is hij er dan nog zo op tegen? In geen enkel opzicht!
Ik lees van iemand, die zeide: „Wanneer ik Uw Woord gevonden heb, zo heb ik dat opgegeten".
Wat krijgen zij dat Woord lief: hoe lief heb ik Uw wet.
In dat Woord hebben zij hun vermakingen. Uw Woord kan mij, hoewel ik alles mis, door zijne smaak en hart en zinnen strelen. Petrus zegt in vers 4: „Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is". Weet ge waarom zij dat Woord zo liefhebben? Omdat zij de God van dat Woord beminnen. Het is met hen precies als met twee mensen, die elkaar liefhebben en elkaar een brief zenden. Hoe tederder zij elkaar beminnen, des te meer zullen zij elkaars geschriften waarderen.
Zo is het ook met het Woord des Heeren. Hoe meer de liefde hoogtij viert, des te meer begeerte hebben zij naar deze melk. Zij krijgen smaak. Wanneer hun andere melk gepresenteerd wordt, dan begeren zij die niet. Zij krijgen geestelijke smaak. De Zaligmaker vroeg destijds aan Zijn jongeren of zij ook niet weg wilden gaan. Er gingen er zoveel heen. Toen hebben Zijn jongeren gezegd: „Tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt`de woorden des eeuwigen levens".
Zo is het ook met de recht geaarde kinderkans! Wanneer zij gezond zijn kunnen zij dat Woord niet missen. Doordat zij nieuwgeborenen zijn, zijn zij eigenlijk hier niet meer thuis. Die wedergeborenen hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren. Zoals iemand, die ergens vreemd is, verlangt tijding te horen van eigen huis en haard, zo verlangen zij naar tijding van de Heere. Zij worden biddende en begerende vreemdelingen. De dichter van psalm 119 sprak: „Ik ben, o Heere, een vreemdeling hier beneden, laat , Uw geboón op reis mij niet ontbreken".
Wat kunnen zij een troost ontvangen door deze redelijke onvervalste melk. Hun hart gaat daar niet alleen naar uit, doch deze schriftuurlijke voeding smaakt ze zo goed.
Misschien is er wel iemand, die denkt: ik wilde wel, dat dit bij mij altijd zo aanwezig was. Ik gevoel niet altijd die behoefte zo. Hoe komt dat? Wanneer een kind de spijze of het voedsel niet begeert, dan mankeert er wat aan. In erge gevallen moet de dokter worden geraadpleegd.
Zo ook in het geestelijke. Er zijn geestelijke zwakheden en ziekten. De Schrift spreekt van trage handen en slappe knieën en roept ons op rechte paden voor onze voeten te maken, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, doch dat het veeleer genezen worde.
Weet u wanneer er geestelijke ziekteverschijnselen zich voordoen? Wanneer b.v. de wereld met al wat ze heeft en geeft te veel invloed op ons uitoefent. Wanneer de zuigkracht der wereld en der zonde de overhand over ons heeft. Ons hart kan maar met één ding vervuld zijn. Hoe meer deze dingen op de voorgrond staan, des te meer verflauwt de lust tot deze schriftuurlijke melk. Dit zijn ziekteverschijnselen. In onze tijd is er zo'n groot gevaar. Juist omdat wij leven in een tijd van hoogkonjunktuur. Hier gaat zo'n verleidende invloed van uit. De wereld en de satan willen wel een soort kompromis sluiten met de dienst van God. Zij willen wel omgaan met de kinderkens, doch dan moeten deze kinderkens geen echte kinderlijke betrekking hebben op dit Woord en op deze God. De Heere eist ons echter geheel en al op. Hij deelt niet. Hij vraagt ons hart onvoorwaardelijk.
Daarom zegt Petrus: „zijt zeer begerig daarnaar". Wanneer dat zo is, dan zijn wij geestelijk gezond. Wij moeten geleid en gevoed worden door dat Woord. Petrus wist het destijds beter en wat verging het hem droevig. Zijt zeer begerig, het is een opwekking en een vermaning. Misschien zijn er nu wel mensen, die zeggen: Ja, maar dat hebt ge niet van uzelf, dit is genade, wanneer dit zo is en het is een gave Gods. Inderdaad is dit zo!
Weet ge wat een kerkvader bad omtrent de bevelen en geboden en vermaningen des Heeren? Heere, geef wat Gij gebiedt, dan zult Gij niet tevergeefs gebieden. Deze vermaning mocht worden omgezet in een gebed.
Wij moesten letten op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, opdat wij niet zouden verflauwen en bezwijken in onze zielen. Hebben wij wel ten bloede gestreden tegen de zonde en wat ons van Hem wegtrekt? Hoe licht kunnen wij door het kwade verrast worden. Hoe licht glijdt onze voet uit. Wij moesten altijd de dingen zoeken, die boven zijn, doch dat is niet altijd zo! Deze kinderlijke gesteldheid past ons, dan dragen wij de naam van kinderkens met ere.
Er is echter nog meer, waarom wij zo begerig moesten zijn naar deze spijze. Daarover nadenken. Doch eerst zingen we met de dichter van psalm 38. God geve, dat wij daar onze ziel in terugvinden. Psalm 38 : 9 en 15:
Maar wat klaag ik, Heer' der heren?
Mijn begeren
Is voor U, in al mijn leed,
Met mijn zuchten en mijn zorgen,
Niet verborgen;
Daar Gij alles ziet en weet.

Want, o trouw en eeuwig Wezen,
In mijn vrezen
Staat mijn hoop op U alleen;
Gij, mijn God, zult in ellenden
Bijstand zenden,
En verhoren mijn gebeên.

De groei voor dit leven.
Wanneer er dit gevonden wordt, n.l. wedergeboren en begerig naar deze redelijke onvervalste melk, dan zal daardoor opwassing zijn. Petrus zegt: „opdat gij daardoor moogt opwassen". Opwassen wordt hier bedoeld met groeien.
Wanneer kinderen geboren worden, moeten ze groeien. Ze worden tegenwoordig gedurig gewogen. Nauwkeurig wordt op het voedsel en de hoeveelheid daarvan gelet: De uiterste zorg wordt besteed aan het lichaam. Wanneer dit gelijke tred hield met het geestelijke, wat betreft voedsel enz., dan zou het nog wel gaan. Er wordt meer werk gemaakt van het lichaam dan van de ziel, en dat zelfs menigmaal bij de kinderkens. Geen groei, dan moet de dokter gewaarschuwd worden. Wat zijn er tegenwoordig veel zieken, vergroeiden, ongelukkigen. De ziekenhuizen zijn vol. Hoe staat het met de geestelijke groei? Zijn er niet veel geestelijk zieken? Zou er niet beoefend moeten worden wat wij lezen in Hebr. 4 : 16? Daar worden ze opgeroepen met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade, opdat zij barmhartigheid zouden verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Zou de wachtkamer van de hemelse Zielearts niet te weinig bezocht worden? Wij geloven van wel! Hoe komt dat? Dat ligt aan wat Petrus ons zegt. Dit zielevoedsel zal ons doen opwassen, doch is hier niet te weinig behoefte aan? Nu gaat het opwassen in de genade anders dan de groei in het natuurlijke leven. In de natuur wordt iemand groter, flinker, en in de genade kleiner, armer, hulpbehoevender. En dat wordt nu veroorzaakt door deze onvervalste melk.
Het woord opwassen is wel toegepast op de kerk in het algemeen. Wanneer deze onvervalste melk gepredikt wordt, dan zal dat dienstig zijn voor de uitbouw der gemeente, daar de Heere dit gebruikt voor de uitbreiding van Zijn kerk. De wederomgeborenen behoren uiteindelijk tot de ware kerk. Daardoor wordt de kerk vermeerderd. Door dit Woord wordt het rijk van satan afgebroken en tegengestaan. Er moet daarom veel gebeden worden om dat Woord, opdat het zwaard des Geestes, dat is Gods Woord, vele vijanden vellen mag.
De Morgenzang zegt zo schoon: „Schenk Uwe zegen bij Uw Woord, het rijk des satans word' verstoord".
Ach, dat dit onvervalste Woord in geheel ons vaderland, ja over de ganse wereld mocht verbreid worden, opdat Gods kerk zo mocht opwassen, dat de volkomenheid van Gods Rijk kwame, waarin God zal zijn alles en in allen. Ook persoonlijk hebben wij dit voor het opwassen nodig.
De apostel heeft gesproken van kinderkens, doch hij begeert nu groei voor hen. Ja, dat ze mogen opwassen.
Elders spreekt de Schrift ook, dat Christus in de gelovigen meer een gestalte zou verkrijgen en dat ze zouden opwassen in de genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus. Dit is een gelukkige groei, doch eigenaardig.
Als wij zo mogen opwassen gaat het ons als Johannes de Doper tegenover de Heere Jezus. Hij sprak: „Hij moet wassen en ik minder worden". Dit opwassen is een grote genade en is alleen mogelijk door Christus. Hij heeft niet alleen het leven verworven, doch ook dat wij zouden groeien. Wanneer wij
mogen opwassen, dan kan het alleen door de genade, die door Hem verworven is. Wanneer wij met God verzoend worden en wedergeboren worden tot een levende hoop, dan zijn dat de vruchten, die Hij verdiend heeft.
Het kan alleen en uitsluitend door Hem. De Heilige Geest neemt het via het Woord van God uit Hem.
De Geest verheerlijkt ons niet, maar Hem. Hoe meer Hij verheerlijkt wordt, des te meer worden wij vernederd. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem.
Opwassen wil zeggen: in Hem wandelen gelijk wij Hem hebben leren kennen en Hem aangenomen hebben. Opwassen is door Hem geleid te worden tot de Vader. De verzoening in Zijn bloed te mogen ontvangen, te genieten en te beleven. Een vrede te genieten, die alle verstand te boven gaat. Wanneer - deze dingen geleerd worden, gaat dat door de weg van af- braak. De werking van dat Woord door de Heilige Geest toegepast aan het hart is zo verschillend. Maria zegt: „Hij maakt arm en rijk. Hij bedroeft en vertroost. Hij werpt terneder en richt op. Hij graaft en verdiept in het hart".
Wij zeiden, dat dit Woord is als een hamer en als een vuur. Gij verstaat de bedoeling. Een hamer verbrijzelt en vuur doet smelten. Zo werkt het Woord. Het is echter ook als een tweesnijdend scherp zwaard. Het opereert. Het neemt weg wat weg moet. Het gaat overal doorheen.
Het Woord is ook als een licht. Het legt de kwaal bloot. En dan grijpt dat Woord ook weer in. Het werkt soms als een bittere medicijn. Het doet pijn, het legt de schuld bloot, doch liet vertroost insgelijks.
De Heilige Geest past dit Woord toe en Hij weet precies waar het zijn moet en wat het doen moet.
Zeker, dit gaat met veel gebedsworstelingen gepaard. Wanneer zo dat Woord Zijn werking verricht, wordt de troon der genade bezocht. Dan is er opwas in de genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus. Wanneer zo het geloof werkzaam is omtrent dat Woord wordt vervuld: U dan die gelooft, is Hij dierbaar.
Petrus isdoor dat Woord des Heeren opgewassen. Ziet hem bij de aanvang van zijn geestelijk leven. Wat is zijn latere levensopenbaring anders. Opgewassen door dit Woord, door deze onvervalste melk. Neemt Paulus. Hoe verder op de weg, hoe meer ontdekking. Hij klaagt enerzijds, dat hij een ellendig mens is, doch door het opwassen dankt hij God door Jezus Christus. Dit opwassen geschiedt door dit Woord. Dit hebben wij allen nodig. Het is voor ons de grote vraag hoe wij staan tegenover dat Woord en of het voor ons al gebruikt is op de wijze, zoëven aangewezen.
In het paradijs hebben wij het Woord des Heeren verlaten. Wij zijn gaan geloven wat de vorst der duisternis ons voorstelde.
Wij zijn daardoor in de duisternis terecht gekomen. De Zaligmaker heeft gezegd: wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij henengaat. Zo is het met ieder mens van nature.
Wij hebben nodig, dat dit Woord voor ons wordt een lamp voor onze voet en een licht op ons pad. Wanneer dat Woord dus als een licht op ons levenspad komt, worden wij gewaar,
dat wij in de duisternis wandelen niet alleen, doch dat wij in bestendig gevaar zijn.
Wanneer wij door de Heilige Geest dat Woord door liet geloof gaan aanvaarden en beleven, dan wordt ons daardoor de juiste weg aangewezen om wederom tot God te komen, omdat de Heere Christus daarin geopenbaard wordt als de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan alleen door Hem.
Het is nodig, dat wij ons onderzoeken hoe het met ons staat, want de mens gaat naar zijn eeuwig huis. Dit leven moet een voorbereiding daarvoor zijn.
Het spore ons aan de van God geordineerde middelen daartoe onder biddend opzien te gebruiken, ja te blijven gebruiken. In dat Woord moeten onze gangen en treden vast gemaakt worden. Is dat Woord voor ons het middel geworden tot dit leven, dan is het nodig, dat wij daar zeer begerig naar zullen
zijn als de redelijke, onvervalste melk, opdat wij daardoor mogen opwassen.
Wij zullen ervaren, dat het getuigenis des Heeren zeer wonderbaar is. Aan de ene kant legt het onze diepe ellende bloot, en aan de andere zijde geneest en troost "het ons in onze smarten.
Het moge ons gaan als Maria, die al deze woorden bewaarde,
die overleggende in haar hart.
Het zal ons geven levensmoed en kracht. Wij zullen dan mogen gaan van kracht tot kracht. Wij zullen dan eenmaal aankomen in het Jeruzalem daarboven, wanneer dat Woord het kompas is voor ons levensschip. Dan zullen wij als Simeon mogen henengaan in vrede naar dat Woord des Heeren.
Naar die God, Die Zich aldus in Zijn Woord openbaarde. Amen.

Nov. 1969