De gevaarlijke reis van Demas - Ds. W. Ramaker te Kampen
Ps. 25:2
Lezen: 2 Tim. : 4
Ps. 25: 6
Ps. 1: 1, 3
Ps. 73 : 14
Ps. 19 : 6
'Want Demas heeft mij verlaten en heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen en is naar Thessalonica gereisd."
2 Tim. 4 :10a.
"Daarop zag ik in mijn droom, dat aan de andere zijde van de weg, tegenover de zilvermijn, een zekere Demas stond, iemand met een zeker deftig voorkomen. Hij nodigde de voorbijgangers om naderbij te komen, daar hij hun iets wilde tonen."
Aldus Bunyan in zijn bekend en geliefd boek "De Pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende."
In zijn droom zag deze Godsman de figuur van Demas, die al het mogelijke deed om Christen van het rechte pad af te lokken, 'door te spreken van een zilvermijn en grote schatten.
Hoop, die Christen vergezelt zegt: "Laat ons eens gaan kijken."
Maar Christen is voorzichtiger en roept tot Demas: "Is dat geen gevaarlijke plaats?"
En nu moet gij eens horen wat Demas zegt: "Zo heel gevaarlijk niet, behalve voor zorgelozen."
Maar wanneer deze woorden door hem gesproken zijn, dan bloost hij. Dat zegt genoeg.
Nu zegt Christen tot Hoop: "Laten wij geen schrede zijwaarts doen, maar zorgvuldig in het rechte spoor blijven."
Maar Demas houdt niet op!
"Wilt gij niet een ogenblik komen om te zien?"
Christen staat hem nu flink te woord en zegt: "Demas, gij zijt een vij¬and van de rechte wegen van de Heere dezes wegs en gij zijt reeds gevonnist voor uw eigen afwijking door een van de rechters des Konings. Zo wij ter zijde zouden durven afwijken, zou onze Heer en Koning zulks ongetwijfeld vernemen en ons daar te schande maken, waar wij met vrijmoedigheid voor Hem hopen te verschijnen." Hierop roept Demas, dat hij bij Christen behoort en straks weer mee zal gaan.
Christen vraagt dan: "Hoe is uw naam?" dan antwoordt Demas: "Mijn naam is Demas, ik ben een zoon van Abraham." 'Ja", zegt Christen, "ik ken u wel. Gehazi was uw grootvader en Judas uw vader. Uw vader stierf als verrader een smadelijke dood en gij ver¬dient geen beter lot." En Christen wendde zich van hem af en ver-volgde zijn weg.
Straks gaat Bijoogmerk op de vriendelijke nodiging van Demas in en niemand heeft hem en zijn gezelschap ooit weer gezien. Maar Christen heft het lied aan:
Bijoogmerk en geldzuchtige Demas streven
Naar 't zelfde doel; hun deel is in dit leven.
Als de één roept snelt de ander aan;
Zij denken niet aan verder gaan
Demas staat thans voor onze aandacht, de droeve figuur door Bunyan in zulk een helder licht geplaatst. Het heeft de Heere behaagd in Zijn Woord niet alleen geloofshelden te tekenen tot bemoediging van eigen geloofsleven, maar ook verlaters van de wegen des Heeren.
Om ons tot zelfonderzoek te manen.
En die tot waarschuwing dienen om te letten op hun droevig einde.
Om de onbekeerden te vermanen de Heere te zoeken, opdat hun einde niet zij als dat van Demas.
En het volk des Heeren, dat zich op goede gronden Zijn eigendom mag weten, op te wekken bij vernieuwing de Heere aan te lopen en te staan naar Zijn gemeenschap.
Omdat Demas ons laat zien, dat een uitwendige band aan Christus geen waarborg is voor de eeuwige zaligheid. De apostel Paulus heeft de brief, waaruit onze tekst is genomen, geschreven toen hij voor de zaak des Heeren gevangen zat te Rome en zijn dood verwachtte. De brieven aan Timotheüs behoren tot de Pastoraalbrieven, zo genoemd, omdat zij voor het herderlijk werk van de ambtsdragers in de Kerk van Christus allerlei aanwijzingen bevat¬ten.
De tweede brief aan Timotheüs draagt een meer persoonlijk karakter dan de eerste. Paulus heeft deze brief geschreven in de wetenschap, dat hij spoedig zal sterven. Het is een vaderlijk afscheidswoord aan een zoon, die hij zeer liefheeft. Deze brief is eens genoemd: het per¬soonlijk testament van een stervende vader aan zijn zoon, verlicht door lichtstralen uit de paarlen poort.
Met oog op de strijd die nog wacht wil Paulus Timotheüs bemoedigen en aanvuren. Paulus' taak is welhaast volbracht. Hem wacht de kroon. Nu heeft Paulus echter nog een begeerte. Voordat hij heengaat wil hij graag Timotheüs nog eens zien. Maar dan moet zijn medehelper in de dienst des Heeren spoedig komen. Het kon anders wel eens te laat zijn!
Daarom schrijft hij: "Benaarstig u haastig tot mij te komen." Er is trouwens een bijzondere reden voor dit laatste verzoek van de Apostel voor zijn einde. Bijna alle vrienden hebben hem verlaten al is het dan ook om verschillende oorzaken. Lukas is alleen met hem. Ook Demas heeft hem verlaten.
Van Demas kan hij Timotheüs geen goed bericht geven. Met smart in zijn ziel moet hij het neerschrijven: "Want Demas heeft mij verlaten en heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen en is naar Thessalonica gereisd."
We willen dit droevig reisbericht met elkander lezen en handelen over:
DE GEVAARLIJKE REIS VAN DEMAS.
1. Demas vertrekt uit de kerk.
2. Demas reist naar de wereld.
3. Demas heeft veel reisgenoten.
1. Demas vertrekt uit de kerk
Gods Woord geeft ons steeds twee soorten mensen te zien op bijna elke bladzijde.
Dat zijn aan de ene kant mensen, die van boven uit God geboren zijn. En aan de andere zijde mensen van beneden, die hun deel nog van dit leven verwachten.
Reeds op één der eerste Bijbelbladzijden komt dit allesbeslissend ver¬schil openbaar: het kind van God Abel staat tegenover het kind der wereld Kaïn. Iets verder in de geschiedenis des heils wordt ons Jacob getekend tegenover Ezau. De één van boven, de ander van beneden. En op het hoogtepunt der heilsopenbaring zien we een moordenaar ter rechter- tegenover een moordenaar ter linkerhand. De één geroe¬pen tot zaligheid en de ander zonder Christus en Zijn genade. Het Kruis van Christus scheidt de mensen in twee groepen. De Christus Gods, wordt, als Hij Zijn leven geeft op Golgotha, gezet tot een val of tot een opstanding.
In onze tekst zien we een Demas tegenover een Paulus. En het grote onderscheid tussen die twee ligt in de Christus der Schriften.
Paulus is in de Kerk des Heeren een geliefde figuur. Zolang de Kerk bestaat zal zijn naam met ere worden genoemd. Met gouden letters staat deze naam geschreven in de geschiedenis des heils. Maar Demas, wie is toch Demas?
Niet zo heel veel is ons van Demas bekend. Maar toch wel zoveel, dat het nuttig en nodig is over zijn leven na te denken. Demas was één der mede-arbeiders van Paulus, zoals ook b.v. Mar¬kus, Aristarchus, Timotheüs, Barnabas en Lukas. We mogen wel aannemen, dat Paulus Demas eerst als een eerlijke medehelper heeft beschouwd in het Evangelie van Christus. In zijn brieven heeft hij tweemaal de groeten overgebracht van Demas: aan de gemeente te Colosse en aan zijn vriend Filémon.
Wel een bewijs, dat hij echt is opgenomen geweest in de kring der ware Christ-gelovigen. En ook, dat hij zelf aanvankelijk met de broe¬ders in alles heeft meegeleefd. Zelfs is hij Paulus, zijn geestelijke vader, gevolgd in zijn gevangenschap te Rome. Welke voorstelling hebben wij ons van Demas te vormen? We kunnen aannemen dat hij niet de eerste de beste was. Dan zou Paulus hem niet als zijn mede-arbeider hebben aanvaard. Neen, Demas was een jonge man met een goede aanleg en van rijke idealen.
Demas heeft de apostel Paulus op zijn levensweg ontmoet. En het is heel gemakkelijk te begrijpen, dat zulk een rijk begaafde persoonlijkheid als Paulus was op het gemoed van de jonge Demas een buitengewone indruk heeft gemaakt.
Onder het gehoor van de apostel is hij bekoord geworden door de prediking van de gekruiste Christus. Maar bekoring is nog geen bekering.
Er zijn wel meer mensen bekoord geworden door het Evangelie bij wie het nooit tot waarachtige bekering is gekomen. Keus werd Lydia's hart geopend onder de prediking van Paulus. Dat was bekering.
Maar bij Demas is geen sprake van hartveranderende genade. Wel wordt hij voor een ogenblik geboeid door het Evangelie, dat Paulus bracht, maar toch verstaat hij in de diepste grond de leer van Christus niet.
Zeker hij meent het oprecht als hij geestdriftig zich bij de apostel wil aansluiten. Hij heeft geen bijbedoelingen als hij warm loopt voor de zaak des Heeren.
Paulus heeft dan ook geen bezwaar deze jeugdige idealist als zijn mededehelper te aanvaarden. Hij heeft de schoonste verwachtingen van hem en meent in Demas een geschikt instrument te hebben ontvangen tot verbreiding van het Evangelie, gezien ook de rijke gaven, welke deze van de Heere heeft ontvangen. En zo doet Demas zijn intree in de Kerk des Heeren. Hij krijgt in die kerk een belangrijke plaats als evangelist.
Hij mag ook de boodschap brengen van de gekruiste Zaligmaker voor arme en verloren zondaren. Het Is heel goed in te denken, dat men Demas zijn volle vertrouwen geeft. Hij gaat broederlijk om met de andere mede-arbeiders van de apostel.
Hij bespreekt met hen de belangen van Gods Koninkrijk.
Hij bidt met hen om de komst van dat Koninkrijk in deze zondige wereld.
Zo voor het uitwendige is er niets bijzonders aan hem te zien. Hij wordt gerekend tot de Kerk van Christus en tot de ware Christenen.
En toch... Demas behoort niet in waarheid tot de Kerk.
Demas is geen levende steen van het Godsgebouw.
Demas is niet door de band van het oprechte geloof verbonden aan de Koning der Kerk.
Demas is een bijwoner en geen inwoner van het Koninkrijk Gods.
Hij is zonder hartveranderende genade. Zonder levensvernieuwing uit de Heilige Geest.
Dat blijkt weldra als de crisis in zijn leven komt.
Die crisis moet komen bij een idealist als Demas was.
Op de duur bevalt het hem toch niet bij Paulus.
Hij heeft het nog betrekkelijk lang volgehouden en is de apostel ook gevolgd naar Rome.
Maar het is toch anders in de Kerk van Christus dan hij het zich had voorgesteld. Er is voor het vlees zo weinig te genieten. De Christenen hebben zo weinig oog voor de wereld rondom hem.
In Demas' ziel voltrekt zich de botsing van de gedachten van de mens over het Evangelie met de gedachten van het Evangelie over de mens.
De mens wil nog wel met het Evangelie van Christus zijn leven behouden. Maar dat Evangelie leert, dat we het leven eerst moeten verliezen, om het dan uit genade in Christus te zien behouden. En het leven verliezen, dat wil Demas niet. Integendeel: hij wil het geheel behouden.
Maar zo wordt het hem beslist onmogelijk in de Kerk en bij Paulus te blijven.
Straks spreekt hij Paulus van zijn heengaan.
En dan moet deze trouwe Godsgezant in ketenen voor de zaak van Christus schrijven: "Demas heeft mij verlaten." Dit was ongetwijfeld een zware beproeving voor de apostel. Lukas is alleen nog met hem. Van allen is hij verder verlaten. Nu ook van Demas.
Om Christus' wil moest Paulus ook deze verlatenheid dragen. Maar hij is niet van God verlaten, want die verlatenheid heeft Chris¬tus voor hem gedragen. Hij mag zeggen de Heere heeft mij bijgestaan im bekrachtigd.
Maar de discipel is niet meer dan Zijn Meester. Ook hierin wordt hij een navolger van Christus. Het is opvallend, dat in dit Schiftgedeelte zoveel woorden herinneren aan Ps. 22, de lijdenspsalm. Het is best mogelijk, dat Paulus in zijn eenzaamheid deze Psalm van David veel heeft overdacht en er kracht uit geput heeft.
Demas heeft mij verlaten, dat is de klacht van de apostel. We mogen look lezen: in de steek gelaten. Hetzelfde woord als David gebruikte in Ps. 22 : 2 en Jezus in Matth. 27 : 46 in Zijn bange klacht aan het kruis. l Waarom heeft Demas Paulus en met hem de Kerk van Christus verlaten? Het was in die tijd en vooral te Rome, onder de ogen van de geweldenaar Nero, geen gemakkelijke zaak een belijder van de Christus te zijn. Hevige vervolgingen waren reeds losgebroken over de Kerk. En het zou voorlopig nog niet beter, maar wel erger worden voor Gods kinderen.
Om gebonden te worden voor Christus' zaak, zoals met Paulus reeds het geval was, en wellicht te moeten sterven voor de Naam van Jezus, dat vooruitzicht verschrikt Demas maar al te zeer. In tijden van druk en vervolging komt het onderscheid uit tussen hen die in waarheid de Heere dienen en die het om bijoorzaken doen.
Paulus bleef door de genade Gods staande, ook in zijn banden.
Hij was door een onverbrekelijke band verbonden aan de Zoon van
God, Die hem op weg naar Damascus was verschenen en hem van een vijand een vriend had gemaakt. Demas kon niet staande blijven, omdat hij zijn eigen leven nog leefde en niet geleerd had eigen gerechtigheid te verliezen en alleen te steunen op de gerechtigheid van de Borg in leven en sterven. Demas was onwedergeboren, hoe¬wel hij bad en preekte en een vooraanstaande plaats had in de Kerk. Het geloof is niet aller. Allen in de Kerk zijn niet wedergeboren, dat leert ons Demas.
Hij laat ons zien, wat het tijdgeloof is. Het kenmerk van een tijdgelo¬vige is, dat hij terstond het Woord met vreugde ontvangt. Het begint met blijdschap. Maar als de beproeving komt, als banden en verdruk¬king aanstaande zijn, dan blijkt het niet het ware geloof te zijn, het tijdgeloof is wel verheugd over Christus, maar is niet waarlijk verbon¬den aan Christus.
Het ziet al de schatten van het genadeverbond als begeerlijk, maar het gaat alles buiten de levende Christus om. We moeten onszelf tel¬kens weer onderzoeken, of we wel het echte geloof bezitten, waardoor wij de Heere Jezus Christus worden ingelijfd als vrucht van de wer¬king des Heiligen Geestes. Alles wat waarlijk uit de Christus opbloeit vergaat nimmermeer. Het zaligmakend geloof wordt wel bestreden. In tijden van druk en vervolging wordt het ook wel aangevochten. Maar wie eens in Christus is, blijft in Hem, al verheffen zich de stor¬men van satan, wereld en eigen vlees.
Er is geen afval der heiligen. Christus houdt de Zijnen vast tot het einde toe.
Hoe geheel anders is het met Demas gegaan. Toen hij Paulus in de steek liet, heeft hij misschien wel gemeend, dat hij daarom nog niet met Christus en zijn zaak brak. Maar dat was jammerlijk zelfbedrog. Christus en de werelddienst kunnen niet samen gaan. Demas heeft mij verlaten en heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen. Voor Paulus was dit heel erg. Maar het allerergste is dit heengaan voor Demas zelf, die de Kerk de rug toekeert, zich van de Christus afwendt en de zondige wereld tegemoet snelt, om met die wereld onder te gaan.
Van de Kerk naar de wereld.
Het is de droeve gang geworden van de veelbelovende Demas. Ons tot waarschuwing en lering. Opdat wij in oprechtheid de Heere mogen leren dienen en vrezen.
2. Demas reist naar de wereld
Wij bevinden ons aan boord van het schip, dat naar Thessalonica vaart. Onder de vele reizigers merken we al spoedig één op, die onze bijzondere opmerkzaamheid trekt. Zijn uiterlijk doet de man vermoe¬den van meer dan gewone betekenis.
Deze man is geen handelsreiziger, dat is wel aan zijn manieren te zien. Hij is een reiziger, die op weg is naar de tegenwoordige wereld. Het is een reiziger, die op reis is naar de zilvermijn van deze tijd. Gij hebt hem reeds herkend en zegt: maar dat is Demas! Ja, op dit schip naar Thessalonica vaart Demas, die Paulus heeft verla¬ten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. Hij heeft de wereld liever dan de Kerk. Thessalonica liever dan Christus en Zijn zaak.
Wanneer we Demas op dat schip zien zitten op weg naar zijn onder¬gang, dan denken we een ogenblik na over zijn liefde tot de tegen¬woordige wereld.
Paulus zegt niet, dat Demas de tegenwoordige wereld weer heeft liefgekregen. Voordat hij bij de apostel kwam, was hij een zoeker en meende nu bij deze zijn ideaal bereikt te hebben. Maar omdat hij de ware liefde Gods in zijn ziel miste, kon hij het op den duur niet in Zijn dienst uithouden. En dan blijft er voor hem ten¬slotte geen andere weg over dan zijn hart te verpanden aan de wereld en die wereld lief te krijgen. De mens als geschapen naar Gods beeld is op lief-hebben aangelegd. Zodra de mens een vijand van God werd kreeg hij lief, hetgeen God haat. We zijn door onze val geworden lief¬hebbers van onszelf, van de zonde en de ongerechtigheid. Wanneer Gods Geest hartveranderende genade schenkt, dan ontstaat in de ziel ware liefde tot God in de Heere Jezus Christus. De liefde Gods wordt dan uitgestort in onze harten. In de Heilige Schrift wordt de liefde des Vaders tegenover de liefde der wereld gesteld. Deze twee zijn onmogelijk met elkander te verenigen al willen heel veel mensen dat graag. Het is niet God én de wereld, maar God óf de wereld. Als het God én de wereld was, dan had Demas wel bij Paulus in Rome kunnen blijven. Maar omdat het anders is, reist hij thans naar Thessalonica. Wie de wereld als wereld liefheeft, haat in zijn diepste zijn God. Demas heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen. Welke wereld is dat?
Het is die wereld, waarvan de apostel Johannes zegt: "Hebt de wereld niet lief noch hetgeen in de wereld is." (1 Joh. 2 : 12a). Het is de wereld van het heden, die direct het zondige hart bevredigt. Het is de wereld van genot en lust, die onze zondige natuur onmid¬dellijk kan beleven.
Het is de wereld met zijn schijnvertoon en schijnheerlijkheid, waar¬door zoveel jonge harten bekoord worden. Het is de zilvermijn met de verborgen schatten, die zoveel beloven en straks zo bitter zullen teleurstellen.
Deze wereld wordt de tegenwoordige genoemd. Zij geeft nu wat men graag wil, zonder dat men zich tevreden moet stellen met iets wat in de toekomst wacht. Wat is deze tegenwoordige wereld een verleidelijke wereld. Hoevelen zijn er die met Demas deze tegenwoordige wereld verkiezen boven de toekomende. Die geen oog des geloofs hebben ontvangen om de toekomstige wereld te zien en te beleven.
In de wedergeboorte gaat het rechte licht op over God, de wereld en onszelf. Voor de vernieuwde mens wordt de tegenwoordige wereld de wereld, die hij moet haten en vlieden om de toekomende steeds meer te gewinnen. Hij leert jagen naar wat voor het natuurlijk oog geheel verborgen is: de dingen des Geestes Gods.
En dat is een wereld zo schoon en verheven, dat wie eens die wereld gezien heeft, hoe langer hoe meer begeert de goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden te verzaken.
Wat ziet het oog des geloofs veel in die andere, eigenlijke wereld! In die wereld ziet het kind van God de liefde des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes tot redding van het verloren Adams kind. Daarin wordt gezien de Heere Jezus Christus als de Schoonste onder de mensenkinderen, op Wiens lippen genade is uitgestort, en Die Zichzelf heeft gegeven opdat Hij zou verlossen van alle ongerechtig¬heid en zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
Zij, die door genade, in die wereld mogen leven verwachten de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus. (Titus 2 : 12 - 14).
Demas kende die toekomstige wereld niet en daarom grijpt hij naar de tegenwoordige.
Gods volk leeft uit de schatten van de wereld van Gods genade in Christus. En bij tijden en ogenblikken ondervinden zij zoveel heil uit die wereld, dat zij het met de godzalige Groenewegen kunnen uitroe¬pen:
Weg werelds ijdelheden,
Weg snode zondenlust;
God is vol lieflijkheden,
Daar mijne ziel in rust.
Nu roept mijn ziel: weg wereld,
Weg wereld, weg wereld,
Hoe rijkelijk bepereld,
Gods Zoon heeft mij gekust.
Nu vragen we: hoe is het toch mogelijk, dat Demas zijn liefde aan de tegenwoordige wereld kan schenken, die toch nooit de hoogste ziels-begeren van de mens, die naar Gods beeld is geschapen, kan bevredi¬gen? Laten we zien, hoe het gaat bij zulk een tijdgelovige die terug¬keert van de dienst Gods.
Hij trekt zijn gedachten af van de voorstelling van God, dood en oordeel. En dat is in tegenstelling met een waargelovige, die steeds denkt aan God en de toekomstige wereld.
Hij veronachtzaamt de godsdienstplichten. Niet op eenmaal, maar langzamerhand. Het gebed houdt op en de begeerten worden inge¬willigd. Straks wordt hij onverschillig voor de openbare godsdienstoe¬fening. Ook voor het horen lezen en bespreken van Gods Woord. Dan vermijdt hij elk gezelschap van levende kinderen Gods. Ja, soms zal hij zelfs op duivelse wijze trachten de gebreken van Gods kinde-ren uit te meten om eigen breken met de godsdienst te bemantelen.
Straks vindt hij mensen van vleselijke overleggingen, van de tegen¬woordige wereld aangenamer dan de mensen van de toekomstige. Tenslotte ontziet hij geen zonde meer en gaat zo het eeuwig verderf tegemoet, indien Gods genade niet russen beide komt. Wie kent ze niet uit eigen omgeving, wier beeld hier getekend is? O, als de boeken der Kerk eens konden spreken, zowel die van de doop-als van de belijdende leden, wat zouden we van vele Demassen horen in de Kerk des Heeren die de tegenwoordige wereld hebben liefgekregen!
Want Demas reist niet alleen op de boot naar Thessalonica! Ziet ge daar wel de vrienden van Demas?
Daar zit de jonge man naast hem, die hoewel belijdenis afgelegd, toch geen band van levensgemeenschap met Christus kent. Hij ijvert voor de zaak des Heeren, zonder ooit als een geheel verloren zondaar Jezus Christus als zijn persoonlijke Borg en Middelaar te hebben leren nodig krijgen. Wanneer de beproeving komt, gaat hij in het gezelschap van Demas op reis naar Thessalonica. Kent ge die andere vriend van Demas wel?
Die laat Bunyan ons zien in zijn reeds genoemd boek. O, de Mondchristen. Ook hij is een vriend van Demas. Het is de Christen van de praat en niet van de daad. Hij spreekt gemakkelijk over hemelse en aardse, zedelijke en evangelische waarheden. Het klinkt alles heel prachtig. En er zijn velen, die hem voor een echt bekeerd mens houden. Het volk Gods vliegt er soms nog in en houdt zulk een voor bekeerd. Maar hij is een vriend van Demas, want hij wil zijn eigen gerechtigheid bij die van Christus voegen en niet enkel van genade leven. Wie zijn geloof in de mond heeft en niet in het hart is een vriend van Demas.
Demas heeft nog meer vrienden. In zijn gezelschap bevinden zich allen, die leven onder de zuivere bediening des Woords en die het voor de eeuwigheid laten aankomen op het in-zijn in het Verbond, maar die met de God des Verbonds geen zielswerkzaamheden heb¬ben leren kennen in het aangezicht van Zijn Zoon Jezus Christus. In gewone tijden komt dat zozeer niet uit, dat zij dezelfde begeerte als
Demas hebben: de tegenwoordige wereld. Maar in moeilijke, veran¬derde omstandigheden blijkt het, dat het hun niet waarlijk om God en Christus te doen is, en dat het navolgers van Demas zijn. Velen reizen door de Kerk naar Thessalonica onder de christelijke vlag. Ook al komt het niet tot een openlijk breken met de zaak Gods om de een of andere reden. Inwendig is er geen zaligmakende band aan Christus uit de Heilige Geest en liever zouden ze in de wereld zijn als ze maar eens helemaal vrij waren. Vrienden van Demas, hebt ge uw beeld herkend?
Keert terug. Scheidt u af van het gezelschap van Demas. Het is nog niet te laat. Gij zijt nog in Thessalonica, de plaats des verderfs. Demas wil niet terugkeren. Hij denkt er niet aan. Zijn verlangen is Thessalonica, de zondige handelsstad. Eindelijk daar verrijst in de verte de begeerde plaats. De boot komt in de haven en Demas stapt aan wal. Gelukkig, dat hij er dan toch eindelijk is.
Waarschijnlijk vindt hij er veel heidense vrienden en kennissen die allen deze wereld liefhebben. Nu kan hij zijn volle liefde aan de tegenwoordige wereld geven. Hier in Thessalonica staan de gebou¬wen der wereldvreugde. Demas aarzelt niet binnen te treden. Hij leert de wereld kennen in al haar begeerlijkheden. Alle sluiers van het legenwoordige leven worden opgelicht. Diep daalt hij af in de zilver¬mijn van deze tijd en hij tracht ook anderen, die de weg des levens willen volgen, ter zijde mee af te trekken.
Maar ach, voor Demas was Thessalonica ook geen blijvende stad. Waarschijnlijk heeft hij er zijn einde gevonden. We lezen later niet meer van hem. Op zijn sterfbed lag hij buiten Christus en zonder hoop ooit behouden aan de komen in het Jeruzalem, dat boven is. Kn weet ge wie daar om dat sterfbed stonden toen Christus hem kwam halen als Rechter, nadat hij hem als Borg verworpen had? Ken droef gezelschap: Kaïn, Ezau, Gehazi, Judas Iskarioth, Bileam en Suul. Ze behoorden allen tot het gezelschap van Demas en ze waren voor hem die weg gegaan. Ze verlustigen zich thans in Demas uitein¬de. De barmhartigheden der goddelozen zijn wreed. De reis van Demas van de Kerk naar de wereld ging naar de stad van het eeuwig verderf, indien hij niet is teruggekeerd, dat is zeker, hoewel zijn einde niet beschreven staat.
De afwijker is de Heere een gruwel.
Zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen welbehagen, zegt de Heere. i
Maar tot onze troost en bemoediging zegt de Heere ook: Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
3. Demas heeft veel reisgenoten
Het is een droevig bericht, dat Paulus zendt naar Timotheüs, over het heengaan van Demas. Niet zonder grote oorzaak heeft de Heilige Geest deze mededeling laten optekenen voor dé Kerk van alle tijden. Demas is ons een baken in zee, opdat wij wel zouden weten, waar¬heen onze reis gaat: naar Thessalonica, dat beneden is of naar het Jeruzalem, dat boven is.
Allen bevinden we ons in een schip, het is de levensboot. Wij varen gedurig op onze eeuwige bestemming aan op de levenszee. Toch varen we niet allen in dezelfde richting. Er zijn reizigers op de levensboot naar het verderf en naar de eeuwige behoudenis. Daarom moeten we onderzoeken op welke boot wij varen en in welke richting onze levensreis gaat. Reizen wij in het gezelschap van Demas op het schip naar Thessalonica? Of hebben wij des Vaders Zoon aan boord en daarom het veilig strand voor het oog? De boot naar Thessalonica, dat is vast, vaart op een rustige zee, met windstilte gaat het zacht-wiegelend naar de verlorenheid. Demas had het voor zichzelf gemakkelij¬ker aan boord van het schip, dat hem steeds verder van Paulus ver¬wijderde, dan bij de apostel in zijn druk en banden. De reizigers op de boot naar Thessalonica hebben geen bijzondere emoties aan boord. Het geweten mag eens kloppen, het hart zich eens onrustig gevoelen. Maar aanstonds werken die reizigers daarover heen. Ze zien in de verte Thessalonica liggen en deze tegenwoordige wereld hebben ze lief met al de vezelen van hun ziel. Als ge een reizi¬ger zijt in het gezelschap van Demas, dan hebt ge twee zaken nog nooit gezien: ten eerste zijt ge dan nog geheel onbekend met uw diep-rampzalig lot buiten Christus. Ge hebt nog nooit bij Geesteslicht gezien: hoe groot uw zonden en ellende zijn. En vervolgens hebt ge dan nog nooit schoonheid in de Heere Jezus Christus gezien als de van God gegeven Borg en Middelaar, zodat ge uit de grond van uw hart hebt leren begeren door het oprechte, geschonken geloof met Hem te worden verenigd. Op de boot naar Thessalonica varen niet alleen wereldse mensen, die wij daar dan voor houden, maar ook kerkmensen. Demas' verlating waarschuwt juist het kerkelijk publiek van onze tijd ernst te maken met hun belijdenis en wandel. Niet alle ambtsdragers zijn daarom alleen reeds bekeerd. We kunnen een voor-aanstaande plaats in Christus' Kerk hebben ingenomen en toch varen op de boot naar Thessalonica. De geschiedenis der Kerk heeft het ons geleerd en leert het ons nog dagelijks.
Predikanten, ouderlingen en diakenen moeten zich gedurig afvragen, of zij de band des geloofs bezitten aan de Koning der Kerk. Wat zal het vreselijk zijn als ambtsdragers verloren te moeten gaan. Demas laat ons zien, dat het kan. Er zijn te allen tijde valse profeten geweest naast de ware van God geroepen en bekwaamgemaakte Godsgetuigen. De Vader der Scheiding, Hendrik de Cock, moest in zijn tijd getuigen tegen de wolven in de Schaapskooi van Christus en het grote werk der Scheiding hangt ten nauwste samen met dit getuigenis tegen valse leraars. Weest mijn navolgers, zo roept de apostel Paulus ons toe, die in tegenstelling met zijn helper Demas, ons zulk een schitterend voor¬beeld geeft van ware trouw in de dienst van God. De dienaren des Heeren zullen eens door de Heere beoordeeld worden naar hun trouw. Als ze over weinig getrouw zijn geweest zal de Heere hen over veel eens zetten. Trouw is het schoonste sieraad en het zuiverste kenmerk van allen, die tot de dienst des Heeren zijn geroepen. Ziende op de afval van Demas, zal elke oprechte dienstknecht des Heeren om getrouwmakende genade smeken, om eens aan het eind van de arbeid met de getrouwe Paulus te kunnen belijden: Ik heb de goeden strijd gestreden. Ik heb de loop beëin¬digd. Ik heb het geloof behouden. Allen, die op de boot naar Thessalonica varen zijn onbekeerd. Maar nu is er toch weer verschil tus¬sen onbekeerden en onbekeerden.
Er zijn onbekeerden, die dit weten en zelfs willen zijn in openlijke Godvergetenheid. En God blijft machtig deze bekering ten leven te geven. Maar er zijn ook onbekeerden, die zich zelf voor bekeerd houden en uitgeven, en er ook wel voor worden gehouden in de Kerk, omdat de mensen nu eenmaal geen hartekenners zijn. Er komen heel wat reizigers te Thessalonica met Demas eens aan, die meenden te Jeruzalem aan te landen. Zelfbedrog is in deze heel groot. Het is satan gelijk of hij vroom of goddeloos naar het verderf leidt, als men maar met Demas te Thessalonica komt. Een grote list van satan is het ons in de waan te laten op weg te zijn naar het hemelse Jeruzalem, terwijl we in waarheid aan de kant van Demas staan en in de grond der zaak de tegenwoordige wereld lief¬hebben.
Een tijdgelovige komt in veel opzichten met een waarachtig gelovi¬ge overeen in de openbaring naar buiten.
Maar dezulken kennen geen werkzaamheden naar binnen. Zij dalen nooit in hun eigen hart af om te weten, of het wel goed met hen staat voor de eeuwigheid, of zij wellicht gelijk zijn aan Demas. Zover willen en durven ze niet te gaan.
De mystieke unie des geloofs met Christus ontbreekt en de ziels-werkzaamheden daaruit voortvloeiende.
Reizigers naar de eeuwigheid, kent ge geen geloofswerkzaamheden met de Borg Jezus Christus? Weet gij niet bij zielservaring, wat het is tot Jezus te vluchten met uw zonden zonder tal, met diep verderf van binnen, om vergeving en verzoening?
Wat gij dan ook meent te bezitten en waarop gij u moogt beroemen, toch reist gij niet veilig. Ge staat dichter bij Demas dan ge ver¬moedt.
Bezit en kent ge Gods Woord? Demas kende ook de waarheid Gods en reisde ondanks die kennis naar Thessalonica. Zijt ge een bidder? Demas heeft ook gebeden en kreeg ondanks dat de tegenwoordige wereld lief. Houdt ge van het volk van God?
Demas ook aanvankelijk, maar later zei hij hen vaarwel en ging zijn eigen weg.
Er kan zeer veel aanwezig zijn, dat het evenwel geen zaligmakend werk is uit de Heilige Geest. Denk maar aan de waarschuwing in de brief aan de Hebreeën: „Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering (Hebr. 6 : 4-6). Reizigers zonder Christus, gij wordt heden gewaarschuwd. Gij komt niet in de veilige haven zonder het werk van Gods Zoon. Nog kunt ge des Vaders Zoon aan boord krijgen, zo gij uit de nood uwer ziel tot Hem om genade en ontferming roept.
Het schip des verderfs, waarop ge nu vaart met Demas moet ge verla¬ten. Ge moet de andere kant op. Ge moet van koers veranderen. Smeek de Heere om ontdekkend licht om afgebracht te worden van alles, wat geen Jezus is. Als een goddeloze moet ge om niet gerecht¬vaardigd worden door de verlossing, die in Christus Jezus is. Haast u om uws levens wil!
Anders is uw einde met Demas in Thessalonica, de stad des verderfs. Daar zijn ook nog andere reizigers: zij varen naar Jeruzalem. Maar nu gaat het zo: waar de reizigers naar Thessalonica zo rustig varen en geen ogenblik bezorgd zijn over het doelwit van hun reis, daar kunnen de reizigers naar de Stad Gods het niet geloven, dat ze eens behouden zullen aankomen. Het is een stormachtige zee, de genade-zee. Er zijn veel winden van aanvechtingen en beproevingen. Soms gaan de golven hemelhoog, zodat er van Jeruzalem niets meer te zien is.
Maar wie zich in de genade-boot bevindt, komt behouden aan land in de gewesten der eeuwige heerlijkheid. Omdat de Heere Jezus de reis meemaakt. Met Jezus kan de ziel niet vergaan.
Zou een schaapje gaan verloren,
Vrijgekocht door Jezus' bloed?
Heeft God niet met eed gezworen,
Dat Hij 't deel wil zijn en goed,
Voor hen, die zich geheel mistrouwen,
Al hun heil op Jezus bouwen?
Neen, niemand gaat verloren van die Jezus gekocht heeft met Zijn bloed! Ze komen in Jeruzalem. De trouwe Borg heeft gezegd: "Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt." (Joh. 17 : 24).
De gemeenschap des geloofs met Christus is een eeuwige vereniging. Wel kan het geschieden, dat voor het zielsbewustzijn deze gemeen¬schap niet zo levendig meer is door de kracht van het inwonend ver¬derf, de aanvallen van de satan of door eigen ongeloof. Toch is die gemeenschap tegen alle stormen bestand. De Heer is zo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk voor allen, die op de boot naar Jeruzalem varen, voleinden. Ook voor u, reiziger, die in de mist moet voort reizen. Die mist is erg hinderlijk. Ge kunt Jezus, uw Borg en Middelaar niet meer zien in Zijn gepastheid en dierbaarheid. Ge kunt niet langer zien, dat het waar werk van binnen bij u is. Ge ziet ook niet, dat ge op weg naar de hemel zijt en vreest met Demas te reizen naar Thessalonica. Gij die in de mist voortvaart, dit zij uw troost, gij vaart toch in de goede richting. Ge draagt het kenmerk van de reiziger naar Jeruza¬lem. De reizigers naar Thessalonica zijn niet bevreesd er te komen, ze verlangen naar die stad, omdat ze de tegenwoordige wereld liefheb¬ben. Daarentegen moogt gij kennen het waarachtig Jeruzalem-verlangen, dat om God Zelf te doen is en om Zijn Zoon, Jezus Christus, die gij door genade liever hebt mogen krijgen dan al wat de wereld biedt. Leef dicht bij des Vaders Zoon in uw levensschip. In Zijn gemeen¬schap trekt de mist op en ziet ge in de verte de poorten van het Nieuw-Jeruzalem. Schoner dan Thessalonica is dat Jeruzalem. "En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in haar zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en 't Lam is haar kaars!" (Openb. 2 : 23). Op de boot naar die heerlijke Lichtstad bevindt zich nog een andere reiziger, die zichzelf wil rekenen tot het gezelschap van Demas, omdat hij de Heere heeft verlaten. Vroeger leefde hij in de liefelijke gemeenschap des Heeren. Maar nu is zijn hart meer bij de wereld dan bij Christus. Nu geen ervaring van Gods gunst. Geen verborgen omgang met God. Maar al verder afzwerven van de Heere.
Er zijn in onze geesteloze dagen veel van die reizigers op de boot naar Jeruzalem. Bekeerde mensen wier geloofsleven kwijnt, en die voortleven onder de verberging van Gods aangezicht, en terugblikken naar de tegenwoordige wereld. Evenwel is er groot verschil tussen de verlating van Demas en de tijdelijke verlating van een kind des Hee¬ren.
Al wijkt het kind des Heeren tijdelijk van de Heere af, hij krijgt nooit in de grond van zijn hart de tegenwoordige wereld lief. Wel oefent de tegenwoordige wereld invloed op hem uit zolang hij op aarde ver¬toeft.
Maar hij kan het niet blijvend in de wereld uithouden. Al is hij uitgegleden, straks snakt zijn hart weer naar de levende God en Zijn dienst.
Gij zijt geen Demas, afgedwaald kind van God. Als het er op aankomt zijt gij liever bij Paulus in de kerker, dan bij Demas in de wereld.
Keer terug met schuldbelijdenis en ook deze storm zal u des Vaders Zoon noodzakelijker en dierbaarder maken.
Daar is een volk, dat zich het zalig aandeel in Christus bewust is en met gelovige toeëigening voor zichzelf daaruit mag leven, /ij reizen met de moorman hun weg met blijdschap. Maar geen der reizigers op het schip naar Jeruzalem komt zonder strijd binnen. Zolang de reis duurt, duurt de strijd. I )e drievoudige machtige vijand der ziel rooft hun steeds de vrede, zodat het heimwee naar Jeruzalem steeds sterker wordt al zien ze soms op tegen de Jordaan des doods.
Maar wie door genade in Christus mag zijn, die zal ook dan ervaren niet alleen te reizen en zal zalig aanlanden in het Jeruzalem, dat boven is en waarin voor Demas geen plaats was, omdat hij Paulus verlaten heeft en naar Thessalonica is gereisd.
Demas heeft mij verlaten
O Timotheüs bewaar het pand u toebetrouwd. Weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen. En zij zullen hun gehoor van de waarheid afwenden en zullen zich keren tot fabelen.
Maar gij, Timotheüs, wees wakker in alles. Wakker in alles, dat woord geldt ons in deze tijd. Verlating moet prikkelen tot nauwere toenadering. Waar de afval in onze dagen steeds groter wordt, daar moeten de kin¬deren Gods meer elkanders gemeenschap zoeken en begeren en krachtig beleven de genade, die in Christus Jezus is. Steeds groter zal de schare worden, die Demas zal volgen op reis naar Thessalonica. Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzel-ve verloochend hebben. Het zal steeds moeilijker worden een waar Christen te zijn in woord en wandel. En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Daarom zal de tegenwoordige wereld steeds meer mensen bekoren en de toekomende wereld zal al minder worden gezocht. Maar geen nood, de tegenwoordige wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheden en ook met al haar liefhebbers. De wereld der toekomst is aan de Christus Gods, die de Zijnen kocht met Zijn bloed.
Christenen van deze tijd, laat u daarom niet door Demas van het rechte pad aflokken, als hij spreekt van zilvermijnen en grote schat¬ten. Thessalonica is en blijft een gevaarlijke plaats. Wil toch geen schrede zijwaarts doen, maar blijf zorgvuldig in het rechte spoor, al zegt Demas ook, dat hij bij u behoort. Houdt het Jeruzalem, dat boven is in het oog.
Leeft door het geloof uit de schatten van de toekomstige wereld. Met
vrijmoedigheid kunt ge dan eens verschijnen voor uw Heere en
Koning. Wanneer gij met Demas ter zijde zoudt durven afwijken, en
met hem op reis gaan naar Thessalonica, zo zult ge eens met hem tot schande gemaakt worden.
Liefhebbers des Heeren: ziet op Demas en waakt!
En zet uw reis naar Jeruzalem voort met het lied op de lippen van
een getrouwe dienstknecht des Heeren:
'k Heb mijn weg met U begonnen,
Aan Uw leiding mij verpand:
Laat ik dan nooit onbezonnen,
Gaan verlaten Uwe hand.
'k Heb mijn woord aan U gegeven,
Om naar Uwe raad te leven;
Leid mij maar door 't smalle pad,
Naar de zalige, naar de zalige,
Naar de zalige hemelstad.
(Groenewegen)
AMEN