1 Johannes 4:10b 'Christus een verzoening voor onze zonden' ds. Jac. Wisse

1 Joh. 4 : 10b                Ds Jac. Wisse


Christus een verzoening voor onze zonden


Tekst:
"....en Zijn Zoon gezonden heeft, tot een verzoening van onze zonden."
                                          1 Joh. 4 : 10b


                                Ps. 92 : 1, 7
                                1 Joh. 4 : 7 - 21
                                Ps. 43 : 3  (ná de Schriftlezing)
                                Ps. 85 : 1, 4
                                Ps. 105 : 24
                                Ps. 103 : 9


Als de apostel der liefde van de liefde Gods getuigt, wijst Johannes in bovenstaande woorden op de hoogste en uitnemendste openbaring van die liefde. Hierin toch is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld. Aan die zending van Gods Zoon was een doel verbonden, en dat heilig doel en goddelijk oogmerk wordt kort en zakelijk omschreven met de woorden: "gezonden tot een verzoening voor onze zonden."
Hierbij dient vóór alle dingen te worden opgemerkt, dat voor het woord "verzoening" in de oorspronkelijke Griekse tekst verschillende woorden worden gebruikt, wat in onze taal steeds met hetzelfde woord wordt uitgedrukt.

Zo lezen we bijvoorbeeld in 2 Kor. 5 : 18 voor het woord "verzoening" een geheel ander woord dan in 1 Joh. 2 : 2 en 1 Joh. 4 : 10.
Beide woorden, zoals zij in het oorspronkelijke voorkomen, staan, wat de betekenis betreft, in verhouding tot elkander als oorzaak en gevolg. In het eerstgenoemde wordt scheiding ondersteld, in het andere ook schuld.
Zonder wegneming van de schuld kan van opheffing van de scheiding bij God, Die heilig en rechtvaardig is, geen sprake zijn. Ongerijmd is het daarom, volgens de leer van de Heilige Schrift, te willen spreken over verzoening van de zondaar met God, zonder daarbij de naadzakelijkheid van de voldoening te erkennen. 
Uitgaande van een geheel onjuiste en verkeerde voorstelling van zaken heeft dit sommigen doen vragen, of God dan minder barmhartig is dan mensen. Men stelt deze en dergelijke vragen met het oog op voorbeelden, welke men dan daarbij aanhaalt, voorbeelden namelijk, waaruit blijkt dat zelfs beledigde vorsten  meermalen vergeving aan hun onderdanen schonken, zonder voldoening te eisen.

Hierbij verliest men dan uit het oog, dat het in geen geval geoorloofd is, uit de daden van de mensen te besluiten over de daden van God. Als een koning gratie verleent aan een moordenaar, die door de rechter ter dood is veroordeeld, dan mag die koning overeenkomstig de wet van zijn land daartoe het recht hebben, doch in geen geval volgens de wet van 
God. 
Ieder, die dan ook bewustheid heeft van hetgeen de wet van God in dezen eist, zal toestemmen, dat in zo'n geval het recht zijn loop niet heeft. Die koning bewijst dan een gunst aan de misdadiger, maar ten kost van het recht.
Zoiets is onmogelijk voor Hem Die absoluut heilig en rechtvaardig is, en mitsdien zichzelf niet kan verloochenen. "God is liefde," schrijft Johannes, maar Hij is ook heilig en rechtvaardig. Zijn rechtvaardigheid heft Zijn liefde en Zijn liefde heft Zijn rechtvaardigheid niet op.
Gods deugden zijn niet met elkaar in strijd. Zij moeten wel onderscheiden worden, maar kunnen nooit gescheiden worden. Al de volmaaktheden van Zijn goddelijk wezen zijn in God één.
Waar de ware kennis van God ontbreekt, komt men, als natuurlijk gevolg, ook tot allerlei dwalingen in betrekking tot de leer der verlossing en van de weg der zaligheid.
Daaruit moet worden verklaard,  hoe het mogelijk is, dat zovelen zich op dezelfde Bijbel beroepen en toch, wat de opvatting van de waarheden van het heil betreft, zoveel van elkaar verschillen. Nergens wordt dit zo duidelijk openbaar, als in hetgeen de apostel Johannes hier omtrent Christus leert.

Het woord, hier door "verzoening" vertaald, onderstelt vijandschap, welke tussen twee partijen is ontstaan, die nooit anders kan weggenomen en opgeheven worden dan door volkomen voldoening. "Tot dit einde," zegt de apostel, "heeft God Zijn Zoon gezonden."
Door één mens kwam de schuld over allen tot verdoemenis (Rom. 5), omdat allen in die ene, namelijk Adam, begrepen waren. Door moedwillige en vrijwillige ongehoorzaamheid van God afgeweken, heeft de mens zichzelf en al zijn nakomelingen beroofd van al de heerlijkheid, waarmee zijn Schepper hem geschapen had.
Waar door de zonde alle gemeenschap met God voor de mens onmogelijk was geworden, heeft de Heere Zich echter over zondaren ontfermd.
Wat in de stilte der eeuwigheid was besloten, zien we in de tijd openbaar worden, eerst in de belofte en daarna in de vervulling.
Gods eniggeboren Zoon komt in de wereld, gezonden van de Vader tot een verzoening voor onze zonden.
Christus is God en mens. Hij treedt op als Borg en Middelaar. Hij zal volkomen aan Gods gerechtigheid voldoen. Daartoe stelt Hij Zich onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.
Hij neemt de schuld van al Zijn uitverkorenen op Zich. Voor de schuld zal Hij betalen, de straf der ongerechtigheid komt op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Waar dit alles is geschied, aan al de eisen van de wet is voldaan, de straf van de zonde is gedragen, getuigt dan ook de Heilige Geest door de mond van Paulus, dat Christus met één offerande in eeuwigheid heeft volmaakt allen, die door Hem geheiligd worden.

Is alzo  de schuld uitgedelgd en de oorzaak van de verwijdering weggenomen, dan volgt, wat ook met het woord "verzoening" kan worden uitgedrukt, de vrede met God. Geheel het leven, het lijden en sterven van Christus wordt eerst dan recht verstaan en in de juiste betekenis gevat, als we het zien in het licht, hier door Johannes aangewezen: "Christus een verzoening voor onze zonden."
Daarbij dient echter wel opgemerkt, dat we niet mogen doen, gelijk zo velen gedaan hebben en nog doen, door een toepassing te maken van de waarheid, welke met geheel de leer der heilige Schrift in strijd is.
Nooit kan de apostel Johannes met het woord "onze" allen hebben bedoeld. Het verband van de woorden wijst duidelijk aan, dat de apostel onderscheid maakt tussen mensen die uit de wereld, en mensen die uit God zijn.
Met laatstgenoemden bedoelt hij de gelovigen, die uit God geboren zijn. Deze hebben door het geloof deel aan Christus en aan al de door Hem verworven weldaden. Van deze getuigt de apostel, met insluiting van zichzelf: "Christus is een verzoening voor onze zonden."
Schijnbaar is hiermee in strijd, wat we in hoofdstuk 2 : 2 lezen.  Daar staat: "En Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de zonde, maar ook voor de zonde van de gehele wereld." Dat hier door "gehele wereld" niet bedoeld kan zijn alle mensen hoofd voor hoofd, wordt duidelijk in geheel deze brief, waarin het onderscheid tussen kinderen Gods en kinderen des duivels (hoofdstuk 3 : 10) zo scherp mogelijk getekend wordt.
De opvatting, dat Christus een verzoening zou zijn voor alle mensen, wordt vervolgens door heel de Schrift veroordeeld. Ons bestek laat echter niet toe, dit in den brede te betogen. We wijzen, om slechts iets te noemen, daartoe alleen op de betekenis van de naam Jezus. Die naam moest de Verlosser drage; want zo lezen we: "Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden."
En in Zijn hogepriesterlijke bede horen we Christus Zelf getuigen: "Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt."

"Alle" betekent in de heilige Schrift meermalen: allerlei. En in die zin hebben gelovige schriftuitleggers de woorden van deze apostel steeds opgevat: Christus is een verzoening voor allerlei mensen, niet alleen  voor Joden, maar ook voor heidenen. Wat nu aan allen zonder onderscheid wordt gepredikt, als de hoofdinhoud van het evangelie, waarmee Christus Zijn dienaren heeft uitgezonden , dat zien we in dadelijkheid ten deel worden aan al Gods uitverkorenen.
De openbaring Gods aan allen is daarom nog geen openbaring Gods in allen.
Misvatting van een allergewichtigste waarheid als deze leidt noodwendig tot de treurigste gevolgen, én voor zich én voor anderen.

Met deze opmerking komen we als vanzelf tot bespreking van de volgende vragen:
1. Hoe komt men tot een juist inzicht van de noodzakelijkheid van Christus?
2. Wat doet Christus zo dierbaar zijn voor de gelovigen?
3. Waaruit moet het worden verklaard, dat zovelen een Christelijke belijdenis voorstaan, zonder enig blijk te geven, dat zij de noodzakelijkheid van Christus kennen, of dierbaarheid in Zijn persoon zien?

Om tot een juist inzicht van de noodzakelijkheid van Christus te komen, is nodig te weten, waartoe ieder kind van Adam Christus nodig heeft.

Dit wordt ons duidelijk, als wij letten op de drie ambten, waartoe Christus is gezalfd, namelijk tot Profeet, Priester en Koning. Door de zonde verblind, kan alleen Christus door Zijn Geest en Woord de zondaar onderwijzen en recht  doen verstaan, wat het zegt, va nature dood te zijn door de zonden en misdaden. Bekend geworden met zijn zonde en ellende, is alleen in en door Christus een bevredigend antwoord mogelijk op de vraag, of er nog een middel is, om de straf, op de zonde bedreigd, te ontgaan en wederom tot genade te komen. Waar grondige zelfkennis ontbreekt, kan men met een historisch geloof de waarheid toestemmen, maar in werkelijkheid de bewustheid omdragen van de noodzakelijkheid van Christus is onmogelijk. Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.

Daarenboven is het eigen aan de vijandige natuur van de mens, hulp en heil te zoeken buiten Christus, zo lang mogelijk.
Ware behoefte aan verlossing, honger en dorst naar de gerechtigheid is geen vrucht van eigen akker, maar alleen en uitsluitend van de Geest Die levend maakt.
Aan verzoening met God ontstaat dan eerst behoefte, als men zich bij goddelijk licht als een vijand van God leert kennen.
Is Christus de gelovigen dierbaar - de verklaring hiervan kan zeer uitgebreid worden omschreven, doch zij is kort samen gevat in de woorden: "Hij is een verzoening voor onze zonden." Dit houdt in, dat Christus niet alleen de hoogste Profeet en Leraar is, Die ons de verborgen raad en wil van God, tot zaligheid geopenbaard, verklaart, maar ook, dat Hij de enige Hogepriester is, Die de Zijnen met de enige offerande van Zijn lichaam heeft verlost, en Die eeuwig leeft om voor hen te bidden.
Zalig geworden is hope, is dit de enige troost, beide in leven en sterven, voor al het volk van God, te kunnen en te mogen getuigen: "Niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus' eigen te zijn." Daartoe gaf Christus Zich over tot in de dood des kruises, daartoe leed en stierf Hij, opdat Hij met Zijn bloed verzoening zou doen voor de zonden van Zijn volk. Zo ziet de gelovige in Christus de verdienende oorzaak van alle zaligheid. Door Hem is de toegang ontsloten door één Geest tot de Vader. In Hem is de bedekking van alle ongerechtigheid. Vandaar de roemtaal van het geloof, die doet zeggen: "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest."
In dat geloof juicht een Petrus in het gezicht van een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, in  de hemelen bewaard, als hij zegt: "Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden."

Daartegenover moet het ons niet verwonderen, dat zovelen een Christelijke belijdenis voorstaan, zonder enig blijk te geven, dat zij de noodzakelijkheid van Christus kennen of dierbaarheid in Zijn persoon zien. Al wat louter historisch geloof en tijdgeloof is, heeft dit tot kenmerk: Overeenkomst in het uitwendige met het zaligmakend geloof, maar groot verschil, wat betreft het inwendige. Hoe ver historische kennis echter ook gaan kan, nooit brengt zij levensvrucht voort. Deze is alleen uit Christus, door de Heilige Geest.
De prediking: Christus een verzoening voor onze zonden, houdt daarom in een allerdierbaarst evangelie, doch wat als zodanig voorwerpelijk wordt gepredikt, moet onderwerpelijk worden toegepast, zullen we niet slechts de waarheid belijden in een algemene zin, maar met insluiting van onszelf de zalige vrucht genieten van dat goddelijk, onschatbaar en ondoorgrondelijk getuigenis, dat Christus een verzoening is voor onze zonden.

Onze tekst blijkt een goudmijn. We trachten er nog wat dieper in af te dalen. We doen dit door dit goddelijk getuigenis te overdenken
a - in betrekking tot geheel de heilige Schrift
b - in betrekking tot de wereld
c - in betrekking tot de kerk van de Heere
d - in betrekking tot ieder gelovige in het bijzonder.
In betrekking tot geheel de heilige Schrift kan niet alleen, maar behoort ook dit getuigenis van de Heere te worden aangemerkt, aangezien de leer van de verzoening zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament het middelpunt is, waar alles zich om beweegt. Reeds in de paradijsbelofte geopenbaard, door de aartsvaders geloofd, in de Mozaïsche wetten, aan Israël gegeven, aanschouwelijk voorgesteld, door Gods heilige profeten nader verklaard, zien we in de volheid des tijds alles dienovereenkomstig in vervulling treden.

De door God beloofde en door Israël zo lang verwachte Verlosser komt. in de rol des boeks was van Hem geschreven. Zeer uiteenlopend en verschillend was het antwoord, dat de mensen gaven op de vraag: Wat dunkt u van de Christus?
In die verschillende antwoorden openbaarden de mensen, wie zij zelf waren. Slechts een klein kuddeke, een gering getal bewees metterdaad Christus te kennen in het doel, waartoe Gods Zoon als de Gezondene des Vaders op aarde kwam, namelijk tot een verzoening voor de zonden van Zijn volk.
Bij al het licht, in de profetie ontstoken, en bij al de glans, waarmee de Zon der gerechtigheid ter kimme verrees, bleef het den wijzen en verstandigen der wereld verborgen, wat alleen den kinderkens wordt geopenbaard.
En toen de Zaligmaker Zijn Middelaarswerk op aarde had volbracht, en Zijn apostelen zijn uitgegaan om het evangelie der genade alom den volke te verkondigen, is het middelpunt en de hoofdzaak van hun prediking, gelijk uit al de apostolische brieven blijkt: "Jezus Christus en Die gekruist."

Daarom was de schaduwdienst onder Israël zo indrukwekkend, omdat de heilige symboliek steeds heenwees naar het middelpunt van de heilsopenbaring, allerduidelijkst voorgesteld in het ingaan van de Hogepriester, eenmaal in het jaar, in het binnenste heiligdom, met het bloed der verzoening.
Daarom was de inhoud van de profetische redevoeringen zo heilvol en troostvol voor de oprechte gelovigen van die dagen, omdat, zelfs bij de aankondiging van de zwaarste oordelen, de Heere daarbij steeds aan Zijn overblijfsel gedachtig bleef, en aan dat overblijfsel telkens bij vernieuwing de belofte deed, dat de Verlosser zou komen, die de ongerechtigheid van Zijn volk verzoenen zou.

Daarom ook was het optreden van de voorloper en wegbereider van de Messias zo aangrijpend, omdat die grote boetprediker het Lam van God aanwees, Dat de zonde der wereld draagt.
En als daarna 's Heeren apostelen uitgaan, beginnende van Jeruzalem, om alom te prediken en enige Naam, onder de hemel tot zaligheid geopenbaard, dan leert ons de geschiedenis, welk een kracht, door de werking van de Heilige Geest, van die prediking is uitgegaan, enig en alleen daarom, omdat die prediking beantwoordde aan de behoefte van het 
zondaarshart.

De prediking: "Christus een verzoening voor onze zonden" is een openbaring in de wereld, geheel enig in woord en doel. Immers, zij is de hoogste openbaring van Gods eeuwige liefde en ontferming jegens doodschuldige zondaren. Zij is een openbaring vol heilgeheimen, zo groot en zo diep, dat zelfs de engelen begerig zijn om in te zien in dat goddelijk mysterie, dat het verstand van engelen en mensen oneindig ver te beven gaat.
Wat verstand en vernuft van de wijste van alle schepselen niet kan uitdenken, dat zien we door God Zelf geopenbaard en daar gesteld: De hemel met de aarde en de aarde met de hemel in verbinding gebracht, door de enige Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus. Wat een ergernis is voor de Jood en een dwaasheid voor de Griek, is een kracht Gods tot zaligheid voor allen, die geloven.

Christus is het Licht der wereld, het Licht, dat schijnt in de duisternis, maar de duisternis begrijpt dat Licht niet.
Dit bewijst, hoe ontzettend de macht van het ongeloof, de macht van de zonde is. Het enige middel, tot redding van verlorenen geopenbaard, wordt in de wereld niet geacht.
Terwijl de dood wenkt, met de dood..... Met de dood 's mensen lot voor eeuwig onherroepelijk wordt beslist, en het vast staat, dat de toorn van God zal blijven op alle ongehoorzamen, tart de mens in zijn blindheid de rechtvaardige wraak van God, spot hij met de ontzaglijke oordelen van de almachtige en rechtvaardige God, en toont alzo met sprekende daden, doof en blind te zijn voor het evangelie der verzoening.

Alleen Gods soevereine genade, Zijn eeuwig vrije gunst kan het oog verlichten en het hart doen verstaan, wat het zegt: "Jezus Christus, Gods Zoon, is een verzoening voor onze zonden."  Te midden van een wereld, die in het boze ligt, treedt de kerk des Heeren op, om dit heil alom te openbaren.
Als draagster en bewaarster van de goddelijke waarheid, gaf haar Hoofd en Koning haar de opdracht, dit aan alle volken te prediken. Dit kenmerkt haar als wettige openbaring van het lichaam van Christus, waar zij overeenkomstig het Woord van de Heere, met last en macht, niet aan mensen, maar aan Christus Zelf ontleend, met de zuivere prediking van dit evangelie optreedt. Daarvan ten volle bewust, schreef een Paulus aan de gemeente te Korinthe: "En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft, door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en Hij heeft het Woord der verzoening in ons gelegd."
Geheel de bediening van het evangelie wordt de bediening der verzoening genoemd, omdat de verzoening de hoofdinhoud van alles is.

In en door die bediening der verzoening wordt de luister van al Gods deugden openbaar. Daarin en daardoor wordt God de Heere het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd.
Alle roem van 's mensen zijde wordt hierdoor afgesneden, en geheel Gods Sion juicht ter ere van de verhoogde Middelaar der verzoening: "Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht."
Hebben Gods heiligen van vroeger eeuwen de kerk geroemd als de stad van de grote Koning, en van haar getuigd: "God is in het midden van haar," - ook onder de bediening van het Nieuwe Verbond belijden alle oprechte gelovigen de gemeenschap der heiligen. Niet minder dan voor de vromen onder de oude dag is ook nu nog voor al het volk van God de dienst des Heeren een aantrekkelijke, een beminnelijke, een boven alles dierbare dienst. Als een heilig volk en een verkregen volk, een koninklijk priesterdom, geroepen om te verkondigen de deugden Desgenen, die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, is alle oefening daarvan vervroegde zaligheid. Al komen ze dan uit verre landen, hun harten smelten dan ineen. Dan is er tijd noch plaats voor de vraag, wie toch de meeste is; want dan acht de één de ander uitnemender dan zichzelf.
Dan is Christus alles, Hij alleen, Hij volkomen. Geen  ander offer kon voor de zonde gelden. Alleen in Zijn offer heeft God een welbehagen.

Dat is gebleken in de opstanding van Christus uit de doden. Dat is bevestigd door de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag, en dit wordt nog steeds bewaarheid in ieder zondaar, die wordt toegebracht tot de gemeente die zalig wordt.
Geen wonder dan ook, dat ieder gelovige in het bijzonder, in meerdere of mindere mate, het evangelie der verzoening kent en liefheeft.
Geen wonder, dat ieder door Gods Geest ontdekte zondaar van geen ander evangelie wil horen.
Al is het evangelie der verzoening geen evangelie naar de mens, alleen dit evangelie beantwoordt aan al onze behoeften.
Wat de wijsheid der heidenen niet heeft gekend, en wat de wijsbegeerte der mensen niet heeft kunnen uitvingen, dat wordt in het eeuwig blijvend Woord van God ons geleerd: dat Christus een verzoening is voor onze zonden. Daarmede is de vraag afgesneden, of uw zonden ook te groot of teveel kunnen zijn; want het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden.
Voor ieder, die God op Zijn Woord wil geloven, kan er geen sprake zijn van wanhoop. Daartoe komt de nodiging Gods tot zondaren, om toevlucht te nemen tot het bloed der verzoening. Er is geen andere weg, er is geen ander middel, om te ontkomen aan het eeuwig verderf.

Voor hen, die het bloed van het Nieuwe Testament onrein hebben  geacht, blijft geen slachtoffer meer over voor de zonde. Vreselijk zal het zijn, te vallen in de handen van de levende God.
Onderworpen aan duizenderlei smarten en ellenden vanwege de zonde, zoekt de arme mens van nature zijn heil en zijn troost buiten God. Men zoekt afleiding in allerlei ijdelheid, om de moeiten en duisternissen van het leven et verdrijven. Men klaagt, men strijdt, men worstelt van eeuw tot eeuw en van geslacht tot geslacht, zichzelf vleiend, dat het nog eens beter zal worden. Maar nee, het wordt op deze aarde niet anders. De zonde duurt voort, en met de zonde blijven ook de gevolgen van de zonde voortbestaan.
Nu wordt hierin, en dan weer daarin de oorzaak gezocht van zoveel algemene ellende, maar alleen de zonde is oorzaak van alle tranen en van alle verdriet.
En van wat stand of leeftijd ge ook zijt, er kan onmogelijk ware rust en vrede in uw ziel zijn, zolang gij de bewustheid mist, met God verzoend te zijn door de dood van Zijn Zoon. Eén wenk van Gods almacht was genoeg om de goddeloze koning Belsazar te doen trillen als een riet. Eén wenk van de Almachtige en alle aardse en ijdele vreugde is in droefenis en weemoed veranderd. Eén wenk van Hem, in Wiens hand aller leven en adem is, en de sterkste moet smelten als sneeuw voor de zon. Met één wenk van Zijn alvermogen maakt de Heere de leugengeest beschaamd, doet Hij de spotter verstommen, en zien we alle wijsheid van mensen in dwaasheid veranderd.

Daaruit blijkt op afdoende wijze, hoe gelukkig, hoe rijk gezegend het volk is, dat met de profeet uit Israël kan zeggen: "De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen."
Tegenover al de eisen  van Gods heilige wet, tegenover al de lasteringen van de satan, tegenover al de beschuldigingen van uw geweten kan alleen dit bemoedigen en troosten, als ge met gelovige toeëigening het apostolisch woord tot het uwe moogt maken: "Christus is een verzoening, ook voor mijn zonden." Dan ziet u in uw Borg en Middelaar uw zonden gestraft. Dan ziet u in Hem uw rechtvaardigheid voor God. Het handschrift der zonde, dat tegen u was, is dan aan het kruis verscheurd, en ook voor u riep uw Verlosser met stervende lippen aan het vloekhout op Golgotha: "Het is volbracht!"
Waar nu de oorzaak van alle vijandschap is weggenomen, heil en vrede door Christus is aangebracht, en u uit genade bent aangenomen om Christus' wil tot een kind van God, daar staat de belofte van de Heere eeuwig en onwrikbaar: De Heere zal u niet begeven, noch verlaten.

Wat u aanvankelijk leerde verstaan, toen de Heere u trekken, leiden en onderwijzen kwam, dat zal nog de grondtoon uitmaken van uw zwanenzang op aarde: "Christus een verzoening voor mijn zonden!"
In dat zalig bewustzijn vreest u dood noch eeuwigheid. Dan leeft en sterft u voor rekening van Hem Die met Zijn dierbaar bloed u kocht.

En wat vijand u het recht wil betwisten op het hemelse Kanaän, op die zalige erfenis - geen nood; want de Heere getuigt in Zijn Woord in betrekking tot de Middelaar der verzoening: "Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven."
Daarvan verzekerd en ten volle bewust, juicht Gods strijdend en lijdend Sion: "Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altijd Hem zou vrezen."
Amen.