HET VOORTDUREND GEBED
Ps. 123 : 1
Lukas 11 : 1 - 13
Ps. 141 : 1, 2
Ps. 66 : 3, 10
Ps. 147 : 6
Ps. 81 : 12
Paulus had door Timotheüs bericht ontvangen van de gemeente te Thessalonica in Macedonië. Naar aanleiding van dit bericht besloot hij aan die gemeente, welke hem lief en dierbaar was, en welke hij om de vervolging had moeten verlaten, deze brief te schrijven. Daarin spreekt hij eerst zijn blijdschap uit met dankzegging aan God, over de standvastigheid in het geloof, welke trots al de mishandelingen, welke de gelovigen moesten ondergaan, door 's Heeren genade in haar gevonden werd.
Doch ook grijpt hij tevens deze gelegenheid aan om zonden, welke nog bij haar gevonden worden, te bestrijden en haar de rechte weg van de ware godzaligheid te wijzen, haar te vermanen om haar wettige leraren de verschuldigde achting, liefde en eerbied te bewijzen, terwijl hij er tevens op aandringt, dat de lediggangers weer aan de arbeid zullen gaan. En waar er ook verkeerde begrippen in haar zijn door gedrongen omtrent de opstanding - dat zij zeer nabij was en dat dan degenen, die nog tijdens dat laatste oordeel levend zouden zijn overgebleven, grote voorrechten zouden genieten dan degenen, die reeds ontslapen waren, daar zal hij haar nu ook tevens nader omtrent dit dwaalgevoelen onderwijzenm gelijk wij dit in het einde van het vierde en in het begin van het vijfde hoofdstuk vinden. Vervolgens wijst hij haar ook aan, hoe zij in plaats van zich met zulke dingen bezig te houden, heeft te verkeren, te handelen en te wandelen.
Vandaar dan ook dat deze brief eindigt met een reeks vermaningen, een hartelijke wens, de gebruikelijke groeten en de apostolische zegen.
Onze tekst is dus genomen uit het vermanend gedeelte, dat wij dachten zeer gepast te zijn.
Wij toch ook zijn van onszelf niet beter dan de Thessalonicensen, doch hebben er evenzeer telkens behoefte aan om van 's Heerenwege ook zelfs tot het gebed opgewekt te worden. Welaan, beluisteren wij dan ook alzo deze apostolische vermaning, waar wij tot u gaan spreken over:
Het voortdurend gebed
I waarin dit bestaat;
II hoe noodzakelijk dit is;
III welk een weldaad dit genoemd mag worden;
IV welk een heil daarin gelegen is;
V hoezeer het strekt tot eer van God.
Gelijk wij reeds met een enkel woord lieten doorschemeren, is voor de mens, die in alles van de Heere zo diep afhankelijk is, is niets zo onmisbaar als het voortdurend gebed tot de Bron en Oorzaak van alle zegeningen, welke wij voor lichaam en ziel behoeven, dat Hij ze ons genadig schenke. En toch, onverminderd dit, is er niets dat zo weinig in waarheid bij de mens, vaak zelfs bij het kind des Heeren gevonden wordt, als dit gebed, waarop Paulus hier doelt.
O zeker, voorzover men niet van alle godsdienstzin ontbloot is, of ook uit kracht der gewoonte of der opvoeding, vouwt men op gezette tijden de handen, sluit men de ogen en spreekt men enige woorden, welke óf van buiten geleerd zijn, óf voor de aandacht komen, en waarbij de één al schoner verhaal van woorden gebruikt dan de ander, waarop men ten laatste een plechtig amen volgen laat, menende daardoor aan de plicht des gebeds te hebben voldaan.
Maar, zo vragen wij op onze beurt: Zou dat alles inderdaad reeds bidden genoemd mogen worden, een gebed de Heere aangenaam?
De Heere toch, Die niet ziet gelijk de mens ziet, is niet slechts met woorden of blote vormen te behagen, daar Hij ook bij de bidder het hart aanziet. Wat heeft dan ook het kind des Heeren zelfs zich vaak in dit opzicht te beklagen en te beschuldigen, want ach, wat is het gebed vaak een taak voor hem in plaats van een lust; hoe dikwerf moet hij er als toe gedrongen worden, in plaats dat het hem een behoefte des harten is.
En dan nog, hoe koud, gevoelloos, vervuld met allerlei verstrooiende, afleidende, goddeloze of gruwelijke gedachten of inwerpsels kan hij soms zijn, schandelijk ook om te zeggen. Hoe wordt hij somtijds onder die heiligste verrichting zijn diep verderf en vijandschap gewaar. Niet zelden is hij geheel vergeten tot Wie hij spreekt, of wat hij van Hem begeert.
Dit nu moge vreemde taal zijn voor hen, die nog leven zoals zij geboren zijn, naar het goeddunken van hun hart en zondig vlees, alsook voor de eigengerechtige farizeeër en naamchristen, voor hen, die ontbloot zijn van het genadewerk des Geestes in de mens, nochtans is het evenwel de droeve ervaring van Gods volk en kinderen, waarover zij zich dikwerf bij de Heere moeten aanklagen en zich voor zichzelf en hun medemensen schamen, waar zij het ook in dit opzicht ondervinden, wat Paulus zeggen deed: "Indien ik het goede doen wil, zo ligt het kwade mij bij."
En o zeker, ook hier zijn goede gewoonten verre te verkiezen boven kwade, en nooit mag door ons het bidden, al is het ook vorm, worden nagelaten, alleen zien wij toe er niet van te maken, noch te verwachten, wat er niet van gemaakt, noch verwacht kan worden.
Zal het van ons, evenals van Saulus kunnen gelden, wat de Heere zegt: "Want zie, hij bidt," dan is er, al geschiedt het dan ook onder talloos vele aanvallen en bestrijdingen, iets anders aanwezig dan blote vorm, uitwendig vertoon. En dit komt te meer uit, daar de Heere, ofschoon Hij lette op de stem van Ismaël, op Achab, de Ninevieten e.a., zelf door de profeet doet getuigen: "Uw gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed."
Om bidders te zijn in geest en waarheid, bidders Gode aangenaam, is het nodig door Gods Geest met onze noden en behoeften bekend te zijn gemaakt, die te gevoelen, en daardoor werkzaam ermee te wezen. Dan hebben wij de Geest der genade en der gebeden nodig, die naar God voor de heiligen bidt en zelf in hen bidt en zelf in hen bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Dat is het gebed dat door God naar Zijn eigen belofte zeker verhoord wordt. En zulke bidders ontvangen de vervulling van hun behoeften, niet om de waardigheid van zichzelf, of van hun gebed, nee, maar wat God geeft te vragen, dat schenkt Hij, evenals Hij ook zeker elke door Hem gewerkte behoefte vervult. Maar dan zal ook elk waar gebed een gebed zijn in Jezus' Naam, dewijl de bidder het verstaat in zichzelf voor God niet te kunnen bestaan, noch verhoring te kunnen verkrijgen. Dat zal dan in waarheid een komen zijn tot de troon der genade, welke alleen in Jezus ontsloten is, en dan heeft Hij Zelf gezegd en Hij zal Zijn Woord vervullen: "Al wat gij de Vader bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven."
Het ware gebed is dus het door de Heilige Geest gewerkte, geleerde, gegeven gebed, waarom het ook voor ons, van wie het woord van Paulus geldt "dat wij niet weten te bidden, gelijk het behoort," noodzakelijk is, die Geest te bezitten en telkens, evenals de jongeren, tot de Heere te gaan met de vraag"Heere, leer ons bidden" zoals ons uit Lukas 11 is voorgelezen.
Dat ware bidden dan ook bestaat in het zonder achterhouden openstellen van het ganse hart met al zijn zonden, schulden, noden, behoeften, zorgen, bezwaren en begeerten voor lichaam en ziel voor het aangezicht van de Heere, waarbij men, ofschoon men het onwaardig is, alleen om de verdiensten van Christus de vervulling van alle lichamelijke en geestelijke nooddruft alleen van God begeert en verwacht. En zo, wil nu Paulus zeggen in onze tekst, behoort het, zal het wel met ons zijn, niet slechts zo nu en dan, maar steeds, gedurig, altoos, in elke levensomstandigheid, bij elke nieuwe behoefte, te geschieden.
Waar dan ook ons leven zo rijk is aan behoeften, welke elke minuut aanwezig zijn, daar gevoelt gij het dat dit gebed eigenlijk geen ogenblik kan gemist worden.
Mene nu echter niemand, dat, waar eer zoveel door ons in dit leven moet gedaan worden, dit voortdurend gebed een onmogelijkheid zijn zou, omdat daar geen tijd of gelegenheid voor is. Dit gebed toch kan gedaan worden bij arbeid en rust, in het openbaar en in het verborgen. Nehemia bad zowel in het eenzame in des konings paleis, als waar hij voor de koning stond en deze tot hem sprak. Jona riep uit de vis, Daniël uit de leeuwenkuil tot de Heere. David bad op zijn leger, Paulus en Silas in de gevangenis, Stefanus waar de moordende stenenregen op hem neerdaalde. Paulus vermaant dus niet tot het onmogelijke, maar tot hetzelfde wat hij in zijn brief aan de Kolossensen noemt "een sterk aanhouden in het gebed," en in die aan Efeze "een te allen tijd bidden in de Geest."
Zo sprak Luther van schietgebeden, welke ten allen tijde konden gedaan worden, en de ouden van bidden met de pet op.
Talrijke voorbeelden zouden nog daarvoor bij te brengen zijn, waartoe ons nu de tijd ontbreekt. Dat bidden dan zonder nalaten, dat voortdurend opzien tot de Heere in het gevoel van eigen onbekwaamheid en afhankelijkheid, waarbij men alles van Hem verwacht, die wel niet om, maar nochtans op het gebed zich ontfermt; dat steeds Hem inroepen en dagelijks gevonden worden aan Zijn genadetroon met al onze behoeften, zodat men daarin niet vertraagt, al schijnt het ook tevergeefs te zijn, is dan ook onmisbaar noodzakelijk.
II
En dat was het niet alleen voor de Thessalonicensen, voor de kerk des Heere in het algemeen, voor elk van 's Heeren kinderen in het bijzonder, ja voor elk mens, maar ook nu naar de gelegenheid , voor de studenten en docenten.
Bedenk met hoeveel moeilijkheden de leraren hebben te worstelen, niet alleen bij hun eigen voorbereidende studiën, maar ook bij het onderwijs dat zij te geven hebben.
Wat een geduld, tact en bekwaamheid wordt er van hen gevorderd bij het volbrengen van hun taak. Hoeveel is er dat hen kan ontmoedigen of teleurstellen, en wat zal nu de uitkomst zijn van dat alles?
Hoe blijkt dan ook voor hen de noodzaak van het voortdurend gebed, voor henzelf en voor hun studenten.
Niet minder is het voortdurend gebed ook noodzakelijk voor de studenten.
Wat is het veld van de wetenschappen uitgestrekt. Dat moet overzien worden.
Veel vakken moeten bestudeerd worden.
De studenten moeten zich veel vaardigheden eigen maken.
Het is geen wonder dat ze weleens vragen: Wie is tot al deze dingen bekwaam?
Ziende op zichzelf is het ook niet te verwonderen, dat hun vaak schier alle moed ontzinkt.
Hoe noodzakelijk is het dus voor hen om dagelijks de Heere te smeken, dat Hij hun de nodige vrijmoedigheid, bekwaamheid, wijsheid, kracht, lust en opgewektheid schenke, en hun een goed geheugen en een scherp oordeel verlene.
En niet minder is het noodzakelijk voor curatoren, waar zo grote verantwoordelijkheid op hun schouders rust.
Welk een getrouwheid dient door hen betracht te worden, waar zij geroepen zijn, om over het gehoorde te beslissen zonder aanzien des persoons. Zij hebben toch zo'n dure roeping te vervullen tegenover de Heere, de kerk, hun eigen geweten en de studenten.
Maar ook, gemeente des Heeren, is het voortdurend gebed voor u noodzakelijk voor de leraren van de school, de curatoren, de studenten en al de arbeid, die staat verricht te worden.
Want niet alleen hebt gij de roeping om de Heere van de oogst te bidden, dat Hij arbeiders in Zijn wijngaard uitstote, maar ook om nu en steeds, zowel in uw openbaar als verborgen leven, zowel in uw samenkomsten aan de plaats des gebeds, als in de huiselijke kring, al de behoeften van onze school voor het aangezicht van de Heere te gedenken, en alzo de wet van Christus, welke een liefdewet is, te vervullen, door elkanders lasten te dragen.
Teveel toch wordt over het algemeen dit in de kerk des Heeren vergeten. Veel te weinig wordt vaak deze behoefte gevoeld. Men schuift zo gemakkelijk deze roeping van eigen schouders, om die op docenten, studenten en curatoren over te brengen, maar toch wordt gij, volk des Heeren, hierdoor niet ontheven van deze liefdeplicht.
Onderzoeken wij daarom onszelf, of wij in dit opzicht vrijuit gaan.
Is de Theologische School ons een voorwerp van gedurige gebedsbehoefte?
Bedenken wij toch: De School heeft, hoe onmisbaar deze ook zij, niet slechts behoefte aan uw geldelijke, maar voor en boven alles aan uw liefde en gebed.
U draagt mede de verantwoordelijkheid van die School en van de dienaren des Woords, die vandaar komen zullen.
Daarom, broeders en zusters, vergeet haar niet in uw gebeden, maar wilt haar met haar behoeften gedenken voor het aangezicht van de Heere, aan de troon der genade.
Gunt onze leraren, de studenten en curatoren een plaats in uw gebed. Draagt hun zorgen met u in uw bidvertrek, opdat het ook in dit opzicht van u gelden mag, als van de eerste christengemeente te Jeruzalem, dat zij "dagelijks volhardende was in het smeken en bidden."
Weet toch, dat het welzijn van de kerk middellijk voor het grootste deel afhangt van de bloei van de School. Daar worden de mannen opgeleid, die u en uw kinderen zullen voorgaan, leren en onderwijzen.
Daarom vraagt de Heere, dat Hij daar mannen geve vol van geloof, en vol van de Heilige Geest - mannen die hun lichaam en ziel hebben overgegeven voor de Naam en zaak en dienst van de Heere, opdat zij straks met de nodige en onmisbare wetenschappen en bekwaamheden toegerust, de herdersstaf onder u mogen opnemen, en alzo arbeiders bevonden worden, die niet beschaamd worden, maar die het woord der waarheid recht snijden.
Maar waar dit voortdurend gebed zo noodzakelijk is, wat is het daar een onuitsprekelijke weldaad, dat de Heere er ons toe roept.
III
Waar de noden en behoeften zo vele zijn en zich steeds vermenigvuldigen, daar wijst de Heere Zelf hier de weg waarheen wij er ons mee begeven, waarheen wij er mee komen mogen.
O zeker, niet zelden tracht satan ons die weldaad te betwisten, vaak tracht hij er de behoeftige van terug te houden door allerlei leugenachtige inwerpselen en bestrijdingen. Niet zelden tracht hij ons wijst te maken, dat dit of dat te gering is om het van de Heere te vragen, dat de Heere naar zulke aardse en tijdelijke behoeften niet hoort, of ook dat wij door noeste arbeid, door ijverig studeren, het zelf maar moeten beproeven te verkrijgen wat wij van node hebben, daar het toch veel te gemakkelijk is om het met bidden klaar zien te krijgen, even alsof voor de ware bidder bidden, denken en arbeiden niet bij elkander behoorden. Dan wijst hij er weer op dat alle roepen toch tevergeefs is, want dat wij dan niet zolang hadden behoeven te wachten, maar reeds hadden verkregen wat wij begeren.
Dan weet tracht hij ons wijs te maken, dat God veel te groot en wij veel te nietig zijn, dan dat Hij bemoeienis met ons zou willen nemen; dat wij veel te onrein en onwaardig zijn om voor Hem te verschijnen.
Driewerf heil echter, dat nu tegenover dit alles en nog oneindig veel meer, ook waar satan zegt dat het niet aangaat, om, terwijl wij de Heere zo vaak en zo dikwerf midden kunnen, nu, waar de nood dringt, ons tot Hem om hulp, redding en uitkomst te begeven, de Heere ons Zelf in Zijn Woord toeroepen doet: "Bidt zonder ophouden."
Daarmee toch komt de Heere Zelf de leugenaar op de mond slaan. Hij toch doet het ons door diezelfde Paulus ook elders toeroepen: "Laat uw begeerte in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God."
O welk een weldaad dus, dat de Heere, ook door het woord van onze tekst, ons, alles verbeurd hebbende zondaars, die in alles van Hem zo diep afhankelijk zijn, roept om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade. Waar dan ook de behoeftige, ziende op eigen onwaardigheid, Gods grootheid en heilig recht, daarbij gedrukt door talloze bestrijdingen, van verre zou blijven staan,, daar nodigt de Heere hem hier tot naderen en spreekt hem evenals oud-Israël door de mond van Jeremia bemoedigend toe: "Daarenboven zal Ik hierom van den huize Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe."
Wij behoeven dus niet eens in een schoon verhaal van woorden, noch met lange gebeden voor Hem te verschijnen, zoals de geveinsden doen, nee, wij mogen onze behoeften zó voor Hem neerleggen, als ze in onze harten gevonden worden. Daarom zei de Heere door de dichter: "Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen."
Ook met het oog op de arbeid, welke staat verricht te worden, roept Hij ons toe: "Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die mildelijk schenkt en niet verwijt."
Tot dit dagelijks gebed roept Jezus ons ook, waar Hij de bede om dagelijks brood midden in het allervolmaaktste gebed plaatst. Ja de Heere ziet als een liefhebbend, zorgend God, de Zijnen alzo gaarne dagelijks voor Zich. Zulk een afhankelijk leven is een Hem welbehagelijk leven, dewijl Hij daarin Zijn werk der genade in hen aanschouwt.
Nog eens dus: welk een weldaad voor ons, kinderen der behoefte, die ieder ogenblik elke weldaad verzondigen, dat de Heere, om het genoegdoen Zijns Zoons, hun hier komt verzekeren, dat Hij naar hun roepstem wil luisteren en die ook zal verhoren. In Hem toch, de enige Hogepriester onzer belijdenis, de Borg en Middelaar is de toegang ontsloten.
Daarom, bidder, gij behoeft God niet te bewegen, noch iets mede te brengen tot uw gebedsverhoring, want daartoe is God in Zichzelf bewogen en alles wat daartoe nodig was, is door Jezus verdiend. Hij is het, Die evenals het altaar de gaven heiligt, uw zondig, stamelend gebed op Zijn hogepriesterlijke voorbede de Vader voordraagt tot een liefelijke reuk, om wiens wil gij verhoring verkrijgt. Zo dan ook doet de Heere het ons hier aanzeggen, dat wij alzo nooit te dikwijls, maar wel te weinig tot Hem kunnen komen, nimmer teveel van Hem begeren kunnen.
O, welk een weldaad, dat Hij het hier zelf getuigt, niet moede, noch mat te worden om naar uw geroep te luisteren ; dat wij steeds met onze noden tot Hem komen mogen. Dit wijst ons dan ook op het heil in deze woorden gelegen.
IV
Want toch ofschoon de Heere als Opperheer, van Wie wij zo diep afhankelijk zijn, daarop het volste recht heeft, wil Hij niet slechts dat wij Hem in en tot alles zullen erkennen, maar belooft ook op die gebedsweg allerlei heil en zegen voor lichaam en ziel te schenken. Nog nooit toch heeft Hij tot het huis van Jakob gezegd: Zoek Mij tevergeefs.
Integendeel, want zo doet Hij ons in Zijn Woord horen en maakt dit ook waar.
"Want een iegelijk die bidt, die ontvangt, en die zoekt, die vindt, en die klopt, dien zal opengedaan worden."
Hoort voorts Zijn belofte: "Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren."
En hoe vinden wij allerwege zowel in het Oude, als in het Nieuwe Testament, in de geschiedenis van de Christelijke kerk, in het leven van al Gods volk en kinderen, dat Woord vervuld.
Denkt slechts, ten bewijze, hoe zij de bede verkregen hebben, welke zij van God begeerden, aan een Abraham, van wie wij lezen "dat hij nog staan bleef voor het aangezicht van de Heere."
Denkt hoe God hem uit Sara een zaad/nakomeling toezegde, maar ook tot hem sprak: "Aangaande Ismaël heb Ik u verhoord."
Ja, hem zelfs op zijn ernstig aandringen beloofde, dat zo er tien rechtvaardigen in Sodom waren, de stad zou gespaard worden. Evenzo verkrijgt Izaäk de bede, welke hij in het veld van de Heere begeert. Terecht is dan ook het gebed een macht genoemd, waardoor God Zich laat overwinnen,evenals door Jakob aan de Jabbok, waar een Man met hem worstelde.
Maar ook vinden wij diezelfde gebedsverhoring, waar Mozes de Heere heilig dwong, om met hem et gaan, evenals waar Jozua bad, dat de zon en de maan stil zouden staan.
Hanna werd verhoord, waar zij in het huis van de Heere haar hart voor Hem uitstortte, en Elia, die een mens was van gelijke beweging als wij, bad een gebed, en de hemel gaf regen.
Zo mocht David, ziende op de menigvuldige gebedsverhoringen, hem ten deel gevallen, getuigen: "Gij hoort het gebed" en waar zijn zoon Salomo wijsheid van de Heere begeerde, om Israël te regeren, daar gaf God hem er rijkdom en eer bij. Een Petrus werd op zijn bede: "Heere! behoud mij" door Jezus aangegrepen, uit de golven opgeheven en van de dood, die hem dreigde, gered.
Tot een biddende Saulus wordt een Ananias gezonden met de woorden: "Sauls! broeder, de Heere heeft mij tot u gezonden, opdat gij weder ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden.
Gedenkt ook, hoe op het gedurig gebed van de gemeente Petrus uit de gevangenis werd verlost, en Paulus op het gezicht ban de Macedonische man derwaarts werd gezonden, evenals Petrus tot de biddende Cornelius.
Monica verkrijgt de vervulling van haar bede voor haar zoon Augustinus, en evenzo werd de ganse schare van martelaren en bloedgetuigen in en door het gebed gesterkt, om te lijden voor de Naam en de zaak van de Heere.
Doch waartoe meer voorbeelden bijgebracht - uw ervaring, volk des Heeren in ons midden, op al de weg waarop de Heere u geleid heeft, is daarvan mede getuige.
Of zegt mij: Vindt gij daarop niet allerwege uw Eben-Haëzers opgericht, waarbij gij als antwoord op uw ootmoedige smekingen mag getuigen: Tot hiertoe heeft mij de Heere geholpen?
Ja, ook gij mag het telkens ondervinden, wat de vrome zanger Israëls zingen deed: "God zij altoos op 't hoogste geprezen! Lof zij Gods goedertierenheid, die nimmer mij heeft afgewezen, noch mijn gebed gehoor ontzeid!"
O, hoe menigmaal toch hebt gij het mogen ervaren, dat waar niemand of niets u helpen of redden kon, noch schenken wat gij behoefde, de Heere u genadig uithielp, en verleende wat gij van node had.
Hoe dikwerf hebt gij het, bij de nood van uw ziel, bij de behoeften van uw lichaam, bij de bestrijdingen van satan, bij de verlokkingen van de zonde, van de wereld, en van uw eigen vlees, bij het gezicht op uw zonden, onwaardigheid en onbekwaamheid mogen ondervinden, dat Hij u, roepende uit de benauwdheid, overvoerde in een overvloeiende verversing, u stelde in de ruimte. Ja, zelfs welk een heil was ere reeds voor u in gelegen, waar gij al zuchtende uw bezwaard gemoed voor Hem mocht uitstorten en gij verwaardigd werd om met uw noden tot Hem te komen. Dat gaf reeds bemoediging, dat verleende u reeds een hoopvol uitzicht, dat schonk reeds verruiming aan uw overkropt gemoed.
O, welk een heil, aan de Heere te mogen zeggen en opdragen, wat gij aan geen mens zou durven zeggen en ook bij hemniet zou kunnen kwijt worden, en bovendien in het einde van 's Heeren hand nog te mogen ontvangen, wat Zijn hoge wijsheid goed en nuttig voor u keurde. Ja, gewis, gij moest somtijds langer wachten dan gij vermoed had, evenals die vrouw bij Jezus, maar toen het de tijd van de Heere was, dat Hij werkte en gij er vatbaar voor gemaakt waart, mocht gij het ondervinden, dat Zijn oor opmerkende was op de stem van uw roepen.
Ja, de Heere hoort en verhoort gewis het gebed van Zijn gunstgenoten, al is het zelfs, dat zij evenals Mozes en Paulus niet verkrijgen wat zij begeerden, en dat wel, omdat de Heere dat niet goed voor hen keurde, doch iets beters voor hen bereid had en dat hun schonk. Dit deed dan ook de dichter van de 147ste Psalm zingen:
De HEER betoont Zijn welbehagen
Aan hen, die need'rig naar Hem vragen,
Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,
En door Zijn hand zich laten leiden;
Die, hoe het ook moog' tegenlopen,
Gestadig op Zijn goedheid hopen.
O Salem, roem den HEER der heren;
Wil Uwen God, o Sion, eren!
Hoezeer strekt dit ten laatste dan ook tot Gods eer. Zulk een gebedsleven mag terecht een Godverheerlijkend leven genaamd worden, evenals het voor de mens zelf voordelig, zalig en de naaste stichtend is. Waar men de Heere zo in en tot alles behoeft en van node heeft, daar erkent men, bij de belijdenis van eigen onwaardigheid, niet slechts eigen afhankelijkheid van Hem, maar daar spreekt men het ook metterdaad uit, dat de Heere alleen de Bron en oorzaak is van alle goede gaven en volmaakte giften, dat Hij alleen de God is, Die machtig en gewillig is, om ons alles te schenken, wat wij voor tijd en eeuwigheid behoeven; dat er buiten of benevens Hem geen God, geen toevlucht, geen hulp of uitkomst is.
Zo erkent men de Heere niet slechts in Zijn Hoogheid boven ons, maar wordt ook de kinderlijke vreze en het goed toevoorzicht op God gevonden, dat bewaart voor opstand en murmureren, dat niet verschrikt van God af doet vluchten, maar met geloofsvertrouwen Hem doet aankleven, tot de Heere uitdrijft, in voorzichtigheid voor Hem doet leven en wandelen en op de eer van Zijn Naam bedacht is.
Dan neemt de Heere voor ons in ons leven wederom de plaats in, die Hem zo rechtmatig toekomt, en is Hij in alles de Eerste, de Beschikker en Bestuurder van ons lot en leven, en gevoelt men aan Zijn hand veilig te gaan voor tijd en eeuwigheid.
Daar worden ook geen harden gedachten door ons van de Heere gekoesterd, daar wordt Hij niet van ontrouw verdacht, noch aan Zijn bereidwilligheid jegens ons getwijfeld. Integendeel, daar leert het ons om naar lichaam en ziel zich onvoorwaardelijk, onbedongen in Zijn hand te stellen en over te geven, zich aan Hem kwijt te worden, wetende, dat Hij het maken zal, want dat men bij Hem veilig geborgen is, daar is het een leven uit de hand van de Heere.
Dit zal ons Hem in alles doen erkennen, wat Hij schenkt, daar wordt men genoopt om met de gaven in de Gever te eindigen. Om met de weldaden tot onze Weldoener weder te keren.
Dan zal ons leven eerst in waarheid een leven der dankbaarheid wezen. Daar toch bidden en danken onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, evenals Paulus ze hier als tweelingbroeders tezamen voegt. Dan zullen wij bij alles wat de Heere ons schenkt, niet hoogmoedig worden, noch hooggevoelende zijn, waarvoor wij anders zo bloot liggen, maar in ootmoed en nederigheid wandelen, de Heere vrezende.
Dan zullen wij voor onszelf geen eer of roem begeren, maar die alleen voor de Heere zoeken, want toch waar men het verstaan en beleven mag, dat men alles wat men is en bezit, alleen aan de Heere te danken heeft, wien zal men daar anders kunnen of durven roemen dan hem van Wien men het ontvangen heeft?
Zulk een afhankelijk leven in de nabijheid van de Heere, is zalig voor het hart: daar is men bewaard voor dat afzwerven en omdolen, dat zulk een dorheid en dodigheid voor het hart werkt, dat ons met zovele teleurstellingen doet worstelen.
O geliefden, zo dicht te zijn bij de Levensbron kan niet anders dan goed zijn.
Dit deed dan ook Asaf zingen: "Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God ie wezen; ik zet mijn betrouwen op de Heere Heere, om al Uw werken te vertellen."
Het moeilijkste leven is dan ook voor een kind des Heeren een leven verwijderd van de Heere, zonder gedurige gebedsbehoefte, gebedsoefening, gebedsgemeenschap.
Want, zegt mij, volk des Heeren, waren het niet uw beste tijden, toen gij de Heere niet missen kon, maar Hem in en tot alles behoefde, en uw slechtste, toen gij zo buiten Hem meende te kunnen en het zelf wilde doen?
Buiten Hem toch is uw leven vreugdeloos, moeilijk, valt zelfs uw arbeid u dubbel zwaar.
Zo zei ook Luther: "IJverig gebeden is half gestudeerd," evenals hij ook bij een andere gelegenheid zei: "Ik heb het heden zo druk, dat ik niet weet klaar te komen, zo ik vooraf niet minstens drie uur gebeden heb."
Och, of zulk een voortdurend gebedsleven in de kerk bij ons gevonden werd en voor onszelf, en voor elkaar, en voor de kerk in het algemeen, en voor de school met haar leraren en studenten in het bijzonder. Dan zou ook de zegen van de Heere niet uitblijven. Ja, dan waren wij reeds gezegend.
Een biddend volk toch is een gezegend volk. Dat heeft de Heere Zelf beloofd en Hij is de Waarmaker van Zijn Woord.
Gave de Heere daartoe Zelf Zijn Geest, opdat wij alzo biddend arbeidende, en arbeidend biddende bevonden werden, ook in deze week, ja, al de dagen van ons leven, daarbij gesteund door het gebed van Gods volk, gedragen door Jezus' Hogepriesterlijke voorbede.
Dan zou alles ten zegen gedijen en de Heere ontvangen lof, eer, aanbidding en dankzegging.
Dan zouden wij tezamen verblijd worden door Zijn grote daden en het alles Zijn duur gekocht Sion ten zegen strekken.
Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
Amen.