DE VOLHARDING VAN DE EERSTE CHRISTENGEMEENTE
Ps. 95 : 1, 4
Hand. 2 : 29 - 47
Ps. 133 : 3
Ps. 119 : 32, 67
Ps. 138 : 4
Ps. 122 : 3
De tekst voor de verkondiging is Hand. 2 : 42 - En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
Wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Aan dit woord denkt u onwillekeurig bij aandachtig lezen en overwegen van hetgeen ons omtrent de eerste christengemeente te Jeruzalem wordt vermeld. Welk een lieflijke tekening rijst ons daarin voor de aandacht. Apostelen, vervuld met de Heilige Geest, getuigen en preken van Jezus Christus en Die gekruisigd; een schare van omtrent 3000 toegebracht tot de gemeente die zalig wordt; vrede en eensgezindheid, eerbied en belangstelling, eenheid van de Geest, van het geloof en van de ware christelijke liefde.
Geen verschil over de leer, geen verdeeldheid in de gemeenschap, geen onverschilligheid omtrent het heilige, geen dor afgetrokken dogmatisme zonder leven, maar volharding in de leer van de apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden. Dit tekent het werk van God, de werking en zalving van de Heilige Geest. Zo dicht aaneen gesloten zijn hier de gelederen, dat satan er niet tussen kan komen.
Schoon als de lente ontwikkelt zich het nieuwe, het geestelijke leven; alles ademt en preekt hier de heerlijkheid Gods.
Hoe langer u daarop ziet en hoe dieper u daarover denkt, hoe meer ge u opgewekt en aangedrongen gevoelt om met de vrome uit Israël te jubelen: "Ziet, hoe goed en hoe lieflijk is het, dat broeders te samen wonen."
Het is of de hemel op aarde is neergedaald en alsof alle strijd voor altijd van de aarde is verdwenen. Door allen wordt als uit één mond Gods Naam verheerlijkt, Jezus Christus tot zaligheid beleden en dagelijks eendrachtelijk in de tempel volhardende en van huis tot huis brood brekende, aten zij te samen met verheuging en eenvoudigheid des harten.
Kennelijk wordt het werk Gods onder en in hen allen openbaar. Vijanden en vervolgers van Jezus zijn in aanbidders en oprechte belijders veranderd; dwalenden zijn van hun dwalingen genezen, treurigen zijn getroost, zwakken gesterkt en allen, die geloofden, waren één van hart en één van ziel.
Geen welsprekendheid, geen wetenschap, geen gaven of vernuft van mensen had dit teweeg gebracht. Het is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen.
De leer van de apostelen was van Goddelijke oorsprong; zij waren door Jezus Zelf onderwezen in de dingen van Zijn koninkrijk en nu, vervuld met de Heilige Geest, verstaan zij de Schriften. Met het Woord Gods gewapend, is geen vijand tegen hen bestand. Ingeleid en onderwezen in de verborgenheden van het koninkrijk van God, bevestigt de Heere Zijn Woord, weleer tot Zijn jongeren gesproken: "Die u hoort, die hoort Mij, en die Mij hoort, hoort Hem Die Mij gezonden heeft."
Het woord van hun prediking wordt door velen gaarne gehoord, met blijdschap aangenomen en dat woord gebruikt de Heilige Geest niet slechts als een zaad der wedergeboorte, maar ook tot opbouw in het geloof en tot versterking in de liefde.
De volharding bewijst de deugdelijkheid van hun beginsel. Er is leven; dat leven heeft behoefte; die behoefte uit zich op een wijze, waarop God wordt verheerlijkt, Die te prijzen is tot in eeuwigheid.
Hier geen hete hoofden en koude harten; hier geen zucht tot allerlei nieuwigheden; hier geen twistvragen van allerlei aard; hier nog niet het geroep: "Ik ben van Petrus en ik van Johannes."
Hier geen ijdele zelfgenoegzaamheid of trotse zelfverheffing. Hier geen krans gevlochten op de afgod van het eigen "ik", maar oprecht geloven, hartelijk belijden, bestendige gehoorzaamheid aan de bevelen van de Heere, dienende elkander in waarheid en liefde. "Hoe zalig is dat volk, dat naar Gods klanken hoort!"
Hoe teer is de band die allen aan elkaar verbindt! Hoe voorbeeldig is zulk optreden in de wereld! Welk een kracht gaat van deze vergaderde broeders en zusters uit.
Door de liefde, onder elkaar geoefend, moet de wereld erkennen dat dit Jezus' discipelen zijn.
Is het dan wonder, dat menigeen, dit lezende en indenkende, in droefheid der ziel heeft gezucht: "Ach, dat het zo gebleven ware! Dat overal en altijd, waar de gemeente van de Heere zich openbaart, alzo van haar kan worden getuigd!"
De Heere is het zo waard, dat Hij verheerlijkt worde in de gemeente van Zijn heiligen. Onze Heere Jezus Christus heeft al de Zijnen zo duur, voor de prijs van Zijn bloed, gekocht! Zozeer betaamt het allen, die de Heere vrezen, naar dat voorbeeld van de eerste christengemeente zich te gedragen. En vanwaar komt het, hoe kan het bestaan, waaruit moet het verklaard, dat, helaas, in de regel zo weinig van die Godverheerlijkende openbaring onder de belijders van de waarheid van het evangelie wordt gevonden, waardoor de eerste christengemeente zo schitterend uitblonk!
Op deze en dergelijke vragen behoeven wij het antwoord niet schuldig te blijven. Doch alvorens daartoe te komen, is nodig, dat wij de schone tekening nog nader en nog ernstiger onder ogen zien. Trachten wij voor ditmaal winst te doen voor ons eigen hart met de gedachte: "Gods werk in het hart van de zondaar kenmerkt zich in oorsprong, aard en vruchtgevolgen."
Leven kan niet zonder behoefte zijn en die behoefte laat zich op haar beurt niet onderdrukken. Hieruit blijkt, dat er kinderen van God zijn, van wie wel gezegd kan worden: "Zij dragen de lantaarn op hun rug en zijn, wat hun staat betreft, duidelijker voor anderen dan voor zichzelf."
Vergeten we hierbij niet, dat wel niet de zaligheid, maar zeer zeker onze troost afhankelijk is van de bewustheid, dat we waarlijk Christus toebehoren en Zijn eigendom zijn.
Is het lieflijk en schoon, wat de pen van Lukas ons tekent in betrekking tot die schare van welke we het bovenstaande getuigenis lezen, niet dan met heilige schaamte kunnen we in deze spiegel der waarheid zien. Hoe spoedig is in de loop der tijden de schone harmonie verbroken.
In plaats van volharding in de leer der apostelen is weldra allerlei afwijking van die leer gevolgd. Die lieflijke gemeenschap der heiligen, wat is zij, althans wat het uitwendige betreft, bedreigd en verbroken. De volharding in de dagelijkse breking des broods, hoe kort heeft zij geduurd. En die volharding in het gemeenschappelijk gebed - waar vinden we haar in de geschiedenis terug, dan alleen daar en toen als buitengewone omstandigheden daartoe aandreven.
Zeker, er zijn tijden geweest, waarin de Geest des Heeren krachtig werkte; tijden waarin veel zondaren tot God werden bekeerd, tengevolge waarvan gebeden en dankzeggingen niet slechts van enkelen, maar ook door gehele scharen opklommen tot God.
En er zijn tijden doorleefd van dringende nood, van klimmend gevaar, van uiterste benauwdheid, waarin al het volk van God behoefte gevoelde aan elkaar, waarbij ongezocht, harten en zielen aan elkaar verbonden werden om uit de nood tot God te roepen.
Maar afgedacht van die buitengewone wegen en omstandigheden, doen wij met ernst de vraag: "Waar en wanneer vindt ge een leven in de historie terug als van die eerste christenen?"
En als we dan de geschiedenis van vorige eeuwen en van andere volken laten rusten en onszelf voor de spiegel der waarheid plaatsen, om tot het antwoord te komen op de vraag wat het getuigenis van de eerste christengemeente ons zegt, wat zal dan als zodanig ons antwoord, naar waarheid gegeven, moeten zijn?
Zijn Jezus' schapen niet verstrooid, zijn ze niet jammerlijk verdeeld, staan geen hoogopgetrokken muren tussen kudden en kudden?
Het wordt zo vaak geuit en verklaard: "Wij geloven één algemene christelijke kerk" en, in verband daarmee, volgt dan: "en wij geloven in de gemeenschap der heiligen."
Maar is het wonder, dat gedurig en van zo verschillende zijden de vraag wordt gesteld: "Waar is uw eenheid? Waarin bestaat uw gemeenschap? gij die u laat voorstaan, dat ge christenen, dat ge navolgers zijt van hen, die op de Jeruzalemse Pinksterdag met de Heilige Geest werden vervuld?"
Hierbij dient echter wel opgemerkt te worden, dat er ook een eenheid is, welke wij niet begeren, en dat onder de naam van gemeenschap der heiligen heel wat doorgaat, dat de toets niet kan doorstaan.
De Roomse Kerk spreekt op haar beurt ook oer volharding, eenheid en gemeenschap. En het is niet tegen te spreken, dat de Roomsen, bij alle innerlijke verdeeldheid en verscheidenheid voor het uitwendige een eenheid bezitten en behouden, die aan het protestantisme vreemd is.
Zo'n eenheid kan onder protestanten niet bestaan. En omgekeerd is onder het protestantisme een eenheid, waarvan belijders van de Roomse godsdienst in het minst geen begrip hebben.
Waar de paus als hoofd van de kerk wordt erkend, waar een priesterstelsel en een organisatie als bij Rome wordt gevonden, waar het beginsel van een alleen zaligmakende kerk leeft onder de mensen, zeker, daar kan men spreken van eenheid, maar die is kunstmatig en onnatuurlijk.
Tot volharding in de leer is meer nodig dan historische kennis; tot het volharden in de gemeenschap der heiligen wordt meer vereist dan blote toestemming der waarheid; tot volharding in de breking des broods en in de gebeden komt men niet door iets, dat louter vorm en menselijke overeenkomst is.
"De Geest is het, Die levend maakt."
En waar die levendmakende werkingen van de Heilige Geest aanwezig zijn, daar is behoefte.
De behoefte brengt ons tezamen aan Jezus' voeten, doet ons gemeenschappelijk buigen voor Gods troon, maakt ons begerig en gewillig, om naar Gods Woord te leven en te wandelen. Omtrent de leer zijn we het eens in alle dingen, die hoofdzaken zijn in betrekking tot de leer der zaligheid. Gods kinderen worden door de Heere geleerd. Het is de Geest Die hen in alle waarheid leidt. Ook de gemeenschap is niet weg te denken. Al de leden zijn delen van één en hetzelfde lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Hoe inniger en levendiger de vereniging is met het Hoofd, hoe meer en hoe duidelijker ook de betrekking, waarin de leden tot elkander staan, zal uitkomen. De hand kan tot de voet niet zeggen: "Ik heb u niet van node." Ook kan er geen geestelijk leven zijn zonder liefde. Het ware geloof is door de liefde werkende. Is de mens van nature een vijand van God en van zijn naaste, door herscheppende genade worden Gods kinderen naar Gods beeld vernieuwd.
Een eerste vrucht van deze genade is, dat zij gewillig en bekwaam worden gemaakt om zichzelf te verloochenen, de Heere aan te hangen en Hem in alles te gehoorzamen.
Gods geboden zijn niet zwaar. Christus' juk is zacht en Zijn last is licht. Waarvan de zondige natuur van Adams kinderen afkerig is, dat wordt voor de met Christus door het geloof verenigden een vermaak.
Zo zien we dan ook die eerste christengemeente, niet in eigen kracht of op eigen autoriteit, maar in de vreze Gods en door de liefde Gods bijeen, als een voorbeeld voor alle volgende tijden en geslachten.
Denken we echter de historie dieper in, ook nadat die zo ruime en milde bedeling van de Geest had opgehouden, dan zien we hoe zelfs al in de dagen van de apostelen al verwijdering tussen broeders en broeders kan ontstaan.
Welke toestanden in de gemeente van Korinthe!
Welke verschillen in Galatië!
Welke dwalingen door Hymeneüs, Filetus en anderen verbreid!
Hoe trekt Paulus te velde tegen velerlei afwijking van de leer! Hoe waarschuwt Petrus tegen mensen, die als Bileam schone woorden spreken, maar wier beginsel niet uit God is! Zelfs de zachtmoedige en zo vrede-lievende Johannes, hoe tekent hij in scherpe kleuren het onderscheid tussen de kinderen van God en de kinderen van de duivel!
En later? Hoe is het gegaan met de leer van de apostelen? Hoe is het gegaan met de onderlinge gemeenschap, met het gebruik van de heilige sacramenten en met de volharding in de gebeden? Spanden niet gedurig alle vijandelijke machten samen tegen Christus en Zijn duurgekochte gemeente?
In het openbaar en in het verborgen is door alle tijden, tot op de huidige dag bewezen: "Wat uit vlees geboren is, dat is vlees; maar wat uit de Geest geboren is, dat is Geest."
Hoe overigens ook in beginselen en in vormen onderscheiden, maar Christus was tijdens Zijn omwandeling op aarde aller ongelovigen vijand.
Om tijdelijk gewin en om bijoogmerken kan men tijdelijk "Hosanna!" roepen, maar om te eindigen in een "Kruis Hem! kruis Hem!"
Zo is het altijd geweest op deze wereld en zo zal het altijd blijven.
De mensen hebben de duisternis liever dan het licht, want hun werken zijn boos.
Jezus' oprechte schapen zijn slechts een klein kuddeke. Toch hebben zij niets te vrezen, want het is des Vaders welbehagen hun het koninkrijk te geven.
In dat geloof gesterkte, konden de eerste christenen volharden - volharden in geloof, in liefde, in heiligmaking.
Veel, zeer veel is er, wat gedurig op deze wereld de vrede komt verstoren, de harmonie komt verbreken en onder Gods hoge toelating allerlei ellende veroorzaakt.
Allerlei vermenging, veelvuldige afwijking van de eenvoudigheid der waarheid, algemene liefdeloosheid en biddeloosheid is, onder meer, daarvan de oorzaak.
Niet zelden gebeurt het, dat de Heere vroeger of later door diepe wegen en zware oordelen zijn volk tot elkaar brengt.
Doch hoe dit zij - dit is de troost en het blijmoedig uitzicht van al het volk van God, eenmaal zal in volmaaktheid worden aanschouwd en genoten de gemeenschap der heiligen in het nieuwe Jeruzalem, dat boven is. Eerst dáár zal alle vervolging, alle verdeeldheid, alle gebrek zijn weg genomen.
Dáár zal over de leer niet getwist, dáár zal de gemeenschap niet meer een gebrekkige zijn. Hier kennen we ten dele, maar alsdan zullen we kennen, gelijk ook wij gekend zijn.
Gelukkig intussen wie zich maar niet al te zeer ergert aan de gebreken van de vromen - wie maar niet al te veel verwacht van uitwendige eenheid.
Deze aarde zal geen hemel worden, en de strijdende kerk kan nooit anders dan een strijdende kerk blijven, zolang namelijk als zij op de aarde is.
Slechts zie een ieder toe voor zichzelf bij de strijd voor beginselen, bij de nood der tijden, bij de ernst der eeuwigheid, bij het belang der zielen, wars te zijn van alle zelfgenoegzaamheid, van alle vreemde vermenging, van allerlei afwijking van God en van Zijn heilig Woord. De tijden zijn voorspeld, waarin men roepen zal: "Hier is de Christus" en "Daar is de Christus."
Veel geesten zijn uitgegaan in de wereld, doch we hebben te beproeven of die geesten uit God zijn.
"Maar hoe komt het en waaruit moet het verklaard," zo vragen we, "dat thans sinds de dagen van de apostelen zoveel is veranderd en dat het voorbeeld van die eerste christengemeente in zoveel opzichten andere tijden en geslachten , ja, ook ons zulke beschamende waarheden preekt?" Want wel is het waar, gelijk we hebben opgemerkt, dat de buitengewone gaven en de zo milde bedeling van de Heilige Geest maar kort hebben geduurd, maar van een andere zijde gezien, is er meer te noemen, waaruit het antwoord op de gestelde vraag kan worden opgemaakt. De kerk van de Heere bestaat niet uit steen of hout, maar uit mensen. Die mensen zijn geen heiligen in de eigenlijke zin van het woord. Alle mensen, ook Gods uitverkoren en wedergeboren kinderen zijn kinderen van Adam, van nature geneigd God en de naaste te haten.
Waar nu het geheel uit vele delen bestaat en elk deel op zichzelf genomen, gebreken heeft, kan het niet anders, of het geheel (uit die gebrekkige delen samengevoegd) moet ook (althans van de uitwendige zijde gezien) onvolmaakt zijn.
Daar komt bij: de kerk staat niet buiten de wereld, maar leeft en ontwikkelt zich in de wereld. Het koninkrijk van Christus, niet van de wereld zijnde, is voor de wereld een ergernis. Gelijk de wereld Christus haatte, toen Hij omwandelde op aarde, zo haat de wereld nog de gemeente van de Heere.
Bestond nu de gemeente van de Heere geheel en uitsluitend uit mensen vervuld met de Heilige Geest, dan was de haat der wereld nog het ergste niet. Maar we weten dat er geen koren zonder kaf is. Alle uitwendige belijders zijn geen oprechte discipelen van de Heere. Er zijn onder dezen, helaas, zovelen die steeds met daden tonen meer aantrekking tot de wereld en het wereldse dan tot God en Goddelijke dingen te hebben - mensen die, in plaats van te volharden in de leer der apostelen, voortdurend heil zoeken in allerlei nieuwigheden. Zij kunnen gemakkelijker breken met de gemeenschap der heiligen dan dat zij deel nemen aan de breking des broods. Dat dit alles zijn invloed uitoefent, is ontegenzeglijk. Allicht beschouwen zulke mensen het kerkgaan als iets wettisch, het apostolisch bevel om geen juk aan te gaan met de ongelovigen als iets dat wel op de Korinthiërs, maar niet op hen kan zien.
Niet anders oordeelt men over de heiligheid van de dag van de Heere en over alles wat met de eis van Gods Woord in verband staat. Van dit alles tracht satan (onder Gods toelating) voordeel te trekken.
Dan: de drie doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, houden niet op ons aan te vechten.
Altijd is en blijft in deze bedeling de gemeente van de Heere het mikpunt waarop satan zijn pijlen richt.
Denk hierbij aan politieke verhoudingen, aan de invloed van de wetenschap, media, maatschappelijke toestanden, dan blijkt hoe veel kan samenwerken om zelfs de christenen te doen afwijken van de volharding, waardoor de eerste christenen zo hebben uitgeblonken.
De toestand van Christus' gemeente in het Handelingenboek was een geheel andere dan die waarin zij op latere leeftijd verkeert. Satans listen zijn vermenigvuldigd, de boosheid van de mensen is ontwikkeld; zelfs in de brief aan de Hebreën vinden we al de vermaning: "Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden."
En waar thans de tekenen der tijden, door Christus voorspeld, vermenigvuldigen, de losbandigheid en onverschilligheid onder de mensen in het algemeen toeneemt, spotten met al wat heilig is tot de algemeen heersende zonden kan gerekend, zelfs ook op het erf ven de belijdende gemeente zoveel zich openbaart wat de oprechten tot droefheid kan stemmen, is een blik op de openbaring van die eerste christengemeente, ook voor ons, een ernstige opwekking om, in de vreze Gods, door de genade van de Heilige Geest er met alle kracht naar te staan dat voorbeeld te volgen: "Houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon nemen."
Zo spreekt Christus als de verheerlijkte Middelaar tot de gemeente van Filadelfia; zo spreekt Hij tot al de gemeenten; zo spreekt Hij ook tot u, als u de goede belijdenis hebt aangenomen, en het Woord Zijner lijdzaamheid hebt bewaard.
Is dit niet het geval, laat dan los wat u tot hiertoe hebt vast gehouden!
Verlaat de weg die u naar het verderf voert!
Breek in 's Heeren kracht met alle gemeenschap die God onteert, uw naaste verblindt en uw eigen ziel schade doet.
Gods kinderen, door de Heere Zelf onderwezen, zullen volharden in d leer der zaligheid, want er is geen andere Naam, maar ook geen andere weg tot zaligheid geopenbaard.
Zij zullen volharden in de gemeenschap al is het ook, dat uitwendige toestanden en verhoudingen die ernstig kunnen bedreigen, wat ook in deze de Heere samenvoegt, zal geen mens ooit scheiden. Al de leden vormen met elkaar één lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Niet wij kunnen het voorkomen, maar Christus zal er voor zorgen, dat niet één van Zijn schapen verloren ga.
Wel zal de oefening van de gemeenschap, zowel in de broodbreking als in de gebeden, op aarde gebrekkig blijven, maar toch zal onze openbaring ons beginsel kenschetsen.
Roeping is en blijft het voor al het volk van God, om naar de volmaaktheid te jagen, of wij ze ook grijpen mochten.
Eenmaal zal aan alle gebrek en zwakheid een einde komen. Eenmaal zullen al de gekochten door het bloed van het Lam in de zaligste gemeenschap met elkaar, in onverderfelijkheid de heerlijkheid van God aanschouwen.
De scheidingsmuur tussen Joden en heidenen is verbroken. Uit alle geslachten, talen en volkeren roept en vergadert de Heere de Zijnen. Nog is het zaaitijd. De oogsttijd is nabij. Welgelukzalig allen, die wakende, biddende en volhardende mogen gevonden worden, als de Heere komt!
"Die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden."
Amen.