Preek over Johannes 7:37 door ds C. Smits
Psalm 63 : 1
Lezen: Johannes 7 : 10 – 39
Psalm 84 : 3
Psalm 42 : 1, 4 en 5
Psalm 36 : 3
Psalm 16 : 6
Onze hulp is van U, HEERE, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Die trouw blijft tot in der eeuwigheid en nooit zal laten varen de werken van Uw handen. AMEN
Psalm 63 : 1
De schriftlezing voor deze middag kunt u vinden in het NT en wel in het evangelie naar de beschrijving van Johannes, hoofdstuk 7:10-39.
Na de schriftlezing doen we belijdenis van het heilig algemeen christelijk geloof met de woorden van de 12 artikelen.
Daarna zingen we uit Psalm 84:3
De tekstwoorden, die we samen gaan overdenken, kunt u vinden in het schriftgedeelte, dat u zojuist is voorgelezen en wel uit Johannes 7:37 het laatste gedeelte.
Daar staat: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.”
Vragen wij de zegen van de HEERE.
Psalm 42 : 1, 4 en 5 (collecte)
Geliefde Gemeente,
De Heere Jezus maakt (in Johannes 7) van een treffende aanleiding gebruik om de rijkdom van de hemelse genadegaven, door Hem verworven, voor te stellen en aan te prijzen.
De tekstwoorden verplaatsen ons naar het Loofhuttenfeest. Dit feest duurde 8 dagen. Jezus was er al vanaf de derde dag en heeft al die tijd gepreekt.
’t Is nu de laatste dag van het feest. De schare is samengekomen in de voorhof van de tempel om dan straks weer heen te gaan naar huis. En dan…
Nog een keer richt Jezus Zich tot de grote schare. Met al de drang van Zijn Middelaarsliefde spreekt Hij tot hen, zinspelend op een van de symbolische handelingen van het feest: de waterplenging. Met een krachtige stem roept Hij het uit: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke!”.
Wij gaan er vanmiddag ook naar luisteren, Gemeente en schrijven boven deze woorden:
Een genadenodiging tot de wateren des Levens.
Wij letten dan op:
1. De behoefte, die ze veronderstelt.
2. De Bron, die ze aanwijst.
3. De verkwikking, waartoe ze lokt.
1. De behoefte, die ze veronderstelt.
Dorsten…!
Wie van ons weet niet wat dat inhoud?
Wie van u zag niet verlangend uit na een vermoeide dag of na een lange reis, terwijl het zo heet was, naar een verfrissend glas water?
Wat echter de betekenis van dit woord inhoudt, vraag dat niet in eerste plaats aan een Westerling, maar stel die vraag maar aan iemand uit het Oosten! Voor een Oosterling is er toch geen behoefte zo diep dan dorst te hebben!
De reden hiervan is niet zo ver te zoeken als we bedenken, dat de hete luchtstreek daar, de behoefte aan water verdubbelt. En dat… terwijl water juist daar schaarser is!
Eigenlijk kunnen wij, Westerlingen, ons er geen voorstelling van maken hoe een reiziger in het Oosten, die daar reisde over slechte wegen of door de hete zandwoestijn, te voet of op een rijdier, versmachtend uitzag naar een slok verkwikkend bronwater. Menig pelgrim of lastdier vond in deze dorre zandzee de dood, vanwege de ontzettende dorst die hem kwelde. Denk hierbij aan Hagar en Ismaël in de woestijn, nadat ze verdreven waren uit de tent van Abraham.
Dorsten…!
Het doet mij ook denken aan iemand, die aan het kruis werd geslagen. Vaak dagen achter elkaar aan het kruishout hing met brandende koortsen in zijn lichaam. Terwijl zijn tong als gekliefd was van de dorst.
Ja, Gemeente, en wie stelt zich hier niet voor ogen die grote Kruislijder Jezus Christus? Die de mensen in ALLES gelijk is geworden en aldoor riep: MIJ DORST?
Voorwaar, ooit heeft iemand het volgende hiervan gezegd: “Honger is een pijn van het vlees, maar dorst is een pijn van het bloed!”
Het is een wonder, dat daarom op vele plaatsen in de Heilige Schrift het dorsten als beeldspraak wordt gebruikt, om daarmee de geestelijke behoeften van de mens te kennen te geven.
Jesaja stond dit beeld voor ogen toen hij uitriep: “O alle gij dorstigen komt tot de wateren…!”
En de dichter van Psalm 42 heeft gezegd: “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar U, o God.” Dit zei hij om zijn sterke begeerte naar de HEERE te kennen te geven.
Het is ook dit beeld, dat Christus voor ogen staat als Hij de geestelijke nooddruftigen toeroept: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.”
Dorsten…!
Het duidt niet iets tastbaars aan, niet iets wat je kan aanraken. Het geeft daarentegen een gemis te kennen van iets dat allernoodzakelijkst is. Het is een behoefte, die uit een grote leegte zijn stem verheft en roept.
Zo nu, Gemeente, missen u en ik van nature het allernoodzakelijkst. Wij missen God, de Bron en Oorzaak van alle leven, troost en zaligheid. Immers, wij zijn vreemdelingen van de verbonden der belofte (wat de inhoud betreft, zeker!) en staan zonder God in de wereld. Dit maakt onze rampzalige toestand uit. Dit veroorzaakt in onze ziel een leegheid, die (bewust of onbewust) roept om vervulling.
Slaan wij een blik op het leven van de mens, zo is er op allerlei manier een vragen en jagen naar de lessing van deze dorst. Nooit verzadigd, wendt de mens zijn begerige mond naar alle kanten. Het lege hart zoekt alles in te drinken, wat toch nooit haar leegheid kan vervullen. De wijsheid in de wereld heeft zich opgemaakt om in deze schreeuwende nood de ziel van de mensen te voorzien. Hij heeft getracht wijsheid bij te brengen, hem cultuur en beschaving te geven en wat al niet. Maar… onze oververzadigde 21ste eeuw blijft begeren en blijft dorsten. Want het hart wordt niet verzadigd en het oog houdt niet op met vragen.
Hier past het overbekende, maar niet minder inhoudsvolle woord van Augustinus: “Gij hebt ons tot U geschapen o God en onrustig is het hart, totdat het rust vindt in God.”
Voorwaar, daar is een volk op aarde, dat de betekenis van die woorden in de praktijk van het eigen zieleleven ervaart. Dat aan de ene kant het lege van al wat de wereld biedt inziet. De schat van het grote wereldrond kan hun arme hart niet meer vervullen. Maar aan de andere kant hebben ze iets ontdekt van de volheid en zaligheid, die er ligt in het Goddelijk Wezen. Voor hen is God zo beminnenswaardig en begeerlijk. En dat om Zijns Naams wil. Zodat ze met recht gaan dorsten naar God. Dorsten… het geeft een gemis te kennen, zo zeiden we. Dus wat worden ze dan? Wel, missers van God. Door dit gemis worden zij geoefend, opdat ze hun behoefte zien. Daardoor worden ze vernederd en uit deze vernedering gaan ze tot Hem roepen. En zo leren ze uit hun Godsgemis schreeuwen tot God.
Als ze zien op hun ellende en schuld, verschrikken ze voor Gods majesteit, gerechtigheid en heilige wet. Maar…nochtans, uit kracht van de ingestorte liefde van God, krijgen ze zulk een betrekking op de Heere, dat ze met Job kunnen zeggen: “Al doodde mij de Heere, zo zal ik nochtans op Hem hopen.” En weet u, ze durven met Asaf nog niet te zeggen: “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, mijn Deel in eeuwigheid. “ Maar wel dit: “Nevens U lust mij niets op de aarde”.
En daarom kan niets en niemand hun zo uitgebreide zielsbehoeften vervullen dan God met en door Zichzelf. Ja, dit is een kenmerk van een waarlijk ontdekte zondaar, dat ze gaan schreeuwen en dorsten om God Zelf. Dit doet hen vaak met sterke roeping en onder tranen de dichter nazeggen: “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel tot U, o God, naar de levende God!”
Maar gemeente, om bij God te komen is een Middel nodig, daarom leren ontdekte zondaren ook dorsten naar Jezus. Naar Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. De Fontein der hoven en de Put der levende wateren, waardoor ze weer met God in een verzoende betrekking kunnen gesteld worden.
Hij toch is de Fontein, die de genade wateren uit de Drieënige God tot hun ziel kan doen stromen. O, dat doet hen wel eens uitroepen: “Hoe lang nog, o Heere, hoe lang nog? Mijn ziel ligt voor Uw aangezicht als een land, dor en mat, zonder water!”
Aan dit dorsten naar God en naar het Middel om tot God te komen, namelijk Jezus, is ook verbonden een dorsten naar vergeving en verzoening. Zij leren bij voortgaande ontdekking steeds meer de diepte van hun ellende en walgelijkheid van hun bestaan te zien: “Hoe dieper ik poog te delven, hoe meer bederf ik ontmoet.” Het gewicht van Gods toorn en de strafeisende gerechtigheid van God jegens de zonde is hen geopenbaard. De last van een beschuldigend geweten drukt hen ter neer, maar diep in hun hart dorsten ze naar de schuldvergevende liefde van God in Christus
Aan dit alles is tenslotte ook verbonden een dorsten naar heiligheid. Ze leren de macht van de zonde kennen. Hun hart geeft zoveel onreinheid op. In hun ziel is een reine begeerte gelegd door de Heilige Geest om, indien het mogelijk zou zijn, volmaakt voor de Heere te leven. Zo ontstaat bij hen een dorst naar de Bron van heiligheid, naar de wateren des Levens.
Welnu Gemeente, voor die zo uitgebreide nood, is er vervulling. Daarom letten we in de tweede plaats in deze genadenodiging tot de wateren des Levens op:
2. De Bron, die ze aanwijst.
Het loofhuttenfeest – ook wel het feest der tabernakelen genoemd – was één van de drie grote feesten, die jaarlijks in Jeruzalem werden gehouden. Uit alle richtingen van het land trok men dan naar de heilige stad. Daar woonde men 8 dagen lang bij elkaar in tenten. Deze tenten waren van loof – dat zijn bladeren – gemaakt en versierd met bloemen en vruchten. ’s Avond werden de hutten met lampen verlicht. En wat de vreugde volkomen maakte was, dat het feest plaatsvond aan het einde van de wijnoogst, waarbij de vruchten van de oogst aan de Heere in het heiligdom gebracht werden.
Heel het loofhuttenfeest had als doel het symboliseren van Israëls tentenleven in de woestijn, waar zij als vreemdelingen doortrokken naar het beloofde land. En toch was er nog iets in deze plechtigheid, waarvoor zij geen vergelijking hadden, namelijk de Steenrots die aan het volk water verschafte. Daarom kwam er in later tijd een nieuwe plechtigheid bij tijdens het vieren van het loofhuttenfeest: de zogenoemde waterplenging. En op dit gedeelte van het feest heeft onze tekst een bijzondere betrekking. De waterplenging geschiedde als volgt: Na afloop van het morgenoffer - dat iedere dag plaats had - ging de hogepriester aan het hoofd van een priesterschare en onder toeloop van de feestgangers af naar de bron Siloah, gelegen aan de voet van de tempelberg. De hogepriester droeg een gouden kruik in zijn hand, die hij daar vulde met bronwater en vervolgens terugdroeg naar het heiligdom. Hij werd dan gevolgd door een menigte van het volk, die al juichend de woorden aanhieven uit Jesaja 12:3: “Wij zullen water schepen met vreugde uit de fonteinen des heils!”
In de voorhof der priesters aangekomen werd dit water – gemengd met de offerwijn – ten aanzien van het ganse volk uitgegoten en de gouden kruik werd geplaatst op het altaar. Terwijl de menigte voor de tweede maal de woorden uit Jesaja 12:3 aanhief: “Wij zullen water schepen met vreugde uit de fonteinen des heils!”
Zag nu deze zinnebeeldige handeling van het waterscheppen in de eerste plaats op het drinken van het volk Israël uit de Steenrots in de woestijn….ze had in de tweede plaats nog een hogere betekenis! De Steenrots zelf was het symbool van Christus, naar Paulus’ woord, namelijk: “de Steenrots die volgde was Christus.” Zo wees het symbool van de waterplenging of waterscheppen, dat op deze Steenrots zag, ook heen naar de wateren der genade en de stomen des Geestes. Welke de Heere schenken zou met en in de Messias. Door de door Hem verworven Geest, die uitgestort werd op de Pinksterdag. Om te vervullen het woord dat Jesaja profeteerde: “Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten.”
Wanneer we terugkeren naar onze tekst, verkeren we op de laatste dag van het feest. Voor de laatste maal heeft de ceremoniële handeling van de waterplenging plaats gehad. En het is met het oog hierop, dat de Zaligmaker zich tot de menigte des volks richt en het luid verkondigd: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.”
Het is hier alsof de Heere wil zeggen: “Wat nu de vreugde van het waterscheppen zinnebeeldig beloofd, kom Ik in waarheid en wezenlijk vervullen. Blijf nu niet aan het beeld hangen, maar zie op Mij!”
Het teken kan nu wegvallen, nu de zaak zelf gezien kan worden. Christus is toch de betekende zaak van alle schaduwen en offers uit het oude testament. Hij is het einde van de wet en de ceremoniën.
“Zoo iemand dorst?… die kome tot…MIJ!”, roept Christus.
Hij toch is de gekliefde, gescheurde Steenrots. Gelijk Mozes de rots geslagen heeft in de woestijn, zo ook is Christus geslagen. Ja, Hij is van GOD geslagen en verdrukt. Hij is van GOD tot zonde gemaakt en heeft alzo van de kribbe tot het kruis, de last van de zonde en de plagen op Zich genomen. Wij achten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Hij is geslágen in de bange en bittere lijdensweg.
Hij is de Steenrots Israëls, die Israël opnam met Zijn armen en gedragen heeft op Zijn schouders alle dagen van ouds en nu… Hij ligt neer in Gethsemane’s hof, waar wij Hem bij monde van Psalm 22 horen zuchten: “Op U hebben de vaders vertrouwd en zijn uitgeholpen, maar Ik…. Ik ben een wórm en géén Man, een smaad van mensen en veracht bij het volk.
Hij, de Steenrots van Israël is geslagen, als daar in menigte de geselstriemen Zijn rug doorploegen in het rechthuis van Pilatus. “Ploegers hebben op Mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang getogen.”
Hij is geslagen op Golgotha’s kruis, als Hij de ganse last van Gods toorn draagt aan het vloekhout. Verstoken…., verlaten van de gunstige nabijheid van Zijn Vader roept Hij het uit: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.”
Maar, Gemeente, opdat Hij nu zó geslagen is, heeft uit Zijn wonden dat dierbare bloed gevloeid. Dat bloed dat reinigt van alle zonden. Want:
“Van uit die zijde, door ons doorstoken
van uit DAT bloed, door ons vergoten,
daalt ZIJN ontferming op ons neer!”
Mozes heeft de rots geslagen in de woestijn, en terstond vloeide er water uit. Zo ook is de Steenrots van Israël geslagen. Met de slagen van het heilig ongenoegen van God. Met de slagen van het strafeisend recht, vanwege een geschonden en beledigde wet. Maar… zo vloeit daar uit die geslagen Rots ook de liefde en ontferming, waarmee een Drie-enig God, de zondaar, van uit de stilte van de eeuwigheid beminde. Hier wordt het woord van Jesaja vervuld: “de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Hier ziet u nu, zondaren in ons midden, de Fontein ontsloten tegen de zonden en de ongerechtigheden van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem. Van deze Heilsfontein gaat de nodiging uit tot armen en ellendigen, tot naar God schreeuwende en dorstende zondaren. Hier hebt u de Bron, die onze tekst aanwijst. De Levensbron, die klaarder dan de zon, het heuglijk Licht doet aanschouwen. Laten we daarvan eerst gaan zingen uit Psalm 36:3.
3. De verkwikking, waartoe ze lokt.
Toen Mozes op de rots geslagen had, kwam het water in grote overvloed eruit. Zo is het ook met de Steenrots Jezus Christus. Zijn bloed heeft gevloeid… Nu is er een stroom van genade tot reiniging van de grootste zonden. Het is een onuitputtelijke Bron, waarvan de Drie-enige God de verborgen ader is. O, daarom, alle gij dorstigen kom tot deze wateren. Gij die van God vreest verslagen te worden, vlucht maar tot deze geslagen Steenrots!
O, alle bedrukten, ongetroosten, door onweder voortgedrevenen, hier is de Fontein van genade en barmhartigheid ontsloten. Deze wateren zijn verkwikkend, reinigend, genezend! Daar is geen smart… of er is troost voor. Daar is geen zonde… of er is reiniging voor. Daar is geen wond… of er is genezing voor!
Ja Gemeente, deze wateren zijn tot rijke verkwikking voor alle die dorsten. En wie van dit water DRINKT… het zal in hem worden een fontein, springende tot in het eeuwige leven.
U vraagt, maar waarin bestaat dan dat komen? Wel het is een komen in de genegenheden en uitgangen van de ziel. Het geeft te kennen dat de ziel de kracht van Jezus’ nodiging ervaart. Zelf heeft ze haar eigen rampzalige toestand leren kennen. Buiten Christus ziet ze zich als een gans verloren schepsel. Maar daarentegen is Christus in al Zijn graveerselen voor haar zo vol, zo rijk, zo beminnelijk, noodzakelijk en onmisbaar!
Het gaat hier als met een dorstende woestijnreiziger, die al zolang uitzag naar een teug verkwikkend bronwater. Maar dan heft zijn rijdier de kop omhoog (het ruikt water) en het versnelt zijn pas. Dit voorspelt de reiziger dat de plaats van verkwikking nabij is. O hierover kan hij zijn blijdschap niet bedwingen en daarom roept hij het zijn mede-pelgrims toe: “Een oase! Een oase!”
Zo ook, Gemeente, is het met de ziel die tot deze Fontein komt. Zij heeft maar één doel voor ogen… maar één begeerte vervult haar… en dat is… Jezus Christus. Daar strekt zich al haar lust en liefde heen! Buiten Hem is toch de dood! Buiten Hem moet ze jammerlijk omkomen! Buiten Hem is het niets dan een rampzalige woestijn en daarom roept ze het uit – vanuit die woestijn: “O Heere, mijn ziel en lichaam hijgen naar U, in een land dor en mat, zonder water.”
Vanuit die woestijn vlucht en zoekt ze tot de Fontein van het water des Levens; vanuit het Sodom der zonde tot het Zoar der behoudenis; vanuit de wildernis naar Kanaän.
Voor zo één wordt het omkomen in zichzelf… een wanhopen aan zichzelf. En wat nu alles afsnijdt is dit: Dat ze leren, dat ze niet komen KUNNEN. Daar zien ze dat ze geen VOETEN hebben om tot Hem te gaan en geen HANDEN hebben om Hem aan te grijpen. Daar leren ze hun MACHTELOOSHEID kennen en daarbij… de kracht van hun verdorvenheid, die hen met duizend touwen naar beneden trekt.
Ja dat doet hen nu zo vaak in deze woestijn terneer liggen en klagelijk wenen.
Hier wordt vervuld: “IK zal ze voeren met geween en met sméking zullen ze komen.” Ja dan roepen ze het met de bruidskerk: “Trek mij Heere en ik zal U nalopen.”
Want:
“Zonder U kan ik niet zuchten
noch van hier naar boven vluchten.
Zonder U niet zijn verblijd
Schoon Gij goedertieren zijt.”
O, eeuwig wonder van aanbiddelijke ontferming, voor wie tot die Steenrots mag komen om… te drinken!
O zeker, het komen tot die Steenrots is geen weg naar het vlees. Het is een weg van omkomen en sterven aan zichzelf. Het is een weg, waarin het verdoemelijke en hoogmoedige “ik” ten diepste vernedert wordt. Want wie tot deze Fontein komt is een ten dode opgeschrevene… een gans ontblootte en ontledigde zondaar, die onder eigen wetsbetrachtingen de dood leerde schrijven. Want zie: de wet geeft niets anders dan slagen. Gods gerechtigheid verschrikt ze. En… Jezus heeft geen troost voor haar, zolang zij – als is het dan ook bedekt – het zoekt in eigen voornemens en werken der wet.
Maar… waar ze nu denkt om te komen, dáár wordt ze juist, in de weg van het sterven, …behóuden! En in een weg van verloren gaan, vindt ze het leven! En dat alles alleen door die geslagen Steenrots.
Waar ze denkt van dorst voor eeuwig om te komen, daar mag ze nu water scheppen met vreugde uit de Fonteinen des heils. Waarom? Omdat die gezegende Borg aan het kruis moest uitroepen: “Mij dorst!”
Waar ze denkt de toorn van God eeuwig te moeten ondervinden, daar ontmoet ze Gods vriendelijk aangezicht. Waarom? Omdat die dierbare Immanuël in de nacht van Zijn lijden die gunst onthouden is.
Drinken…!
Ja dat geschied, waar een zondares wenend aan Jezus’ voeten ligt.
Waar een tollenaar afgaat… gerechtvaardigd naar zijn huis.
Waar een Maria haar “Rabboni” stamelt.
Waar een Thomas het uitroept: “Mijn Heere en mijn God”.
En waar een Petrus – onder tranen – belijdt: “Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.”
Gemeente, we hebben samen nagedacht over de behoefte, de bron en de verkwikking van de wateren des Levens.
De grote vraag komt nu tot ons:
Kennen ook wij – voor eigen hart – iets van deze zaken?
Of… hebben wij nog genoeg aan de wateren van deze wereld? Want ook de wereld nodigt! In vele vormen, met luide stem: “Drinkt van de wijn die ík gemengd heb!”
De wereld biedt u echter de beker der bedwelming aan. Om dan straks de verschrikkelijke realiteit te ontdekken: eeuwig om te komen… eeuwig te smachten naar één druppel water!
En dan te weten dat u de wateren des Levens veracht hebt! Wee degenen, die op zo’n grote zaligheid géén acht hebben geslagen. O Gemeente, temidden van alles wat wisselt… alles wat verandert… klinkt daar nog altijd één stem, krachtig en zeker! Temidden van de feestdrukte in de tempel verhief Jezus Zijn stem: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke!”
Niet één keer… niet twee keer…maar altijd nog klinkt die stem door tot oud en jong; rijk en arm; ja wie we ook zijn!
Op de laatste dag van het feest, houdt Jezus zelfs niet op met roepen. Zo ook nu… naarmate minder tijd te verliezen valt, is de kracht van Zijn woord, de lokking van Zijn liefde, … sterker!
Ja, hier geldt het woord van Jesaja: “De ganse dag heb Ik Mijn handen uitgebreid tot een wederstrevig volk, dat wandelt op een weg die níet goed is.”
Ja, hier klinkt Jézus’ woord ons tegen: “Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikwijls heb Ik Uw kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens, maar… gij hebt niet gewild.”
Daarom, het komen tot deze wateren des Levens is voor u en ik de grootste noodzaak. Want daarbuiten is een eeuwig zielsverderf.
Is er bij ons al een behoefte aan die wateren des Levens? Zo ja… dan is dit het rechte kenmerk, dat we niet tevreden zijn met dit dorsten zelf. Hoewel hier reeds enige zaligheid en zoetheid in ligt, nochtans is het alle oprechten van hart te doen om te komen tot het geloof, dat hier onder de benaming van “drinken” voorkomt.
Sta dan maar veel naar ontdekking. Wees niet tevreden met algemeen werk. Want een algemene werking van de Heilige Geest kan ons brengen met onze schuld vóór God, maar niet ónder God. We hebben daarom de zaligmakende werking van de Heilige Geest zo nodig. Daardoor worden we een arme, ontledigde zondaar, die op geen andere grond kan rusten, dan op de volle borggerechtigheid van Immanuël. Daardoor alleen worden alle deugden van God opgeluisterd. De Vader is bevredigd en de zondaar is weer in God terug gebracht. Zó, alsof hij nooit zonde gekend of gedaan had.
Daarom, oprechten van hart, mochten we maar veel verwaardigd worden om onze lege vaten aan de Heere te tonen. Hij kan ze vullen met de wateren des Levens. Laat, om te komen tot die Fontein, de bede van de bruidskerk de onze zijn: “Trek mij Heere en wij zullen U nalopen.”
En U, die drinken mocht uit deze Fontein: wat kracht ligt er toch in deze wateren. Ja, Christus zegt tegen de Samaritaanse vrouw in hoofdstuk 4: “Het zal in hem worden een fontein, springende tot in het eeuwige leven.”
Hier, op aarde – het Mesech der ellende - is dat water voor u al zo zoet, maar… wat zal dát zijn, als u er, straks… in de nooit gestoorde zaligheid… de volle verzadiging ervan zult genieten. Namelijk dán, wanneer uw pelgrimskleed verandert wordt in de kleed der gezaligden. En wanneer uw reisstaf ingeruild zal worden voor de palmtak der overwinning. Om dan voor eeuwig de verzadiging van vreugde te genieten en de lieflijkheden aan Gods rechterhand.
Dat zal het eeuwige Loofhuttenfeest zijn. Daar zal de zuivere rivier van het water des Levens zijn, voortkomende uit de troon van God en van het Lam.
En dáár…
…daar zullen dan de blijde zangers staan,
de speellieden op de harp en cimbel slaan,
en binnen U al mijn fonteinen wezen.”
AMEN
Laten wij de Heere bidden en danken.
Onze slotpsalm is Psalm 16 : 6 waarvan de laatste regels luiden:
“De lieflijkheên van ’t zalig hemelleven
zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.”
Laten wij deze dienst eindigen met de woorden uit de Avondzang:
O Vader dat Uw liefde ons blijk’
O Zoon maak ons Uw beeld gelijk
O Geest zend Uwe troost ons neer
Drie-enig God, U alleen zij al de eer! AMEN.