De Farizeër en de Tollenaar op de Biddag.
Predikatie over Lukas 18 : 10
Door
Ds. H.C. v.d. ENT
Psalm 24 : 2
Lezen: Lukas 18 : 1 t/m 14
Psalm 141: 1, 2 en 3
Psalm 51: 1
Psalm 32: 3
Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden; de een was een farizeër, en de ander een tollenaar.
Lukas 18 : 10
Het is vandaag opnieuw biddag voor het gewas en allerhande arbeid, zoals men dat in één zin noemt. Onder allerhande arbeid moogt ge dan verstaan, niet alleen hetgeen wordt verricht op het land, maar ook in huis, ook in de winkel, ook op straat, ook op het kantoor of waar men ook zijn werkkring zou mogen hebben gevonden. Dat men een dag in het midden der week afzondert, om het aangezicht des Heeren te zoeken en van Hem een zegen af te smeken, over al deze genoemde dingen, is een bewijs hiervan, dat wij in alle dingen van de Heere afhankelijk zijn. En het zou toch te wensen zijn, dat wij dit in deze morgen nu niet alleen beleden met de mond, maar dat wij daar ook iets van beleefden in ons hart. Want of wij nu een koning zijn of een eenvoudige onderdaan, of een vrouw, een jongen of een meisje, een kind of een grijsaard, wij zijn allen, zoals dat met een gevleugeld woord gezegd wordt, steil en diep van de Heere afhankelijk. Want wij kunnen niet één graankorrel laten groeien, wij kunnen niet één suikerbiet laten groeien, wij kunnen niet één aardappel laten groeien, wij kunnen niet één liter melk voortbrengen, wij vermogen alle tezamen niets. Dat kan de heel eenvoudige niet, dat kan de meest geleerde niet, zelfs de koning wordt van het veld gediend, staat er in de Waarheid. Daar staat ook in de Bijbel, dat wij ons buiten de Heere noch roeren noch bewegen kunnen. Nu, denkt u dat eens een ogenblik in, wat dat zeggen wil, zonder de Heere kunnen wij onszelf niet roeren noch bewegen. Dat wil zeggen: wij kunnen zonder de Heere onze hand niet opheffen, onze benen niet verzetten, onze ogen niet opendoen, niet horen of spreken, zelfs geen adem halen. Zonder de Heere kunnen wij ons werk niet verrichten, zonder de Heere kunnen wij ons noch roeren noch bewegen, zodat het goed is dat wij op een dag als deze, onze gedachten opheffen tot God, die de Gever is van alle goede gaven, zoals dat in de Bijbel staat. En daarom hebben wij elkander voorgelezen, de gelijkenis van de farizeër en de tollenaar. Dat waren twee mensen, die opgingen naar de tempel om te bidden. Wanneer wij dit nu met elkander hopen te overdenken, dan schrijven wij er boven:
De farizeër en de tollenaar op de biddag, want zij beleefden beiden, een ieder op zijn eigen wijze, een biddag, en dan staan we stil bij een drietal gedachten:
1. Bij hun gaan naar de tempel, ze gingen beiden op.
2. Bij hun verkeer in de tempel, want ze hebben beiden daar verkeerd.
3. Bij hun vertrek uit de tempel, want ze zijn daar niet gebleven, maar zijn beiden weer naar huis gegaan, de één gezegend en de ander die is gegaan zoals hij kwam.
De Heere Jezus Christus kwam tijdens Zijn rondwandeling op aarde met allerlei soorten mensen in aanraking. Zo kunnen wij ook lezen in ons tekstverband, dat Hij nu weer door verschillende mensen omringd werd. En onder die verschillende mensen waren er, die zichzelf voor rechtvaardig hielden en anderen niets achtten. Dat waren dus mensen, die zelf geen schuld hadden, die bij zichzelf geen zonde zagen. Dat waren om het zo eenvoudig mogelijk te zeggen, de beste brave Hendrikken, die uit de hoogte op een ander neerzagen. Tot dit soort van mensen nu richtte de Heere Jezus het woord van onze gelijkenis in het bijzonder. Ik zeg: In het bijzonder! Want het was niet alleen tot deze mensen gericht, maar het klinkt zelfs over de hoofden van deze mensen heen vanmorgen, tot ons. En nu mag het een wonder zijn, dat de Heere Jezus Christus nooit moede geworden is, om altijd de mensen maar weer te onderwijzen in die dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Daarin komt openbaar Zijn liefde tot zondaren, want die is grenzeloos. Nu, uit liefde tot zondaren heeft Hij dit woord van de gelijkenis gesproken. Hij begint te zeggen: twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden. Twee mensen, dat zijn mensen, waarin, wat het uitwendige aangaat, geen onderscheid is. Dat zijn twee nakomelingen van Adam, beiden uiteindelijk van een lap gescheurd. En deze twee mensen gaan op om te bidden in de tempel. Ze gaan beiden op en dat is goed. Daar kan men nooit kwaad van zeggen, dat men opgaat naar de tempel; of dat men opgaat naar Gods huis vandaag om te bidden. Dat is altijd goed. Maar als twee hetzelfde doen, u kent dat spreekwoord ook wel, dan is dat nog niet hetzelfde. Men kan dat nog zo heel verschillend doen. Nu, dat wil de Heere Jezus Christus Zijn hoorders aan de weet brengen. De Heere Jezus gaat nu nader verklaren, dat de één een farizeër was en de ander een tollenaar. Hij noemt eerst de farizeër, die opging naar de tempel. Laten wij hem vanmorgen maar noemen: Nummer één! Want de farizeërs waren mensen die zich graag nummer één noemden. Een mens is nu eenmaal graag nummer één. Men staat niet graag onder aan het lijstje. Dat ligt de mens van nature niet. Deze farizeër stond ook niet graag onder aan het lijstje. Hij stond graag bovenaan. En nu moet u niet denken, gemeente, dat de farizeërs beroepshuichelaars waren. 0 zeker, er waren er wel heel veel. Tot hen zei de Heere Jezus: „Wee u, gij farizeërs, die onder de schijn van lang te bidden de huizen der weduwen opeten". Maar er waren ook eerlijke farizeërs. En dan denk ik aan Nicodemus, u kent hem wel, die nachtdiscipel. Dat was een overste der farizeërs, maar dat was toch een eerlijk mens. Een mens die uiteindelijk niet beter wist. Ik denk aan Saulus, in later tijd. Dat was ook een farizeër. Maar die kan men ook geen beroepshuichelaar noemen, want die Saulus was ook een man, die het eerlijk meende, die zelfs meende dat hij God een dienst bewees, als hij de gemeente Gods vervolgde. Hij wist uiteindelijk niet beter. De farizeërs waren mensen, dat betekent ook die naam, die afgezonderd leefden. Wij zouden hen asceten noemen. Mensen die zichzelf veel onthielden, zodat zij een nauwgezet leven leidden. Het is op zichzelf niet verkeerd, als een mens een nauwgezet leven leidt. Ik zou zeggen, waren er vandaag de dag maar meer, die een nauwgezet leven leidden, want aan zulke mensen hebben wij werkelijk gebrek. We leven maar al te gemakkelijk. We leven soms maar al te ruim. De farizeërs leefden in vele opzichten zeer nauw. Het was echter hun gebrek, dat ze er wat mee werden, en daardoor werden zij voor God onuitstaanbaar. Knoopt dat a.u.b. goed in uw oren. Zo werd ons vanmorgen getekend de farizeër, nummer één, die opging naar de tempel om te bidden.
En dan nummer twee. Dat was de tollenaar. Dat was heus wel een ander uiterste. Want tollenaars stonden in de dagen van de Heere Jezus niet hoog aangeschreven bij de massa. Tollenaars, dat waren mensen die in dienst stonden bij de Romeinen. De Romeinen hadden de tollen verpacht en de tolgelden waren allemaal vastgesteld. Maar de tollenaars, die de tollen gepacht hadden, maakten van hun rechten misbruik. Zij vroegen van de mensen meer dan dat ze eigenlijk moesten geven. En als zij het niet wilden geven, dan persten zij het die mensen af. Zij deden dit menigmaal met geweld, in de rug gesteund door de Romeinse overheid. En zo verrijkten zij zich bovenmate zeer. Daardoor waren zij in de maatschappij echt mensen, die werden aangezien als uitvaagsel, als collaborateurs. Zij waren een afschrapsel. Zo waren zij ook in feite. Want de Heere Jezus heeft gezegd in Matth. 18 : 17, dat wanneer een mens na herhaalde vermaning blijft zoals hij is, n.l. onbekeerd, dan zij die mens u als een heiden of als een tollenaar. Dat is een bewijs dat een tollenaar niet hoog aangeschreven stond. Hij werd dan ook in één adem genoemd met zeer slechte mensen. Zij stonden met openbare zondaren op één lijn. Nu, deze twee, deze twee uitersten, zeide de Heere Jezus, gingen op naar de tempel om te bidden. Zij gingen óp. De tempel was in Jeruzalem, en Jeruzalem lag op de bergen; zij moesten dus naar boven. Maar hoe gingen zij op?
Ach, die Farizeër, dat kunt u wel begrijpen, die man ging fier op. Hij ging op, met de borst vooruit. Die man kon zichzelf laten bekijken, en hij liet zich ook graag bekijken. Het was ook een man die opviel. Want hij had een gepast gewaad aan. Aan dat gewaad bevonden zich brede gedenkcedels. Dat waren bepaalde stroken waarop teksten geschreven stonden. Als die mensen door de straten van de stad gingen, dan ging ieder een stap achteruit, want daar kwam een vrome aan, daar kwam een farizeër aan. Iemand waarvan men in onze dagen zou zeggen: Daar kun je je pet voor afnemen. Zij werden daarom ook door de mensen begroet. En die groeten beminden zij. Zij lieten zich graag begroeten. Nu, zo ging die farizeër op. Als hij in de tempel kwam, kwam hij eerst in de voorhof der heidenen. Maar die ging hij gauw door, en dan kwam hij in de binnenste voorhof. Daar mochten de Joden komen. En in die binnenste voorhof stond ook het brandofferaltaar. Daar werden de offers gebracht. Maar die binnenste voorhof loopt hij ook door. Het altaar loopt hij voorbij. Dat moet u maar goed onthouden, want dat is van betekenis. En dan komt hij voor een hekwerk te staan, dat scheiding bracht tussen het Heilige en al hetgeen dat zich daarbuiten bevond. Nu, in dat Heilige mocht hij niet komen, want daar mochten alleen de priesters komen. Maar vóór dat hekwerk, vlak voor het Heilige, bleef hij staan. En we laten hem een ogenblik daar staan, en dan komen we straks wel bij die man terug. We gaan eerst kijken naar de tollenaar, want die is ook wel een bezoek waard. Niet dat hij dat waard is in zichzelf, maar we kunnen ervan leren. En dan zie ik die tollenaar daar zitten in zijn tolhuis. Hij zit over zijn boeken gebogen. Die man is anders, dan dat hij gewoon is. Want als hij normaal is, zoals hij in het tolhuis zat, ach, dan kunt u wel begrijpen, dan zat hij uit te kijken naar een klant, die hij met een leugen en bedrog geld af kon persen, waardoor hij weer verrijkt zou worden. Maar het is nu met die man heel anders, want hij heeft bezoek gehad, inspektie, boekencontrole. En dan niet van een aardse inspekteur. Neen, God zelf is bij hem op bezoek geweest. God heeft die man zijn ogen geopend. God heeft die man met geopende ogen in zijn boeken laten zien. En nu begint alles in die boeken hem aan te klagen. Alle cijfers klagen hem aan, alle bedragen klagen hem aan, alle mensen, die hij geld heeft afgeperst, komen voor zijn aandacht en klagen hem ook aan. De wet begint voor zijn aandacht te leven. Die begint hem ook aan te klagen van diefstal, van leugen, van geweld, dat is eigenlijk doodslag. 0, die man krijgt het benauwd in zijn tolhuis. Misschien dat u dat begrijpen kunt. Waar moet die man naar toe? Moet die man naar de mensen? Ach, die mensen zullen hem niet ontvangen, die zullen alleen de neus voor hem optrekken. Die zullen zeggen: Man loop heen en word warm. Wat hebben wij met jou te maken? Zal hij gaan naar de kerkelijke leiders, naar de farizeërs? Zal hij gaan naar de schriftgeleerden, naar die vrome mensen? Zullen die medelijden met hem hebben? Ach, hij behoeft het niet te-verwachten. Hij is die mensen al zo vaak in zijn leven tegengekomen, maar zij keken hem met de nek niet aan, zij hadden hoogstens een schuinse blik voor hem over.
Die man zit echt in de knoei. En nu is er nog maar één weg voor hem open en dat is de weg naar de tempel, dat is de weg naar God. Dit te bedenken geeft die man uiteindelijk nog moed. Want hij wou vluchten maar kon nergens heen. Zodat hem de dood voor ogen scheen. En alle hoop hem gans ontviel. Daar niemand zorgde voor zijn ziel. En toen hij overstelpt was door ellende, toen kende God zijn pad. Daarom ging hij naar de tempel. Hij ging ook op, staat er. Ik denk gemeente, dat hij met vreze en beving vervuld is, als hij opgaat. Want straks, in de tempel, zal hij voor God verschijnen. 0, dat beseft die man meer dan iemand anders. God is heilig en rechtvaardig. Hij kan voor die God niet bestaan. En toch kan hij bij God niet vandaan blijven. Dat is het wonderlijke! Hij wil liever sterven aan de voeten van God, dan nog langer in het tolhuis blijven, in de zonde. Want de zonden zijn hem de dood geworden.
Zo ging de tollenaar op. En de tekst zegt: Twee mensen gingen op in de tempel, om te bidden. De één was een farizeër en de andere een tollenaar. Wij onderscheiden mensen in: Mannen en vrouwen, jongens en meisjes, rijken en armen, geleerden en ongeleerden, bekeerden en onbekeerden bekommerden en bevestigden. Ach, wij hebben zoveel onderscheidingen. De Heere Jezus houdt het bij twee soorten. Laten wij het daar vanmorgen ook maar bij houden. Uiteindelijk zijn er maar twee soorten mensen in de wereld en geen vijf of zes en zeker geen tien. Jezus zegt: Twee mensen gingen op in de tempel.
Nu zijn wij vanmorgen ook opgegaan naar de tempel. Het is biddag. En hoe zijn wij nu opgegaan? Zijn wij precies eender opgegaan als die farizeër, hooggevoelende? Zijn wij zo door de straten gelopen, met de gedachte: Wij gaan naar de kerk, wij houden biddag, wij zonderen een dag in de week af. Anderen doen dat niet. Die houden al lang geen biddag meer. De meeste kerken hebben dat in de week al afgeschaft. Dat zijn dan nog kerken. Daarbuiten zijn er massa's die nooit in de kerk komen.
Zo kun je heel gemakkelijk, in je eigen oog, een groot mens worden. Dan word je ook een bekeken mens, zoals die farizeër een bekeken mens was. Want dan denken anderen: Die man, die vrouw die gaat naar de kerk. O ja, het is biddag vandaag bij die mensen. Die zijn beter dan wij. Dan voel je je al een klein beetje. Bent u nu vanmorgen misschien zo opgegaan? Dan hebt u uw beeld al gezien, dan hebt u uw naam horen noemen. Dan lijkt u ontzaglijk veel op die farizeër. Of bent u vanmorgen precies eender opgegaan als die tollenaar, zodat u weet, wat het zeggen veil, in uw leven bezoek van God gekregen te hebben. Zodat u een mens bent, die weet wat het zeggen wil door de Heere te zijn gecontroleerd? En als God uw leven gaat controleren, kijk, dan komt u er heel slecht op te staan. Dan gaat u zien wie u in der waarheid bent. 0, dan krijgt u het benauwd, want dan gaat uiteindelijk alles u aanklagen en dan hebt u geen opgestoken borst meer. Dan bent u niet hooggevoelende, maar dan wordt u nederig en klein. Waar moet u dan heen? Ach, dan kunt u naar de mensen ook niet gaan. Die kunnen u toch niet helpen. Dan behoeft u ook niet naar vrome mensen te gaan, want die weten er ook geen raad mee. Wat een voorrecht is het dan, als u nog één weg open blijft, en dat is de weg naar God. En als u de weg naar God kent in uw leven, de gebedsweg, dan bent u ook met vrezen en beven vervul Want hoe zult u voor God kunnen verschijnen, die heilig is, zo heilig, dat zelfs de hemelen niet zuiver zijn in Zijn ogen? Hoe zult u voor God kunnen verschijnen, Die rechtvaardig is, zó rechtvaardig, dat Hij de zonden straffen moet? 0, als u daaraan denkt, dan leeft het in uw hart, wat de dichter getuigde: Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart. Voer mij uit mijn angst en noden. Bent u zo opgekomen vanmorgen?
Twee mensen gingen op naar de tempel, de één was een farizeër, de andere een tollenaar. Het kan wezen in het kleed van de tollenaar en met het hart van de farizeër. Dat zegt voor de Heere niets, want de Heere kijkt niet naar de buitenkant. Hij kijkt niet naar mijn gelaat en gewaad en ook niet naar mijn gepraat. Men zegt wel eens: Men is kenbaar aan gelaat, gewaad en gepraat. Dat is erg verdacht, want dat kan ook bedriegen. De Heere ziet naar het hart. Want uit het hart des mensen zijnde uitgangen des levens. En alleen als u een tollenaar bent in uw hart, d.w.z. zoals deze tollenaar, een verootmoedigd mens, een ontdekt mens, die het buiten God niet meer stellen kan, die het aangezicht des Heeren zoeken wil, omdat het moet, inwendig door de Geest gedreven, dan bent u de Heere welaangenaam, al bent u dat uzelf niet bewust. -
Twee mensen gingen op naar de tempel, de één was een farizeër, de andere een tollenaar.
2. Hun verkeer in de tempel.
Wij gaan weer terug naar de farizeër, u weet nog wel, die man die terecht gekomen was bij dat hekwerk, vlak voor het Heilige, waarachter zich het Heilige der Heiligen bevond, waar God woonde. Dan gaat die man bidden. Het gebed is wel eens de thermometer van het geestelijke leven genoemd. Nu kunt u op een thermometer aflezen of iemand gezond is of ziek. Dat weet bijna een ieder. Zo kunt u ook uit het gebed aflezen of iemand gezond is of ziek in geestelijk opzicht. En nu is het de toon die de muziek maakt, zegt een ander spreekwoord. En de Heere alleen kan zuiver luisteren. Want als wij mensen naar hun woorden moeten oordelen, ach, dan weten wij dikwijls niet wat wij er van maken moeten. Dan zeggen wij: Die man kan niet eens bidden, of wij zeggen: Die man heeft zulke gebedsgaven, die kan nog eens keurig bidden. Nu, als wij gaan luisteren, dan zeggen wij: Die farizeër had gebedsgaven. God zegt dat echter niet. Die farizeër gaat bidden. Er staat in ons tekstverband dat hij staande bad bij zichzelf. Dat woord „staande" wil de grondtaal eigenlijk zeggen, dat die man zich apart had opgesteld. Hij was een man die daar stond in postuur, een man die zich niet alleen door mensen wilde laten bekijken, maar ook door God. Hij was een man die voor God durfde te verschijnen, een man die zelf dacht voor God te kunnen verschijnen. Want ach, er mankeerde niets aan. En nu opent hij zijn mond en begint met: 0 God. Het klinkt koud, het klinkt hard. Er staat dat hij bad bij zichzelf. Dat wil niet zeggen dat hij het in stilte deed. U zoudt het beter zó kunnen vertalen: Hij bad tot zichzelf. Zo was het eigenlijk. Want al het bidden van die man was niets anders dan zelfadoratie, zelfaanbidding, omdat hij ingenomen was met zichzelf. En daarom: 0 God, ik dank U. Dat een mens dankt is op zichzelf niet verkeerd, maar uit de mond van deze farizeër klinkt het niet zo erg dankbaar. Want als hij zegt: Ik dank U, dan zegt hij niet: Ik dank U voor alles waarvoor ik bewaard ben gebleven. Dat is er bij deze man helemaal niet bij. Hij zegt: Ik dank U. Eigenlijk bedoelt hij: U mag mij wel bedanken, omdat U in mij zo'n nette, brave man hebt, omdat U in mij zo'n trouwe dienaar hebt. Hij zegt het zo niet, maar bedoelt het zo wel.
Ik dank U, dat ik niet ben gelijk andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar. Hij gaat zich niet plaatsen voor de spiegel van Gods wet, maar hij gaat zich vergelijken met andere mensen. Die andere mensen dienen hem als spiegel, waarin hij zichzelf ziet. Nu zegt een spreekwoord: Die zich spiegelt in een ander, die spiegelt zich zacht. Maar die zich in de wet spiegelt, die spiegelt zich niet zacht. Die ziet zich in zijn ware gedaante. Wanneer men zich echter in een ander spiegelt, spiegelt men zich zacht. Nu, zo deed die farizeër dat ook en dan noemt hij de slechtsten, opdat zijn deugdzaamheid, zijn braafheid het beste uit zou komen. Want hoe donkerder de achtergrond, hoe witter het krijt is waarmee men op het bord schrijft. Hoe zwarter de achtergrond is, die de farizeër God voorhoudt, des te heiliger, des te reiner zal hij daarop uitkomen. Daarom zegt hij: 0 God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk onrechtvaardigen, dat zijn mensen die niet leven overeenkomstig Uw wet, dat zijn mensen, die leven in de zonde, dat zijn mensen, die Uw geboden overtreden. 0 God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk rovers, dat waren mensen die met geweld geld van een ander in bezit trachtten te krijgen. 0 God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk overspelers. Hij leefde keurig met zijn eigen vrouw en had geen behoefte aan een ander, hij was beter. En tenslotte, ach, dan denkt hij ook nog aan die tollenaar, die achter in de tempel is blijven staan. Dan komt er in zijn hart een zekere weerzin op. Wat doet die kerel eigenlijk hier?
Die hoort toch niet in de tempel, het heiligdom van God? Die man hoort ereriten te blijven! Laat hem in zijn tolhuis blijven, die bedrieger, die oplichter, die kerel die een ander alles maar afperst. Dat is er een van het minste soort. Wat doet hij in Gods heiligdom? Is hij misschien gekomen om zijn geweten te ontlasten? Nu, dat kan hij wel laten, die man is ten dode opgeschreven. Hij is alleen maar goed voor de hel. 0 God, ik dank U, dat ik zo niet ben, dat ik ook niet ben gelijk deze tollenaar.
En als hij uitgedankt is, dan zoudt u denken dat hij aan het bidden toegekomen is. Maar hij komt helemaal niet aan toe om te bidden, want die man heeft geen zonde. Die man heeft niets te belijden, of eigenlijk zeg ik het verkeerd. Die man had natuurlijk wel zonde, want er is geen mens die niet zondigt en daarom had die man wél iets te belijden. Hij had genoeg te belijden, maar hij kende zijn zonde niet. Want hij was nooit door de Heilige Geest zaligmakend bearbeid en daarom beleed hij zijn zonde ook niet. Neen, die man heeft geen schuld. Die man heeft alleen maar een spaarbankboekje bij God. Dat is het tegendeel van schuld. Je hebt mensen die geen schuld hebben wel een spaarrekening; en er zijn mensen die geen spaarrekening hebben en wel schuld. Tot die eersten behoorde deze farizeër. Die had een spaarrekening bij God en geen schuld. En dan wil hij het nodige weer laten bijschrijven. Dat houdt hij dan de Heere ook voor: Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik bezit. Nu was het voorgeschreven dat men éénmaal per jaar moest vasten, n.l. op de grote verzoendag. Later zijn er op verschillende gedenkdagen vastendagen bijgekomen, die door de vrome joden in acht genomen werden. De farizeën hadden daar echter nog wat bijgedaan. Zij vastten tweemaal per week, op donderdag en op maandag. Want volgens de traditie was Mozes op donderdag op de berg geklommen om met de Heere te verkeren en was hij op een maandag daarvan teruggekeerd. Nu, die twee dagen — hadden de farizeën vastgesteld — moesten vastendagen zijn. Die namen zij getrouw in acht. Ik vast tweemaal per week. Hij deed dus veel meer dan de Heere vroeg. Wat wilt u nog meer? Ik heb nog meer op mijn boekje staan. Ik geef de tienden van alles wat ik bezit. Nu, het was ook voorgeschreven dat men de tienden geven moest van zijn inkomen. Die waren voor de stam van Levi, die had immers geen erfdeel ontvangen in het land Kanaan. Die moesten uiteindelijk ook leven en daar waren de tienden voor. En nu waren er ook van die hele kleine dingen, de munt, de dille en de komijn. Dat waren moeskruiden. Net als iemand die een volkstuintje heeft en daar een halve vierkante meter selderij heeft gezaaid om nu en dan eens wat voor de soep te hebben. Of iemand die een ander klein hoekje met peterselie heeft staan. U begrijpt dat wel, van die hele kleine dingen Daar behoefde men de tienden niet van te betalen. Maar de farizeën waren zo nauwgezet, zo stipt, dat ze van de dille niets zouden nemen en van de komijn en van de munt ook niet, voordat zij een tiende ervan hadden gebracht in de tempel. Ik geef tienden van alles wat ik bezit. Dat men dat deed was op zichzelf niet verkeerd. De Heere Jezus heeft gezegd in Matth. 23 : 23 en 24: Gij verdient de munt, de dille en de komijn en gij laat na te doen het voornaamste der wet, dat is de liefde tot God en de liefde tot de naaste. En dan zegt Hij er achter: Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten. Dus op zichzelf was het niet verkeerd dat men het deed, maar dat men het allernodigste, de ware liefde tot God naliet en de liefde tot de naaste, dat was zo erg.
Want de farizeën hadden alleen maar liefde tot zichzelf. Bij die farizeën was het alles puur berekening. Als zij maar keurig leefden, als zij maar goed oppasten, dan kregen zij straks in het Koninkrijk Gods, wat zij zich aards dachten, een ereplaats aan de rechterhand van de Koning.
Als die farizeër uitgebeden is, gaat hij weg. Hij is over zichzelf voldaan. Dat hebt u natuurlijk al lang begrepen. Hij gaat naar huis, ik zou dat willen onderstrepen, als een rechthebbend mens. Als een mens die overal recht op heeft. Hij had immers zichzelf waardig gemaakt? Recht op spijs en drank en alle dingen van dit leven. Hij leefde immers netjes, hij, nam zijn plichten toch waar? Hij deed nog veel meer, het was een man die overuren maakte, laat ik het zo maar zeggen. Heel veel overuren maakte hij. Hij verdiende nogal wat, overal had hij recht op.
Hoe zitten wij nu in de kerk? Het is biddag vandaag. We moeten vandaag hier bidden. We kunnen de woorden van de tollenaar gebruiken, we kunnen dat natuurlijk goed gereformeerd doen. Maar, dan kan het zijn, dat u toch nog een farizeër bent, want God ziet het hart aan. We hebben dit al meer gezegd vanmorgen; en dan komen we heel wat farizeën tegen in het leven. Ik kreeg laatst een brief van een moeder, die schreef over haar zoon, die om een of andere reden geen belijdenis kon doen bij de dominee waar hij thuis hoorde, en toen zocht ze bij mij steun. Ze schreef: Het is zo'n keurige jongen, dominee, hij gaat tweemaal naar de kerken in de week ook nog een keer als het bijbellezing is. Hij gaat altijd naar de catechisatie. Hij gaat altijd naar de vereniging. Hij gaat nooit naar de kroeg. Hij komt nooit in een bioscoop. Hoe yindt u dat allemaal? Dat hij tegenover de dominee brutaal was en dat dat één van de redenen was, waarom hij was afgewezen, dat zei ze er maar niet bij. Ik heb haar toen geschreven: Mens, wat heb je toch een beste jongen. Ik zou willen dat ik er zo honderd in de gemeente had. Ik weet niet of ze het begrepen heeft. Ik bedoel alleen maar dit te zeggen: Die farizeër zit ook in de kerk. Ook vanmorgen. Hij zit heel diep in het hart van de mens. Daar zit uiteindelijk die rechthebbende. Want wij vinden ook wel, dat wij alles verdiend hebben. Wij hebben brood, vlees, aardappelen verdiend, kortom wij hebben alles verdiend. Nee dominee, zo
is het niet, we moeten alles uit genade krijgen. Ja, dat zegt u nu wel, maar het moet er maar eens op aan komen, gemeente. Het moet er écht maar eens op aan komen. Dan hebben we ook alles verdiend, want we kunnen dan niets missen. Dan hebben we recht op spijs, recht op drank, recht op kleding, recht op een mooi huis, recht op een auto, recht op kapitaal. Ja, waar hebben wij allemaal zoal geen recht op? Wij doen er toch ons best voor? Wij werken er toch voor? Alleen in de kerk zeggen wij, dat we er geen recht op hebben. Maar 's maandags in de winkel, in de handel, of op de markt, of waar dan ook, dan zijn onze rechten nummer één. En als u nu zó in de kerk zit, nogmaals, de Heere ziet het hart aan.
En dan kom ik weer bij die tollenaar terecht. Die was ook in de tempel gekomen en hij is daar met vrezen en beven vervuld en met ootmoedigheid bekleed. Dat kleed van de ootmoed is een zeer schoon kleed. Dat is het schoonste kleed dat er is. Die man zou uit zichzelf de aandacht niet op zich hebben gevestigd. Want hij vertoont zich niet zoals die farizeër. Maar het wonder is dat de Heere Jezus op hem de aandacht vestigt. Al werd hij dan door de mensen niet gezien, God zag hem. Dat mag een troost zijn voor alle tollenaars. Als de mensen u niet willen zien, niet naar u willen kijken, dan alleen met verachting. Dan slaat Hij toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die nederig knielen. Het is een wonder als u het zo ziet. Van die tollenaar lees ik, dat hij van verre bleef staan. Hij durfde niet door het voorhof der heidenen. Hij durfde niet door het binnenste voorhof. Neen, hij bleef van verre staan. Hij had, om het zo eens te zeggen, boetvaardige voeten. Daar was reden voor. Want hij had met die voeten zoveel zonden bedreven, zoveel kwaad gedaan. Die man, zo staat er, wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, want hij schaamde zich. Hij had naar binnen leren zien. Naar die vuile bron van wanbedrijven, waardoor hij in Gods ogen wel een gruwel móést zijn. Hij had met die ogen zovele zonden gedaan. Daarom durfde hij zijn ogen niet op te heffen. Er staat in de tekst dat hij op zijn borst sloeg. Dat deed hij met zijn hand. 0, die hand, die boetvaardige hand, waar hij ook al zoveel mee gezondigd had. Hij sloeg er niet mee naar zijn hoofd: Jonge, jonge, wat ben ik toch dwaas geweest, was ik toch maar wijzer geweest, had ik maar niet zo aan mijzelf gedacht. Neen, er zijn zoveel mensen, die het zo doen, als zij in de narigheid zitten. Dan grijpen zij naar hun hoofd. Dat verraadt spijt over de gevolgen van de zonden. Maar dat is iets heel anders dan berouw hebben over de zonde zélf. Hij sloeg met zijn hand op zijn borst. Daar zat zijn hart, en uit het hart zijn de uitgangen des levens. Toen hij daar zo stond, stond er vóór hem, en daar wil ik u nu weer op wijzen, dat brandofferaltaar, waar die farizeër was voorbij gelopen. Op dat brandofferaltaar werden de offers der verzoening gebracht. En alleen op grond van die offers, die heenwezen naar het Offer, de Heere Jezus Christus, kon God een zondaar genadig zijn. Kon Hij van boven het verzoendeksel tot een zondaar spreken van heil en vrede. Nu, met het oog op dat Offer, slaakt de tollenaar de bede: 0 God, wees mij zondaar genadig! Eigenlijk staat er: 0 God, wees met mij, de zondaar, verzoend! Mij de zondaar. Neen, die man kijkt niet naar eeh ander. Hij vergelijkt zich niet met andere mensen. Hij ziet alleen zichzelf maar. Er is op de hele wereld maar één zondaar, en dat is hij zelf. Hij is dé zondaar en daarom: Wees mij, zondaar, zoals er maar één zó groot is, genadig. Wees met mij verzoend, zoals er dus letterlijk staat. D.w.z. dat de tollenaar inzicht had, goed inzicht in de schuld en hij begreep ook dat die schuld betaald moest worden. Hij begreep ook dat hij die schuld niet betalen kón. Daarom richt hij zijn blik op dat Offer. 0 God, wees met mij verzoend. Zie mij aan in dat offer. Het vond echt weerklank in zijn hart, wat wij samen gaan zingen:
Genó, o God, gend, hoor mijn gebed;
Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid;
Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor hoe een boet'ling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.
Psalm 51 : 1
Hoe bidden wij, gemeente-? Het is biddag vandaag. Doen wij het ook zoals deze tollenaar? Zijn wij ook mensen, die niets anders hebben dan schuld? Mensen die werkelijk nergens recht op hebben, alle rechten hebben verbeurd en verzondigd, dan alleen dat God ons verstoten zou van voor Zijn aangezicht? Kijk, als u dat nu beseft, echt beseft, dan bent u ook met ootmoedigheid bekleed. Dat kleed past een mens altijd voor God, dat past een mens overal. Dus niet alleen 's zondags in de kerk of als het biddag is of een andere bijzondere gelegenheid. Dat kleed past ons overal, omdat we altijd staan als schuldenaars, als zondaars voor God. Dat bent u als u werkt op het land, op het kantoor, in de fabriek. Dat bent u op school, op straat, in huis. Dat bent u overal. U bent altijd schuldenaar voor God en u moet het altijd alleen van genade hebben. 0, dan kunt u overal bidden: 0 God, wees mij zondaar genadig. Want we leven nu in een tijd, zoals de Heere Jezus zelf gezegd heeft, dat u de Heere overal kunt aanbidden. U weet dat wel uit de geschiedenis van de samaritaanse vrouw. Die samaritaanse vrouw zeide: Heere, waar moeten wij nu eigenlijk aanbidden? Wij zeggen te Samaria en de joden zeggen te Jeruzalem. Hoe zit dat nu eigenlijk? Och, zegt de Heere, de ure komt en is nu, dat u overal de Heere aanbidden kunt, maar u moet het doen in geest en in waarheid. Nu, dáár gaat het over. En dan bent u overal tollenaar. Dat wil zeggen: een mens met schuld. Dan moet u het overal van genade hebben. Daarom kunt u dat bidden als u op het land loopt, als u loopt te zaaien, o God, wees mij zondaar genadig. Geef dat het groeien mag, want ik heb het niet verdiend. Dat kunt u bidden als u in de winkel staat, o God, wees mij zondaar genadig. Geef dat mijn klanten mogen komen en dat ik mijn brood kan verdienen, want ik heb het niet verdiend. Dat kunt u bidden als u op straat bent, als u in de handel bent, o God, wees mij zondaar genadig. Dat kunt u bidden als u op school zit. Ook kinderen mogen dat bidden, moeten dat bidden. Of zij een goed verstand mogen krijgen om hun werk te doen, of zij dat uit genade mogen krijgen. Dat kunt u bidden als u in huis bent, als u stof loopt af te nemen, of wat u ook doet. 0 God, wees mij zondaar genadig. Want we hebben niet alleen genade nodig voor onze ziel, zeer zeker, dat ook natuurlijk, want zonder genade vaart niemand wel. Maar we hebben ook genade nodig voor ons lichaam, voor ons daaglijks leven. Daar willen wij vandaag in het bijzonder aan denken. 0 God, wees mij zondaar genadig. En nu leven wij in een tijd van zoveel nadere openbaring als die tollenaar, die ons in de gelijkenis wordt voorgesteld. Want wij leven nu niet meer bij schaduwachtige offers, want het ene Offer is gebracht; Jezus Christus. En op grond van dat ene Offer kan God genade geven. Hebt u er erg in, in uw bidden, dat God alleen op grond van dat ene Offer, met mij en met u, de zondaar, verzoend kan zijn, zodat de verhouding daardoor verandert tussen God en de mens? Het wordt van een onverzoende verhouding een verzoende verhouding, waardoor God van een grimmig Wreker, van een rechtvaardig Rechter, een verzoende Vader wordt, Die voor Zijn kinderen vaderlijk zorgt. Kijk, dan zal het u aan niets ontbreken. Om Jezus wil, Die gehongerd en gedorst heeft. Die van Zichzelf zeggen moest: De vossen hebben holen en de vogelen hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets, waar Hij Zijn hoofd op nederlegge.
Die is, zegt God, om uwentwil arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede rijk zoudt worden. Opdat Hij u, arme zondaar, met goederen zou kunnen vervullen. Ook met natuurlijke goederen. Wanneer u dat verstaat, gaat u genadebrood eten. En wie zó genadebrood mag eten, die heeft nog nooit zo lekker gegeten. Als we eten van dat brood, dan wordt elke hap een wonder. Dan moet u bij elke hap wel zeggen: 0 God, het is niet verdiend. Wel verzondigd, maar het komt mij toe om Jezus' wil. Kijk, dat is rijk.
3. Hun vertrek uit de tempel.
De farizeër en de tollenaar gingen ook weer uit de tempel. Er staat in vers 14: Ik zeg ulieden, deze ging af, gerechtvaardigd naar zijn huis. „Deze" was die tollenaar, die ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Dat wil eenvoudig zeggen: God had hem vrijgesproken van schuld en straf en hem recht gegeven op het eeuwige leven. Wie dat verstaat, heeft ook recht op het natuurlijke leven en alles wat voor het natuurlijke leven van node is. Maar, dat is dan geen recht in zichzelf, maar dat is een recht in Christus, recht in een Ander. Deze ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. God sprak hem vrij en daarom kon hij vrij naar huis gaan. Want die in dát Offer, op de Zoon ziet, die zal waarlijk vrij zijn. Deze ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Dat verstond hij door het geloof, dat de Heilige Geest in zijn hart werkte, waardoor hij een geloofsinzicht in dat Offer had gekregen. Meer dan die, staat er bij. Wil dat zeggen dat die farizeër ook een beetje gerechtvaardigd was? Een beetje minder dan die tollenaar, maar ook gerechtvaardigd? Ach, die farizeër had zichzelf gerechtvaardigd, maar was niet door God gerechtvaardigd. Meer dan die, dat wil zeggen, in onderscheiding van die tollenaar. Hij ging de tempel uit, net zoals hij er in gekomen was. Hij was er met zichzelf ingekomen en ging er ook met zichzelf uit, zonder God. De tollenaar was er met schuld ingekomen en met belijdenis van die schuld. En hij ging er met God uit. Daarom ging hij er rijk uit. De farizeër was het daar natuurlijk niet mee eens. Die heeft zeker gedacht, als hij er weet van gehad heeft, dat gaat veel te gemakkelijk, dat gaat veel te goedkoop. Eén gebedje van zes woorden en dan zo ineens klaar. Nee, nee, zo gaat het niet. Maar zo gaat het nu juist wél, als je het maar verstaat. Want God vraagt niet naar veel woorden, God vraagt naar waarheid. En nu staat er zo veelbetekenend achter: Een iegelijk die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. Nu dat had die farizeër zichzelf gedaan. Maar God zag hem met gramschap aan. Hij werd vernederd tot in de hel toe. Want voor die farizeër was er geen hoop.
En als er nu hier farizeërs zitten; u bent er nog. Ach, ik zou zeggen, vraag de Heere of Hij u nog wil ontdekken. Of u waarlijk een arme tollenaar wil worden. Want die zichzelf vernedert, dat had die tollenaar gedaan, zichzelf veroordeelt, die zal niet veroordeeld worden, maar verhoogd. Ja, die krijgt bij God een ereplaats. Hij ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het dan die verdoemt? 0, er zit perspectief in' dat woord, hij ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Niet alleen naar zijn huis op aarde, maar straks naar het huis zijns Vaders, waar vele woningen zijn, om daar, als een gewassene, als een gereinigde, als een met God verzoende, God als zijn Vader te mogen ontmoeten, Die nooit verwijt, maar Die Zijn kinderen rijk onthaalt. Nu, wilt u nu zo naar huis gaan? Ik zou zeggen, gemeente, het is toch een zaak om er zin in te krijgen, eerlijk waar. Zo God te mogen ontmoeten op een biddag, met een vernederd hart, met veroordeling van jezelf. Daar krijgt u God in mee en dan gaat God straks met u mee, als u naar huis gaat. Dan gaat Hij met u mee het leven in, om u straks thuis te halen, gerechtvaardigd. Niet op grond van uw verdienste, maar om Jezus' wil. Op grond van Zijn offer komt de ganse kerk, komen alle tollenaars thuis, vrij van schuld en straf, met recht op het eeuwige leven.
Amen.
Psalm 32 : 3
'k Bekend, o Heer, aan U oprecht mijn zonden;
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg
Mijn boze dadn, Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd, met ootmoed smekend komen;
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan;
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.