Lukas 18:6-8 'De onrechtvaardige rechter' ds. R. Kok

Predikatie over Lukas 18 : 6-8 door ds. R. Kok

De barmhartige Hogepriester

Lezen:    Lukas 18 :    1-14
Zingen: Psalm 25 :    3
Psalm 60 :    7
Psalm 42 :    1,2.
Psalm 40 :    4.
Psalm 98 :    2,4.

En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

Lukas 18 : 6-8.

De barmhartige Hogepriester leert ons bidden:

1. Uit Zijn mond,
2. Door Zijn offerande,
3. Tot Zijn vreugde.

Wij hebben naar het bevel van de Heere Jezus in de eerste plaats te luisteren, naar hetgeen gezegd wordt van de onrechtvaardige rechter.
Daar dat de sleutel is, waarmee de Heere het heiligdom van dit tekstwoord wil openen.
De rechter zal op de krachtige aandrang van de weduwe, haar eindelijk recht doen tegenover haar wederpartij. Want daar waren in deze huwelijkszaak drie partijen, gelijk bij Boaz en Ruth. Want daar was behalve Boaz nog een losser, die nader was dan hij en waarvan door hem gesproken was tegenover Ruth. Maar die eerste losser was geen kwaadwillige tegenpartij, daar hij niet in staat was Ruth te lossen. Wat hem dan ook gewillig zijn schoen tot bevestiging van de zaak, deed uittrekken, om het land dat gelost moest worden, aan zijn naaste af te staan. En daarmee was de zaak in liefde en vrede opgelost voor de Moabitische Ruth.
Maar de weduwe, waarvan de Heere Jezus spreekt, had omtrent de broer van haar overleden man, die zij naar het bevel des Heeren wilde trouwen, een wederpartij, die alles in het werk stelde, om was het mogelijk, dat te verijdelen.
En nu heeft deze gelijkenis betrekking op de barmhartige Hogepriester en op de geestelijke weduwe, die Hij als Man van Gods raad wil trouwen. Maar daarin komt Hij ook veel tegenstand te ontmoeten, zodat deze zaak alleen door de Rechter van het hoogste gerechtshof kan opgelost worden. Want de bruid, die Christus wil trouwen om Zijn eigendom te worden, is daartoe van Adam afgesneden. Wat haar in de grond der zaak een geestelijke weduwe deed worden. En in dat rechtsgeding laat de oude Adam zich niet weinig gelden. Want de oude mens stoelt nog op de wortel van de oude Adam. En Christus kan en wil haar alleen trouwen door te
sterven aan de wet van het werkverbond, de wet van de oude Adam. Om zo, naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid, Zijn wettig eigendom te zijn.
De Heere Jezus heeft ten volle recht op haar verkregen door de verheerlijking van Gods verkiezende liefde in haar hart, bij de inlijving in Christus, toen de Heere de wet van Zijn liefde schreef in haar hart om Hem hartelijk lief te hebben. En dan zegt de Heere in dat verband in Zijn Woord: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheid". „En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof en gij zult de Heere kennen". Dat is voor het innerlijk leven des geloofs, omtrent het geestelijk kennen van de Heere, van grote betekenis.
Waarom de Heere Jezus dan ook wil dat Zijn God als de rechtvaardige Rechter daarin gekend en geliefd zal worden. Want het geestelijk huwelijk is van Hem uitgegaan, om langs die weg eenmaal in Zijn Vadershuis opgenomen te mogen worden.
En dat wordt ons gezegd door de barmhartige Hogepriester. En dat:
le. Uit Zijn mond.
Het wordt ons hier vergund het onderwijs, dat de Heere Jezus uit Zijn mond gaf aan de discipelen, ook biddende te volgen. En daar zijn zij toegekomen door de verheerlijking van Zijn ontfermende en trekkende-Liefde tot Hem. Daar het volheerlijke verlossingsplan uit Gods goedertierenheid is voortgekomen, opdat het door Jezus Christus, de barmhartige Hogepriester zou ten uitvoer gebracht worden in hun hart en leven.
De uitverkorenen, waarvan hier gesproken wordt, zijn dus door wederbarende genade de inlijving van Christus deelachtig geworden, om Hem terstond te volgen in Zijn vernedering en eenmaal in Zijn verheerlijking. Zodat zij door de inspraak van de barmhartige Hogepriester in hun hart, een biddend leven mochten verkrijgen aan de troon der genade. Op Zijn leerschool roepen zij dag en nacht tot God om ontferming, om door Hem gezaligd te mogen worden. Waartoe Hij de Zoon Zijner liefde heeft gezonden, Die hen dierbaar werd. Want zij hebben zichzelf leren kennen in hun vloekwaardigheid. Zodat het is bij dag en nacht een roepen tot God om genade en ontferming. Want dat is hen door God geopenbaard in de barmhartige Hogepriester, op grond van recht en gerechtigheid.
Maar al roepen zij dag en nacht tot God, om uit de nood der ellende verlost te mogen worden, door vergeving der zonden en het recht ten eeuwige leven, het mocht niet baten. Het werd eer erger dan beter, gaan zelfs achteruit in plaats van vooruit omtrent het verkrijgen van het zo innig begeerde doel. En wat mag daar toch wel de oorzaak van zijn? Want het beginsel waaruit zij leven is toch de wedergeboorte, wat door de Heere Jezus betuigd werd. En toen hebben zij bij de inlijving in Christus, het schrijven van Gods wet in het hart, door de Heilige Geest verkregen. Waarbij de Heere tot bevestiging van die zaak, Zijn liefde kwam uit te storten in het hart. En toch vorderen zij niet, als de Heere niet lankmoedig over hen was, dan had Hij Zijn hand van hen afgetrokken. Maar hoe kan dat, daar zij zijn op de leerschool van de Heere Jezus, Die het niet moede wordt hen door Zijn Woord en Geest te onderwijzen in de weg der zaligheid? Het zit dan ook niet in Hem, maar de oude Adam is daarvan de wederpartij.
Duidelijk is het door de Heere Jezus voorgesteld in de tollenaar, die met diepe boetvaardigheid in de tempel kwam en wel met de bede: „O God, wees mij, zondaar genadig". En van hem is door de Heere Jezus gezegd: „Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis".
Terwijl de discipelen dag en nacht tot God bidden om door Hem gerechtvaardigd te mogen worden, gaan zij steeds meer achteruit. Als de Heere Jezus het hen op het hart bindt, wat de tollenaar deelachtig was geworden, dan gaat het 't ene oor in en het andere oor uit. Het werd niet ter harte genomen.
En waarom? Wel heel eenvoudig, daar zij met al hun bidden en roepen tot God om door Hem gerechtvaardigd te mogen worden, met deugd en plicht werkzaam waren, om dat op grond daarvan te mogen bekomen. Zodat zij vanuit de wet van het werkverbond, wettisch werkzaam waren. Waarom zij in de grond der zaak begeerden gezaligd te worden zoals de rijke jongeling. En dat was de tegenpartij van de wettige Man, Jezus Christus. Want toen Hij met een bittere teleurstelling droevig heenging, werd door de discipelen de zucht geslaakt en de vraag gesteld: „Wie kan dan wel zalig worden?" En Petrus zeide toen tot de Heere Jezus: „Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?”
Een antwoord, waarmee het werk der genade in hen verheerlijkt, wel niet werd weggeslagen, maar zij werden er wel mee ten gerichte gesteld. Want als de Heere hier spreekt van dat gericht, dan werd door Hem toch betuigd, dat zij daarmee in het gericht van Gods rechtvaardigheid niet konden bestaan. Want als de Heere Jezus sprak van Zijn lijden, dood en begrafenis en Zijn opstanding, dan verstonden zij het niet eens, daar het voor hen niet aantrekkelijk was. Het was ten enenmale voor hen geen troostbron. En wat mag daarvan toch wel de oorzaak zijn? Wel heel eenvoudig, dat ons hart niet door beschouwing, doch alleen door beleving dierbaar en kostelijk kan worden.
Zodat de discipelen met al het onderwijs, dat door de Heere Jezus aan hen hoorbaar en zichtbaar ten koste gelegd werd, in de eerste beginselen van het genadeleven, bleven staan. En dat, daar zij zichzelf in het leven uit de wortel van eigengerechtigheid kwamen te strelen, om zichzelf, daarmee aangenaam te maken bij de Heere. Want het sterven aan de wet, was hen nog niet noodzakelijk en profijtelijk geworden.
En als de lankmoedigheid over ons was, dan werden wij daarin verstoten. Daar niet alleen de wettige Man, Jezus Christus, er door onteerd werd, maar voor het recht van de Goddelijk Rechter was het inzonderheid zeer krenkend.
Maar desniettemin doet de Heere omtrent die zaak een afgesneden zaak op aarde, door al het onze af te snijden. Want God zal hen recht doen, door ons met al het onze te stellen in de dood der onmogelijkheden. Zodat het hier niet gaat om wat godsdienstige moeilijkheden, maar om het komen met Christus in de dood van het gericht. Opdat wij, van al het onze, dat ons van het zalig worden uit genade om niet terughoudt, afgesneden zouden worden. Het is dan ook de barmhartige Hogepriester Die ons daartoe leert bidden tot verheerlijking van Gods recht:
2e. Door Zijn offerande.
Het is door de Goddelijke inlijving van Christus, door Zijn Geest, dat zij één plant met Hem geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods. En in het borgtochtelijk lijden en sterven van Christus, had Hij het recht Gods lief. Van Hem heeft de Vader gezegd: „Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid, daarom heeft U, 0 God! Uw God gezalfd men vreugdeolie boven Uw medegenoten". En daar de Zone Gods daartoe door de Vader is gezalfd, heeft dat voor ons een heerlijke betekenis. Waarop wij in de Schrift herhaaldelijk gewezen worden, tot onderwijzing van het geestelijk leven.
Het gaat hier om het liefhebben van de gerechtigheid, en dat is de wet van Gods liefde, daar de Zoon van God goddeloosheid haat. En zo ging het in Zijn kruislijden om Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. Hij heeft het recht der wet vervuld en de vloek der wet gedragen. Die in beide opzichten getuigen van Zijn liefde tot de wet van Zijn God. En zo hebben de levenden door Christus, daar zij de inlijving in Hem deelachtig zijn, de wet als één plant met Hem hartelijk lief. Zodat zij in en door de liefde van Christus hartelijk leren buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid. En dat komt dan door de dierbare werkingen van de Heilige Geest op, uit het nieuwe leven der genade, daar de Heere door Zijn Geest Zijn wet kwam te schrijven in het hart, die hen goddeloosheid doet haten, zodat zij een welgevallen mogen bekomen aan de straffen van hun ongerechtigheid.
In het liefhebben van het recht, gedenkt de Heere aan Zijn verbond, tot verheerlijking van de Middelaar daarvan, Jezus Christus. Want Hij heeft de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen, door Zijn nederdaling ter helle. En het handschrift der zonde dat tegen hen was uitgewist, door het te nagelen aan het kruis. Zodat Gods kind het verstaat uit kracht van die innerlijke beleving, met Christus gekruist,gestorven en begraven zijn. Daarom neemt Gods lankmoedigheid omtrent het verzet tegen deze zaak hier een einde. Want met en door Christus hebben zij van ganser harte leren buigen voor Gods rechtvaardigheid, uit liefde tot Zijn rechtvaardigheid. En zo doet de Heere in het leven van het geloof een afgesneden zaak.
In Christus hebben de uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, dan ook tot roem van Gods genade, recht op vergeving der zonde tot bevrijding van de straf, die in het buigen voor Gods rechtvaardigheid van ganser harte aanvaard werd. Wat Paulus doet uitroepen tot verheerlijking van Zijn God en Vader: „zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest".
Maar nu heeft het toch ook nog plaats onder Gods uitverkorenen, die door wederbarende genade tot Hem bij dagen en bij nachten hebben leren roepen om ontferming, en die bij het ootmoedig buigen voor Gods rechtvaardigheid gesteld mochten worden in de zegen van Gods vergevende liefde in Christus, dat zij niet verder komen. Terwijl zij daarin blijven staan, wel hoop hebben op de eeuwige zaligheid, doch de nodige rechtsgrond daarvoor missen in het hart. Wat het zoeken van de dingen die boven en die eeuwig zijn komt te belemmeren. Maar mag het dan worden een komen tot ootmoedig vragen, wat daarvan toch wel de oorzaak is, dan kan het zijn dat dezulken door het lezen in de Schrift of bij het beluisteren van de prediking van het Woord er onderwijs in mogen bekomen. Want in het hart van hen wordt dan de nodige klaarheid van het geestelijk kennen van de opgewekte Christus om onze rechtvaardigmaking, nog zo gemist. Waarin toch de bron en de grond is van het recht op het eeuwige leven. En te meer, daar Hij is opgewekt om gesteld te worden aan des Vaders rechterhand. En het kennen van Jezus Christus de Rechtvaardige tot Voorspraak bij de Vader, kan voor een vruchtbaar gebedsleven niet gemist worden.
Wanneer wij de vrijmoedigheid in het komen tot de Heere willen ontlenen aan de vrucht die gesmaakt wordt in het hart, dan is dat krenkend voor de verheerlijkte Christus. Want dan is daarin toch, in een meerdere of mindere mate een steunen op iets, dat is in het gemoed. Het moet ons steeds duidelijker worden, dat de weg naar boven niet alleen door Hem gebaand is, doch ook vast ligt in de verheerlijking van de opgewekte Christus, tot aan des Vaders rechterhand. En dat geeft ons ook meer vrijmoedigheid om anderen tot hun bemoediging en vertroosting, te wijzen op de vergeving der zonden, die in Hem is voor de grootste der zondaren. Want Hij is daartoe onze Voorspraak bij de Vader. En in dat licht denkt het hart dan ook des te meer met zelfverfoeiing, om de lankmoedigheid die de Vader ons bewezen heeft, omtrent onze traagheid in het zoeken van Christus in Zijn enige en algenoegzame offerande, aan Zijn rechterhand. En daar wij ook zo geneigd waren de grond van onze hoop voor de eeuwigheid te zoeken en te stellen in de opzoekende en trekkende liefde van God tot het kennen van Christus. Ja, als het van ons afhankelijk geweest was, waren we daarin blijven staan, tot oneer van de
Heere en tot schade van het geestelijke leven. Maar de Heere werkt door met de ontdekkende werkingen van Zijn Geest, om ons van verschillende droggronden af te brengen, tot het boetvaardig bekennen van onze doemwaardigheid in onszelf. En dat met het hartelijk liefhebben
van God in Zijn rechtvaardigheid, in onze doemwaardigheid in Adam, met steeds meer klaarheid tot zelfverfoeiing te leren beleven. Wat de Heere u in Zijn grote lankmoedigheid heeft geleerd. Want in de dwaasheid van onze eigengerechtigheid, dachten wij het menigmaal beter te weten dan de Heere. Waarover wij ons nu nog hebben te schamen voor Zijn aangezicht, opdat wij het ook niet zouden vergeten omtrent degenen die nog staan in de eerste beginselen der genade. Om zo, door genade, tot wasdom gekomen zijnde in dat geestelijk kennen en beleven, anderen daarin ook te zijn tot een hand en tot een voet op de weg, daar zij dat zo nnodig hebben, om verder geleid te mogen worden door Zijn Geest. Het gaat hier niet alleen om het geestelijk kennen van de enige offerande, die door de barmhartige Hogepriester is opgebracht, maar dat heeft ook het geestelijk en gelovig vertrouwen op Hem in Zijn offerande ten doel. Want daar moet welbewust geantwoord worden op de vraag: „Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" Een vraag, die in het onderhoud met de discipelen, voor het geestelijke
leven van een allesbeslissende betekenis is. Want het gaat hier om een zaak des gerichts. Het wordt ons toch door Christus op het hart gebonden, dat in de grote dag des gerichts, degenen die Hem niet in Zijn enige en algenoegzame offerande als geschenk van de Vader, door het geloof kwamen te omhelzen, aan Zijn linkerhand geplaatst zullen worden. Maar degenen die Hem daarin als geschenk van de Vader kwamen te omhelzen in het geloof, zullen aan de rechterhand van Christus geplaatst worden. „Als dan zal de Koning zeggen tot degenen, die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders; beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld".
Het wordt ons uit de Schrift duidelijk geleerd, dat het geloven in de barmhartige Hogepriester, een zaak des gerichts is, die door de Vader in de grote dag des gerichts zal bekroond worden. En hoewel de discipelen door het wezen des geloofs de inlijving in Christus deelachtig waren, ging het in de vraag, waarop door hen geantwoord moest worden, om het gelovig omhelzen van Christus in Zijn algenoegzame offerande, als geschenk van de Vader.
Op de vraag: „Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" wisten de discipelen vanuit hun innerlijk leven niet te antwoorden. Maar desniettemin was het en is het nog voor het geestelijke leven, een proefsteen die het innerlijk leven leidt in het rechte spoor. Het is dan ook een zaak, die door de grote Meester in Zijn spreken van Zijn wederkomst, met steeds meer ernst, als zijnde een zaak des gerichts, op het hart gebonden werd. En dat blijft daarom ook gelden voor ons innerlijk leven des geloofs. Want wij zijn zo geneigd van het genot der zaligheid, de grond der zaligheid te maken. En dat kan niet gelden in de grote dag des gerichts. En het is en blijft een zaak des gerichts voor Zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen, om recht gedaan te worden. Als de weduwe recht gedaan werd door de onrechtvaardige rechter, dan krijgt zij ook de man, die haar van Godswege was geschonken. En zo is Jezus Christus de Man van Gods raad, Die u van Godswege geschonken zal worden in het geloof. Maar dan moet u ook niet denken, dat u daartoe de gerechtigheid van uw eerste man Adam, nodig hebt. Want dat dachten de discipelen die het oog hadden op de rijke jongeling, als voorbeeld van deugd en plicht voor hun innerlijk leven. En daarom moesten zij in het volgen van de Heere Jezus tot in de vloekdood des kruises, vele doden sterven. Zodat het hunnerzijds werd een gans verloren zaak. Dat deed hen steeds inniger treuren en wenen, als bewijs dat het hart met de onverbrekelijke band van de liefde des geloofs aan Hem verbonden was en bleef. Zodat zij in de smart van het innerlijke leven met hem gekruist, gedood en begraven zijn, om met Hem en door Hem daaruit opgewekt te worden in rechtvaardigheid voor God. En zo schonk God als Rechter in Hem, op grond van recht en gerechtigheid, vergeving der zonde en het recht ten eeuwigen leven. En dat geldt de uitverkorenen, die dag en nacht roepen om ontferming, tot op de dag van heden, in het buigen voor Gods recht. Opdat hen door God, in Christus offerande, recht gedaan zal worden.
En dat gaat in alles het menselijk en godsdienstig denken ver te boven. Het zijn wegen die zij niet geweten en paden die zij niet gekend hebben. En daarvan zal dan ook eeuwig gezongen worden door de zangers aan de glazen zee: „Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!"      En zo leert de barmhartige Hogepriester ons bidden: 3e. Tot Zijn vreugde.
Maar al waren de discipelen vanuit hun innerlijk en geestelijk leven echt niet altijd verenigd met de Heere Jezus, als Hij sprak van Zijn kruislijden en de schande die daaraan verbonden was, zo bleven zij toch, tot roem van Gods genade, door alles heen met de onverbrekelijke band van de liefde des geloofs, innig aan Hem verbonden. Want toen zij daarin door Hem beproefd werden met de vraag: „Wilt gijlieden ook niet weggaan?" Werd daarop geantwoord met innerlijk en kinderlijk vragen: „Heere tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods".
En dat hartelijk belijden en bekennen van de discipelen, was de vreugde van Zijn hart, daar Hij in dat alles deed de wil des Vaders. Dat was niet alleen tot vreugde van de Vader, Die Hem zond, doch ook tot vreugde van de Heilige Geest, Die Hem versierde en verheerlijkte met Zijn vreugdeolie.
Maar desniettemin moest het geestelijke leven van de discipelen door alles heen nog tot wasdom komen, om Hem in Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid te omhelzen, door Hem vanuit de staat der vernedering te leren kennen in de staat van Zijn verheerlijking. Om Zijn Geest op de wolken des hemels met blijdschap te verwachten. En zo is het nog, want het geestelijke kennen van Christus in de staat van Zijn verheerlijking, wordt helaas zo gemist, door te blijven staan in de eerste beginselen van het leven der genade. Wij hebben het zo nodig door de onderwijzingen en werkingen van de Heilige Geest, één plant met Hem te worden in de gelijkmaking Zijns dood. En dat is niet door een uitwendige beschouwing, doch alleen in de innerlijke beleving des geloofs, te verkrijgen. „Dit wetende", uit kracht van de innerlijke beleving des geloofs, „dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven". En die innerlijke beleving is alleen te bekomen aan de voeten van de Heere Jezus, doordat Hij leeft in het hart en het hart in Hem. En dat leven duldt geen „wederpartij", daar de Heere Jezus als de Man van Gods Raad, de hoogste plaats heeft in het hart, door Zijn genade.
Wat ons ook hier doet denken aan de gelijkenis, die de Heere Jezus daartoe kwam te gebruiken. Want daar zijn voor het huwelijk, dat naar Gods wil staat gesloten te worden, twee partijen. En daarin wordt geen wederpartij geduld. Waarvan de weduwe een duidelijk bewijs gaf, daar zij de „wederpartij" niet kon dulden - Wat haar naarstig deed gaan tot de rechter, om daarvan op een rechte wijze bevrijd te worden - Waarvoor de rechter eindelijk bezweek tot bevrijding van haar „wederpartij", daar hij haar van Godswege was geschonken. En zo zal God Zijn uitverkorenen recht doen, daar zij tot dat einde dag en nacht tot Hem roepen. Want het hart van die uitverkorenen is aan Christus verbonden. Zodat wij van ganser harte, Zijn wettig eigendom begeren te worden, al heeft de oude mens nog zoveel wettische woelingen en werkingen. Wat hen in al die bekommeringen bij dagen en nachten tot de Heere doet roepen, om op grond van recht en gerechtigheid, het eigendom te worden van de wettige Man, Jezus Christus. Want zo moest ook de zaak van Ruth, die haar schoonmoeder innig liefhad, door het gericht behandeld worden. En toen zij het daarom met een rustige ziel van ganser harte mocht overgeven, werd zij al spoedig getrouwd door Boaz, tot zegen van haar hart en leven en bovenal tot eer van de Heere. En dat geestelijk trouwen is en blijft tot op de dag van heden een zaak des gerichts. Zodat het hen duidelijk en steeds meer duidelijk zal worden, dat God er voor gezorgd heeft, dat zij niet het eigendom van de „wederpartij", maar van de wettige Man Jezus Christus zijn geworden. En zo is de meerdere Boaz haar tot zegen en zij was in Hem en door Hem, tot eer van Zijn naam zalig in het baren van geestelijke kinderen.
En toch blijven zij door alles heen roepen tot de Heere, want de Heere zegt: „En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft kome en die wil, neme het water des levens om niet". Want het is door de Geest van Christus, dat de bruid heel begerig uitziet naar Zijn komst op de wolken des hemels. En dat is het antwoord op de vraag van de Heere Jezus: „Zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" als de Zoon des mensen zal komen op de wolken des hemels. Want dan zal de Goddelijke Bruidegom Jezus Christus, Zijn bruid aan de Vader voorstellen als een bruid zonder vlek of rimpel, om eeuwig met haar te zijn in het Huis des Vaders, om door de Heilige Geest geleid te worden in al de diepten Gods, tot Zijn verheerlijking.
Maar daarin, zich te verblijden bij het staan in de eerste beginselen van het geestelijk leven, was de discipelen niet mogelijk. Dat deed hen ook op de vraag die gesteld werd zwijgen, hoewel het tot zegen was voor het innerlijk leven, daarover niet heen te redeneren. Hoewel het geestelijk kennen van de gekruiste Christus, om Hem als geschenk van de Vader te ontvangen, nog ontbrak. Maar desniettemin bleef die vraag liggen in het leven en hart der discipelen. Want later hebben zij met kracht en klaarheid daarvan mogen getuigen, wat voor ons is bewaard gebleven in hun geschriften, tot onderwijzing in Zijn verheerlijking.
Zodat wij ons innerlijk leven hebben te toetsen aan de proefsteen van deze vraag: „Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" Het is niet een vraag die wij moeten generaliseren op het leven van de mensen, die alsdan zullen leven en opstaan uit de doden. Maar die hebben wij te gebruiken in toepassing op het persoonlijk leven des geloofs. Om er van overtuigd te worden voor ons innerlijk leven dat het hier gaat om het geestelijk leven van het kinderlijk en gelovig kennen van Christus in de staat van Zijn vernedering en van Zijn verheerlijking. Daar Hij is opgewekt door de Vader om onze rechtvaardigmaking. En al wordt het ons door de Schrift nog zo duidelijk gezegd, dan heeft het Woord des Geestes daarin het geestelijk en gelovig kennen van Christus in de staat van Zijn vernedering en verhoging ten doel. Om Hem zo in de beleving des geloofs met blijdschap in al de strijd en verdrukking hier op aarde, te verwachten. Want Hij zal komen op de wolken des hemels. En wee onzer die alsdan zal komen te staan voor eigen rekening. Want buiten Hem is God een verterend vuur en een eeuwige gloed bij Wien niemand wonen kan.
En zo is het voor het innerlijk leven van grote betekenis, Gods verkiezende liefde in Christus te mogen leren kennen. Maar nu moeten wij niet denken dat de uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem leerden roepen,
zeiden dat zij uitverkorenen waren, al heeft de Heere Jezus dat van hen gezegd. Al wordt Gods verkiezende liefde bij de wedergeboorte verheerlijkt in het hart door de inlijving in Christus, spraken zij niet eens van hun verkiezing. En dat behoeft ook niet. Want het kiezen van de Heere mét
gebondenheid aan de troon der genade, was zonder dat zij het wisten, vrucht van Gods verkiezende liefde. De apostel zegt dan ook in de verheerlijking van Christus: „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde". En dat is een ootmoedig wandelen op de weg van heiligmaking in Hem, als doel van Gods verkiezende liefde in Hem. En dat bracht de apostel als een ellendig mens in Zichzelf, tot zelfverfoeiing, daar hij met zijn vlees de wet der zonde diende. Maar anderzijds met zijn gemoed de wet Gods, jagende naar de volmaaktheid. Maar ziende op de wederkomst van Christus wordt gezegd: „Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid. Amen.