De zalving te Bethanië
Lijdenspredikatie over Markus 14 : 1-10 door ds. F. Bakker
Psalm 36: 2
Lezen: Markus 14 : 1-21
Psalm 132: 6, 9 en 12
Psalm 73: 14
Psalm 133: 2
Tekst: Markus 14 : 1-10
En het Paschà en het feest der ongezuurde broden was na twee dagen; en de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem met listigheid gevangennemen en doden zouden, enz.
Gemeente, we vertoeven ditmaal in het huis van Simon de melaatse. Simon de melaatse heeft de Heere Jezus uitgenodigd tot een liefdemaaltijd. Dat deed hij uit dankbaarheid om wat Christus aan hem had gedaan. Want de toenaam, namelijk de melaatse, zegt op zichzelf al genoeg.
In die toenaam is Simon een sprekend voorbeeld van het wonder, dat Christus aan hem gedaan heeft. Hij zit daar in zijn eigen huis, midden in de gemeenschap. Maar er is ook een tijd geweest, dat hij in die gemeenschap niet zijn mocht vanwege zijn ziekte en dat hij moest uitroepen wanneer iemand hem naderde: „Onrein, onrein". De melaatsheid was een ziekte, die de medicijnmeester niet genezen kon. In Israël werd deze ziekte kortweg genoemd „de plaag" of „de slag".
Dus Simon zat in zijn huis als een toonbeeld van genadewonder. We weten uit de Schrift, dat niet alleen Simon daar was met Christus en Zijn discipelen, maar ook, dat Lazarus er was met zijn zusters.
Het Evangelie van Johannes beschrijft ons, dat Lazarus ook aan die tafel zat van die liefdemaaltijd Christus aangeboden. Lazarus zat er niet minder als een sprekend wonder van wat God gedaan had. Want het was dezelfde Lazarus van wie ze eens hadden gezegd, nog maar een half jaar geleden: „Heere, hij riekt al". En nu zit hij daar aan de tafel in het huis van Simon.
Lazarus is niet een man van wie we veel woorden weten. Er is eigenlijk niet één woord uit zijn mond bekend. Maar dat hoeft ook niet. Hij spreekt al genoeg als hij daar, zit van het wonder Gods. Woorden doen het tenslotte ook niet. We zullen zelf een woord moeten zijn, dat spreekt, als een bewijs van wat God gedaan heeft aan onze ziel.
Het is toch eigenlijk een kostelijk gezelschap, daar in het huis van Simon, want weet u wie er ook zijn? De zusters van Lazarus: Martha en Maria.
Nu heeft Martha niet zo diep gezien in de verborgenheden des Heeren als Maria het heeft mogen doen, maar ze was toch niet minder aan Christus verbonden in de liefde. Martha was weer bezig met het dienen, maar nu diende ze toch anders dan voorheen, want van dit dienen valt er niets te bestraffen. En we zien ditmaal in Martha de. dienende liefde tot de Heere.
Maria was er ook. En nu gaat het in dit gedeelte niet om Maria, het gaat om Christus, maar wat wordt Maria door Gods Geest hier heerlijk gebruikt. Want Maria gaat Hem zalven met het oog op Zijn begrafenis.
Maria, die zo graag aan de voeten van Christus = zat, die zoveel van Hem heeft gehoord en zoveel heeft geleerd. Och, zo is het immers ook: aan Zijn voeten valt het
meeste te leren. In de dienende liefde kun je nog wel eens de verborgenheden voorbij lopen, zoals Martha deed. Maar Maria heeft goed geluisterd. Dat zal nu ook blijken uit wat zij doet.
Het is de laatste keer, dat Christus in het huis van Bethanië is. Het is de laatste keer, dat ze tezamen een liefdemaaltijd hebben. En nu het de laatste keer is komt het juist van pas wat Maria doet. Nu gaat Maria het allerbeste wat ze heeft aan de Heere geven.
Het allerbeste! Want het is toch één van beide: die Christus is ons niets waard of Hij is ons alles waard. Alles of niets. Als de Heere alles waard is geworden, al hebben we nog maar een kruimel van die borgtocht gezien, dan vraag je niet met hoe weinig je kunt toekomen, maar dan vraag je met hoeveel Hij verheerlijkt mag worden, want: wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Christus wordt hier gezalfd. Van die daad van Maria zegt Hij Zelf: Zij heeft gedaan wat ze kon. Het is dus niet eens gezegd, dat Maria zo rijk was, dat ze zulke dure nardus aan Christus wijdde; maar ze heeft gedaan wat ze kon.
Hier is de liefde volkomen, waar Maria doet wat ze kan. Dan giet ze op een gegeven moment, aan die tafel, de ganse fles met kostelijke nardus over het hoofd en over de voeten van Christus, zodat het ganse huis vol wordt van de heerlijke geur van die dure zalf. En tegelijk met die kruik giet ze haar hele hart uit. Het zijn ook hier weer geen woorden. Och, wat zijn woorden? Maar het is hier een daad, waarin ze zichzelf uitgiet met al wat ze heeft, voor de Heere.
Maria giet de hele fles leeg, zeiden we. Dat was tegen de gewoonte in, want het was de gewoonte met zulk een dure nardus om slechts een paar druppels uit te gieten op het hoofd van de gast, die men vereren wilde. Zo'n hele fles kon niet, dat was te duur. Maar Maria doet het niet met druppels, ze doet het met een ganse stroom, al wat er in zit. En al wat ze bezit. Het is waar, dat ze de andere
gasten met deze nardus niet vereert. Maar ze heeft het dan ook alleen voor Hem bewaard en daarom bleef er niets voor een ander over. Wat een kostelijke trek in het geestelijke leven, als dat geloof door de liefde werkzaam is. Want de laatste en de enige, die Maria tenslotte overhield, was Christus.
Het behoeft niet meer gezegd te worden, dat dat een liefdedaad was. Een daad van haar hart; in de ware liefde komen woorden te kort.
Het behoeft ook niet meer gezegd te worden, dat het uit dankbaarheid was: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Want Maria doet dat zo maar niet. Het is er een bewijs van, dat er wat met haar gebeurd is. Ze doet het uit erkenning.
Maria doet het uit de erkenning, dat Jezus de Christus is, de Zoon Gods, de van God Gezalfde, de Zaligmaker.
,Ze heeft een goed werk aan Mij gedaan", zegt de Heere Jezus later. En dat goede werk is niet, dat Maria de Christus heeft geholpen. Een goed werk te doen in het koninkrijk Gods is niet, dat Christus geholpen wordt, dat is niet een meewerken — want dan was het een remonstrantse daad geweest in dat goede werk — maar. „een goed werk" wat ze hier doet is, dat ze Christus erkent in Zijn zalving. Dat ze Hem erkent als de Borg, als de Goël. Die zalf spreekt ervan, dat er van haar niets bij was. Want ze is zelf geen druppel waardig en een ander ook niet. Maar ze eindigt in al wat ze bezit en in al wat ze kan in de Borg en Zaligmaker.
„Zij heeft dat gedaan", zegt Christus, „met het oog op Mijn begrafenis". Tot voorbereiding van Mijn begrafenis. Want het zal over een week zijn, dat Christus in het graf ligt. Het is op die dag vrijdag en de volgende week is het de vrijdag voor de sabbat, en dan zal Hij begraven worden. „Ze heeft het gedaan tot voorbereiding van Mijn begrafenis", want een gestorven lichaam werd in het; Oosten altijd . gezalfd met zalf. Het is hier de zalf, waarmee een stervende koning gehuldigd wordt.
We zeiden, dat Maria veel gezeten heeft aan de voeten van Christus. Wat heeft ze daar aan Zijn voeten toch veel geleerd. Ze heeft daar niet voor niets gezeten, Maria heeft daar geluisterd. En hier wordt het ook waar wat Jakobus zegt: Een iegelijk mens zij ras om te horen en traag om te spreken. Maria heeft daar zó geluisterd en wie veel geluisterd heeft, die heeft veel van zichzelf verloren; want we zijn zulke praters. We zijn ook na ontvangen genade zulke mensen, die nog zoveel weten. En die daarom nog zo graag onze mond roeren; en in al dat praten nog zoveel onszelf voorbij praten.
Maar Maria heeft geluisterd in de stilte en in de onderdanigheid. Maria heeft tijden gekend, dat ze uitgepraat was en ze heeft het maar nooit geweten en is daar altijd onderwezen moeten worden.
En nu de vrucht. De vrucht van dat luisteren is dit: dat ze Hem zalft tot Zijn begrafenis. Dat hadden de discipelen niet kunnen bezien.
De discipelen hadden helemaal geen oog voor het lijden en sterven van Christus. „Wees gerust", zeggen ze, „dat zal U geenszins geschieden". Maar Maria had geluisterd en dat had haar leven, haar geestelijke stand zo verdiept, dat ze er een oog voor had, dat Christus moest sterven. Zij had een oog voor Zijn borgtocht. Want als Maria Hem zalft doet ze dat als een Profeet en als een Priester en als een Koning.
Hier wordt de Christus gehuldigd, vereerd en erkend in Zijn drievoudig ambt.
Ten eerste als Profeet, want Hij had het Zelf gezegd, dat Hij sterven zou. Hij heeft het voorzegd, maar de discipelen hebben het niet verstaan. Maria heeft het geloofd en erkend. Maria heeft het beleefd: Een Profeet, Die sprak van Zijn vernedering. De discipelen wilden maar dat Hij sprak van Zijn verhoging en ze hadden de plaatsen al verdeeld in het koninkrijk Gods. De één aan de linker- en de ander aan de rechterzijde. Maar Maria had dieper gezien en geleerd aan de voeten van deze Profeet: dat alzo de Christus moest lijden en dat Hij moest sterven, opdat de kerk Gods verlost kon worden.
Ten tweede zalft zij Hem ook als _ een Priester, want als er staat: „Zij doet dat tot voorbereiding van Mijn begrafenis", dan is hier de Priester, Die de dood ingaat voor Zijn volk. Dan is hier de enige Hogepriester, Die niet komt met het bloed van stieren of bokken, Die tegelijk het Offer is en tegelijk de Priester. Maria zalft Hem hier met het oog op Zijn begrafenis; een stervende Hogepriester opdat het leven verworven zou worden voor Zijn volk en kerk. Ziet, ze zalft hier het Offerlam. Ze zalft hier het Offer. Ze zalft hier het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt. Zij doet het met het oog op Zijn begrafenis.
Niet alleen de Profeet en de Priester wordt hier gezalfd. Maar ten derde ook als Koning, want in deze nardus is er een kostelijke geur van liefde, maar ook van overwinning. „Die de dood heeft overwonnen". En zo in haar zalving klemt Maria zich vast aan een stervende Koning, van Wie ze gelooft, dat Hij niet sterven zal, maar dat Hij opstaan zal uit de doden. Ze heeft het in haar eigen huis vernomen en bij haar eigen broer gezien: „Ik ben de opstanding en het leven". Maria zalft Hem en dan zalft ze een stervende Koning. En hier wordt het woord vervuld wat de profeet zegt: „Hij is bij de rijken in Zijn dood geweest".
Hier hebt ge de betekenis van de zalving. Wat zal dat een voorrecht zijn als we dat geestelijk verstaan mochten. Een Christus te erkennen als een stervende Koning, als een Priester, als het Lam Gods, en Christus te erkennen als de Profeet, Die het voorzegd heeft, dat Hij dit alles lijden moest. Want die zalf, daar zullen we iets van moeten hebben, want het is de erkenning van de Borg en Zaligmaker. Als Hij niet erkend wordt, dan kunnen we niet zalig worden.
Nu staan we in het begin van de lijdensweken. Maria heeft in Zijn graf gezien. Wat dunkt u van de Christus? Zoudt ge zó Christus begeren? Hebt ge Die nodig? In Zijn graf te zien, hebt ge dat ook wel eens mogen doen door genade? Dan hebben we eerst in ons eigen graf gezien. Dan zijn we eerst de dood waardig geworden, dan hebben we eerst het vonnis onderschreven met onze eigen hand, dat er voor ons geen hoop meer is in dit leven. Als er zulke hopelozen nog zijn, och, daar is nu die Christus. Ze deed het met het oog op Zijn begrafenis. Want wie met de dood voor ogen loopt en wie de dood van zichzelf moet onderschrijven kan het ook niet met minder doen dan met een stervende Jezus. Wie in zijn eigen graf heeft gezien, van zijn tijdelijke, van zijn geestelijke en van zijn eeuwige dood, kan niet meer zonder Hem. Wat zouden het dan 'gezegende lijdensweken kunnen worden om in Zijn graf te mogen zien. Nu is er maar één goed werk wat we doen kunnen aan het begin van de lijdensweken. En dat goede werk bestaat niet hierin, dat we er nog iets bij doen en dat er nog iets komen kan van onze kant, maar dat goede werk, dat Maria deed, bestond hierin, we zeiden het reeds, dat ze Hem erkende als de Christus, de Zoon Gods, als de Borg en als de Zaligmaker. Zo is er maar één goed werk dat we kunnen doen en de rest is prutswerk, dat is verloren werk; maar dáár moeten we komen. De Heere geve het door genade, door Zijn Geest ook aan u, volk van God, om met die zalf de Heere te zalven. Al is het maar met één druppel, het is toch volkomen noodzakelijk dat de stervende Koning erkend wordt als het Lam Gods. En dat het minder niet kan dan alleen door de dood en door het graf.
En ziet, de geur van die zalf werd verspreid in heel dat huis. En nu zou je toch waarlijk zeggen: die liefdegeur moet elk tot liefde nopen. Nu zou je toch waarlijk denken, dat ze allen diep onder de indruk waren vanwege die liefdedaad van Maria. Maar nog veel meer vanwege de verering van de Borg. Maar dat valt tegen! Dat valt daar even tegen. Want nu is de satan er ook bij. Nu zit er tussen die liefdegeur meteen een kwade damp van de hel. Nu is er meteen de stank van wat er openbaar komt daar tegenin. Want nu is Judas daar ook.
In onze tekst is de naam van Judas niet genoemd, maar we weten het toch uit de andere Evangeliën, dat het Judas geweest is, die zei: „Het had beter voor de armen besteed kunnen worden". En de discipelen hebben toen met Judas meegepraat. In het huis van Simon komt Maria tegen Judas. De één aan de rechter- en de ander aan de linkerzijde. En ziet, Judas begint te rekenen, hij begint meteen te rekenen. Als hij de fles ziet uitgieten zijn dat voor Judas meteen cijfers. Hier komt Judas al openbaar, dat hij begint te rekenen, want de liefde rekent niet. Als hij de liefde had gehad en als hij de liefde had gemerkt in de discipelen ook — want die stonden hier ook schuldig aan — dan hadden ze niet gerekend.
Nou, zegt Judas, dat is toch geen kleinigheid, zo'n dure fles met nardus. Die fles is wel meer dan driehonderd penningen waard. En het normale loon van een arbeider was één penning per dag; dus dan was de waarde van die fles bijna een jaarloon en dat wordt zo maar in één keer uitgegoten door Maria. Is dat geen verkwisting? Neen, daar is Judas het niet mee eens. En hij zegt tot de discipelen: Dat had beter aan de armen besteed kunnen worden. Dat was beter geweest, dan waren er een hoop armen geholpen met datzelfde geld, vind je dat ook niet Petrus, of Jakobus, of Thomas? Vinden jullie dat ook niet? Ja, zeggen ze, dat vinden wij ook, het is zonde van het geld. Wat doet Maria nu toch dwaas, wat doet ze nu toch onwijs om dat zo maar ineens uit te gieten. De arme mensen snakken naar een penning en hier worden zo maar driehonderd penningen vergoten. Nou, dat had wel anders gekund. Och, op zichzelf is dat nog waar ook, dus Judas had de schijn mee. En tegen de schijn valt in den regel nog bitter weinig te zeggen. De schijn heeft soms nog meer en een betere gestalte dan de werkelijkheid.
Judas komt met de schijn van godzaligheid en krijgt de discipelen mee. Ze beginnen mee te praten. Want ziet u, daarom is het dat Judas ook altijd berekend is. We lezen van Judas in de Schrift nooit van bepaalde zijsprongen. Hij was wel wijzer om dat te doen, daar was hij te slimvoor. Wat Judas zei, was goed berekend en daarom had hij zoveel achting. Maar het was bedrog, want ze wisten niet, dat Judas een dief was. Als de discipelen het geweten hadden, als ze er achter hadden kunnen zien, och, dan hadden ze dat niet gezegd, want ze hadden toch een liefde tot Christus.
Maar nu worden zelfs de discipelen aan het wankelen gebracht door de schijn van de godzaligheid, door deze Judas. De discipelen wisten niet, dat hij een dief was, maar intussen zou het toch beter zijn om aan te kloppen, als je arm was, bij Maria dan bij Judas. Want het verlies waar Judas het over had was allemaal bedoeld als zelf- verlies. Hij had het liever zelf in de beurs.
Daar hebt ge het nu, de schijn bedoelt altijd zichzelf, die werkt altijd op zichzelf aan. En dat doet de schijn niet openlijk, maar zo ontzettend berekend, dat je er alles voor geven zou en het nog meer lijkt dan de werkelijkheid. De schijn heeft altijd wat te zeggen. Als er wat goeds is heeft de schijn er altijd wat kwaads van te zeggen, en dat niet met minder ernstige woorden dan, zoals Judas hiermee openbaar komt. Hoe komt het dat de schijn altijd wat te zeggen heeft? 0, dat komt omdat ze nog nooit wat goeds geproefd hebben. Dat komt alleen omdat ze niet weten hoe goed het kan zijn in de uitstorting van de liefdedaad uit het hart tot de Heere. Daar hebben ze geen ervaring van.
En hierom was het: Christus was Judas niets waard. Laat het dan zijn tien penningen, dertig penningen, waarvoor hij Christus verkocht heeft, maar meer was voor Judas de Christus niet waard. Dat zat er achter. Met al de schijn en met al de waarheid had hij nog nooit de waarde in Christus gezien en nog veel minder in Hem beleefd. Och, wat is het toch nodig om voorzichtig te zijn.
Waar het om gaat is dit: Twee komen er hier openbaar, Maria en Judas. En wanneer komen die twee openbaar? Als het gaat over de dood van Christus. Ze komen openbaar bij het sterven van Christus.
Maria en Judas, ze hebben lang samen met Christus meekunnen gaan. Judas drie jaar lang. Het kan zijn, dat er twee lang samengaan, de schijn en de werkelijkheid; dood en leven. Maar de tijd zal het toch leren. En wanneer is het die tijd?
Bij een stervende Koning, dan vallen schijn en werkelijkheid uit elkaar. Dan stoten ze zich op de Rots Christus, dan ergeren zij zich en wordt Hij een struikelblok tot een eeuwige dood. Deze is gezet tot een val en tot een opstanding". Daarom hebben we dat tiende vers er bij genomen, waarin we lezen, dat Judas toen naar de overpriesters ging om Hem over te leveren voor dertig zilveren penningen.
Maria vond het niet te veel. Zij vond het eerder veel te weinig. Want ze had de dure prijs van Zijn dood gezien, van Zijn sterven, van Zijn begraven worden, van Zijn vernedering. Och, dan is er niets te veel. Dan kunnen we nooit genoeg die dankbaarheid betonen voor wat Hij gedaan heeft aan zulke dode zondaren. De discipelen hadden het niet begrepen en niet gezien, maar Judas had het door en hij valt over Christus ten dode. Zo is het nog. Twee gaan hun weg bij de dood van Christus. De één vindt zijn eigen dood in Zijn dood, maar de ander wil niet sterven maar leven. Waar de dood van Christus komt, daar leven de doden, maar daar sterven ook de levenden. In de geur van de zalving komt het openbaar wie we zijn. In de geur van de
borgtocht komt het openbaar wie we zijn. Al kunnen we misschien ook ver meegaan, als Judas, en de schijn mee hebben, zelfs de schijn van de godzaligheid, we kunnen ons dan nog stoten aan een Middelaar, Die sterven moet. Zie, nu is er voor u en voor mij nog hoop, want hier is het Lam Gods, Dat gezalfd was. En dat Lam Gods vraagt er niet naar hoe hopeloos het staat van onze zijde. Voor onze zonden is er geen hoop, voor onze lelijke zonden niet, die we nog wel graag kwijt willen — want een ieder wil zijn lelijke zonden nog wel kwijt — maar ook voor onze dierbare zonden niet, die we nog graag in de watten leggen, die moeten ook aan het kruis. Met Hem gekruist, met Hem de dood in. Er En als het dan gaat over de dierbare zonden, ziet, daar gaat Judas om Hem over te leveren. Want dan is de zonde ons meer waard dan Christus. Diep ontdekkend, maar het is toch één van beide: of Maria, of Judas. Dat komt ook openbaar in wat we en willen zingen uit Psalm 73 : 14:
Wie ver van U de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren,
En U de trotse nek toekeren;
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
'k Vertrouw op Hem, geheel en al,
De Heer', Wiens werk ik roemen zal.
En zó dat Maria deze kostelijke daad heeft verricht, komen de walmen van de hel haar tegen in de vorm van de schijn van de godzaligheid.
Maria kan op dat moment de schijn ook niet van de werkelijkheid onderscheiden. Heeft ze dan verkeerd gedaan? Is het dan niet goed wat ze gedaan heeft? Daar komt de strijd, daar komt de aanvechting in het hart van Maria. Dat blijkt ook uit onze tekstwoorden, als de Heere zegt: „Waarom doet ge haar moeite aan? " Dus Maria trekt het zich aan en Maria krijgt er last van.
Het is ook geen kleinigheid om die wijze Judas tegen te krijgen. Tegen Judas valt niet zo makkelijk te praten, want hij kwam uit Judea. De andere discipelen waren meer Galileërs, die minder wisten. Maar Judas was er goed in thuis en goed in opgevoed.
Judas tegen en de andere discipelen ook tegen, want de andere discipelen praatten met Judas mee. En dan weet Maria het niet meer. Ze doen haar moeite aan. Want er wordt wat meegepraat. Daar sta je verbaasd van. Ook in geestelijke dingen wordt er wat meegepraat. Er wordt zo bitter weinig gezegd wat er eenvoudig in de ziel leeft. En met al dat spreken kan er nog zoveel bedekt worden. De discipelen praatten met Judas mee uit onkunde. Dat is erg, als het volk van God met de schijn mee gaat praten uit onkunde. Het is een bewijs, dat het altijd maar weer nodig is om te zitten aan de voeten van de Heere Jezus, op de grond te zitten.
Maar gelukkig, Maria hoeft het voor zichzelf niet op te nemen. Dat is een voorrecht. Al vallen er nog zoveel klappen en al wordt u nog zoveel toegeroepen: ,,Gewogen en te licht bevonden", u hoeft het voor uzelf niet op te nemen. Want Maria mag weten, dat Christus het weet. Een voorrecht, dat iemand weten mag, dat God het weet, in al de moeite, in al de verlegenheid en in al de verslagenheid. Want je kunt er van ondersteboven rollen als Judas met zijn schijn begint te praten en hij krijgt dan ook nog sommigen van het volk van God mee. Dat valt niet mee! Och, wat is er nog veel verkeerd begrip, vindt u dat ook niet? Wat is er nog ontzettend veel onkunde. De Heere geve, dat we na ontvangen genade onszelf als de meest onkundige maar kennen mogen. Want ach, die wijze mensen, ze kunnen een ander nog niet eens begrijpen. Eli kon niet verstaan dat Hanna zo ernstig in het gebed was, hij dacht dat ze dronken was. Een dronken Hanna zag hij aan voor die biddende, godvruchtige Hanna. Wat kunnen we ons in elkaar nog diep vergissen. De discipelen dachten beslist nog, dat ze wijzer waren dan Maria. Ze dachten beslist nog, dat ze beter zagen. Maar de Heere neemt het voor haar op, dat is gelukkig. „Laat af van haar", zegt Christus. „Waarom doet ge haar moeite aan? " De Koning verdedigt Zijn schaap tegenover de wolf. Dat is altijd nog zo geweest. Hij neemt het op voor de Zijnen, want de Zijnen, Hij is er Eén mee geworden. En wie aan de Zijnen komt, komt aan Hem. Maria behoeft zich niet te verdedigen. Ze krijgt een Voorspreker. Ze had een Voorspreker bij God de Vader, maar ze had ook een Voorspreker tegenover de mensen. In alles is Christus haar Voorspreker.
Als de discipelen hier zo bezig zijn, met Judas aan het hoofd, dan hebben ze het wel over Maria, maar dan noemen ze de Naam van de Koning niet, dat durven ze niet. En Judas zeker niet, hij zal wel voorzichtiger zijn. Hij weet goed wat hij zwijgen ,moet. Maar het wordt zó, dat de Heere het voor Maria opneemt, omdat het aan Hem gedaan was, aan Hemzelf; en nu was die zalf berekend als een verlies!
0, denk het eens in, als een verlies wordt het geacht wat er aan Christus gedaan wordt. Hoe ver waren ze weg, het is een verlies wat er aan die Koning gedaan wordt. Daarom neemt Hij het ook voor Maria op, want het gaat hier tenslotte niet om Maria, maar het gaat om Hem. Want voor Christus is het een verkwikking, nu Hij staat aan de poort van Zijn lijden en sterven, die olie, die Maria daar over het hoofd en de voeten giet. Het is de zalfolie des Vaders, waarmee Hij gezalfd is. Want Zijn kerk komt hier te bevestigen, dat Hij de waarachtige en de wettige Borg en Zaligmaker is om zondaren zalig te maken. We zeiden toch: het Lam Gods wordt hier gezalfd. De Heilige Geest heeft ervoor gezorgd, dat de Borg een plaats vond in het hart van Zijn kerk. Al was het dan alleen maar in het hart van Maria. Want Gods Geest zorgt ervoor, dat de Borg verklaard wordt, dat de Borg verstaan wordt, dat de Borg aan Zijn eer komt. En Gods Geest is het, Die daarom de zondaar meeneemt naar zijn eigen graf om daarin de verheerlijking van de Koning te zien, in Zijn begrafenis.
Wat Maria deed was een verkwikking. Maar wat de discipelen deden was een verzwaring.
Daarom, o volk des Heeren, wat ontdekkend en wat kunt ge nog veel het lijden van de Heere Jezus verzwaren. Het lijden verzwaren met een zekere schijn zonder werkelijkheid. Het lijden verzwaren met een zeker meepraten met de Judassen van de schijn, zonder persoonlijk te verstaan wat de zalfolie betekent van de Borg Jezus. Och, hoe is het dan nodig, nu de lijdensweken weer zijn ingegaan, om aan de voeten te zitten van Hem, Die Zichzelf vernietigd heeft tot in de dood des kruises.
Christus zei: ,,De armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd". 0, er zal een tijd komen, onbekeerde zondaar, dat ge wel alles zoudt willen geven, al uw bezittingen, om die Jezus te mogen hebben tot uw deel. Maar als het dan maar niet te laat is. Ge hebt Hem niet altijd, bedenkt dat toch goed, ge hebt Hem niet altijd naar het vlees. Mocht gij dan daarbij bepaald worden, dat ge niet zalig kunt worden of ge zult die Borg moeten erkennen. Ge zult iets van die zalving verstaan moeten, waarmede Christus gezalfd is. En wat zijt ge dan? Dan zijt ge een gevallen mens. Dan zijt ge een mens, die ook altijd maar leren moet aan de voeten van die Borg en Zaligmaker.
Volk des Heeren, tenslotte, Hij is uw liefde eeuwig waardig. Och, dat dan in dat lijden uw liefde openbaar mag komen. Dat ge dan ook met uw nardus zult mogen komen door de werking des Geestes. Want die Geest hebt ge er voor nodig om de Borg te erkennen. „Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest". Want dan zal het een liefdegeur worden, die elk tot liefde zal nopen. En hoe meer liefde, hoe groter zondaar. En hoe groter zondaar, hoe meer liefde.
Misschien zijt ge een onbegrepene, misschien zijt ge een miskende? Misschien zijt ge een naamloze, misschien zijt ge een vertredene? Het komt er maar op aan: weet God het ook hoe het staat en moogt ge zeggen in deze: „Heere, mijn zuchten is voor U niet verborgen"? Want al wat gedaan werd uit liefde tot . Hem, dat houdt zijn waarde en dat zal eeuwig bestaan. Dat geve de Heere, om die uitgangen der liefde te kennen en te mogen beoefenen. Want in die uitgangen komt er een liefdeband tot die Koning.
Het is de geur, die dan van die Koning uitgaat. Dan wordt de Koning gans verheerlijkt aan Zijn tafel, ook in Zijn lijden: een stervende Koning, een stervende Priester en een stervende Profeet. Die kan alleen tot heil en tot zaligheid wezen.
Want indien we met Hem niet vernederd worden, we zullen ook nooit met Hem verhoogd worden. Amen.