Markus 10:46-52 'Barthimeüs' ds. J.C. van Ravenswaay

Markus 10:46-52 ds. J.C. van Ravenswaaij

         
            Een openbaring van 
            Christus' heerlijkheid

                Predikatie over Markus 10 : 46-52

                            door

                Ds. J.C.van Ravenswaay

                                Psalm 32 : 1
                                Lezen Markus l0:32-52
                                Psalm 36:2 en 3
                                Psalm l46:6
                                Psalm 61:4

Markus 10 : 46-52:

En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-Timeüs de blinde, aan de weg, bedelende.
En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zoon Davids! ontferm U mijner.
En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Gij Zoon Davids! ontferm U mijner.
En Jezus, stilstaande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed; sta op; Hij roept u.
En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij,dat ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.
En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende en volgde Jezus op de weg.

De lijdensweg van Jezus gaat van de wieg naar het graf. Aan het vloekhout sterft Hij. Maar op die weg openbaart Hij gere¬geld Zijn heerlijkheid in profetische, priesterlijke en ko¬ninklijke wonderen. Doden worden zelfs opgewekt. In ons tekst¬gedeelte geneest Hij Bartimeüs, een blinde bedelaar.
Waarom doet de Heere deze wonderen? Hij wil Zijn heerlijkheid openbaren, opdat het volk tot de keuze zal komen Hem straks als zijn Messias aan te nemen. Helaas, hoe gans anders is    alles verlopen. Straks hoort men: Kruist Hem, kruist Hem! 
Israël verwerpt Hem, de levende kerk verlaat Hem.
Christus wist, dat het zo zou gaan. Waarom trok Hij Zich dan niet terug? Omdat Hij Zijn werkprogramma zó moest afwerken. Niemand der volkeren mocht met Hem zijn en Hij moest de pers alleen treden. Wat moesten wij een eerbied hebben voor Zijn werkwijze. Hij weet: Men zal Mij verwerpen! Hij zegt: En toch zal Ik Mij voor de Mijnen geven tot in de dood! En met de zekere dood voor ogen, gaat Hij Bartimeüs genezen naar ziel en lichaam beide, en openbaart Hij aldus de grootheid van Zijn heerlijkheid.
Wij willen met elkander overdenken:

De openbaring van Christus' heerlijkheid in de genezing van
                    Bartimeüs.

Deze heerlijkheid van Christus openbaart zich in:

      I. Het zoeken van Christus naar Bartimeüs;
     II. Het roepen van Christus om Bartimeüs;
    III. Het verlossen van Christus voor Bartimeüs.

                        I.

Allereerst dan het zoeken van Christus naar Bartimeüs.

Neen,het is geen toeval, dat Christus en Bartimeüs elkander ontmoeten bij Jericho. Wel wist Bartimeüs niet, dat Christus zijn weg zou kruisen, maar Christus zal niet rusten aleer Hij Bartimeüs heeft gevonden. Hij moet door Jericho om deze bede¬laar, die blind is. Jezus Christus gaat daar een stuk van Zijn werk verrichten. Bartimeüs is een persoon, aan en in wie de heerlijkheid van Christus zal geopenbaard worden.
Deze werkzaamheid gaat van de Middelaar uit. U zult dat wel toestemmen, nochtans is het hoogst noodzakelijk hierop te wijzen, daar menigeen zijn zaligheid durft gronden op eigen werken en rustig gelooft, dat hij een gekende des Heeren is omdat hij de Heere heeft gezocht.
Maar de heerlijkheid van Christus is daarom juist heerlijk¬heid, omdat Hij naar waarheid kan verklaren: "Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet vraagden, en tot een volk, dat Mij niet kende, heb ik gezegd: Zie hier ben Ik, zie hier ben Ik!" Zo wordt de kennis aan de heerlijkheid van Christus mogelijk gemaakt door de Borg Zelf.
Zoeken is meestal een moeilijk werk. Het zoeken naar zondaren is het moeilijkst. Immers van de gevallen mens kan de Heere niets meer verwachten. Hij is door zijn val blind geworden en heeft geen kwadrantpenning meer om te betalen. Hij heeft enkel schulden en hoort daarom bij de verachten, bij hen, die niet meer mee tellen. Doch welk een blijde boodschap, dat Gods Woord verkondigt: "Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was".
Alleen, wij weten niet, dat wij jammerlijk, naakt en blind zijn. Geen mens weet van nature wat zijn val heeft veroor¬zaakt. De lichamelijke blindheid is ook een gevolg van de zondeval en het is heel erg blind te zijn. We kunnen dat pas weten als we het zelf zijn. Zelfs in natuurlijke zaken kunnen we eerst meespreken als we het bevonden hebben. De meeste blinden hadden het niet best in Israël. De Heere had wel geboden, dat er geen bedelaars mochten zijn, maat het ver¬bondsvolk trok zich dit niet aan. Ook Bartimeüs verkeerde in een ellendige toestand, mede door de schuld van zijn eigen landgenoten. En zoals een mens in de natuurlijke armoede dikwijls tot de vergetenen en verachten behoort, zo moet hij bevinden, dat geen mensenkind hem ooit deelgenoot zal kunnen maken van de heerlijkheid van Christus. Laten we onze zalig¬heid daarom niet gronden op een menselijk getuigenis, of af laten hangen van een menselijk oordeel. Past vooral op voor zaligspreking door een mens. Gaat niet op zijn ruststoel zitten. Rusten kan alleen worden gedaan als de zoekende Jezus u gevonden heeft. Vraagt veel om dit zoeken van Hem naar u.
Toch kent Bartimeüs Jezus ook, want als hij hoort, dat Jezus de Nazarener in de buurt is, begint hij te roepen: "Jezus, Gij Zoon Davids, ontferm U mijner!". Wij merken dus, dat twee personen werken: Jezus zoekt en Bartimeüs roept. Inderdaad, ook het laatste is waar. Bartimeüs roept.
Laten we daarom onderzoeken of beiden zelfstandig handelen, waarmede we bedoelen: Roept Bartimeüs hier zonder enige kennis van genade, of heeft de Heere in het hart van deze man reeds aanvankelijk genade gewerkt?
Geliefden, menigeen heeft in zijn leven geroepen: "Jezus, Gij Zoon Davids, ontferm U mijner!" Velen zijn gered geworden uit de moeilijkheden, waarin zij verkeerden, als zij tot de Heere om ontferming riepen. En nadat zij uitgeholpen waren, keerden zij de Heere de trotse nek toe en vergaten Zijn genadige uitreddingen. De Heere was goed om uit te helpen, maar Hem dienen deden zij niet.
Anderen riepen eveneens om hulp en de Heere gaf bijstand. En zij gingen zingen:

        'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht
          Zingen, daar ik Hem verwacht.....

Verder is er nooit iets gebeurd en men hield de uitredding voor de bekering. Men is de bekeerde man of vrouw geworden. Men had en bezit het leven. De één bezat het in de diepten, en de ander op de hoogten. Men was er. Klaar!
Zo was het bij Bartimeüs niet. Hij riep door de trekkende liefde, die van God uitging en afdaalde is zijn hart. Wist hij dan dat Jezus hem zocht? Welneen. Leest u ergens in Gods Woord, dat wij Zijn beleid kunnen doorgronden, of dat wij het reeds lang tevoren verstaan? U zult tevergeefs naar dergelijke waarheden in Gods getuigenis zoeken. Wel zult u het tegenover¬gestelde kunnen vinden.
Handelt Gods volk dan in het blinde weg? Ook dat niet. Het handelt naar het richtsnoer, dat God in Zijn Woord gaf. Een blinde heeft een erg gebrek. Hij zou willen zien, maar kan het onmogelijk. Hij heeft daar veel last van. Hoe komt hij aan de weet, dat hij blind is? Omdat God hem hieraan ontdekte; daarom alleen krijgt hij ook last van zijn blindheid. En omdat God zulks ontdekt, wordt het zijn eigen schuld, dat hij blind is. Het één volgt uit het ander. Wie in deze zaken niet door Gods Geest is ontdekt, zal nog hoogmoedig worden op zijn blindheid. Het begin is van God, en Hij zal niet laten varen de werken Zijner handen. Zulk een door God gezochte zondaar kan zijn toestand niet verklaren; hij kan geen bekeringsgeschiedenis vertellen - omdat hij in de Goddelijke ontdekking mist wat hij moet hebben. Tevens weten zij niet meer te vertellen dan de Heere heeft ontdekt. Zij zijn ongelukkig, omdat zij God kwijt zijn. Zeg eens tegen zo één: Nu ben je een kind van God! Hij zal u wel van antwoord dienen en zeggen: Ik ben God kwijt. En als de Heere de blindheid der ziel ontdekt heeft, zal die zondaar niet zeggen: Nu weet ik dat ik bekeerd ben en daarom gelukkig; maar: Nu weet ik dat ik onbekeerd ben en daarom moet ik bekeerd worden.
Wat is het toch nodig dit nadrukkelijk te onderstrepen, te meer daar een mens een dief en leugenaar is en niet van ge¬schonken maar van gestolen goed wil leven. De Heere opene veler ogen in onze dagen om eerlijk te mogen en te kunnen belijden: De Heere zoekt de mens en de mens zoekt niet de Heere. Zo komt hij in de schuld voor het niet opvolgen van Gods eis: Zoekt en gij zult vinden.....
Nu zal de Heere door Zijn opzoekende liefde de blinde Bartimeüs tot de volle dag brengen. Hij zal hem niet alleen de lichamelijke gezichtsvermogens, doch ook het geestelijke zien schenken. Hij zal een dubbele weldaad ontvangen. De éne geldt het tijdelijke, de andere het geestelijke leven.
Kennen wij dat zoeken van Hem omdat Hij ons eerst zocht? Zeker, de nevels moeten nog optrekken, maar in de gekende blindheid komt daar dat roepen: "Jezus, Gij Zoon Davids, ontferm U mijner!" Dat is het bewijs - naar de Schrift - dat Jezus zoekt en Hij met Zijn werk begon in het hart van de kerk. Christus laat het niet bij het zoeken naar de blinde. Laten we daarom ten tweede met elkander overdenken:

                    II.

Het roepen van Christus om Bartimeüs.

Als Bartimeüs roept om Jezus' ontferming, staan anderen hem tegen. Zij zijn - uiterlijk gezien - vóór Jezus en tegen Bartimeüs. De arme bedelaar moet zijn mond houden, anders houdt hij Jezus op. Hij telt niet mee. Hij moet alleen nog sterven omdat hij gezondigd heeft, anders zou hij niet blind zijn. Men is gauw met arme en lastige mensen klaar. Zo is de mens.
Welke mens? De wereldling? O ja, met hem is men ook gauw uitgepraat; de wereldling is toch maar voedsel voor de rampza-ligheid. Maar, luisteraars, we hebben hier niet te doen met wereldlingen, doch met godsdienstige mensen. Met lieden, die Jezus volgen en die Hem van een grote last willen bevrijden. Zij hebben veel voor Jezus over en tonen dat in hun daden. Let wel, dat we zeiden: Zij hebben veel voor Jezus over! En als er dan een mens in nood roept om Jezus, dan zeggen zij: Zwijg stil! Dat is liefdeloos en onbarmhartig. Het getuigt van gebrek aan zelfkennis en Godskennis. U moet er eens goed op letten hoe zulke lieden het eerst spreken en hoe ze dat doen. Ze zijn er nog. In iedere kerkbank vindt men er één of meer. Uiteindelijk zit het in ieder kerkmens, en de duivel probeert dat vuurtje brandend te houden. Hij vindt het best, dat gij veel voor Jezus doet en dat ge dat van uzelf gelooft, maar hij verandert van koers als Jezus wat voor u gaat doen, vooral als het zielzaligende genade betreft.
En toch wil Jezus, dat Bartimeüs dit meemaakt. Hij moet goed bevinden: Vest op prinsen geen betrouwen, daar men nimmer heil bij vindt. Hij moet met zijn nood alleen naar de enige Ontfer-mer. De school, waarop God Zijn kinderen plaatst, is direct een leerschool. Op die leerschool wordt hemels onderwijs gegeven in het afzien van mensen en opzien naar de Heere. Deze lessen komen gedurig terug en worden meer en meer toegelicht en... toegepast. In die toepassing valt alles wat menselijk is, en dus verkocht ligt onder de zonde, tegen. Dat geldt voor een ander, maar ook voor mijzelf.
Wat doet nu Bartimeüs als men hem het zwijgen oplegt? Gaat hij de mensen smeken of zij hem toch a.u.b. naar Jezus willen laten gaan? Zij zien toch zijn ellende en kennen zijn nood? Neen, dat doet hij niet. Hij gaat luider en luider roepen om Jezus. Hij zal roepen zo lang hij kan.Gaat Jezus dan toch door, wat zal hij daartegen inbrengen? Maar voor mensen zwij¬gen, dat kan hij niet. Vele jaren heeft hij de lege hand opgehouden voor een aalmoes, maar nu strekt hij beide handen uit naar Jezus, de Zoon Davids. En wederom zijn zijn handen leeg. Ditmaal vraagt hij niet om geld, maar smeekt om genade, om ontferming bij Jezus. Hij ziet iets van de geestelijke leegheid van zijn leven - hij is immers blind. Nooit heeft hij dat zo goed geweten als nu, nimmer hinderde het hem zo als juist deze keer. Alles in zijn mens-zijn schreit om Jezus, dat is de Zaligmaker, Die verlost van het grootste kwaad en brengt tot het hoogste goed. Ja, al hadden de mensen hem met stenen geworpen, hij zou doorgeroepen hebben tot hij de laatste adem had uitgeblazen.
Waarom? Wel, geliefden, deze blinde is werkzaam gemaakt aan de troon der genade vanwege zijn rampzalige staat, waarin hij verkeert. Ellende is ellende voor hem geworden, en daar moet hij uit, anders zal hij voor eeuwig omkomen. Dat beleeft hij waarachtig en daarom moet er hier wat gebeuren. Hoe of wat, dat weet de blinde niet, maar dát er wat gebeuren moet, is zeker. Daarom kan hij niet anders doen dan hij doet. De Heere werkt Zijn zaak uit in Bartimeüs hart. Wilt u schriftuurlijke kenmerken van genade? Wel, let op de gang van zaken, in deze tekst beschreven. Dan komen we tot de conclusie, dat Gods werk niet is het zwijgen op te leggen, en dat het zo waar is wat Hij zegt: "Eer zij roepen zal Ik antwoorden". Deze waarheid gelo¬ven zij niet vooraf, maar zullen zij na deze verstaan.
Het leven, door God in de ziel gewekt, roep om het Leven, snakt naar de Waarheid, wil komen op de Weg. De weldaad roep om de Weldoener, en als de weldaad door de Weldoener geschon¬ken is, rust de Weldoener niet aleer er enige rust gesmaakt wordt door de beweldadigde bij de Weldoener.
Gods werk blijft niet onbeantwoord. Het maakt Bartimeüs roe¬pende en zoekende. Christus gaat nu arbeiden als de roepende Christus.
Het eerste wat wij hiervan lezen is, dat Hij stilstaat. Hij hoorde een noodschreeuw en hieraan gaat Hij niet voorbij. Hoe 
groot is het als Jezus stil blijft staan bij een arme blinde. We moeten opmerken, dat Bartimeüs dit nog niet wist. De Heere is zo dikwijls al bezig met Zijn kerk, zonder dat de kerk dit weet. Zeker, er moet meer gebeuren, er moet een roepen van Christus komen om de zondaar, maar toch mocht dit eens tot troost zijn voor hen, die in dezelfde positie verkeren als Bartimeüs en die nog niet het roepen van Christus hebben vernomen. Gods Woord zegt: "Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem; Hij zal gewisselijk komen". Het kan zijn, dat uw nood nog niet de hoogte heeft bereikt, die zij bij Bartimeüs had, en dat er daarom nog geen roepen van Jezus om u werd gehoord. Misschien zoekt ge uw troost te veel bij mensenkinderen, en er is toch slechts Eén, Die u troosten en redden kan. Het mocht bij u zijn of worden als in Bartimeüs' leven: hij staakt het roepen niet, maar gaat door; en dan zal de Heere ook voor uw roepen blijven stilstaan.
Christus blijft staan. Kunt ge de liefde van de Borg naar waarde schatten als Gods Woord ons dit meedeelt? Innerlijke ontferming heeft Hem bewogen, maar ook zal Hij de tegenwerkers laten weten, dat Hij het met hun bestraffing niet eens is. Bartimeüs moet in dit geval geen bestraffing hebben, maar een bemoediging. Waaruit we leren kunnen, dat mensen, die niet op hun plaats zijn of niets van het genadeleven kennen, geen goede leidslieden zijn. We horen hen niet zeggen: Schep maar moed uit onze behoudenis. Als mensen voor de Heere willen werken, zonder genade, dan stoten zij af.
De schare merkt, dat Christus het roepen hoort, en hoort het bevel: "Roep hem". Dit bevel van Christus komt niet overeen met hun houding ten opzichte van de blinde bedelaar. En alsof er niets gebeurd is, zeggen zij nu: "Heb goede moed; sta op; Hij roept u". De mens is veranderlijk. Zonder blikken of blozen zegt hij in één minuut tijds het tegenovergestelde van daarnet. Dit kost hem de minste moeite; wel doet hij alles om in een goed blaadje bij de Heere te staan. Van schaamte lezen wij niets; van berouw over hun verkeerde houdig evenmin. Zonder enig schuldgevoel stevenen zij recht op de hemelpoort af. Opnieuw bewijzen zij, dat zij geen Godskennis, noch zelf¬kennis hebben. Mensen zonder schuld zijn bezitters, geen missers. Het is wellicht beter te zegen: Zij weten altijd dat het goed met hen gesteld is, maar nimmer hebben zij met Barti¬meüs vanuit het gemis geroepen. Dat zij werkzaamheden verrich¬ten in de dienst van Gods Koninkrijk, blijkt hier duidelijk. Zij voeren het bevel van Christus uit. Zij zijn uiterlijk gehoorzaam, en als ze zondigen - ze leggen Bartimeüs het zwijgen op - maken zij het voor zichzelf weer in orde. Er zijn wat "christenen", die als gehoorzamen naar boven denken te gaan en die zullen horen: "Ik ken u niet!" Zij houden het middel voor de Middelaar, en als zij de middelen maar gebruikt hebben, denken zij de Middelaar te kennen.
Werkt de Heere dan niet middellijk? O ja, maar om tot de Midde-laar te leiden. Het smeken, het blijven roepen is een middel, dat God wil gebruiken om tot de kennis van de Midde¬laar te komen. Hij zal derhalve deze smekende Bartimeüs niet bescha¬men, doch roepen. Hij zal wél de bestraffende schare door zijn roepen om deze blinde beschamen. Hij neemt aan, die door mensen wordt verstoten.
Aan wiens zijde staan wij, medereizigers? Aan de zijde van Hem, Die Bartimeüs roept, óf aan de zijde van de bestraffende kerkmensen, die zogenaamd vóór Jezus zijn? Let wel, als ge door genade aan de zijde van Jezus moogt staan, dat Bartimeüs dan ook in Zijn gezelschap zal komen. Het zijn niet vele edelen, niet vele rijken. In sommige plaatsen van ons land heeft men aparte kerken voor de élite van het volk, daar mogen eigenlijk geen arme mensen verschijnen, maar van Christus' kerk zijn vele berooiden, armen, blinden en verguisden lid. Zoudt ge het erg vinden, te zitten naast een bedelaar, in lompen gehuld? Zo neen, wat zou Gods Woord krachtig zijn in u, als het zegt: "Armen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden". Geestelijk kunnen trouwens armen alleen met armen omgaan, en minsten met minsten. Waar de Geest des Heeren is, daar zijn geen meerderen, alleen maar minderen; daar worden de voeten gewassen en wast men elkaar de voeten.
Dezulken zijn ontvankelijk gemaakt voor het genadewerk Gods, en als zij dan ook vernemen dat de Heere hen roept, komen zij haastiglijk. Hier is sprake van een roepen door Woord en Geest. Bartimeüs is innerlijk aangedaan en kan het wonder niet op, dat deze Jezus hem wil roepen. Hij heeft hierdoor een verbroken hart en een verslagen geest ontvangen. De wens van zijn hart stemt overeen met de roepstem van Christus.
Zegt zo'n mens veel, die door Christus geroepen wordt? Leest Gods woord hier eens op na. We horen hem geen woord zeggen. We zien hem wel handelen. O, waar het geloof in het hart gewerkt wordt, daar is het aannemen van de weldaden Gods. Daar kunnen we zien het echte gehoorzamen, het oprechte volgen van de Heere. We lezen van Bartimeüs, dat hij zijn mantel afwerpt, opstaat en tot Jezus komt. Er staat niet, dat hij zijn mantel uittrekt, uitdoet, maar afwerpt. Het is menens, het is echt, wat hier geschiedt. Als hij tot Jezus komen mag, ja als Chris¬tus zegt:"Kom", dan is er geen houden meer aan, dan moet alles zo snel mogelijk geschieden. Wat nog hinderen kan, wordt afgeworpen. Laten we hier opmerken hoe krachtdadig 's Heeren werk is. Hij maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen, maar mensen, die zich haasten om huns levens wil. Wat van de mens is en dus belemmerend werkt, wordt afgeworpen om zo spoedig mogelijk te kunnen komen bij Hem, Die uitkomst schenken kan en wil. Menigeen kent dit afwerpen van de mantel niet, is vreemd van het zo spoedig mogelijk bij Christus willen zijn. Men kent de noodzakelijkheid haast niet, die het gevolg is van de Goddelijke ontdekking onzer ellende. Men praat wel over ellen-de, maar kan het daarin best uithouden. Men spreekt wel over blindheid en dat men blind is van nature, maar men blijft aan de weg zitten en doet zijn mantel niet uit, laat staan dat men die afwerpt. En het komen tot Jezus blijft helemaal achtewege. O medereiziger, denkt er toch om, dat de Heere aan de ellende ondekt om van de ellende te verlossen.
Hoe is nu de bedelaar tot Jezus gekomen? Hij was toch blind? Nu, dan kunnen we het antwoord geven: Hij is als een blinde tot Jezus gekomen. Maar als één, die geroepen heeft: "Gij, Zoon Davids, ontferm U mijner!" Dat is dus als één, die Hem erkende als Koning. Hoe is hij aan die kennis gekomen? We antwoorden: door de profetische bediening uit Christus. Hij zat in banden gebonden. Hij erkende dat, beleed het - waarover straks meer - en nu krijgt hij te geloven, dat Jezus hem daaruit verlossen kan. Hij gelooft, dat Jezus hem roept om hem te verlossen. En nu gaat hij met zijn ontzaggelijke nood naar Hem toe en zegt niet: Ik heb Uw bevelen opgevolgd, dus help mij! Neen, hij komt met zijn nood naar Christus.En als hij bij Christus gekomen is, neemt hij niet het woord, maar gaat Christus tot hem spreken. Zo moet het nog. Het ware werk Gods wordt niet door middel van de zondaar of met behulp van de zondaar tot een goed einde gebracht, maar wordt door God drieënig, éénzijdig, tot verheerlijking van Zijn deugden, aan de zondaar geschonken en in hem uitgewerkt. De zondaar gaat pas werken als God werkt. Zo komt God aan Zijn eer en de zondaar aan zijn zaligheid. Want als Christus Bartimeüs geroe¬pen heeft, gaat Christus hem ook verlossen. Dat verlossen is dus Gods werk, en we doen er goed aan nauwkeurig op te letten: hoe Christus Bartimeüs verlost. Dat is dan het derde onderdeel van onze prediking.

                         III.

Christus verlost Bartimeüs.

De genezing van Bartimeüs is aanstaande, maar die geschiedt zó maar niet. Jezus vraagt hem: "Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?" Dat valt tegen, vindt u niet? De blinde heeft geroepen en is luider gaan roepen, hij heeft er verachting voor over gehad. En hij meende het oprecht over die ontferming en hij gevoelde zich verbonden aan de persoon van Jezus en heeft Hem als Koning beleden. Waarom nu die vraag: "Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?" Het lijkt wel of Jezus herhaalt wat de schare eerst deed: tegenhouden. Ja, dat zouden we kunnen zeggen als wij Zijn stem niet kennen, maar wie door genade werkelijk de stem van de Zoon des mensen gehoord heeft, hoort meer in Zijn stem dan een mens, die zo veel voor Jezus doet. Hier is er één tot Christus gekomen, die werkelijk geholpen moet worden, voor wie Jezus iets zou moeten doen. Hier staat er één, die het leven in eigen hand niet meer kan houden, en gevlucht is tot Hem, Die de ongelukkige riep. Hier is er één, die geestelijk in het stof ligt neergebogen en die door God wenst opgericht te worden.
Dat wil niet zeggen, dat Bartimeüs nu wel weet hoe alles verder moet verlopen. Neen, in genadeoefeningen is men werke¬lijk op die leerschool, weet u nog wel, en loopt men de Heere niet vooruit. Wie geloven mag, dat hij een ellendig mens is, vlucht met zijn ellende naar Hem toe, waarvan hij nu weet, dat Hij hem in zijn ellende kent. Deze vraag van Christus is niet afstotend, werend, maar zeer juist van pas in dit geval. Bartimeüs zou gezegd hebben: Het is of Jezus weet waar ik mee zit; ja duidelijker nog: Deze Jezus weet in welke grote moe-lijkheden ik verkeer. Dat heeft hem niet verontrust, maar op zijn gemak gesteld. Nu weet hij: ik ben waar ik zijn moet. Hij kan mij alleen verlossen. Het is voor Bartimeüs geen overbodi-ge vraag, die Jezus hem stelt, maar een vraag, waarop hij nu gaarne het antwoord wil geven. Hij weet, dat hij ellendig is en hij is er voor ingewonnen deze ellende voor Christus te belijden.
We hadden beloofd hierop terug te komen. De Borg helpt dus alleen mensen, die voor Hem hun ellende belijden. Ja, en dan niet alleen met de mond, maar ook met het hart, tenminste als het een redding betreft, waar ook de ziel bij betrokken is. Een lichamelijke redding hebben velen van Hem ontvangen, denkt maar aan de tien melaatsen, waarvan de Samaritaan alleen terugkeerde om God te erkennen: de negen anderen waren tevre¬den met de verlossing van de aardse priester.
Een door de Heere verlost mens komt in de schuld voor zijn zonden, daar moet hij immers van verlost worden? De Heere ontdekt de zonden om ze te kunnen bedekken met Zijn bloed. En als we niet weten hoe groot onze zonden zijn en welke onze ellende is, hoe zullen wij het kwade dan kunnen belijden voor Zijn aangezicht? Trouwens, zonder ontdekkende genade willen wij onze zonde niet belijden, en als we het wél doen, is het een gevolg van de angst voor de straf. Denkt maar aan Farao en Kaïn. Het belijden van de zonde is wel een vernedering voor ons vlees, maar wat krijgt de mens ruimte als het zover komen mag. Als hij niets meer wil achterhouden van wat de Heere in hem ontdekt. Wat wordt hij vrijwillig gemaakt om het eerlijk voor de Heere te belijden: "Ik heb tegen U, o Heere, zwaar en menigmaal misdreven". Zo gaat de vernedering aan de verhoring vooraf.
Bartimeüs belijdt ook eerlijk wat er aan mankeert. En dat is alles. Hij is blind, en daarom kan hij niets zien. Och Heere, maak Gij mij ziende. Ik ken U niet, en sta nu wel heel dicht bij U, maar ik zie U niet. Tussen U en mij staat mijn blind¬heid. Gij zijt goed en ik ben slecht. Gij zijt het Licht, maar ik ben de duisternis. En nu krijg ik te geloven, dat Gij mij ziende kunt maken; och, dat ik U dan mocht aanschouwen. Ik heb Uw stem wel gehoord, maar laat mij nu Uw gedaante ook zien.
Hier ontmoeten we een geestelijke bedelaar, die werkelijk niets meer heeft van zichzelf, en krijgt te geloven dat Chris¬tus een rijkdom van genade heeft om hem met Zijn goederen te vervullen. Hij heeft die goederen nog niet. Hij kan alleen zeggen, dat hij blind is, waarin hij ook belijdt de weg niet te weten hoe ze te verkrijgen.
Doch hem wordt de weg gewezen, want hoor wat hij zegt: "Rabbo-ni! dat ik ziende mag worden". Rabboni, dat is mijn Koning, U kunt het. Meester, mag dat nog? O geliefden, Bartimeüs wordt verwaardigd een beroep te doen op het Goddelijke kunnen. En als hij geweld oefent op de troon der genade, wordt hij ver-waardigd dit ootmoediglijk te doen. Ootmoedig geloof neemt aan dat de Meester het kan, en zegt: Mag het ook?
Zo beluisteren we in dit antwoord van Bartimeüs het amen des waarachtigen geloofs, dat aanneemt: Jezus wil horen, wil verlossen. Ditmaal gebruikt Jezus geen slijk ter bestrijking van de blinde ogen, neen, Hij spreekt alleen en zegt: "Uw geloof heeft u behouden". Moeten we nu aannemen, dat het geloof de oorzaak is van Bartimeüs' behoudenis? Neen, maar de Heere toont Zijn heerlijkheid alleen in en door het geloof heen. Zo werkt de Heere in de weg der middelen. Die heilige orde Gods moeten wij leren eerbiedigen en niet proberen een andere orde hiervoor in de plaats te stellen. Menigeen leert het anders. Hier wordt gezegd: "Uw geloof heeft u behouden". We spraken over de orde, de heilige orde Gods. Medereizigers, leest gij ergens in Gods Woord, dat het geloof aan de wederge¬boorte vooraf gaat en dat de wedergeboorte een gevolg is van het geloof? Gods Woord leert, dat de wedergeboorte gevolgd wordt door bekering en geloof. Nergens geeft het ons de vrij¬heid aan te nemen, dat ik door mijn geloof kan besluiten tot de wedergeboorte. Velen doen dit en zullen zich bedriegen voor de eeuwigheid. De wedergeboorte moet eerst gewerkt worden, zal de zondaar kunnen en willen geloven. Maar zó noemt de Heere het dan ook: uw geloof. De werkzaam gemaakte zondaar beoefent dan: "Werkt uws zelfs zaligheid met vrezen en beven, want het is God, Die in u werkt beide het willen en werken, naar Zijn welbehagen". Dit geloven gaat God loven, omdat Hij het gedaan heeft. Dit geloof neemt de aangeboden verlossing aan tot heerlijkheid van Hem, Die de verlossing verwierf en toepaste. Gods volk krijgt heerlijke werkzaamheden aan de troon der genade door middel van dit geschonken geloof. De herboren mens wordt niet op nonactief gesteld, maar volop aan het werk gezet. Werkte het voorheen in de dienst van de vorst der duisternis, nu mag en wil het arbeiden in de dienst van Gods Koninkrijk.
Het volk des Heeren ontvangt waar het de Heere om smeekt om Zijns Zelf wil. Nadat Jezus heeft gezegd: "Uw geloof heeft u behouden", komt het natuurlijk licht in zijn ogen, en dat is groot; doch groter is, dat hij zijn Weldoener mag aanschouwen. Hij was zoekende en roepende gemaakt; nu mag hij met de wel¬daad voor Zijn heilig' ogen verschijnen. Dit geloof maakt niet hoogmoedig, doch maakt van bidders aanbidders.
Aanbidders? Ja, want in Lucas 18 : 43 staat opgetekend, dat hij God verheerlijkte. Als men hem gevraagd had: Wat geeft ge nu op om te zingen? dan zou hij geantwoord hebben 
(Psalm 146 : 6):
               't Is de Heer', Wiens mededogen
               Blinden schenkt het lief'lijk licht.
               Wie in 't stof lag neergebogen,
               Wordt door Hem weer opgericht.
               God, Die lust in waarheid heeft,
               Mint hem, die rechtvaardig leeft.

Wij zongen: Blinden schenkt het lief'lijk licht. Hebben we dat kunnen meezingen? Wat zat daar dan een ruimte in. Het is voor blinden. En al de jaren, dat zielen worden toegebracht, geeft Jezus licht aan blinden. Willen we nog eens in Gods Woord blikken naar het hoe?
Hij begint te vragen: "Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?" Die ontdekkende vraag kan niet gemist in ons leven tot ontdekking van onze nameloze ellende. Medereizigers, zijt ge daar geen vreemdeling van? O, wat heeft de zondeval toch veroorzaakt. Wij zijn van God vervreemd. We hebben er geen last van, tenzij ons die ontdekkende vraag wordt voorgehouden. De Heere wil, dat wij steeds beter beseffen hoe ellendig wij wel zijn, opdat de nood groter wordt om het niet meer buiten Hem te kunnen stellen. We zullen, als het zo ver komt, heel wat ontmoeten: misgunnen van de zaligheid, verdachtmaking, laster, vijand¬schap en wat dies meer zij. We moeten dat verwachten van een zijde, die ons het meest goed ligt. Misschien wordt op het ogenblik dat de Heere voert naar de verlossing, onze beste vriend wel onze ergste vijand. Het kan gebeuren, dat er een diepe kloof valt tussen het leven van man en vrouw, ouders en kinderen.
O, de Heere werkt door diepe wegen naar het door Hem gestelde doel. Hij doet ons Hem alleen overhouden.In afsnijdende wegen voert Hij Zijn kerk op tot Hem. Daar heeft de kerk wel eens gezongen:

         Als mij geen hulp of uitkomst bleek;
         Wanneer mijn geest in mij bezweek,
         En overstelpt was door ellend',
         Hebt Gij, o Heer', mijn pad gekend.

O, en als er dan het geloof overbleef, dat Hij het alleen maken kon en wilde, wat werd Gods Woord dan dierbaar, als daar staat: "Roept Hem aan in de dag der benauwdheid; Hij zal er u uithelpen en gij zult Hem eren". Daar kreegt ge betrekking op, dat deed de Heere u geloven. Maar medereizigers, dan komt er ook wat. Naar de Schrift: de dag der benauwdheid. Wat vergeten wij dat gemakkelijk. We klemmen ons gaarne vast aan het laat¬ste gedeelte: "Hij zal er u uithelpen en gij zult Hem eren". We kunnen met een geschonken waarheid van God toch zo eigen¬aardig terecht komen. Dat zit hem niet in de waarheid Gods, maar in de mens, die met de ontvangen waarheid niet zelf werken kan. De Heere werkt Zijn eigen Woord uit in het hart van de zon¬daar.
Reken er op, als u wat meer ruimte krijgt in de Heere, dat er meerderen zijn, die u van de wijs proberen te brengen. Alleen als u Gods volk aantreft onder de Heere, kunnen zij goede handwijzers zijn op de weg des levens. Zij zullen het beamen, dat het noodzakelijk is te geloven, dat de Heere alleen kan uitredden. En dat dit niet moet nagepraat, maar persoonlijk  beleefd met het vaste vertrouwen in Hem, Die zoekt en roept en tenslotte ook uitredt.
Zo gaat het licht met dit geloof op in de duistere ziel. Dit geloof drijft uit naar de Peroon, op Wie het betrekking kreeg. Dit geloof kan zonder Christus niet geoefend worden.
Moogt ge op goede gronden getuigen, dat ge dit geloof bezit? Is het uw geloof en heeft de Heere tegen u gezegd: Uw geloof heeft u behouden? Met minder kan het niet: dat wil zeggen, de Heere moet er van weten, dat Hij het u gegeven heeft en tegen u heeft gezegd. En als dat zo is, kunnen er daarna nog vele donkere dagen volgen en moet ge wellicht straks weer zeggen: Ik ben nog blind. Maar wat de Heere heeft gedaan, kunnen wij niet meer uit ons leven doen verdwijnen, alhoewel menige poging in die richting wordt gedaan. De dichter zegt: "Wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken". Zo kan het gebeuren, dat ge na donkere tijden weer moogt aanheffen:

         'k Zal gedenken, hoe vóór dezen
         Ons de Heer' heeft gunst bewezen;
         'k Zal de wond'ren gadeslaan,
         Die Gij hebt van ouds gedaan.

Dan wordt het oude nieuw en aan het oude nog nieuw toegevoegd.
Ons rest te letten op de afwerking van de zaak, die ons hier wordt voorgesteld. Christus heeft reeds veel van Zijn heer-lijkheid geopenbaard, maar is hiermede nog niet ten einde. En vooral op het laatste moet ge nauwkeurig letten.
Als Bartimeüs naar lichaam en ziel genezen is, zegt Jezus niet: Red u verder zelf, nu kunt ge het verder zelf klaarma¬ken. Neen, de Heere houdt hem vast en blijft hem omringen met Zijn niet genoeg te prijzen verzorging. De trekkingen Gods gaan door in het leven van deze welgelukzalige man. En door die trekkingen voert de Heere Bartimeüs naar het doel Gods, dat is de verheerlijking Zijns Naams. Dit werk is uit God en door God en moet daarom tot God Wederkeren. Zulks moet uitko¬men in de dankbaarheid van een begenadigde ziel. God verheer¬lijken doet alleen het door de Heere geschonken nieuwe leven. Het leven wil volkomen opgaan in het Leven. Die gevonden zijn door de Weg, willen gaan op de Weg. Die ontdekt is aan zijn leugenach-tig en droevig bestaan, wil leven naar en uit de Waarheid en dat wil hij uiten in dank aan God.
Dit verheerlijken doet iets smaken van het beginsel der eeuwi-ge vreugde. O, wat kunnen zij dan instemmen met de dichter van de oude dag:

           Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
           Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt,
           Ten hoogsten toppunt stijgen.

Dan wil men Gode psalmzingen en voor Hem de baan verhogen. Dan roept men: Dat al wat leeft Hem ere! Dan belijden zij, dat zij met een Heere te maken hebben, Die door vlakke velden rijdt, en zij zouden niet anders behandeld willen worden dan de Heere in hun leven deed. In de stille eenzaamheid met de Heere belijden zij met hart en mond, dat de wegen des Heeren recht zijn en dat bij Hem gans geen onrecht is. Dan kunnen zij geen kwaad woord van Hem verdragen en krijgen zij iets van de durf
-de heilige moed- van de martelaren. Dan kunnen zij smaad, schimp en hoon verdragen, als de Heere maar geprezen wordt, hetzij in hun voorspoed, hetzij in hun tegenspoed. Dan is alles wat God doet welgedaan.
De Christus der Schriften zal Zijn volk brengen tot de dienst van Zijn Vader. Daarvoor is steeds weer licht nodig en dat licht wordt geschonken als er is een volgen van Hem. Wij behoeven nu zeker niet meer op te merken, dat het volgen van Hem vruchtgevolg is van het zoeken van en redden door Hem.
Schrik echter niet, want wie Hem mag volgen, moet zijn kruis op zich nemen en Hem met het kruis op de rug overal volgen waar Hij henengaat. Dan dient men Hem waarlijk. Zo gaat het van het kruis naar de kroon, van het totaal verloren liggen naar het volmaakt behouden worden.
De door God gegrepenen openbaren iets van de heerlijkheid van Christus' heerlijkheid in hun leven, en wel door het geloof, de bekering en het leven van dankbaarheid. Uit de vruchten van het geloof zal de kerk verzekerd worden, in de weg van beke¬ring gedurig uitgedreven worden naar de God Jacobs, en in het leven van dankbaarheid meer en meer uitgezuiverd worden van zichzelf en belijden: Heere, al Uw weldaden en zegeningen zijn groot, maar als Gij er niet in zijt, zijn zij niets. Zo zal het kind van God pas rusten als het rusten kan in een drieënig God. Vroeger, in het begin, hebben ze ook gezongen, maar als zij meer geleerd hebben, zingen zij met meer diepgang:

         Een stroom van ongerechtigheden
             Had d'overhand op mij;
         Maar ons weerspannig overtreden
             Verzoent en zuivert Gij.
         Welzalig, die Gij hebt verkoren,
             Die G' uit al 't aards gedruis
         Doet naad'ren en Uw heilstem horen,
             Ja, wonen in Uw huis.

Eenmaal zullen zij Zijn heerlijkheid volkomen aanschouwen. Dan zijn alle bedekselen weggevallen en zullen zij Hem zien van aangezicht tot aangezicht.  Amen.