De troon in de hemel
Nieuwjaarsboodschap
voor het duistere jaar 1957
door
Prof. G. Wisse
OP DE DREMPEL VAN I957
De Godsregering in de Hemel gehandhaafd
....en ziet, er was een troon gezet in de hemel,
en er zat Eén op de troon. En Die daarop zat, was
in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en
een regenboog was rondom de troon, in het aanzien
de steen Smaragd gelijk.
Openbaring 4 : 2-3
Op drie zaken willen we bij dit hemels gezicht de aandacht vestigen, staande in de poort van de nieuwe tijdkring, die we met veel bezorgdheid en spanning intreden.
I.
DE VASTE ZETEL DIER GODSREGERING
In ons beklemde hart rijst thans meer dan ooit, ziende op de wereldtoestand, de vraag: wat zal het nu weer zijn? En wat het einde? Hier beneden, rondom ons en binnen in ons is alles onvast en onbetrouwbaar; ja voorspeld is oordeel en gericht.
Ook de Westerse beschaving gaat haar ondergang tegemoet.
Maar dit alles is voor Gods gekende volk toch niet het laatste woord. De vraag, waar het op aan komt, is: hoe staan de zaken Boven? Vergeten we het nooit: onze wereldbeschouwing mag niet horizontaal wezen, maar moet verticaal zijn.
In het boek der Openbaring van Johannes wordt ons in aangrijpende visioenen getekend, hoe de eens gekruisigde Christus nu als de verheerlijkte Kurios (de Heere der heren) het boek met de zeven zegelen zal openen, en Gods wereldraad zal ten uitvoer leggen. En dan is het allereerste wat Johannes ziet (na de zeven brieven aan de kerk) een troon, gezet in de hemel; dus een vast staande zetel, beeld der onwankelbare heerschappij.
,,Ziet”, roept Johannes er bij uit; dat wil zeggen: laat al uw opmerkzaamheid daar eens op gevestigd zijn, het is zo verrassend, zo waard er al uw aandacht op te richten, zo vol van troost.
Een troon, zinnebeeld der vaste heerschappij.
In het Oosten waren verschillende emblemen zinnebeeld der heerschappij; b.v. de diadeem, de parasol, de scepter, enz.; maar bij Israël naar Gods bestel en bevel was dit een troon. Zie Salomo. Dit is een zetel, die uitbeeldt een vaste, onwankelbare heerschappij. Wat heerlijk! Het moge hier beneden alles in onvaste, revolutionnaire ontwrichting en spanning zijn; daar Boven staat een troon: God heerst als Opperheer!
Dit zegt ons hoofdzakelijk drie dingen:
1e. God regeert, ondanks alles, over alles en in alles. De teugels van het wereldgebeuren liggen in Zijn hand. Het gaat alles naar Zijn raad. Wij kunnen niet alles begrijpen of verklaren, dat behoeft ook niet; voor mijn denken, voor mijn ontroerd gemoed sta voor alles vast: in de hemel is een troon ,,gezet”, alles gaat naar Zijn eeuwige raad; en niet slechts naar, maar (Psalm 73) door Zijn raad. Onbeperkte, almachtige, absolute, eeuwige praedestinatie is de bron en grondslag van alle gebeuren.
2e. God kan alle tegenstanden van de ,,Beesten”, die opkomen zullen, daarom best aan. God behoeft niet (en zal dit ook nooit) te capituleren. Laat de afgrond brullen en de watervloeden ruisen: God als Koning is gezeten over de opgezette vloed.
3e. God zit op een troon, in alle onwankelbare rustigheid. Niets overvalt Hem, en Hij leidt alles naar het door niemand en niets anders dan door Hem Zelf bepaalde einde. En in al deze dingen is God Zelf waarborg, dat. . .. God is God.
II.
DE MAJESTEIT DIER GODSREGERING
Die troon nu was niet ledig. Vele tronen op aarde zijn thans ledig — de vorsten onttroond en de tronen ontvorst —; maar deze troon hadden alle machten van hel en revolutie niet kunnen ontledigen. Van vele koninkrijken der aarde geldt: er heeft iemand op de troon gezeten; maar hier is het: ,,en er zat Eén op de troon”.
Het zitten was doorlopend gebleven. Die er op gezeten had voor zesduizend jaren, zat er nóg op. ,,Zijn heerschappij verduurt zelfs de eeuwigheid”. En dit is, omdat ze van alle eeuwigheid af alzo geweest is. De eeuwigheid (om zo te zeggen) der toekomst rust in die der eeuwigheid ,,achter” ons. ,,Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God”. Hier is geen tijdsindeling. Dat zitten op die troon was alzo zonder tijdsaanvang (de positieve eeuwigheid) en daarom zonder ,,einde”; niets wat uit de tijd
afkomstig is, is daarom in staat die troon ledig te maken. Hoe de koningen der aarde (Psalm 2) zich ook mogen opheffen en op hun tenen gaan staan, zij kunnen niet deze troon bereiken of aanraken.
Johannes zegt dat hij zag Die, ,,Die er op zat”. Hij zegt dus b.v. niet: ik zag de Heere op die troon; maar alleen, dat die troon niet ledig was. En het ging daarbij niet om de ,,lichamelijkheid” van deze Koning, maar om Diens kwaliteit, om Diens hoedanigheid, want dat maakt de waarde uit van deze Troonbezetter.
Vanzelf is de bedoeling, dat God de Heere op de troon zat, maar nu naar Diens majesteitelijkheid vermeld.
,,In aanzien” (zo luidt het daarom), dat wil zeggen: naar de majesteitsglanzen er van, die ons beschijnen. En dan is het ,,de steen Jaspis en Sardius gelijk”. Dit zijn twee bijzonder schitterende edelgesteenten. Jaspis namelijk blinkt en straalt als kristal; Jaspis komt voor in verschillende kleuren, maar het is altijd blinkend, schitterend. Zo ook: al Gods eigenschappen blinken en schitteren dóór in al Gods werken, in al Zijn regeerbeleid en handelingen. O, als we God maar eens recht in het oog krijgen, als er maar eens enige glans van dat Goddelijke Deugdenwezen op onze ziel moge vallen, dan is al wat in en van en door God is vol van kleurenpracht, de veelkleurige (grondtaal) wijsheid Gods.
Dan wordt Zijn recht (al zou het ons moeten veroordelen) al even aanbiddelijk schoon als Zijn heiligheid, genade en goedertierenheid. Het Wezen Gods, met name in de openbaring in Zijn werken en daden, is vol van kleurenpracht.
En Sardius is een edelgesteente, hetwelk vlees- of bloedkleurig is: beeld van leven. De Levensvolle zit op de troon; dwars door alle doodsdiepten heen: God zal het leven handhaven. De Godsheerschappij zal uiteindelijk toch blijken het leven te dienen.
God, als de Almachtige, de Schepper aller dingen, kan niet toelaten, dat Zijn werk ondergaan zou in de kolken des doods.
Gods schepping, uit de ideeën Gods voortgekomen, is voor God de moeite waard om verlost te worden. Verlossing toch is, dat God Zichzelf handhaaft in Zijn wereld; zo binnen in ons, als in heel de volkerenbeweging, ja in gans de Kosmos (het heelal).
Hier ligt dus de grond der zekerheid, dat God in de ten uitvoerlegging van Zijn raad zal blinken van leven; levensvolle heerlijkheid sluit Zijn heerschappij in.
III.
DE HOOPVOLLE TROOST DIER GODSREGERING VERZEKERD
Daarvan getuigt de vermelding: ,,en een regenboog was random de troon”.
Een regenboog, alles overspannend. De troon stond, om zo te zeggen, in die boog, als in een hemels priëel. Niet een boog in de troon, maar de troon in de boog.
Een regenboog, dit herinnert ons aan de dagen van Noach, na diens uittreden uit de ark, toen God het natuurverbond afkondigde, waarbij de boog als het ware een teken en zegel was, dat de aarde niet wederom door de watervloeden zou worden overstroomd.
Toen was het de regenboog na de vloed; hier de boog vóór de donderstorm, die over de aarde zou gaan. Wees niet versaagd; God zal woord houden.
Het gaat hier om de boogidee. De idee van onveranderlijkheid en trouw.
De boog om de troon; de troon staande in de boog. Dat wil zeggen: God is door Zichzelf als gebonden in al Zijn werken en daden, om woord te houden. God (als we het zó eens mogen uitdrukken) leeft en handelt, bestaat en regeert alleen in het onverblekelijk teken van trouw. Dat is: God is aan Zichzelf
verplicht woord te houden. De diepste grond voor onze troost is niet maar, dat God wegens Zijn verbond trouw aan Zijn volk is verschuldigd; maar dat de Drieënige Jehovah allereerst aan Zichzelf dit verplicht is. Het verbond met zijn regenboog — teken en zegel — is allereerst een vaste overeenkomst tussen God en Zichzelf, en van daaruit tussen Hem en Zijn volk.
Wat een troost en hoop; vaster kan het niet. O, zo eens Zijn verbond te zien, te kennen, te beleven, wat is dat een zaligheid.
Dan behoeven we nooit te vrezen. Ook niet voor wat 1957 ons zou kunnen brengen. O, dat daarin onze ziel eens lere rusten: de vastigheid aller vastigheden ligt in God Zelf, niet in mijn bekering of volharding; zelfs niet in laatste instantie in mijn geloof, maar in het voorwerp er van: Gods verbond en woorden.
En het geloof dan? Dat is de manier om er de toeëigening uit genade van deelachtig te worden; om de troost en hoop er uit te genieten en er de beleving van te presenteren. Want deze troon roept tevens op om dan ook, al veranderde de aarde uit haar plaats, nooit te wanhopen; maar hoe feller de afgrondsbeesten woeden, des te meer midden in onze taak te staan.
Daaraan hebben onze reformatorische vaderen al hun moed en kracht, ijver en volharding, onversaagd ontleend; en zo stond in het geloof in deze Godsregering, verkiezing en volharding
Gods al tevoren de overwinning vast.
Tenslotte: deze regenboog was ,,in het aanzien de steen Smaragd gelijk”; zeegroen van kleur, de kleur der hoop; gegrond in de trouw en onveranderlijkheid Gods.
,,De Heere regeert; dat de volken beven” (Psalm 99). Maar ook: ,,De Heere regeert; de aarde verheuge zich” (Psalm 97).
Maar daartoe zullen we driemaal met die troon in relatie (betrekking) moeten komen.
1e. Als een troon des gerichts.
2e. Als een troon der genade.
3e. Als een troon der aanbidding.
Ja, eerst moeten we voor die troon verschijnen als voor een troon des gerichts. Als de Heere de vierschaar over ons gaat spannen en de zondaar, gearresteerd in de weg van ware ontdekking, met God te doen krijgt als een God van blinkende gerechtigheid en gericht. Dan staan we voor die troon niet als een zwakke, die wat verbeterd moet worden; ook niet maar als een arme zondaar, met wie God medelijden dient te hebben; maar als een schuldige misdadiger. De zonde is dan tot schuld geworden, en God eist volkomen voldoening, terwijl wij dan geen penning bezitten om daaraan te voldoen. Dat wordt voor die troon des gerichts dan een omkomen, gelijk de profeet (Jesaja 6) het ,,wee mij, ik verga!” uitriep, toen hij de Heere zag, zittende op een hoge en verheven troon. Ja meer nog. Zou er dan nog een weg zijn, enig middel om de straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Onverbiddelijk, onafwijsbaar is dan van uit die troon het antwoord: God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. En dan wordt als het ware de deur in het nachtslot geworpen, want aan die eis kan ik niet voldoen. Voor die troon staan we dan schuldig en totaal onmachtig, dus dubbel ellendig. Dan kan er alleen hoop geboren worden als van uit die troon zelf een weg ter behoudenis wordt ontsloten. En eeuwig wonder, daar heeft God Zelf nu ook van eeuwigheid af voor gezorgd.
Diezelfde troon des gerichts is immers tevens:
2e. een troon der genade.
Het bloedrood, de levenskleur, getuigt het. Deze God, Die verdoemen kan naar recht, is zo vol van leven, dat Hij het leven in de dood kan schenken; dat onze dood wel Zijn recht, maar onze behoudenis, onze bekering en ons leven Zijn lust is (Ezechiël 38 : 11). Het levensbloed der volkomen genoegdoening aan Hem komt ook uit Zijn troon.
Het Lam, dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld.
In de vierschaar des gerichts brengt God Zelf het offer ter verzoening uit. Hij rekent de uitverkoren zondaar in souvereine majesteit en genade die dierbare Borg toe; en leert de zondaar deze borgtocht zo in het geloof omhelzen, dat de vrijspraak uit de troon in de ziel weerklank vindt: ,,Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardigt. Wie is het (dan), die verdoemt?”
Om dan ook ten derde die troon te benaderen als een vrijgemaakte onderdaan, met de blik op die troon als
3e. een troon der aanbidding.
Uit die troon toch ontvangen we waarborg voor de hoop des eeuwigen levens; om God eeuwig te loven en te prijzen. Vóór die troon dan op de knieën, om daar onze kronen in aanbidding neder te werpen.
O zalige eeuwigheid, eenmaal zullen al de gekochten een nieuwjaarsmorgen zien aanlichten, waarop nooit meer een oudejaarsavond volgen zal. Het oude jaar sluite dan met een: ,,O God, wees mij zondaar genadig”. Op Nieuwjaar, acht dagen na de geboorte, weerklinkt op de dag van de besnijdenis het genade- en hoopvolle woord: ,,Zijn Naam is Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden”.
Dit alles wordt bevindelijk door de Heilige Geest in de ziel uit- gewerkt. Dit geve de Heere ons allen bij aanvang, en niet minder bij de voortgang.
Dit is de weg om eenmaal, als het ,,nieuwe jaar” der zalige eeuwigheid aanvangt, met de schare, die niemand tellen kan, rondom die troon het loflied Gode en het Lam aan te heffen.
En al het volk, en alle engelen, en God Zelf zeggen: Amen.