Onder de donderwolk boven Europa
Een tijdwoord door Prof. G. Wisse – Doorn
Geef eer de Heere, uw God, eer dat Hij het duister maakt en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen. . . .
Jeremia 13 : 16
Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe. . . .
Jesaja 26 : 20
En scheurt uw hart en niet uw klederen. . . .
Joël 2 : 13
. . . .zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal. .
Openbaring 3 : 10
TER AANBIEDING
Onder de verse indrukken van de jongste gebeurtenissen en
wereldspanning is dit woord geweld uit om diep getroffen ge-
moed. Het bedoelt geen volledig systematisch saamgesteld ge-
heel te zijn, en geeft alleen uiting aan onze eerste indrukken.
Het is als ,,uit het hart tot het hart” bedoeld.
De Heere stelle ook dit woord nog ten zegen.
WISSE
Doorn, November 1956
Beginselen
L.S.
Dit is dan ten derden male in deze eeuw, dat de Heere van uit Zijn heiligdom heeft gesproken tot de volken der aarde. En boven het gedruis der strijdwagenen uit klinkt over heel de wereld het profetische woord: ,,Geef eer aan de Heere, uw God, eer Hij het duister maakt en gij uw voet zoudt stoten aan de schemerende bergen”.
Wel vraagt Hongarije zelf in de eerste plaats onze aandacht, en horen wij van daaruit als een stem, die roept: ontwaakt, ontwaakt, gij die slaapt; o gij, die u christenvolken noemt, en staat
op uit de doden.
Wie de juiste visie wil hebben op de jongste wereldgebeurtenissen, zal niet moeten blijven staan bij de verschrikkelijke uitbarstingen zelf, en kan ook niet volstaan met hartstochtelijke ontboezemingen, en nog minder heil zoeken in relletjes; maar zal de zaak eens in de wortel moeten zien waar te nemen.
Heel deze Europese, ja werelddonderwolk komt op uit de religie van het ongeloof. Zo toch noemde zeer karakteristiek Groen van Prinsterer de Revolutie (met een hoofdletter, dus als systeem en wereldbeschouwing met de daaraan verbonden terreur). Zo heeft ook Kuyper het geleerd in zijn principiële beschouwingen. Vergete men dit uitgangspunt nooit.
Het communisme worde niet allereerst beoordeeld naar politieke of oeconomische maatstaf, maar vanuit verticaal oogpunt; met andere woorden, naar de diepste beginselen, en zoals het staat tegenover de levende God en Diens Woord. Wat zegt de Heere van deze dingen? Hoe dienen wij in dat licht het te bezien?
Het communisme is (naar eigen zeggen) een ideologie, d.w.z. in eenvoudige taal, zoveel als een wereldbeschouwing en levensbeoordeling uit onze hogere denkwereld.
En dan sta voorop: ,,de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God”.
Het atheïsme, de godloochening, is hier het diepste princiep.
Vandaar dat men van onder af propaganda maakt (bij het communisme namelijk) voor de godloochening.
De Rus Bakounien, één der voormannen en voorlopers van de helse beweging, schreef reeds meer dan een halve eeuw geleden in zijn boek: ,,God en de Staat”, dat het geloof in het Godsbestaan de bronoorzaak is van de sociale ellende. Wat blieft u?
En één van zijn achterkleinkinderen, een opgeblazen proletariër van de ,,partij”, liep enkele jaren geleden met een kar in Den Haag rond, waarop stond: ,,God is het kwaad”. En dat werd
in Nederland, in naam van vrijheid voor iedereen, toegelaten!
Daar hebt ge al één van de tastbare vruchten van de onbeteugelde persvrijheid c.a.
,,De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God” — zo riep de psalmdichter in het Oude Testament het uit! Want het atheïsme is inderdaad een zondige psychische afwijking. Religie behoort toch tot de fundamenten van de menselijke natuur. Atheïsme is een vloekwaardige denkafwijking, een deraillement van het hersenapparaat van de gevallen mens.
De Revolutie als systeem moet daarom heten de religie van het ongeloof. Het heeft daarom in zich de drang om zich te ontplooien, voort te werken en niet op te houden voordat de hele
wereld achter het Beest zal aanlopen (Openb. 12 : 8 enz.).
De Vrijzinnigheid in al haar schakering is "daarom, principiëel beschouwd, de moeder van de hedendaagse wereldbrand. Zeker, er is nog een invloed van Gods algemene genade, waardoor men bij de uitbarstingen toch in medelijden, in ontsteltenis, in gemeenschappelijk hulpbetoon mede lijdt en voelt en helpt met de slachtoffers; God lof!
Maar men bedenke, dat, naar de beginselen beschouwd, men nu van zijn eigen voortgebracht kind terugschrikt.
Een reden te meer om zich te weer te stellen tegen alle ongeloof en Revolutie, maar dan op grond van Gods Woord, en op dat alleen, in al zijn consequenties.
En dan denk ik tegelijk ook aan artikel 36 onzer Belijdenis. Dr. Kuyper schreef destijds: ,,Artikel 36 blijft ons ideaal”.
Juist, maar inmiddels is er met dat artikel heel wat gebeurd.
Ook de Chr. Geref. Kerk heeft het als zodanig altijd nog in zijn geheel laten staan. Heden ten dage, midden onder de uitbarstingen, rijst mij wel eens de vraag: zou het niet uiterst dienstig
zijn om dit artikel in alle kracht naar voren te brengen? Men spreekt in vele christelijke bladen van de ,,antichrist”, die heden in Hongarije etc. zich hemeltergend openbaart. Dit is juist gezien. Maar dan was het nog niet zo kwaad, verre van dien, om die antichrist ook uit staatkundig oogpunt een overheids-halt toe te roepen. Ach, dat men Gods zaak eens boven partij- en eigenbelang mocht stellen.
Tenslotte: ’t is kostelijk om in de gebeden tot God te vluchten om uitkomst en erbarming in deze wereldnood. Maar de Heere mag onze bid- en vastendagen niet, als het zou zijn enkel uit vrees voor de atoombommen. God is als nooit tevoren op alle terreinen en met alle zogenaamde culturele ontwikkeling naar de kroon gestoken. En nu vraagt de Heere allereerst om boete en bekering. Om uitredding vragen en om de vrede bidden; maar opdat men het dan wederom en verder zonder God zou doen. Om vrijheid te bidden, met de verholen bedoeling om weer vrij te zijn om ons zondige vlees bot te vieren; dat behaagt de Heere niet.
Dan zou het rechtvaardig antwoord wel eens kunnen zijn: ,,Bid niet meer voor dit volk”. De Heere bekere ons, opdat wij bekeerd mogen zijn.
Rome
De activiteit van Rome is bij al dergelijke gebeurtenissen in het oog vallend; soms tot op zekere hoogte op bewonderenswaardige wijze. Toch zal men goed doen enkele dingen niet uit het oog te verliezen. Eerlijkheidshalve moet ik het zeggen. Dat Rome bij zulke gelegenheden gebedsoptochten houdt, stille ommegangen, nachtmissen enz., is, van Rome’s standpunt uit bezien, zijn goed recht. Al kunnen wij met de leer, die aan dit alles ten grondslag ligt, niet instemmen. Wel heb ik aan het adres van zogenaamde protestanten op te merken, dat hieraan meedoen in feite een verloochening van het reformatorische beginsel is. En wij zouden dat soort protestanten wel willen adviseren, om ook eens zulk een
activiteit aan de dag te leggen, maar dan uit eigen beginselen.
En niet in relletjes.
Maar er is nog iets anders, dat mij van het hart moet. Als Rome roept om vrijheid en recht voor Hongarije c.s., en aan de volken vraagt om de rechten van de mens toch hoog te houden, breng ik daar hulde aan; maar dan vragen we toch onwillekeurig meteen, en terecht: maar waarom zwijgt gij nu als het Spanje, Columbia e.a. geldt, wanneer daar die rechten van de mens even gruwelijk worden vertrapt, maar dan als het protestanten geldt.
Dan schijnt het, dat Rome alleen hen, die roomse mensen en roomse christenen zijn, als mensen, volle mensen, als christenen erkent. Overigens is het nu wel genoeg wereldkundig geworden, hoe in de Spaanse landen een optreden tegen de protestanten menigmaal te constateren valt, hetwelk in wezen vaak op dat der communisten gelijkt. En hoe gemakkelijk kon dit anders worden. Daar behoefde geen schot voor gelost te worden; de paus spreke maar één Woord, en uit was het. Of kan zulks niet? Waarom zwijgt hij dit woord tegen de terreur, op protestanten geoefend? Brengt inderdaad de roomse leer zulk zwijgen mee? Ja? Dan blijkt zulk een leer en kerk niet die van het Evangelie van Christus te zijn. Zie, dit is het, wat bij alle waardering, zover deze mogelijk is, ons bedroevend tegen de borst
stuit.
En ik weet, dat dit zelfs aan vele roomsen niet welgevallig is.
Zo bijvoorbeeld in Frankrijk zijn er zelfs onderscheidene geestelijken, die het afkeuren. Eerlijke en achtenswaardige mannen, ik ken er bij name ook in ons land, die respect afdwingen en die ten deze Rome’s handelwijze volledig onjuist vinden. Dezer dagen ontving ik f 25.— als gift van een lid der roomse kerk, uit protest tegen de verdrukking der protestanten in Spanje. Daar spreekt karakter uit.
Hier in Holland worden wij gedurig aangesproken door Rome als ,,onze reformatorische broeders”, of ,,protestantse christenen”, en diergelijke benamingen. In Spanje luidt het anders. Ik heb hier bij mij liggen een Spaans pamflet, ondertekend door de roomse geestelijkheid, Waarin onze evangelisten in Spanje worden voorgesteld als afgezanten van ,,de vrijmetselaars, de Joden en de communisten”, letterlijk aangehaald. Nu van tweeën één:
deze Spaanse betiteling moet als de ware roomse opvatting beschouwd, en dan is alle geheul met Rome uit den boze; óf aan het Hollandse Rome moet ik eerlijkheid en waarheid toekennen, maar dan eisen we een beroep door hen op hun paus, om aan deze benaming een liefdevolle praktijk te verbinden, en ook te roepen om de rechten van de mens als dit nu eens Spaanse gelovige protestanten zijn.
Zelfonderzoek
Voegen wij hier nog aan toe een onderzoekend woord aangaande inhoud, betekenis en waarde van het persoonlijk en gemeenschappelijk gebed in zulke zware tijden en bij zulke dreigende onweerswolken.
Voorop sta, dat het altijd diep respect moet afdwingen en op zichzelf zeer weldadig aandoet, wanneer een mens, een volk, al ware het nog maar uitwendig en in algemene zin, op de
knieën valt. Ik denk hierbij aan Ninevé, hoe op zulk een bekering de Heere de dag des oordeels nog heeft uitgesteld.
Maar daar moeten we toch in één adem aan toevoegen: de Heere heeft recht op meer; en het is ons nodig, dat er een geestelijke "zieleverbrijzeling mede gepaard gaat. Dat in zulke dagen als thans geroepen wordt om Gods hulp van de hemel, om uitredding, troost enz. in de benauwdheid, - dit alles is verkwikkend, maar niet genoeg. Als b.v. publieke (vaak zondige) vermakelijkheden worden stopgezet voor een soort uitwendige devotie - het is verre te verkiezen boven ten festijne gaan; maar als, zodra de onweerswolk wat afdrijft, men dan zijn schade uit alle macht tracht in te halen, gelijk we zo telkens in de geschiedenis zien gebeuren, neen, dan is het niet deze soort gebedsomgang, welke de Heere vraagt. Als men uit angst voor bombardementen enz. enz. vurig smeekt om voorkoming en bewaring, maar men in feite de zonde, het verlaten van God, enz. aan de hand zal houden, dan zegt de Heere: ,,uw verbodsdagen, die mag Ik niet”.
O, als men eens recht werkzaam werd met al deze dingen, dan zou men eerst beginnen te vragen om de rechten van God. Hebben wij, regering en overheid, parlement en volk, en ieder persoonlijk, de kerk en de maatschappij, aan de Heere gebracht waar Hij recht op heeft? O, wie daarmede eens waarlijk ernstig op de knieën mag komen, hoe zal men moeten uitroepen: ,,Heilig, o God, en rechtvaardig zijt Gij in Uw oordelen en gerichten”. Dan wordt de zonde schuld voor God, en Christus noodzakelijk en dierbaar, niet in de eerste plaats om ons voor oorlog c.a. te bewaren, maar om ons met God te verzoenen. De gerichten zijn
vreselijk, maar de oorzaken er van! Dat doe ons in het stof neerzinken. En dan zullen we moeten beginnen met de woorden van David: ,,Ik ben, o Heere, Uw gramschap dubbel waardig”.
En eerst dan, dan zullen we mogen hopen op verademing. Dan" wordt het een God toevallen, ook in Zijn gerichten.
Maar wordt dit wel veel gehoord? En dan maar niet uit verstandelijke bespiegeling of uit gevoelsaandoeningen, maar uit geestelijke wederbaring en uit kracht van de ingestorte liefde
Gods. Dan eerst zal het bekering mogen heten. En dan zal het hoogste onzer blijdschap niet zijn: God heeft ons bevrijd van en beveiligd voor de communisten; maar: de Heere is het deel
mijns bekers geworden. Dan zal Jacobs hoogste vreugde niet zijn: ik ben van mijn broeder Ezau verlost; maar: God heeft mijn ziel gered.
Hieruit zal dan ook de ware liefde tot de naaste (ook al was hij een communist) ontstaan; het echte en volle medelijden en de milddadige hulpverlening. Dan worden het goede werken uit
het geloof, waarin God verheerlijkt wordt. En al waren er dan nog maar tien zulke rechtvaardigen in Sodom overgebleven, dan kon om hunnentwil de stad nog wel eens gespaard blijven.
Dankbaar mogen en moeten we inmiddels erkennen, hoe in deze benauwende dagen toch ook weer een vonk van onze oorspronkelijke menselijke adeldom nagloorde: als namelijk er een samenbinding werd aanschouwd uit allerlei volken, rangen, standen, geestelijke richtingen enz., tot gemeenschappelijk hulpbetoon, opgekomen uit gemeenschappelijk eenheidsgevoel en inwendige verbondenheid. Het is nog een roos uit het Paradijs: God ons aller Scheppings-Vader. Het doet denken aan de Geest van het Pinksterfeest: alle goederen gemeen in een als het ware communistisch christendom. O, dat men nu nog één stap verder
ga, niet slechts om elkaar terug te vinden rondom rokende puinhopen, maar op de knieën rondom het kruis van Golgotha.
Getuigenis
Nog een ander gezichtspunt komt aan de orde. We bedoelen, hoe wij als christenen, die de Heere mochten kennen, nu in de wereld moeten uittreden; en wat boodschap we aan haar hebben.
Zonder nu alles in regelmatige orde hier voor te stellen, doen we enkele hoofdgrepen. En dan moge wel allereerst in het licht worden gesteld, dat ook in al deze dingen, neen, niet de inhoud onzer aloude christelijke belijdenis wordt gelogenstraft, maar veeleer terdege wordt bevestigd.
Als daar is: de leer van de gans verdorven natuur des mensen.
Als ge dan leest van al die gruwelen en verwoestingen, dan is het toch moeilijk om staande te houden, dat de mens van binnen goed is. Veelmeer blijkt hoe hij als vijand van God en de naaste moet gekwalificeerd worden. Dat er nog heerlijke andere dingen als reacties openbaar worden, is door Gods algemene genade.
Maar overigens, praat toch niet langer over humanisme enz. Als namelijk die mens ,,losgelaten” wordt, dan blijkt, dat alle cultuur, beschaving, ontwikkeling enz. enz., nog geen paradijs op aarde hebben kunnen hergeven. De dames en heren van de moderne
vooruitgang mogen zich de haren wel uit het hoofd trekken bij een wereld als we thans beleven. De God- en Christusverwerping moet maar geen tentoonstelling organiseren van haar resultaten! Het blijft vóór en na, naar het zinrijke woord van Da Costa:
Op de bodem aller vragen
ligt der wereld zondeschuld.
Waart g’ in staat die weg te dragen,
mensenkinderen, aardse goôn,
zo bestijgt de zegewagen;
doch zo niet: aanbidt de Zoon.
Getuigen we thans luider dan ooit in deze wereld van de waarheid dezer woorden.
Voorts: alles roept om een wereldverlosser. Honderden hebben in de loop der tijden zulk één opgeroepen, en er zichzelf wel voor uitgeroepen; maar het is alles mislukking op mislukking. Neen, het is nog niet zo onredelijk en dwaas, om thans meer dan ooit uit te zien naar de toekomst en wederkomst van de Christus Gods. Ge kunt het belachen, bespotten, maar hebt gij, humanist, dan een betere troostbron?
Wordt niet alles letterlijk vervuld wat al eeuwen tevoren in Gods Woord ons is voorspeld? Zijn dit niet de tekenen der tijden?
Ja, het zijn de seinlichten op de lijn, waarop de wereldtrein voortdavert; het roept alles ons toe: Jezus komt!
En gelijk nu al deze voorzegde tekenen letterlijk vervuld worden, zo zal dan ook even zeker het eindstation worden bereikt: de verschijning van de Christus Gods uit de hemelen. Ach, wijs het niet af in ongeloof, wacht het niet af zonder bekering tot Hij werkelijk komt en het voor u te laat zou zijn. Leg de wapens tegen Christus toch neer. Hij reikt nog pardon uit, al waart ge de grootste en snoodste zondaar in eigen persoon. Hij roept u; en genade is op Zijn lippen uitgestort. Onderneem de vlucht tot Hem.
Getuigen we er van. ’t Is nu tijd, meer dan ooit, niet om slechts te debatteren; ach, God debatteert niet; maar het is thans de tijd, meer dan ooit, om het aan te zeggen: bekeer u, want waarom zoudt gij sterven? En laten we als ware christenen dan Christus’ verschijning liefhebben. Dat is om Zijn wederkomst hopend te verwachten, met de kroon in de hand voor alle geestelijke strijders. Op Zijn wederkomst het oog gevestigd houden, alle andere en aardse dingen daaraan ondergeschikt stellend.
En om dan daaruit kracht, moed, bezieling, geloof en hoop te putten; om ondanks alles de loopbaan te lopen in getrouwe christelijke plichtsbetrachting en in alle zelfverloochenende liefde jegens God en de naaste, tot het einde toe.
Strijden we de goede strijd des geloofs in de geestelijke Qlympiade. Zonder strijd geen kroon, en wie volharden zal tot het einde toe, die zal zalig worden. Al deze dingen schenkt God de
Heere aan dat volk, dat ellendig en arm, op Zijn Naam ‘betrouwt.
Veel gebed zij er om de werking van Gods Geest. Want zonder deze zullen wij niets kunnen opbrengen, wat de Heere welbehagelijk zou zijn.
O, laat ons dan tevens elkander zoeken en liefhebben, allen gij, die iets kent van het leven der genade. In de schuld voor God; staakt het twisten en krakelen onderling; ruimt op al die vleselijke bewegingen; geeft boezemzonden radicaal afscheid; hangt de Heere aan, één Geest met Hem geworden. Op de knieën, ware bidders, met zuchten en geween; begint het communisme te bestrijden in uzelf. En zo verootmoedigd aan Gods voeten, daar zullen we dan ook elkaar, van wat kerk ook, terug vinden.
Alle andere zogenaamde oecumene is de ware niet.
Bidden we er veel om, dat de Heere moge uitzuiveren en afscheiden al wat niet bij elkaar behoort; en dat Hij moge verbinden en verenigen al wat uit Hem is.
Bijzonder en blijvend moge ons getuigenis zijn aangaande de aard en de betekenis van de Christus der Schriften. Het is merkwaardig, hoe ook dit teken der tijden wordt gezien, namelijk dat men zal roepen: hier is de Christus en daar is de Christus; maar geloof hen niet, zegt de Heere. Het is merkwaardig, behalve en naast de algemene afval, is eveneens en overal te constateren een nieuwe religiositeit, met een nieuwe God en een nieuwe Christus. Een meer bepaald ,,Amerikaans” import, namelijk de uitroep van de zogenaamde sociale Christus. Neen, niet de Christus, Die met Zijn offerande aan het kruis volbracht, aan God voldoening schonk tot onze verzoening met God. Neen, dat niet; maar een Christus van algemene mensenliefde, tot sociale betekenis, tot uitwendige hulp. Zeer zeker is ook deze betekenis te erkennen; maar dat is niet het al, niet het centrale punt.
Heeft die Christus Zelf niet gezegd: ,,Wat baat het een mens, zo hij al de gehele wereld gewon, en leed schade aan zijn ziel? Uw ziel moet gered, uw leven weer inhoud krijgen, uw toekomst als een ware heilstaat moet verzekerd zijn. En dat is alleen mogelijk door het ware geloof in de Christus der Schriften, de Christus als Borg bij God voor de schuld onzer zonden. Houdt deze belijdenis vast, dit centrale punt uit ons geloofsleven. Deze oude christelijke religie-opvatting, en deze onveranderlijke God dienen we als een gouden kleinood teder te bewaren. Weert daarom alle nieuwerwetse inkruipsels, die u de oude, ware, Schriftuurlijke
religie zouden dreigen te ontnemen. Dan komt ge wel bij het ,,overblijfsel” terecht, bij de Gideonsbende, maar die zal als overwinnaar uit de strijd treden.
Tenslotte:
Afweergeschut
Geestelijk opgevat, in de strijd der geesten. In dagen als deze komen de oude strijdvragen ook weer sterk naar voren: hoe kan dit alles toch bestaan als er werkelijk een God bestaat? Waarom? En hoe? En wat? Altegaar onderwerpen voor een hele apologie.
Onze plaatsruimte voor ditmaal laat niet toe op alles in den brede te antwoorden. We moeten volstaan ditmaal met een beknopte, aldus genaamde immanente critiek.
Al deze en diergelijke vragen worden door het twijfelend, geslingerde en ongelovige hart opgeroepen, uiteindelijk om maar te concluderen: er is geen God, anders zou het zo niet toegaan.
Maar als gij, twijfelaar en ongelovige, dan zo redeneert, vragen wij op onze beurt aan u: maar hoe verklaart gij het alles dan, zonder geloof en zonder God? Lost gij het dan op?
Alle ongeloofsredenering komt tenslotte hierop uit: alles bestaat zoals het bestaat van alle eeuwigheid af, zo en niet anders; uit zichzelf. Zo luidt ook de centrale inhoud van het ongeloof, dat een heilstaat uitroept: door evolutie (uitwikkeling, ontwikkeling) gaan we in de wereldgeschiedenis toch als eindstation een heilstaat voor de hele wereld en mensheid tegemoet.
Laat ons even nader bezien. Zo, door ontwikkeling, evolutie, met revolutie? Maar dan moet er toch iets zijn van waaruit het ontwikkelt, en dan moet er toch een inwendige kracht met doelbestemming in zitten. Vanwaar is dat dan? En hoe komt die wereld daar dan aan? Behoort dit tot haar wezen; dus is ze zelf een soort God? Maar dan is dit inderdaad een armzalig Godsbeeld. Verder: er zou geen schepping door een Almachtig God zijn, maar alles bestaat zo al eeuwig van ,,alle eeuwigheid” af. Maar dan word ik nu eens ongelovig. Eeuwig en toch ontwikkeling?? Maar die beide begrippen sluiten elkaar tenvolle uit.
Eeuwig, denk u dat eens goed in; maar dan kán er geen ontwikkeling zijn. Eeuwig, maar dan heeft het alles al ,,eeuwig” de gelegenheid gehad tot alle mogelijke ontwikkeling; en is het
dan heden nóg een slechte wereld, dan klimt ge goed gegrond verwanhopen volgens deze leer aan alle mogelijkheid van een betere maatschappij, want dan is (bij dit begrip eeuwig) er al eeuwig gelegenheid geweest om deze te laten uitkomen. Alle mogelijke millioenen jaren zitten in dat begrip ,,eeuwig” al in; en het is nog niet gebeurd! Dan gebeurt het ook niet over zeg tienduizend jaar, want die zitten al in dat ,,eeuwig” in. Als dit geen wissel op de toekomst is, dan weet ik het niet. De mensen, waar vechten en branden en folteren ze dan toch voor!
Nog eens. Als deze wereld niet is geschapen, maar van alle eeuwigheid af al bestaat; en deze wereld thans de alleszins slechte en vol kwaad en ellende is, dan behoort dat kwade, ook die
sociale gesteldheid tot haar wezen. Zo niet, waar is dan die slechte gesteldheid vandaan gekomen? zowel in der mensen brein, als in de praktijk? Van buiten af? Dat kan niet als alles
eeuwig is. Van binnen uit? Dan behoort de slechte gesteldheid, het kwaad, de ellende (ook de sociale) tot haar wezen. En komen we er dus nooit af, tenzij die wereld als een zeepbel uiteenspat en in het niet wordt opgelost; maar daar heeft dan niemand wat aan. En het is zonde van elk pistoolschot, dat ge daarvoor zoudt afvuren. Zonde en onzin van elke bom, die ge daarvoor neerwerpt. Of daar moet eenmaal een val geweest zijn, een breuk gekomen; het zondefeit te denken, is onafwijsbaar.
God-Almachtig, schepping, de zonde enz., 0 gewis en zeker, dat lost voor ons denken ook niet alle vragen op. Maar dan ligt in het absolute Godsbegrip toch een rustpunt voor mijn denken,
en een troost voor mijn hart. Want God is meer, is anders dan mijn denken. Daarbij, een verklaarbare alsook een bewijsbare God zou juist geen God zijn. Tot het zijn Gods behoort, als zuiver absoluut God, ook de onbewijsbaarheid en de onverklaarbaarheid. En bij dit punt vangt aan de heldere presentie van het geloof, en voor het denken, en voor de levenspraktijk. De mens is meer dan zijn lichaam, meer dan zijn hoofd, meer dan zijn
denken en rede; hij is van huis uit geest. En die geest-mens zal door wedergeboorte door de Heilige Geest weer zuiver kunnen functionneren; en. . .. dan wordt het geloof een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Wacht u, mijn waarde lezer, om onder de huidige donderwolk te trachten God uit Zijn stoel te lichten, want ,,daar zoudt gij u lichtelijk aan komen te vertillen”.
Het geloof eist de aanvaarding van het wonder; maar daarvoor belijden we dan ook een Almachtig God. Het ongeloof kent deze God niet, maar dan wordt alles en alles niets anders dan een raadsel; een raadsel, dat ons geestelijk en soms ook lichamelijk zelfmoord plegen doet.
Met geloof (zegt Pascal treffend) blijven er vele vragen en raadselen; maar zonder geloof wordt het alles nóg raadselachtiger.
Komt, laten wij dan knielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft en verkoren. Midden onder de onweerswolken het jongste woord Zijns Woords: Ik kom. (Da Costa). -
Als ge deze regelen onder het oog krijgt, is de spanning hopelijk al wat geluwd? Maar de ten hemel schreiende ellende niet. En wees gewaarschuwd, dat ge geen Farao’s bekering er op na houdt: ernstig zo lang het onweer woedde, maar direct daarop weer verharding. Het is maar uitstel van executie. De grote dag van het eindgericht nadert toch. Hoor dan nog bijtijds de roede, en wie ze besteld heeft. Ontspanning in de toestand zonder waarachtige bekering tot God, is waarborg voor nog vreselijker ellende. God laat niet met Zich spotten. Maar wie
volharden zal tot het einde toe, die zal zalig worden.
Ongetwijfeld, we gaan, zo niet heden, dan morgen, een wereldcatastrofe tegemoet. Maar dan verschijnt ook op het witte paard Christus als Triumfator!
Boven het wereldonweer weerklinkt het jongste woord Zijns Woords: Ik kom. Maranatha!