Matthéüs 26:58, 69-75 'Petrus verloochent Christus' ds. J.C. van Ravenswaay

PETRUS VERLOOCHENT CHRISTUS

Predikatie over Mattheus 26 : 58, 69-75

door

Ds. J. C. VAN RAVENSWAAY

Psalm 82:3

Lezen Marcus 14: 66-72

Psalm 73 : 11 en 14

Psalm 53:3

Psalm 130:2

En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.

En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, de Galileeër.

Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.

En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener.

En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken de mens niet.

En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.

Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de mens niet.

En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal

verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

Mattheüs : 26 :58, 69-75

Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

De boze wereld wil niets van Christus’ lijden en sterven weten, en de levende kerk zal moeten leren, dat Christus voor Zijn bruid aan het kruishout is genageld. Hij heeft het vloekhout gedragen en is aan het vloekhout gekruisigd voor de zonde van Zijn kerk. In de geboden des Heeren staat: ,,Gij zult de Naam des Heeren niet ijdellijk gebruiken”. Petrus heeft zich zwaar bezondigd aan dit gebod.

Door bearbeiding des Geestes had hij Jezus leren kennen; dagelijks was hij bij Hem. Zijn tekenen en wonderen had hij aanschouwd en pas nog had hij gezegd: ,,Heere, al zouden zij U allen verlaten, ik geenszins!” Dat gaf goede verwachtingen. En toch, hoe gans anders is het uitgekomen. Gods Woord wil ons telkens weer leren:

Vest op prinsen geen betrouwen,

Daar men nimmer heil bij vindt.

En anderzijds wijst het Woord des Heeren ons op de dichter, die zingt:

’k Vertrouw op Hem geheel en al,

De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.

In de hof van Gethsémané zijn de discipelen ons reeds tegengevallen, maar wat nu gebeuren gaat, overtreft alle andere teleurstellingen. Judas heeft Hem verraden met een kus, Petrus wil het Koninkrijk Gods verdedigen met zijn zwaard, maar Jezus zegt heel nuchter: ,,Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in deze zelve nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen”.

Petrus gelooft de Heere niet en antwoordt: ,,Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen”.

En wat Petrus zegt niet te zullen doen, doet hij toch. Hij moet leren: ,,Het kwade, dat ik niet wil doen, dat doe ik”. Dat is zelfs waar van een discipel des Heeren. Petrus moet zijn dood-

staat leren kennen in het stuk van de verloochening van Zijn Borg en Zaligmaker.

Wij overdenken: Petrus verloochent Christus.

  1. Petrus volhardt in de verloochening tot het einde.
  2. Christus verbreekt Petrus’ verloochening in het einde.

I.

Petrus volhardt in de verloochening tot het einde.

 

Petrus heeft het een heel eind volgehouden. Nog is hij geen woordbreker. Hij komt echter steeds dichter bij de plaats te staan, waar Christus door de Joodse theologen zal veroordeeld worden.

Johannes kon tot in de zaal doordringen door relaties met de hogepriester, doch aangezien Petrus die niet had, moest hij buiten de zaal blijven. Johannes haalt Petrus dan naar binnen. Nu zijn ze waar Jezus is.

Aanvankelijk waren al de discipelen des Heeren gevlucht, en nu treffen we twee van de jongeren in de dichte nabijheid van de Heere aan. Petrus had gezegd: ,,Ik zal mijn leven voor U zetten”, en Johannes had niets gezegd. Nu zijn zij beiden in de zaal van Kajafas.

Daar zit Petrus bij de dienaren en ziet gebeuren, wat hij niet kan verdragen. Hij zit in de zaal om het einde te zien van deze ontzettende geschiedenis. Gemakkelijk heeft hij daar niet ge-

zeten. Hij had zijn Heere beloften gedaan en heel diep in zijn hart ligt de liefde voor deze Persoon.

Hoor, hoe de valse getuigen liegen; hij zou op willen vliegen en uitschreeuwen, dat zij leugenaars zijn. Zie, hoe de mensen de Heere in het aangezicht spuwen en Hem met vuisten slaan. Hoe lang houd je dat nog uit, Petrus? De vlammen van liefde tot de Heere laaien hoog op in zijn hart, maar wat zal Hij doen? Hij zit vastgenageld aan zijn plaats. Hij vermag niets. Hij moet lijdelijk toezien, ondanks de schone beloften, die hij gedaan heeft.

Zijn Meester ondergaat al deze handelingen als een schaap, dat stemmeloos staat voor het aangezicht zijner scheerders. Hij doet Zijn gezegende mond niet open. Dit alles maakt de toestand voor Petrus nog benauwender.

Dus is er nog wel iets in Petrus, Wat de Heere behaagt? Inderdaad, maar dan alleen het nieuwe deel, dat God er in gelegd heeft. Het andere deel verloochent niet eenmaal, doch altijd de Heere en Zijn dienst. Petrus begint niet pas met zijn verloochening als hij gaat beweren Jezus niet te kennen, doch dan reeds als hij op veilige afstand de Heere volgt, nadat hij eerst gevlucht is. Het zit voor die tijd helemaal niet goed bij hem. De schijn

heeft hij mee, maar in Werkelijkheid is hij reeds begonnen zichzelf te redden. En dan gaat alles verkeerd, tenzij de Heere redt!

Het moge wonderlijk klinken, dat de Heere nochtans Petrus’ weg aldus leidt. Moeten al Gods lieve kinderen niet leren, dat zij hun beste plannen hebben op te geven? Moeten zij niet leren, dat Gods beloften alléén waar zijn in Christus Jezus? De beloften, die vrucht zijn van genadebearbeiding, gaan in vervulling, en dan nog anders dan wij het ons hadden voorgesteld. De beloften, gedaan in overmoed — al waren zij nog zo goed bedoeld — komen niet op hun doel terecht, zij lijden schipbreuk, omdat zij uit de mens zijn.

Toch gebruikt de Heere alle dingen, ook onze beloften, om Zijn raad uit te voeren. Hij laat ons beloften doen, opdat wij zullen leren, dat wij vruchteloze mensen zijn in onszelf. Wij hebben ons voorgenomen de zaak des Heeren te dienen en de Heere belet ons dit ten uitvoer te brengen. Hij dwingt ons werkeloos toe te zien hoe Zijn zaak schijnbaar ten ondergang gedoemd is. Hij laat ons weten, dat Hij ons niet nodig heeft en dat wij in onszelf waardeloos zijn, ja tegenwerkers van de uitvoering van Zijn raad. De Heere leidt ons in een weg van te moeten sterven aan onszelf, om te kunnen leven in Hem, Die de Weg, de

Waarheid en het Leven is.

Wat valt het tegen, als ge meent iets te zijn, en de Heere gaat u leren te moeten en te willen geloven, dat ge niets zijt. Wat moet de zonde van de hoogmoed door Gods lieve Geest toch

bij de gedurigheid bestreden worden.

Petrus voelt zich toch niet erg rustig bij het zien van dit einde. En geen wonder, want enerzijds heeft de hoogmoed hem hier heengevoerd en wil hij weten wat er met Jezus zal gebeuren. Anderzijds is hij bang voor ontdekking. Hij wil niet weten, dat hij één van de discipelen is. Zijn leven zou in gevaar komen en hij houdt er toch nog zo veel van.

Maar Petrus heeft toch anders gesproken? Ja, dat heeft hij! Maar dat leven, weet u. O, mijn medereiziger, wat hangen we vast aan ons eigen bestaan. Wat zijn we beminnaars van onszelf. We hebben in eigen kracht niets voor de Heere over. We zullen moeten toestemmen en gaan geloven, dat Hij alles over had voor een wederhorig kroost. Hoe gezellig vinden we het in de gevangenis van ons leven; wat komen we voor onszelf op. Wat houden we van verstoppertje spelen. Het lijkt zo onschuldig en ge kunt de schijn nog op u laden, dat ge voor en tegen Jezus zijt. Vóór, want ge zijt in de zaal van Kajafas, omdat ge gezegd hebt: ,,Heere, desnoods zal ik met U sterven”. Tegen, want ge zijt in de zaal van Kajafas bevreesd, dat men u als discipel van Jezus ontdekken zal. En als de Heere was zoals wij zijn, wij zouden in de chaos onzer eigen zonden ogenblikkelijk omkomen.

De Heere weet raad voor mensen, die hun woord niet houden en die de zaak des Heeren verloochenen. Zingt de dichter er niet van?

De Heer’ is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

En dan nog anders dan wij gedacht hadden. Hopeloze gevallen — en welke moeten daar niet onder gerekend worden? — lost God Goddelijk op.

Petrus zit buiten in de zaal als er een dienstmaagd tot hem komt en tot hem zegt: ,,Gij waart ook met Jezus de Galileeër”.

De vrouw spreekt de volle waarheid. Alleen, het komt Petrus op dit ogenblik helemaal niet gelegen, dat de deurwachtster hem voor deze zaak plaatst. En Petrus’ leven wordt toch al heen en weer geschud vanwege zijn onvoorzichtige handelingen. Daarbij komt het spottende in de stem van de deurwachtster. O, wat moet hij doen? Voortgaan op de ingeslagen weg, of terugkeren? Eerlijk zeggen, dat hij een discipel des Heeren is, of. . . . ?

Geliefden, als wij in een kring van vrienden verkeren, wat kunnen wij dan soms vrijmoedig over de Heere en Zijn werk spreken. Maar als er verraders van ’s Heeren zaak in het gezelschap vertoeven, hoe licht houden we dan onze mond; laat staan als er meer verraders dan ware discipelen des Heeren in de vergadering aanwezig zijn. Moet schaamte niet ons aangezicht bedekken, dat we dikwerf niet voor de zaak des Heeren durven uitkomen, juist dan als het nodig is? En toch is het dezelfde Petrus, die enkele weken later onvervaard het woord spreekt tot de vijandige Joden; hij moet er zelfs voor in de gevangenis. Hier durft hij geen krachtig bevestigend antwoord laten horen. Hij wijkt voor de listige aanval des satans en geeft zich aan hem over. De vlieg is eerst tegen het web van de spin aangevlogen, maar nu vliegt hij er in. Het hele web trilt. Het is dan ook de moeite waard; ditmaal is het een discipel des Heeren, die zich overgeeft aan de klauwen van satan.

In tegenwoordigheid van allen spreekt hij uit: ,,Ik weet niet, wat gij zegt!” Dat is een leugen; en dat is de waarheid. Een leugen, want Jezus heeft eens aan Petrus gevraagd: ,,Maar

gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” Hierop heeft Petrus geantwoord: ,,Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods”. Petrus wist heel goed wie Jezus was, omdat de Vader, Die in de hemelen is, het hem Zelf had geopenbaard. Neen, het was maar geen blote verstandelijke kennis, die Petrus van Jezus bezat. God Zelf had het hem ontdekt en daarom kon Petrus belijden Jezus de Heere te zijn, door de Heilige Geest.

Daar mogen we geen ogenblik aan twijfelen. Petrus wist wel wie Jezus was. Maar als we op het pad van verloochening onze schreden zetten, gaat het van kwaad tot erger. Dan willen we de waarheid uit ons hart bannen en klemmen ons vast aan de leugen. En als we de waarheid uit ons hart willen werpen, zijn we bezig het voor onszelf op te nemen; dan zien we allerlei grote gevaren. Als we tegen de waarheid inleven, vinden we onszelf belangrijke personen en doen we de meest onberaden stappen. O, is het wonder dan zo klein geweest, dat we zo gemakkelijk weer op ons eigen leven terugvallen? Klein was het wonder niet,

maar die zondaar is zo’n ontzettend mens, dat hij na ontvangen genade die wondere liefde Gods durft verguizen. Hij durft de waarheid gerust een leugen te noemen. Hij bestaat het Jezus met een verachtelijk woord uit zijn leven te verwensen.

Als de drieénige God de kerk om haar eigen trouw moest zaligen, om haar liefde voor de waarheid, waar moest het dan met haar heen? Gods Woord laat ons zien en wil ons door de bearbeiding des Geestes ziende maken, dat wij alles van Hem moeten verwachten en dat de Heere niets meer van ons verwacht. Gradueel zal het ene kind des Heeren meer met de zonde aangedaan zijn dan het andere kind, doch allen moeten zij leren, dat zij van nature geen liefhebbers zijn van de waarheid, ja zelfs na ontvangen genade de waarheid door de leugen ten onder trachten te brengen.

Petrus spreekt echter ook de waarheid.

De waarheid, nú, onder zulke omstandigheden? Ja, er is een deel in zijn leven, dat van deze Christus niets moet hebben. Nooit had hij kunnen en willen denken, dat het zó met Jezus af zou lopen. Hij is naar hier gekomen om het einde te zien en op zo’n einde had hij niet gerekend. De Heere had er dikwijls genoeg over gesproken, maar van sterven had Petrus niet willen weten. Petrus wilde een Christus, Die alleen Koning was, maar geen Christus, Die als Profeet ging spreken over aanstaand sterven, en geen Hogepriester, Die gezegd had: ,,Breek deze tempel af en Ik zal hem in drie dagen opbouwen”. Hij wilde een Christus-

Koning op deze aarde, en dat gaat niet, want de Christus is juist Christus vanwege Zijn drievoudig ambt, waartoe Hij is verordineerd en gezalfd.

En dan zou Christus nog anders Koning zijn dan Petrus het wenste. De twee zwaarden van Petrus moeten weg; Christus kiest de beker! En toch moet Christus Koning zijn, ook voor

Petrus, om hem van het geweld des duivels te kunnen verlossen. Zit hij er nu dan niet midden in?

Petrus spreekt de waarheid: ,,Ik weet niet wat gij zegt”, omdat hij door het liegen blind is geworden voor de waarheid. De zonde brengt ons nimmer in het licht, altijd in het duister. En

de duisterling spreekt duistere zaken. Eenmaal op de weg naar beneden onze voet gezet, houdt in - zo de Heere het niet verhoedt - een omkomen met en in onszelf.

Petrus’ geweten is nog niet met een brandijzer dichtgeschroeid. Hij voelt nog: Het gaat niet goed met mij. Daarom wil hij hier weg en wel zo vlug mogelijk. Dat is het enige, meent hij, wat zijn kwaad nog een beetje verzachten kan. Hij wil niet langer in deze gevaarlijke omgeving blijven. Zo wil hij de gemaakte zonde herstellen.

Doen wij dikwijls niet hetzelfde, geliefden? Maar wat ontbreekt daar dan aan? Och, ik moet niet alleen van de zonden vlieden en die haten, maar ik moet voor gedane zonden in de schuld komen. Wij zijn niet klaar met de zonde te ontvluchten, die wij gedaan hebben; wij moeten er mee voor God verschijnen en over het bedreven kwaad vergeving vragen.

Wij geloven, dat hier één van de zwakke plekken wordt blootgelegd van het tegenwoordige kerkelijke leven. Men heeft geleerd schuldenaar te zijn voor God, men heeft misschien wel de vrijspraak beleefd, maar daarna en daarvoor heeft men tijden meegemaakt van maar niet in de schuld willen komen voor gedane zonden. En wie voor God niet in de schuld komt, maakt het evenmin mee voor de naaste. En als het een tijd geleden is, dat we in de schuld kwamen, wordt het steeds moeilijker om op dat plekje te komen; maar wat erger is, dikwijls gaan we van de ene zonde in de andere vervallen. Let er eens op, dat het dikwijls hier op neerkomt, dat we een zonde aan de hand houden en die bepaalde zonde steeds erger gaan uitvoeren.

De zonde nu heeft geen recht van bestaan, zij is gericht tegen de wet van God en is in wezen een leugen. O, probeert nu nimmer de plaats des onheils te ontvluchten, zonder schuldbelijdenis voor ’s Heeren aangezicht. In uw vlucht neemt ge immers uw leugenachtig hart mee, zonder dat het verslagen werd. Het vluchten en haten van de zonden alleen is schijnheilig voortgaan op de weg van verloochening. Ziet maar wat er gebeurt.

Petrus wil weg, doch vlak bij de deur ziet hem een andere dienstmaagd, die tot de aanwezigen aldaar zegt: ,,Deze was ook met Jezus de Nazarener”. ‘

De in het web gevlogen zondaar siddert over al zijn ledematen; in een wanhopige poging probeert hij zich los te rukken, maar ach, hij heeft zich laten vangen, en die hem gevangen houdt, laat hem niet gemakkelijk los. De duivel weet trouwens, dat hij met deze man nu licht spel heeft. Hij gebruikt andermaal het zwakke vat. Met haar uitspraak spint zij nog een paar draadjes om de in het web geraakte zondaar. Hij laat zich dat rustig aandoen. De dienstmaagd spreekt niet eens tot Petrus; zij maakt slechts een opmerking over Petrus tot de daar aanwezigen.

Petrus blijft staan, alhoewel hij van plan was zo spoedig mogelijk deze plaats te verlaten. Maar hij moet nu wel even daar vertoeven, Want in deze zaal hebben zij hem persoonlijk al eens eerder voor dezelfde zaak geplaatst. En als hij doorloopt houdt men hem voor een leugenaar, en dat wil hij tegen geen prijs. Hij laat zich door de vorige zonde tot de volgende verleiden, om de man te blijven. Met alle krachten tracht hij elke verdenking van zich af te schudden. Door de angst gedreven zegt hij: ,,Ik ken de mens niet”, en doet deze uitspraak krachtig vergezeld gaan met een eed. De tweede verloochening is gradueel erger dan de eerste.

Ditmaal hoort u de geforceerde minachting boven alles uitklinken. Hij spreekt over de ,,mens” en wil daarmede zijn afschuw tot uitdrukking brengen tegenover Jezus. Hij zweert zelfs een

eed, roept dus de Naam des Heeren aan, opdat God hem straffe als hij de leugen spreekt. Hoe waar is Gods Woord als het zegt: ,,Allen zijn zij afgeweken, er is niemand, die goed doet; zelfs niet tot één toe”. Het is waar: ,,Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen”. Petrus probeert zich verder zelf te helpen en daarom komt hij er steeds slechter voor te staan. Hij loopt terug naar het vuur, en hoewel het zeer doet, toch wil hij zich liever hierdoor laten verbranden, dan terugkeren van dit heilloos spoor. Zijn onrust en angst wil hij verjagen met druk gepraat en dat brengt hem in nog groter moeilijkheden. Zo handelend, vestigt

hij de aandacht op zich en het moet ons niet verwonderen, dat Gods Woord ons nu meedeelt: ,,En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: ,,Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar. Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: ,,Ik ken de mens niet!”

Let, geliefden, op de ontwikkeling van de zonde. Petrus begint met de leugen, vervolgens doet hij een meineed, en nu komt er een zelfvervloeking bij. Met razende snelheid vliegt hij zijn verderf tegemoet. Hij wil niets met deze Jezus te maken hebben; Hij kent de mens niet, en als hij dit liegt, dan moge God hem verdoemen.

Het Sanhedrin is bezig Jezus, hoe dan ook, te veroordelen. Alle registers van satans valse spel worden hiervoor opengetrokken. Voor deze mens blijft slechts één weg over: Hij moet weg, de dood in. Het Sanhedrin wil voorgoed met Hem afrekenen.

Petrus is bezig de Heere te verloochenen. Hij wil liever verloren gaan dan behouden worden. Hij wil niet erkennen, dat hij een discipel van de Heere is. Hij wil liever alles verliezen en verloren gaan, dan alles verliezen en behouden worden. Hij wil het liever van de duivel verliezen, dan voor God breken in de schuld. Dat nooit. Maar Petrus is toch een kind des Heeren? Ja, dat is zo, volkomen waar; doch Gods Woord is ook waar: ,,Uit u geen

vrucht meer in der eeuwigheid; uw vrucht Wordt in Mij gevonden”. De Heere geve het ons, door Zijn lieve Geest, schuldig te belijden, als we het aanheffen met de dichter van

Psalm 58 : 8

Hij zocht alom, maar ach, hij vond er geen;

Want alle vlees is trouw’loos afgeweken;

Het land is vol van stinkende gebreken;

Geen sterveling wil ’t pad der deugd betreên,

Ja zelfs niet één.

Petrus is een kind des Heeren, maar niet omdat deze rotsman de Heere gezocht heeft. Petrus blijft een kind des Heeren, doch niet omdat hij zo trouw was in de dienst van Gods Koninkrijk. Hij is en blijft een kind des Heeren, omdat God heeft gezegd:

Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden.

’k Zal nooit herroepen ’t geen Ik eenmaal heb gesproken;

’t Geen uit Mijn lippen ging blijft vast en onverbroken!

In deze geschiedenis leert de Heere ons, dat Hij nooit op ons aan kan, maar dat wij wel op Hem aan kunnen. Hij leert ons, dat het vlees zich nooit de wet Gods onderwerpt, dat het dat

ook niet kan. O, wat hebben Gods lieve kindertjes dikwijls pogingen in het werk gesteld, dit woord van God onwaar te doen zijn. Hoe zijn zij bezig geweest het vlees te bekeren, terwijl de Heere heeft bevolen het vlees te kruisigen. En dat doen we nooit in eigen kracht, daartoe hebben we nodig het onwederstandelijke werk van Gods lieve Geest. Er is wat voor nodig — ja, de Heere is er voor nodig! —- om in beoefening te krijgen: ,,Ik zal maken, dat zij een walg van zichzelf krijgen”. Neen, roept óók het kind des Heeren, ik verloochen de Heere liever, dan dat ik aan de schandpaal kom. Zelfs ver ingeleide kinderen des Heeren hebben het meegemaakt, dat zij ver van huis verdwaalden, zodat andere kinderen des Heeren zeiden: Kunt u zoiets begrijpen?

En zo wil de Heere ons leren, dat de Borg en Zaligmaker gekend moet worden als de Onmisbare, en derhalve ook erkend! Niemand roeme in het schepsel; alleen het verzoenend lijden en sterven des Heeren zal de kerk redden en reinigen.

Slaat nu het oog op die lijdende Borg en Zaligmaker. Daar staat Hij voor Kajafas. Zijn eigen volk heeft geroepen: ,,Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” En wat doet de levende kerk? Zij verlaat Hem, zij verloochent Hem.

En toch wil Hij voor dezulken lijden en sterven, Zich vrijwillig en met ware liefde geven. Hoe bloedt Zijn hart als Petrus van de ene naar de andere zonde overstapt. En toch kan de Heere niet nalaten veel van dit ongehoorzame kind te houden. Wat een zielepijn heeft Christus geleden voor Zijn kindertjes, die tegen Zijn liefde zondigden. Wat heeft Hij Zich voor de ontzaggelijkste zonden laten geselen door de toorn Zijns Vaders. En dat deed Hij en liet Hij Zich doen, omdat Hij de deugden Zijns Vader boven alles liefhad; daarom allereerst, en vervolgens omdat de Vader Hem een zwarte bruid had toegezegd als loon op Zijn middelaarswerken. De prijs, die hiervoor betaald werd, was eeuwig groot, zé groot, dat de deugden des Vaders werden gehandhaafd en de zondaar nu zonder krenking van Gods deugden zalig kon worden.

Een ieder, die van het leven der genade geen vreemdeling is, weet er iets van, dat de eer Gods hem hoger ligt dan zijn eigen zaligheid. Maar o, als de mens zichzelf terugkrijgt. Dan maakt hij zich los van de Heere en durft te liegen, een meineed te doen en zichzelf te vervloeken, en dat in zijn betrekking, waarin hij van Godswege met Christus is geplaatst. Er wordt wel eens gesproken over de liefde des Heeren, maar hoe komt deze liefde hier toch uit en wat zal de kerk hartelijk die waarheid toe moeten vallen, als de Schrift zegt: ,,Wij hebben God lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”.

En wie daarin onderwezen wordt, zal zichzelf leren verachten en van zijn hoge troon afstappen. Dit leren Gods kinderen niet op de berghoogten des geloofs, maar in de diepte hunner ellende. Wat krijgen ze een last van de meineed. Hoe wordt daarin hun onbetrouwbaarheid duidelijk aangetoond. En toch krijgen zij hieruit de rijke les, dat er slechts Eén te vertrouwen is, Die waar is in al Zijn eden, en Die zweert bij Zichzelf.

En o die zelfvervloeking. Als de majesteitelijke God met hem moest doen naar waardigheid, hij was al lang vergaan. Nu zal hij de doemwaardigheid van deze zonde moeten leren kennen, om plaats te maken voor de waarheid, dat Christus een vloek is geworden voor de Zijnen. Het is alleen het verworven en toegepaste werk van Christus, dat hem uit deze gevaarlijke toestand kan verlossen.

II.

Christus verbreekt Petrus’ verloochening in het einde.

,,En terstond kraaide de haan. En Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk”.

De morgenstond breekt aan. Het kraaien van de haan zegt ons: De duisternis gaat wijken, de zon komt op.

Hoe kunnen de zieken verlangen naar het morgenlicht, als zij de hele nacht niet konden slapen vanwege de smarten des lichaams. Dubbelzwaar drukken dan de pijnen. Hoe kunnen de moeilijkheden des levens ons vooral in de nachtelijke uren kwellen, zodat wij ons keren en draaien en gaan luisteren naar het slaan van het uurwerk, of er weer een half uur voorbij is. Hoe verlangen we dan naar de morgenstond. Misschien brengt de nieuwe dag ons voldoende afleiding om van die narigheden ons te ontdoen.

Maar als Petrus het kraaien van de haan hoort, is voor hem de kriekende dageraad geen verlichting. De hele nacht heeft hij zich met leugens en vervloekingen in zijn hart en hand staande weten te houden tegenover God en is hij de gewillige slaaf geweest van de satan. Hij heeft in zijn verloochening volhard tot het einde. Nu kraait de haan, de nacht gaat wijken in het natuurlijk leven van de schepping; maar in Petrus’ hart wordt het nu zwarte nacht. Hij krijgt ineens zijn zonde duidelijk voor ogen. Hij weet niet meer waar hij het zoeken moet. Nu ziet hij wat hij gedaan heeft. Hoe komt dat? Door het dagen van het morgenlicht in de natuur? Neen, dat alleen niet, en dit is ook niet het voornaamste. Petrus krijgt indachtigmakende genade. Hij wordt herinnerd aan Jezus’ woord. De Heere had gesproken over het kraaien van de haan en zijn verloochening. Hij had een teken gesteld ter herinnering en herkenning van de waarheid van Zijn woord. Nog maar kort geleden had Petrus die boodschap vernomen en nu is des Heeren woord in vervulling gegaan. Petrus heeft dat woord des Heeren hoogmoedig afgewezen. Wat? Dat zal Petrus niet overkomen; dat weet de Heere toch wel beter! En toch had de Heere gelijk. Liet Petrus zich door een dienstmaagd verrassen, de Heere gebruikt een haan als middel om Petrus weer op de rechte weg te zetten.

Maar er is meer gebeurd in de zaal, waar Petrus zo gelogen en gevloekt heeft. Met het hanengekraai heeft Jezus Zich omgekeerd en heeft met Zijn ogen Petrus’ ogen gezocht en gevonden. En toen heeft de Heere een ogenblik met Zijn ogen Petrus’ ogen vastgehouden. En nog meer is er gebeurd. Petrus heeft toen in Jezus’ ogen kunnen lezen Zijn smart en liefde tot dit kind. O, die ogen der waarheid hebben hem daar aangegrepen, toen hij

zag hoe hij de Heere gegriefd had met deze daad en — o wonder! — hij toch mocht geloven, dat de Heere met hem nog geen einde van zaken wilde maken.

Petrus had getracht in de verloochening door te zetten tot het einde, al zou hij daarmee omgekomen zijn; maar nu krijgt Petrus te ondervinden, dat de Heere hem nog niet losgelaten heeft, ondanks zijn diepe val. Dit gebeuren slaat Petrus neer en hij voelt zich de verrader van de zaak des Heeren. Het schreeuwt nu in zijn ziel:

Ik heb God op ’t hoogst misdaan;

Ik ben van ’t heilspoor afgegaan.

En wat hij helemaal niet kan verwerken, is, dat de Heere hem niet verachtend heeft aangekeken, zodat hij zou moeten geloven: De Heere heeft met mij afgerekend. Integendeel, de liefde van deze Borg en Zaligmaker is een weinig afgedaald in zijn hart en heeft hem vermurwd.

Hij kan het niet verwerken, dat de Heere hem niet met een eed bij Zichzelf heeft verworpen, maar dat Hij de Getrouwe is gebleven, ondanks zijn ontrouw, en dat terwijl Hij zo moet

lijden.

Hij kan het niet verwerken, dat de Heere hem niet heeft vervloekt, zoals hij zichzelf en daarom in dit verband ook de Heere vervloekt heeft. Integendeel, de Heere neemt de vervloeking van Petrus op Zich en draagt deze in liefde, betaalt daarvoor met Zijn lijden, met Zijn bloed. Hij laat Zich slaan met de‘ felste straffen des Vaders en met de hevigste aanvallen uit de hel, opdat Petrus vrijgesproken zal worden en voor eeuwig zonder

vloek zal zijn, waaronder hij voor eeuwig had moeten omkomen. Dit alles kan Petrus niet verwerken. En nu krijgt hij eerst zijn schuld te zien en wordt er voor ingewonnen, dat dit zijn schuld is, en met die schuld krijgt hij een betrekking op de tweede Persoon. Hij gaat totaal onderstboven. Hij wordt er niet de gelovige mee, maar de onbekeerde.

O zaligheid, als het daar weer komen mag, volk van God. Petrus kan niets meer vertellen en hij heeft niets meer te vertellen; hij heeft alleen maar schuld, hemelhoge schuld. O, dat de Heere hem in deze ogenblikken geen enkel hard woord toevoegde, doch alleen maar aankeek, en dan de wijze waarop.

We weten niet wat er in Petrus’ ziel is omgegaan. Gods Woord zegt het ons niet. Maar dat hij het voorwerp werd van genadebediening, is zeker, want de Schrift deelt ons mede: ,,En naar

buiten gaande, weende hij bitterlijk”.

Gods Geest had Christus’ Woord geheiligd aan Petrus’ hart. Daarom hoorde hij het kraaien van deze haan. Daarom zag zijn oog Jezus’ oog. Daarom gaat hij nu naar buiten en weent bitterlijk. Het eerste gekraai had hij ook gehoord, maar zonder doorboord oor. Christus had gezegd: ,,Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochend hebben”. Het eerste hanengekraai was een ernstig vermaan aan het adres van Petrus gericht, maar hij bleef er dezelfde onder. Gods vermanen is een liefdevol willen remmen op de weg der zonde. Doch er is meer nodig. De roepstemmen alleen doen de mensen niet

terugkeren; ja, alhoewel wij die roepstemmen horen, gaan wij nog verder met opzettelijk te zondigen. Gods onwederstandelijke werking door de Heilige Geest is nodig tot het kunnen opmerken van de roepstemmen Gods. Dan pas keert de zondaar terug van de weg der zonde. Dan gaat hij de weg naar huis terug; met zijn schuldbelijdenis, door God gewerkt in het hart, naar God terug. Petrus weende bitterlijk. Dat was meer dan spijt, dit was berouw.

Petrus moest een Christus verliezen, waarvoor hij strijden moest, en de Christus leren kennen, Die voor hem leed, ook borgtochtelijk leed voor deze ontzaggelijke verloochening. Niet met behulp van Petrus’ krachtige woorden zou Christus Zijn lijden tot een goed einde kunnen brengen. Christus zou de pers alleen treden, ondanks alle tegenwerking. Christus zou Zijn belofte gestand doen toen Hij in de eeuwigheid reeds sprak: ,,Zie, Ik kom om

Uw wil te doen,’ en Uw wet is in het binnenste Mijns ingewands”. Dat bitterlijk wenen is vrucht van Christus’ borgtochtelijke arbeid. Petrus verliet op smadelijke wijze Christus, maar Christus hield Petrus vast ondanks zijn hemeltergende verloochening.

Dit wenen was geen vijandig brullen tegen God, Psalm 32 : 3.

Dit wenen mocht een stukgereten ziel aan de Heere laten zien.

Dit wenen liet aan God zien: Dit heb ik van mijn leven terecht gebracht, alles schuld, enkel schuld. O, en dan te mogen geloven, in zo’n toestand: De Heere geeft nog om mij, om zulk één.

In dat bitterlijk wenen kreeg Petrus de ademtocht der ziel tot God terug. Hij mocht nu waar voor God uitschreeuwen (hij weende bitterlijk): ,,O God, wees mij, zondaar, genadig”. We

horen niet wat Petrus gezegd heeft; dat is het voornaamste niet. We zien wel wat Petrus gedaan heeft. Dat is geloof met de werken, dus een levend geloof.

Zo keurt God het nodig, dat Zijn kind tijden beleeft, waarin het niets zegt, doch alleen wat doet. O, medereiziger naar de eeuwigheid, mochten we die zaak eens meer beleven. Wat zou God dan meer aan Zijn eer komen. Niet wij zijn belangrijk— het blijkt uit Petrus’ levensgeschiedenis — maar de drieénige God moet alles en in allen voor ons worden.

Laat uw woorden weinig zijn. ,,Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn”.

Amen.