Matthéüs 12:43-45 'De onreine geest en de schijnbekering' prof. G. Wisse

DE ONREINE GEEST

EN DE SCHIJNBEKERING

Tijdrede

gehouden te Rotterdam, Koninginnekerk, 24 November 1955

door Prof. G. Wisse

Waarde Vrienden!

Het betreft onze aandacht, dat we in het Nieuwe Testament zo telkens personen tegenkomen, die van de duivel bezeten waren. En dat laat zich verstaan. Als de eigen Zoon van God in het vlees verschenen is, dan komt de hellemacht uit haar schuilhoeken te voorschijn. En dan geeft dit de Heere Jezus reden, om nu eens op deze, dan weer op die manier te spreken over de betekenis en de invloeden van het rijk der duisternis.

Verder is één van de meest merkwaardige leerredenen van de Heiland ten deze, dat Hij eenmaal er op gewezen heeft, hoe er niet alleen een invloed tot meerdere goddeloosheid van de duivel kan uitgaan, maar dat er ook een moment of een tijdperiode kan aanbreken, dat de satan de teugels wat meer viert, en niet zo zeer tot openbare goddeloosheid aanspoort, maar dat het lijkt, alsof zijn slachtoffers genezen zijn. En dan ontstaat er vanwege deze houding des satans een schijnbekering. Dat heeft de Heere Jezus ons zo treffend geleerd in de gelijkenis, die Hij uitsprak destijds in de synagoge, naar aanleiding van de genezing van een mens, die, van de duivel bezeten, blinden stom was. En toen de Heere de duivel uitgeworpen had, sprak de stomme en zag de blinde.

Wel Farizeeën, wat zegt ge daar van? Ja, ze konden het feit niet ontkennen. Dan moet ge de Zoon van God erkennen als de Christus. Het feit ontkennen, konden ze niet. En de Christus erkennen, wilden ze niet. En toen deden ze een duivelse sprong in de duisternis, en het ontzettende woord kwam van hun Iippen: ,,Hij werpt de duivel uit door Beëlzebul, de overste der duivelen”. Intenser goddeloos, ik zou wel willen zeggen gemener, kan het niet. En naar aanleiding daarvan sprak de Heere de woorden, die vanavond grondslag en uitgangspunt van onze rede zullen vormen, en die ge opgetekend vindt in het Evangelie naar de beschrijving van Mattheus, hoofdstuk 12 : 43-45:

En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.

Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan hen; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.

Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.

Nu gaan we daarover niet in de gewone letterlijke zin preken, maar dit is uitgangspunt van wat ik ook voor deze ure een tijdwoord moge noemen.

De Heere spreekt hier van een onreine geest, die een huis, de mens, bewonen kan. En Hij noemt deze demon uit het rijk der duisternis een onreine geest. Waarom? Omdat Hij hier op het oog heeft één van satans trawanten of demonen, die speciaal de meest griezelige tegenstelling vormt tegenover de reine heiligheid Gods. Hier heeft de Heere het niet over de grijpklauwen van de mensenmoordenaar, maar speciaal over het soort karakter van diens inborst: vuil, onrein. Want deze onreine geest zal bij voorkeur het griezelig walgelijke zoeken. En wat hij aanraakt, maakt hij griezelig, walgelijk, afschuwelijk. Een onreine geest dus vanwege zijn eigen gaarne verkeren in de modderpoel der zonde.

De satan stinkt. Dat is één van zijn eigenschappen. En als hij met die geest in mens en mensheid ingaat, dan wordt dat voorwerp óók vuil van inborst. Vandaar dat men Wel eens zegt op moreel gebied van één of andere onjuiste, gans verkeerde, intens gemene zet: dat was vies, wat die man daar deed of sprak. Nu kan dat letterlijk opgevat worden, zoals die onreine geest zich inburgert in sommige individuen, waardoor ze in de letterlijke zin van het woord, naar het lichaam zowel als naar de ziel, onrein worden. Bijvoorbeeld de sexualist. Maar dat kan ook plaats vinden in het midden van een maatschappij, van een volk, volkeren. Het heidendom was van die geest vervuld en nog. We zien dan ook bij vele soorten van heidendom hun godsdienst vermengd met afschuwelijke, zedeloze praktijken. En zelfs het volk van Israël, in zijn afwijking van de Heere God, komt op die lijn. Vandaar dat de Heere hun bondsovertredingen noemt: geestelijke hoererij. En zo kan die onreine geest heel de maatschappij vergiftigen. Daar kom ik straks wel op terug. En zo kan die onreine geest huisvesting nemen in het koor van diplomaten, overheidspersonen, regeerders, volksleiders, volksmenners, enz.

Nu is het merkwaardig, vrienden, dat de Heere, van die onreine geest sprekende, opmerkt, dat hij uitging om rust te zoeken. Hier wordt ons, ik zou haast willen zeggen, een psychologie over de duivel geleerd. Namelijk, de duivel doet op een andere manier de zonde dan de mens. De mens doet de zonde uit begeerte naar vermaak. Hij meent altijd, dat er nog iets goeds te bereiken is met zijn zonde. Maar de duivel doet de zonde echt duivels, om de aard der zonde zelf. En dat is het intens gemene, vuile, het diametraal tegenover het heilige Gods staande. En als de satan dit doet, dan doet hij dit om daarin een zeker vermaak te vinden. Maar dat vermaak is duivels, namelijk ook in deze zin, dat wat voor hem een vermaak schijnt, toch ook weer afmattend, geweldig vermoeiend is. Hij moet telkens nieuwe plannen uitdenken, nieuwe methodes samenstellen, om zijn duivelse praktijken aan de gang te doen blijven. En dan komt er over de duivel een duivelse vermoeidheid. Zien we het goed? Hij zoekt zijn vermaak in datgene, wat intens vuil is, en in dat vermaak kan hij het niet vinden, het voldoet de duivel eigenlijk niet. Hij wordt vermoeid, onrustig, en hij gaat er weer uit, uit dat huis. En hij viert de teugels een weinig. Hij wordt geslingerd tussen de smarten van satan in zijn vermaak, en de verveling van de duivel in dat vermaak tevens. En dan gaat hij uit, en hij zoekt rust, een logement, waar dan ook. En nu stelden de ouden, met name de Joden, het zó voor, dat de duivelen bij voorkeur gaarne huisden in de woestenijplaatsen. We lezen ook, dat de Heere Jezus verzocht werd door de duivel in de woestijn. En als dan die duivel uitgaat en tijdelijk die mens als het ware loslaat, dan gaat het schijnen, alsof daar een waarachtige verandering tot stand gekomen is.

Dat kunt ge zien alweer persoonlijk in sommige individuen; dan wordt de dranklustige afschaffer, dan wordt de sexualist een reinlevenier, dan wordt de kermisbezoeker misschien een kerkganger, dan wordt de spottende vloeker uitwendig een bidder. En zo kan dat ook gebeuren met een volk, zoals bij Israël, want daar doelde de Heere in deze gelijkenis op. We zullen daar nu niet dieper op ingaan.

Israël was tijdelijk verbeterd in de dagen van de ballingschap, maar het was niet waarachtig tot God bekeerd. Het was fataal door de duivel beheerst, naarmate Israël onder goddeloze koningen almeer de afgoderijen der heidenen achterna wandelde. En als dan God dat Israël tuchtigt en naar Babel zendt, dan lezen we met geen woord meer van afgoderij, dat zijn ze daar kwijt geraakt. Dat wil niet zeggen, dat ze daar tot de Heere hun God zich waarachtig bekeerden, maar toen kwam er wat anders op, toen kwam het Farizeïsme op, en dat is in zijn wezen erger. Maar het scheen, dat Israël verbeterd was. En als dan straks dat Israël wederkeert, dan is het een Farizees Israël geworden. En ik loop even vooruit, en dan blijkt het in deze geschiedenis, dat het niet inwendig tot God bekeerd was. Om zo te zeggen, ze hadden een tijd speling gekregen, een soepeler toestand; de teugels van satan, eerst streng gehouden, werden wat gevierd, het volk leek een verbeterde editie. Totdat het moment aanbrak, dat het bleek erger dan vroeger te zijn geworden, in de lastering van de Heilige Geest, in het duivelswoord, tegen de Heere Jezus gesproken.

En zo komt dat nu ook voor in de geschiedenis der volken en der maatschappelijke samenleving der mensheid. Ik bepaal me bijzonder tot deze tijd vanavond, en dan herinner ik u aan de eerste wereldoorlog. Toen die oorlog voorbij was, het scheen, dat men er voorgoed genoeg van had, van deze goddeloze dingen. Welhaast kwam men te voorschijn met het gebroken geweertje in het knoopsgat, met de leuze: nooit meer oorlog! Het was wel heel vreselijk geweest, maar er zou toch winst te boeken zijn, omdat men nu wel genoeg van oorlog zou hebben. Maar het duurde niet zo heel lang, of de spanning kwam weer op. De satan keert weer naar zijn huis terug en de spanning wordt groter dan tevoren; en de tweede wereldoorlog breekt uit, en, eigenaardig, weer hetzelfde verschijnsel na die tweede wereldoorlog. Het duurt niet lang of, ik denk aan onze gelijkenis, ,,satan zoekende rust”. Zo vermoeid, laat ik het maar plastisch voorstellen, van het bommenwerpen, van het Joden vermoorden, van het de hele maatschappij ondersteboven te willen keren, van al de invloeden uit de hel, die over de mensheid waren uitgestroomd, zó vermoeid, dat.... hij neemt vacantie.

Ja, dat lijkt er toch sprekend op, nietwaar? Nauwelijks is straks de geweldige Stalin heengegaan, of het lijkt, dat er in Rusland een geheel nieuwe geest opkomt, die velen aanstaat, aantrekt, betovert. Het is of ze soepeler zijn geworden. Er komen allerlei figuren op het toneel, heel anders dan vroeger. En het duurt niet lang, of men hoort zulke pracht geluiden, dat men saam moet komen in Genéve, de eerste maal. En daar lijkt het zo mooi te zijn, daar is inderdaad de duivel met vacantie, want daar is men bij elkaar geweest op een wijze, dat men sprak van de geest van Genéve, en dat in de goede zin genomen. Daar was gevoel voor elkaar ontstaan, toenadering. Straks worden er honderden gevangenen losgelaten, straks worden er zeer verzachtende maatregelen genomen, straks. . . ., kortom, is er een geest aan het woord, veel soepeler dan ooit tevoren in deze spannende eeuw is aanschouwd geworden. En dat wordt geflankeerd door bonden en pacten en Verenigde Naties en Veiligheidsraden en al wat dies meer zij. En dat wordt geïllustreerd, en dat is merkwaardig, maar ook lofwaardig, dat wordt geïllustreerd met een algemene broederlijkheidsopenbaring van de mensheid in dagen van rampen, denkt maar aan Zeeland, toen de hele wereld er mee geïnteresseerd was. Denkt maar aan de rampen in India enz. Dat wordt geflankeerd door de openbaring van naar het schijnt een algemene verbroedering der mensheid. Voor vluchtelingen wordt alles gedaan, voor gevangenen wordt geijverd, voor hongerigen en ellendigen wordt saamgewerkt. Het lijkt kortom, in één woord samen te vatten, dat het Amerikaans humanisme zegepralen zal, en we niet ver meer af zijn van een soort Koninkrijk Gods op aarde. Althans, het is op de komst hoor, weest maar geduldig! Er komt geen oorlog meer. En tot op de huidige dag, die dwazen — ge zult straks horen waarom ik dit zeg — tot op de huidige dag hoort men de leuze: Het komt wel goed. Men zal elkaar nu niet meer in de haren vliegen, en de atoombommen, ze worden niet gebruikt, men ziet er wederzijds te zeer tegenop. Ha, we boeken toch winst; ja natuurlijk, ze willen altijd winst hebben. Hun mislukkingen moeten toch een mooie kant hebben. En daarom, hoe zeer het in beginsel allemaal mislukt is, — het was te voorzien — nochtans de fabelachtige taal: Het komt wel goed. We hebben winst geboekt. Stel u voor, de grootste mannen ter wereld, de grote vier of de grote drie, dat die naar huis moeten en dat ze dan straks aan de groentevrouw en aan de melkboer, aan de schoenmaker en al die mensen meer, die ook hier bij vele honderden rondom ons zitten, moeten vertellen: We zijn als de grote mannen der aarde bij elkaar geweest en het heeft niemendal gebaat; we zijn als kwajongens naar huis gelopen. Dat is toch al te gek!

Het is met een blik op de openbare christenheid ook daar al niet veel anders. In het laatste tiental jaren zien we het machtige verschijnsel - maar toch met bedenkelijke vragen - van het streven naar een algemene opsmelting van alles wat godsdienstig is, van alles wat op de één of andere manier zich christelijk noemt. Men streeft naar een grote eenheidskerk, een wereldkerk, een wereldraad van kerken, en men werkt in het wezen der zaak al die staketsels van belijdenisschriften, formules enz., opzijde, en men maakt één grote formule als de gemene deler, waaronder alles kan samengevat worden, en waardoor we regelrecht op een eenheidskerk moeten aangaan, waarbij tenslotte een loochenaar van de wondere geboorte van de Heere Jezus en een ontkenner van de opstanding van de Heere Jezus Christus in bond worden opgenomen. Dat is toch prachtig! De ,,kerk” komt er bovenop.

Ja, zo droomt men. Kan het ook wezen, dat deze demon, deze onreine geest, die weleer rondwaarde, thans met vacantie is? Past op hoor! Met vacantie! Als hij nu maar een logement vindt, waar hij blijft met vacantie. Maar we zullen horen wat er gebeurt.

Toch, merkwaardig verschijnsel, daar is nog een kleine breuk. Rome doet aan die grote éénheidskerk niet mee. Dat is, van rooms standpunt uit bezien, rooms-recht, om daar niet aan mee te doen. Gelijk ik als Afgescheidene er éék niet aan mee doe! Maar wel merkwaardig, dat men van roomse zijde ons in de laatste tientallen jaren almeer noemt: onze reformatorische, of ook wel: van ons afgescheiden broeders. Ik zou daar veel aan kunnen verbinden, maar dat past hier niet in mijn rede vanavond. Ik illustreer daardoor maar weer wat een soepele houding. Zou dit alles ons vertrouwen kunnen inboezemen?

Ik ben er lang niet gerust op.

Dat is wat ik noemde, in korte schets, de duivel met vacantie. En eer ik nu verder ga, moeten we eerst de kenmerkende eigenschappen opnoemen van deze manier en houding van satan. Deze kenmerkende verschijnselen wil ik met een enkel woord ten gehore brengen, namelijk merkwaardigerwijze vinden we in deze gelijkenis sprake van een huis, van een mens, van de duivel en van geesten, maar geen woord van God. Dat is altijd het kenmerkende van nabootsing, van schijnbekering. Geen woord van God. Als het huis met bezemen gekeerd wordt, dat heeft de mens zelf gedaan, niet God. Het eerste kenmerk van het niet echte. De duivel is van zijn huis uitgegaan op eigen gelegenheid, helemaal vrij en frank. Het is zijn huis, hoort ge het goed? En dat is zo gebleven. Straks zegt hij: Ik zal wederkeren tot mijn huis. Dat huis is niet van eigenaar veranderd, wel van manier van bewonen en van inrichting. Maar de duivel is uitgegaan, niet in de weg van waarachtige wederbaring tot God, want dan gaat de duivel ook uit, maar omdat hij uitgeworpen wordt, doordien Gods Geest er in komt; dat is wat anders! Maar daar lees ik hier met geen woord van. En daarom is op dat terrein de bekering zo spoedig mooi en compleet, en roemt men er zo in, en is het zo één, twee, drie af, kant en klaar.

Toehoorders, al deze, bijzonder op christelijk terrein beschouwd, al deze zogenaamde verbroedering en al dat zogenaamd humanistische, al dat zogenaamd mooi-christelijke, maar waarbij de drie grondzuilen van onze Reformatie in het niet zinken, dat alles is on-echt. Ik neem er geen woord van terug, zo oud als ik ben. Die drie grondzuilen, daar moeten allen zich aan toetsen. Gods Woord alleen is de kenbron der waarheid, toetst u daar aan. Vrije genade alleen, de deur der hope.

Geloof alleen, de weg, waarin voor Ieven en sterven, voor mensenkind en volkeren, heil en zaligheid te vinden zal zijn. En als deze drie ontbreken, hebt dan geen vertrouwen in welke prachtige gestes ook, dan is de zaak niet in orde. En dan vindt satan straks dat huis met bezemen gekeerd en versierd. Let wel, met bezemen gekeerd; ik versta daar onder, dat in algemene zin de uitwassen der zonde worden beteugeld. Dan worden de publieke openbaringen en uitlevingen der zonde wat nagelaten, en het huis met versierselen getooid; dan komen er wat prachtige humanistische deugden voor in de plaats, en dan krijgt men straks, en dat is het fatale, een huis, waar een naambord op staat, ,,christelijk”, en dan wijst men op mooie deugden, maar die men bij de Grieks-Romeinse heidenen terug kan vinden en waar geen letter van Christus, de Gezalfde, in te herkennen valt. De duivel met vacantie is in deze stukken gekenmerkt.

Dan, en nu kom ik eigenlijk tot het doel van mijn rede, ik zou haast zeggen, nu begint het vanavond pas goed! Ik ben er zeer verblijd over, dat deze grote schare zo aandachtig luistert, maar ik zou eerbiedig willen vragen, nu, als het nog kan, met nóg gespanner aan-

dacht mij te volgen, want nu kom ik tot de quintessens van deze gelijkenis. Ik keer nu terug tot mijn uitgangspunt. De satan, één van zijn demonen althans, uitgegaan zijnde, zoekende rust als iemand, die met vacantie gaat; maar alles is vol, geen logement. Weest voorzichtig, toehoorders, Want hij bleef zijn huis in het oog houden. Ik zal wederkeren tot mijn huis. En als hij dan geen rust vindt, dan keert hij tot zijn huis terug. En dan wordt het laatste van die mens erger dan het eerste. In één woord samengevat — en dan ga ik het verder uitwerken — de Heere Jezus wil ons hier maar onderwijzen, dat in dergelijke schijnwendingen in persoon, in kerk, in christenheid, in de samenleving, in de volkerenbeweging, het alles slechts een schijnbekering is. Als er geen waarachtige bekering tot God, uit God, om God en door God is, dan is dat juist het plaveien van de weg, waarlangs satan terugkomt om zijn slag zevendubbel te slaan. Daar is niets zo gevaarlijk, toehoorders, dan zo’n soepele geest, dan een algemene, nietszeggende verbroedering zonder grond, dan zo’n geste van welwillendheid en liefde en toegenegenheid, Wat vaak voor een groot gedeelte nog bedriegerij van elkaar is. Want neem mij niet kwalijk, ik wil het nog eens zeggen, Wat ik al zo dikwijls gezegd heb van al die conferenties, als ze daar bij elkaar komen, ge kunt het in vier woorden zeggen: De conferentie komt, de conferentie zit, de conferentie gaat, de conferentie is mislukt! Elke keer is dat gebeurd. En al heb ik het meerdere malen gezegd, ik zeg het vanavond nog eens weer, namelijk in het wezen der zaak is het elkaar aan de conferentietafel zitten bedotten.

Daar is geen weg zé geplaveid voor een vreselijker openbaring van satan, dan die zogenaamde vacantietijd van de satan. We zijn beter, wat althans de kerk Gods aangaat, met openbare vijandschap, tot in vervolging en verdrukking toe, dan dat iedereen, sta mij dat plastieke woord toe, z’n pet voor de kerk afneemt. We zijn er beter aan toe wanneer de banden van verdrukking en dood ons bedreigen om Christus’ wil, dan dat men in schijnbekering zegt Christus na te volgen, en men in het wezen der zaak Hem zevenmaal andermaal kruisigt. Het zal nu openbaar worden. Laten we het zien in enkele dingen, die ik u ga voorstellen.

De Heere Jezus zegt in deze gelijkenis: toen de duivel terugkwam en dat huis daar zo mooi vond, beviel dat de duivel maar half. Want het is merkwaardig, de satan houdt niet van versierde en met een bezem schoongeveegde huizen. Hij houdt van rommel, van revolutie, van verwarring, in uw hart net zo goed als in de maatschappij, in de kerk, de staat en het volkerenleven. En als hij dan dat huis zo mooi opgetuigd vindt, jawel, dan kan hij dat huis wel gebruiken, maar dan gaat hij eerst zeven andere geesten halen, bozer dan hijzelf, omdat hij daarmee in dat opgetuigde huis zich kan uitleven. En dan komt er een tijd, veel vreselijker dan voorheen. Dat illustreert de Heere in deze gelijkenis, ziende op de spotlastering der Farizeeën. Want ik herhaal, in Babel had men de afgoderij afgeleerd, maar toen was het Farizeïsme in de plaats gekomen. En wat dat Farizeïsme mans is en waar het toe in staat is, dat is ons gebleken in de kruisiging van Christus. En dat wordt ook openbaar in dat goddeloze, de Heilige Geest lasterende woord: ,,Hij werpt de duivelen uit door Beelzebul, de overste der duivelen”. Nu zijt gijlieden veel vreselijker in de zonde-openbaring, zegt de Heere Jezus, dan voorheen.

Hoort ge dat goed? Dit geldt ook van de personen zelf menigmaal. Mensen, die tijdelijk met het christendom dweepten, later principiéel afvielen, dat worden menigmaal de geweldigste doorbrekers in de goddeloosheid en de grootste vijanden van Christus’ kerk, en vaak de wreedste en fataalste verdrukkers en vervolgers. Maar dat is ook zo in het generaal beschouwd, namelijk we lezen van de Heere Jezus, hoe Hij eenmaal zeide: ,,Als de Zoon des mensen zal wederkeren, zal Hij dan nog geloof vinden op de aarde?” Denkt eens even door. Wat wil de Heere daar nu mee zeggen? Het geloof als zodanig is een krachtbron van energie voor mensen en volken. Het geloof is het middel van alle verlossing. Maar, zegt de Heere, dat geloof zal zó ondermijnd worden, dat als de Zoon des mensen zal wederkomen, zal er dan nog geloof zijn? Daarmee tekent Hij, dat het zó erg zal worden, dat men niet meer spreekt over een algemeen christendom of over een wereldkerk, nog minder over de krachtbron van mijn leven en de vervulling van mijn leven, die ik vind in het geloof. Maar wat is er dan gebeurd? Dat is het grote, dat vanavond scherp als tijdwoord onder de aandacht moet komen, namelijk dan is het geloof als krachtbron en levensvervulling ingeruild voor wat men thans noemt de moderne cultuur. De moderne cultuur, waarbij de Uebermensch in zijn consequentie uittreedt als de Untermensch, de meest verlaagde mens. En dan vindt men in de zogenaamde moderne cultuur, dat wil men er althans in vinden, het materiaal om te vervangen wat men eertijds had in de krachtbron, die wordt genaamd: ,,geloof”. En als nu de Zoon des mensen, zegt de Heere Jezus, zal wederkomen, zal Hij dan nog geloof vinden?

Neen. Weet ge wat Hij dan vindt? Dat zien we almeer op de vlakte komen, dat is het wederkeren van die satan, die geen logement vindt in zijn zogenaamde vacantie. Wat er dan in de plaats komt? Dan komt daarvoor in de plaats die mens, die zijn vervulling en zijn hoop en zijn kracht en troost zoekt in wat men noemt de moderne cultuur. Dan krijgen we de zonde als een systeem in de plaats van het geloof. Dan krijgen we een mens, waarop het Evangelie geen vat meer heeft. Dan krijgen we een mens te zien in de twintigste eeuw en verder, die zelfs de taal, de uitdrukkingen, de terminologie van de Bijbel en van de kerk en van het christendom en geloof niet meer verstaat. Dat is die verschrikkelijke massa, die van uur tot uur aangroeit rondom ons, die onbereikbaar is. Dat is de zonde tegen de Heilige Geest, niet maar door die gemene Farizeeër daar in de synagoge, maar door de mensheid bedreven. De mensheid kan ook de zonde tegen de Heilige geest doen. Dan stelt zij zich buiten de greep van het Evangelie, en dan is zij leeg en grijpt dan naar wat anders. En dan wordt de zonde een systeem om een bron van energie te worden en een ledige ziel te vervullen met wat men noemt de moderne cultuur. Dat is het modewoord tegenwoordig. Als het maar voor de cultuur is, dan mag alles en dan worden de subsidies bij honderden en bij duizenden uit uw en mijn portemonnaie uitbetaald. Cultuur, dan is het geen zonde meer. Dan mag je je benen onder het lichaam wegdansen. als het maar in de naam van de moderne cultuur is.

Prachtig! En dan mag je musiceren, zodat de duivel de maat slaat, als het maar cultuur is. En dan mag je vuile, gemene, liederlijke romans schrijven en lezen en plaatwerken uitbeelden, als het maar onder de rubriek van de cultuur mag komen, dan mag alles. Dat is de moderne mens, nog eens, van de techniek en van de macht en van de energie uit zichzelf. Dat is vreselijk. Die mens komt op. Gaat ge er iets van zien, dat de duivel er zeven bij heeft gehaald, erger dan hijzelf is? Neen, dat was niet omdat die duivel die zeven bozere geesten nodig had om dat huis weer in bezit te krijgen, zo moet ge dat niet verklaren. absoluut niet. Want hij droeg de sleutel van dat huis in zijn zak. Hij was net als iemand. die met vacantie gaat. Hij doet de deur op slot, geeft er nog een duwtje tezen. Zit hij goed

dicht? Ja. maar geen nood hoor, ik heb de sleutel bij me. Heb ik de sleutel niet vergeten? Neen, die heb ik bij me. Zo lang ik de sleutel in mijn zak voel kan ik weer terug in mijn huis. En zo komt satan terug, niet met die zeven om dat huis in bezit te krijgen, het is zijn huis. Ik zal wederkeren tot mijn huis. Maar dan neemt hij die zeven mee, opdat hij zijn goddeloze plannen en vieze praktijken des te gemener en des te volvaardiger ten uitvoer kan brengen. En dan wordt het laatste van die mens erger dan het eerste. Het is alles nog maar op de komst hoor. Het is nog niet de volle uitgroeiing. Het is nog maar het begin. Maar het zal doorgaan, zo waar ik het vertel vanavond. De praktijk zal het bewijzen. Als ik in mijn graf lig, zult ge er, hoop ik, nog aan denken. We gaan al verder en verder. We krijgen een mens, die geen Uebermensch, maar een Untermensch moet heten, die naast de duivel het ellendigste schepsel van de wereld is. Een mensenkind, die religie met religie gaat bestrijden.

Dat is het fataal erge. Het bestrijden niet alleen van Christus en het geloof met schavotten, en ook niet slechts met goddeloze uit spanningen en -spattingen, maar met de goddeloosheid aller goddeloosheid, namelijk dat men tegenover de waarachtige religie van de levende God zal stellen de religie van de Untermensch, en wat is dat? Daar zien wij reeds de symptomen van. Ik zal de dingen maar bij de naam noemen vanavond. Daar hebben we de symptomen reeds van in die communistische samenlevingen, waar men bijvoorbeeld het doen van belijdenis niet afgeschaft heeft, maar anti-christelijk heeft ingezet. Daar doet men ook belijdenis als men 18 jaar is. En daar belijdt men dan het communistisch Evangelie. En daar gebruikt men straks sacramenten bij, ja dat ook. En dan lees ik in het Woord van God, als de antichrist komt, dan zal hij zitten als een god in de bioscoop? Helemaal niet. Zo staat het er niet. Dan zal hij zitten als een god in de tempel. Dat is het fatale. De antichrist-religie tegenover de religie van de levende God in Christus.

Ik ga voort. Dan is de zonde een systeem geworden, dat overal wordt toegepast. Dan krijgen we een geheel nieuwe mens, waarvan we kunnen zeggen: hij is niet van de duivel bezeten, maar zevenmaal van de duivel bezeten. En die zal tot wat in staat zijn. Zo dadelijk hoort ge er meer van. En dan krijgen we de zonde verder als een surrogaat. Dat is een uitvoering van het duivelse plan om dat ledige huis met bozer geesten te bewonen. De zonde als een surrogaat. Dat wil zeggen, dat men bij het gemis van het geloof en bij het gemis van God in Christus oproept al wat zinnelijk is. Zedeloos in de letterlijkste zin van het woord. De zonde als surrogaat. En wat dan op de vlakte verschijnt! Ik kijk door de ramen van dat huis; ja, ze komen er in. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, bozer dan hijzelf. Daar zitten ze. Kijk eens wat een koppen, wat een klauwen, wat een inborst. En dan zie ik de verdwazing in de zonde. En wat zie ik dan? Dan zie ik daar, ik noem maar enkele dingen, want het terrein is niet in orde te overzien, maar ik neem maar een paar grenen. Heb ik het fout? Corrigeert het dan, maar mijn overtuiging zal ik zeggen. Dan zie ik voor mij de moderne sportverdwazing. Ik leg op verdwazing de nadruk. Dan zie ik als zo’n verschijnsel vanavond de almeer doordringende Sinterklaasverdwazing, waarbij zelfs burgemeesters en overheden de zogenaamd goedheilige man met de lange baard en zijn zovele zwarte pieten on het stadhuis ontvangt. Het is toch allemaal zo walgelijk; het is belachelijk van walgelijkheid en walgelijk van belachelijkheid. Hebben ze geen andere taak? Gunt u dan de kindertjes niets? Ik gun ze veel meer dan al deze dingen; veel meer! Maar weet u wat de zaak is? Het heilig Kind van Bethlehem moet almeer wijken voor de zwarte piet; weerspreke wie het kan. En daar komen we mee in het gevlei van allerlei geesten, die de onze en die der Reformatie niet zijn.

En dan krijgen we op diezelfde ranglijn de zogenaamde danscultuur. Cicero heeft in één van zijn geschriften gezegd: een dansend volk gaat naar de afgrond. Tegenwoordig lijkt het wel of men zegt: Dansend moeten we de heerlijkheid ingaan, of althans het leven prachtig maken. Men heeft al zogenaamd christelijke danshuizen; en straks, wie weet, ook nog ,,christelijke” bordelen. Een paradijs op aarde. En daar verbindt zich mee de zogenaamde naaktcultuur. Als ik dat allemaal moest schetsen, vreselijk. Dan zie ik in letterlijke zin die vieze, stinkende, in de modder omzwoelende demon voor mij in de zogenaamde dans- en naaktcultuur, de lippenstift en het blanketsel in de handtasjes. En zet daar maar naast, wat een teken van de moderne beweging is, die zogenaamde schoonheidswedstrijden, met een tot schoonheidskoningin uitgeroepen juffrouw op een praalwagen. En die zogenaamde bloemenkoningin en die zogenaamde druivenkoningin. Ja, ja, we zullen de dingen even bij de naam noemen vanavond. Ik kom misschien nooit meer hier, daarom wil ik me toch nog even ontlasten. En dan zie ik daar die praalwagens, en dan zijn er christelijke bladen, die er nota bene prentjes van opnemen. Men moest ze in de kachel verbranden.

En wat wil men dan met die koningin? Och, zegt ge, oude man, zeurpiet die ge zijt, houd toch op met uw wonderlijke taal; ge lijdt aan ouderdoms. . .. weet ik het. Maar neen, daar lijd ik heus niet aan. Ik ben goed bij mijn positieven. Weet ge wat men bedoelt? Pluk nu maar eens de bloemen en de druiven — ik noem maar een voorbeeld -— en dan moeten er praalwagens voor gemaakt worden, er moet een koningin uitrijden en die wordt ook al door de burgemeesters en overheden ontvangen, en daar neemt men ook al z’n hoed voor af. O mensen, je wordt er misselijk van. Ik zeg het maar net zoals het is. En Wat bedoelt men daar nu mee? Ja, dat is werkelijk, mijn vrienden, niet om te lachen. Daar bedoelt men mee, dat de

rijke voortbrengselen van de akker met dankzegging worden gehuldigd, maar niet in dank aan de levende God, maar aan de mens. Daar moet die druivenkoningin, die bloemenkoningin, in een praalwagen dienst voor doen. Of ze doen dienst als de kalveren in Bethel, onder welk beeld men de levende God wil voorstellen. Maar in het wezen der zaak afgoderij, kalverendienst, God-onterend.

Ook vernam ik dezer dagen van iemand, die het mij schreef, ze hadden daar zo’n prachtig druivenfeest gehad, en de dominé — ik zal maar niet zeggen wie en waar, daar gaat het niet om — de dominé had ’s Zondags op de kansel onder meer God de Heere gedankt, dat

ze zo’n schoon druivenfeest hadden gehad! En die persoon schreef mij, het was bij tijden net een kermisjool en -pret. Hoe bestaat het! Zouden zulke Dominé’s ook de mens getekend hebben in z’n grote  walgelijkheid voor God? Zouden die armzalige leiders kennis hebben

van de inwendige verdorvenheid van het schepsel? Als ie daar toch je ziel aan moet toevertrouwen, ontzettend! Maar de tijd roept.

Nog eenmaal. En dan zie ik de zonde als een systeem en als een surrogaat, het zou nog veel verder uit te breiden zijn, in naam van de moderne cultuur, en ik herhaal, dat we er allemaal belasting voor moeten betalen, want als het voor de moderne cultuur is, dan mag

alles en alles. Ze zullen het u op uw belastingbiljet wel vertellen. En dan krijgt men de zonde als een manie van de moderne cultuur, dat wil zeggen, echt duivels: zondigen om te zondigen. Waarbij de misdaad gepleegd wordt als nooit tevoren, en kennelijk sadistisch om

de misdaad zelf te plegen om de misdaad. Het is dezer dagen vermeld geworden door een vermaard schrijver in Amerika, die er een boek vol over heeft uitgegeven, over de invloeden van de zogenaamde beeldromans en wat daarmede in verband staat. Nu, dat wil in Rotterdamse, verstaanbare taal hier op neer komen, dat men dan geschriften uitgeeft en plaatwerken — en denk ook aan de televisie — waarbij men het zinlijke en soms het zedeloze propageert. Vuile literatuur, en dan noemt men dat kunst. Ja, dat gebeurt. En dan moet ge weten, hoeveel zulke zielvermoordende, zedenbedervende, volksondermijnende lectuur gelezen Wordt. Ge zoudt het niet geloven, als ik het u zeg. In één maand werden er 60 millioen exemplaren van geplaatst in Amerika. In één maand 60 millioen, dat is echt van die onreine geest, echt, de stank slaat u op de keel als ge de boeken opendoet en de

walgelijke lectuur beziet. M’n vak, m’n ambacht, neen, m’n ambtelijke taak brengt het mee om van allerlei kennis te nemen, van de goddelooste goddeloosheid, om er tegen te protesteren. Ik heb in mijn bezit boeken, niet te vertellen, waarin op vijf-en-twintig manieren de zelfmoord wordt uitgebeeld. Hoe je jezelf van kant kunt maken. Wordt bij millioenen verkocht! En de resultaten? Ik zou een hele avond kunnen spreken, maar ik noem één voorbeeld. Het is nog niet zo lang geleden, het is niet uit de 16e eeuw, neen neen, ik sta nu werkelijk in de 2Oe eeuw. Een jongen, zo vermeldden de bladen dezer dagen, van 14 jaar vermoordde een meisje van 8 jaar. En in het kamertje van die jongen werden over de 50 van die vuile, goddeloze boeken en geschriften gevonden. Zo wordt de volksziel vergiftigd. Praat me er niet van: van het Amerikaanse humanisme. van een koninkrijk Gods is op komst, en van de geest van Genéve! Ik denk, dat satan hier als met zeven bozer geesten wederkomt.

Ziet ge hem niet in de kamer schuifelen? Als ie door het venster kijkt, zie ie hem dan? Ik wel. Ik hoop, dat God u de ogen opent om het ook te zien en dat ge op de knieën moogt zinken om te zeggen: O God, waar zijn we aan toe. Want dat is de volle zonde. Ja maar, zegt ge, daar maak ik me niet aan schuldig. O, wacht even, dit alles is de zonde van de moderne mens; en daar zijn wij van nature familie van. Als het anders in uw ziel is, dan is het vrucht van de Heilige Geest, toehoorders. Dat we ons nauw onderzoeken en door God laten

onderzoeken, of die Heilige Geest in ons werkt, of dat het maar tijdelijk is: de duivel met vacantie.

En dan nog even verder. Nu nog een blik op de grote, massale volkerenbeweging, op de politiek en het daarmede in verband staande leven. En dan mag men zeggen Wat men wil, maar dan wil ik als ambtsdrager van Christus, als min of meer kenner van het heilige

Woord Gods, dan wil ik u dit zeggen, dat ik me niet van de wijs laat praten door welke ,,grote vier” of ,,kleine drie” ook, of hoe ge ze ook noemen wilt. En dan houd ik me aan de Heilige Schrift, die ons voorspelt een wereldoorlog aller volken, doordaverd van een wereld-

revolutie.

Laat u niet afleiden en misleiden door de voorstelling: ja, maar men is nu bang van elkaar geworden. De atoombom, daar vreest en siddert men voor, de radiumactiviteit! Men zal er zich wel voor wachten om deze ontzettende middelen te gebruiken. Wat dacht ge, hebt ge één waarborg daarvoor? Als dat waar is, dat de mens inwendig zo goddeloos is, dat hij tegen zichzelf bewaakt moet worden, met heirlegers van vliegtuigen, van atoombommen, van radiumactiviteit, ik zeg, als die mens zo intens onbetrouwbaar goddeloos is, dat hij op die

manier in bedwang moet gehouden worden, dan blijkt daaruit, dat in zijn boezem wat huist, dat ge nooit er onder zult krijgen, tenzij God almachtig het laatste woord spreekt. En dan komt de uitbarsting, zevenmaal erger dan ooit gebeurd is. En als we dan opslaan het

boek van de Openbaring van Johannes, o, had ik tijd, ik breidde het uit, maar ik volsta met één, twee zinnen. Johannes voorzegt ons de oordelen Gods, die op de aarde komen zullen, en dan tekent hij hoe de Goch en de Magoch zullen opkomen. Wat is dat? De restanten

van het eenmaal aanwezige, thans door de revolutiegeest verkankerde, zogenaamde christendom, vermengd met het ontwaakte heidendom. Samen in bond tegen het Sion Gods, dát is op de komst. Dan wordt het een tijd van benauwdheid voor Jakob. En dan schildert de

Openbaring in aangrijpende visioenen de oordelen, die van de hemel zullen afdalen. En telkenmale zien we ontroerende tonelen, zo ontzettend, dat de grootste schriftgeleerden nog steeds niet in staat zijn om het alles zuiver, letterlijk te exegetiseren.

Maar het zegt ons genoeg, als we er uit lezen, hoe de grote aluitbarsting van de duivel komt, als hij in het eind zal losgelaten worden; dan komt hij terug in zijn huis. Deze planeet, deze aarde, de planeet aarde, is alsnog, tot Christus wederkomt, het huis van de duivel. Hij beschikt over de koninkrijken der aarde voorlopig, onder Gods toelating en bestiering. En deze planeet aarde, daar zal dan de duivel op te voorschijn treden op een wijze als nooit is geschied, want hij heeft een kleine tijd, en dan zal hij al zijn gruwel der zonde en al zijn

moordzucht en ongerechtigheid, en al zijn onreinheid van geest openbaren. Het zal Worden de hel op de aarde; en dan roept God in de Openbaring op de koningen, de overheden en de machten, en de groten, opdat zij zullen komen tot dat grote avondmaal, niet het Nachtmaal des Heeren, maar de avondmaaltijd in het eind der eeuwen, als alles op elkaar zal botsen, tot één lijkendis voor het wild gedierte (Openb. 19 : 17).

Waarom tekent Johannes ons dat hier? Dat hebben de meesten niet genoeg door. Ik zeg niet, dat ik de wijsheid in pacht heb, allerminst, maar ik geloof toch, dat velen het niet genoeg doorzien, en daarom voel ik me geroepen om mijn gedachten te zeggen vanavond. Waarom

tekent Johannes dat? En dan blijven de meesten van de lieve mede-christenen staan bij: opdat we een indruk krijgen van wat de zonde is. Jawel. Opdat we een indruk krijgen van de oordelen Gods, die los zullen komen over de ongerechtigheden der volken en der mensen;

jawel. Over de verschrikkelijkheid van de duivel; jawel. En dan houden de meesten op. Maar dan gaan wij vanavond een stap verder en dan tekent Johannes hier, dat het laatste van die mens erger zal zijn dan het eerste, opdat heel hoog daarboven uitrijze de triomferen-

de Christus. Dát is de bedoeling. Opdat de bruid van de Heere Jezus niet versage in haar roeping en taak, in de beleving en het getuigen in de verwachting van des Heeren zalige wederkomst; want de verschrikkelijkheden der hel worden hier voluit getekend, nog eens, opdat daar achter, daar bovenuit zal rijzen de gestalte van Hem, Die op het witte paard van hemeltriomf zit. En de satan, het beest en zijn volgelingen zullen geworpen worden in de poel des vuurs. En dan wordt dat huis weer gereinigd, maar dan door de Geest van de al-

machtige heerlijke God.

Daarom wek ik u op om goed onder het oog te zien de ontzettende zaaken, die voor de deur staan, want hij komt met Zijn zeven bozere geesten in zijn huis terug. Die tijd gaan we nu in. Dan wek ik u op om dat goed onder het oog te zien, om daarop te antwoorden: Maar onze Koning staat in triomf daarboven, want ,,gewis, hoe hoog de nood mag gaan, Hij zal Zijns vijands kop verslaan, die harige schedel vellen”. Met dat vooruitzicht zingen we dit triomflied op de puinhopen van deze ondergaande, verdoemde wereld. We zingen van

Psalm 68 : 11 en 16.

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan;

     Die haar’ge schedel vellen,

Die trots, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld venneért,

     Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer’ heeft Zelf ons toegezeid:

,,k Zal u, door macht en wijs beleid, 3

    Uit Bazan weer doen komen;

U zullen, als op Mozes' beé,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

   Geen golven overstromen”.

Gij koninkrijken, zingt Gods lof,

Heft psalmen op naar ’t hemelhof,

    Van ouds Zijn troon en woning;

Daar Hij, bekleed met eer en macht,

Zijn sterke stem verheft met kracht,

    En heerst als Sions Koningl

Geeft sterkt' aan onze God en Heer’;

Hij heeft in Israél Zijn eer

    En hoogheid willen tonen;

Erkent die God, Hij is geducht,

Hij doet Zijn sterkte boven lucht

    En boven wolken wonenl

Vermanend Slotwoord.

Ja, ik wil het geloven, dat ge nog wacht op een woord nu ter toespitsing speciaal voor uw kostelijke ziel zelf. En al ben ik hier uit de aard der zaak dan niet ambtelijk opgetreden tot de bediening des Woords, ik acht me toch niet ontslagen om zulk een woord als van ziel tot ziel aan het slot te spreken. Ja, het is me een begeerte des harten en het is me een aangenaamheid der ziel, om met al deze dingen nu nog eens even af te dalen tot elkander voor ieders persoonlijk zieleleven. En dan kan ik niet anders dan de porté van deze gelijkenis voor uw en mijn ziel toepasselijk samenvatten in deze gedachte: Waarde medereiziger naar oordeel en eeuwigheid, laten we ons voor God nauw onderzoeken. Want wat ik vanavond meer in den brede heb uiteengezet in tijdredevorm, houdt onverminderd zijn betekenis voor u en mij persoonlijk. De porté van heel de zaak is deze: daar kan plaats vinden een schijnbekering, die uit de aard der zaak niet uit God is, maar slechts resultaat van een meer soepel optreden van de vorst der duisternis om de gezegde reden, dat behoef ik niet meer te herhalen. En weet ge welk gevaar er dan om de hoek gluurt en binnen tracht te treden? Dat men de afwezigheid van doorbrekende zonden beschouwt als genoegzaam om een grond voor de eeuwigheid te hebben. Ik zou het zo willen noemen: een negatieve afwezigheid is Wat anders dan een positieve aanwezigheid. En nu zonder te bedoelen iemand te kwetsen, maar in diep ernstige zin, waar ik toch dienstknecht van Christus mag zijn, dan wil ik een ieder waarschuwen voor dit gevaar, dat wel eens geaccentueerd naar voren komt, namelijk men zegt dan: ,,Als het tegendeel niet blijkt, kunt ge u houden voor een kind van God” . Men kan dat dogmatisch, naar een systeem, wijsgerig uiteenzetten, min of meer aannemelijk maken, maar in de praktijk toegepast, is dit ontzettend gevaarlijk. Toen dat huis leeg stond, met bezemen gekeerd, versierd, toen bleek toch het tegendeel ook niet! Toen bleek het niet een huis van de duivel te zijn. En het was toch geen huis van God. Negatieve afwezigheid van het boze is wat anders dan positieve aanwezigheid van wat van God is. En dan stellen we tegenover deze aangrijpende schildering van de Heere Jezus, hoe de allures en gestes van satan zijn, in eenvoudige, aangrijpende, klare taal des Bijbels, hoe het gaat als God een huis in bezit neemt.

Ziet, dan begint de Heere door Zijn Heilige Geest ons niet te troosten met: het tegendeel blijkt niet en dus moogt ge u houden voor een erfgenaam des levens; maar dan begint altijd God de Heilige Geest met u te ontdekken aan, ja, zegt ge, aan wat ik ben. Mis! He, is dat mis, dominé? Zegt u het nog eens. Dan begint God altijd te ontdekken aan wat ik ben. Mis! Hoe is het dan? Als God met Zijn Geest gaat werken, dan begint God altijd met ons min of meer te ontdekken aan wat God is in Zijn driemaal heilige heiligheid. Het wordt een

kenmerk van de waarachtige, echte bekering, dat ik niet maar roep om genade, omdat ik zo bang ben voor de hel en het oordeel, en niet slechts vergeving zoek en vrede, omdat mijn consciëntie mij zo aanklaagt; maar dan is de echte inzet en de in het leven doorlopende

grondtoon van het waarachtige werk Gods, dat ik roep om bekering, omdat God het waard is, en ik daar niet aan beantwoord. En als ik dan Gods volk in de binnenkamers besluip, heb ik het mis? Ik zou haast zeggen: zegt het dan hardop, ge moogt. Maar dan meen ik, dat ik daar deze taal hoor, niet als grondtoon: O Heere, ik ben zo bang voor de dood en de hel; dat ook, maar: o God, ik ben van U afgevallen en nu lig ik in de gestaltenis dier onreinheid, welke U een walg is. Heere, wat doe ik U een smart aan. En dan krijgt men droefheid om God, in zijn uitgangen naar God. En dan leert men, dat het huis met bezemen keren en versieren, dat dit alles waardeloos is en tekort schiet. Dat het blanketsel is zonder waarde, dat het blinkende zonden zijn, zonder enige grond van hoop. En dan leert men, als dat huis schoon moet Worden, dan moet God door Zijn Geest met de bezem van Zijn heilig Woord en Geestelijke werkingen dat huis zuiveren. Dat zijn kenmerken van hen, Waar God leven in

legt. En dat zeg ik ook voor deze brede schare met zoveel nadrukkelijkheid, omdat ik mij kan indenken, dat er onder dit gehoor mensen zitten, die onder het horen van deze rede misschien wel een weinig onthutst zijn en mogelijk zich afvragen: O God, vergis ik mezelf dan ook niet? Nu is dat niet zo kwaad, als ge eens twijtelt aan uw staat. Ik denk aan een Engelse godgeleerde, die eenmaal zeide: wie nooit eens twijfelde aan zijn staat, zal het, vrees ik, doen als het is te laat. Maar we moeten toch verder. Nu kunt ge uit uw twijfelingen ook niet vertroost worden en leven. En nu zou het mij diep smarten, wanneer er ook van die kinderen Gods, misschien kleinen in de genade, waren, die min of meer in verwarring waren gekomen, en in angst en vrees zeggen: Och, zou het dan bij mij ook zo zijn? Nu, weet ge wat het kenmerk van het echte, ware werk Gods is? Ziet, als ze in zo’n toestand raken — wij zullen het maar zo eenvoudig mogelijk neerleggen — dat de ziel zich afvraagt: Heere, zou ik me ook vergissen, ben ik ook zo’n speelpop van de duivel? dan is het kenmerkende, dat

ze zich dan niet op de been houden met wat ook. Als het namaak is, weet ge wat er dan gebeurt? Dan gaan ze aan het werk. De bezem, en schoonvegen, en het huis versieren. Maar als het echt werk is, dan vallen ze in de handen Gods. Dan gaan ze niet aan het werk

met de bezem, maar dan zeggen ze: Heere God, hellewaardig en doemwaardig als ik ben, is er voor mij nog ontkoming? En op die plaats vinden ze de Heere Jezus, staande in de synagoge tegenover één, die van de duivel bezeten was, en Hij wierp hem uit, zé, dat de

dove hoorde en de blinde zag. Dan mag ik u verkondigen: Voor zo’n ziel is daar de dierbare duiveluitwerper tegenwoordig. O mijn toehoorder, in al uw schokking en twijfeling, ai zeg mij eens, neen, zeg het aan de Heere: wilt ge in de handen Gods vallen? En als God de

Heere dan eens zeide: Het is namaak, gij kunt niet ingaan, zijt ge dan eerlijk bereid om te zeggen, neen, niet het is namaak, maar wel dit: Heere, als ge me, om welke reden dan ook, buiten sluit, het is rechtvaardig. We moeten in het gerichtelijke voor God komen! En

waar die taal beluisterd wordt, daar mag ik u, al treed ik vanavond niet op in de letterlijke zin in de 'bediening des Woords, maar toch uit mijn ambtelijke positie, toeroepen in de Naam van de Heere Jezus: dan staat daar die gezegende Borg in het midden van de synagoge en

daar staat Hij tegenover zo’n dove en blinde en dan zegt Hij: Vaart uit! Dan is er een God-Drieënig, Die op de rechterstoel zit en kan zeggen: Ga weg van Mij; maar Die zo’n ongelukkige verlorene daar toeknikt en een Borg gereed heeft, Die wat anders is en doet dan

mijn zogenaamde werkheilige bezem, waarmede ik het huis moet schoonmaken. Dan is daar de Christus, Die door de Heilige Geest wordt toegepast. En daar is weer het kenmerk van, van een Christus, Die door de Heilige Geest wordt toegepast, dat ze niet anders willen

dan op die manier zalig Worden. Dat ze niet anders begeren in hun tranen en verzuchtingen, dan door een geschonken gerechtigheidsborgte worden vrijgesproken uit het welbehagen van God-Drieënig zelf.

Daarom, toehoorders, staat naar deze grond, die ik u met een enkel woord vanavond heb verkondigd in deze gesproken laatste woorden. Nog eenmaal, en we komen ten einde. Mogelijk zijn er in ons midden, die zeggen: ach prediker, ik ben toch zo ontroerd, nog niet gerust, want als ik mezelf goed controleer, dan lijkt het almeer of ik al slechter word. Ik geloof, dat ik zo’n huis ben, waar de zeven duivelen in terugkeerden. Zou David dat misschien niet gezegd hebben na zijn verschrikkelijke uitglijding met Bathséba? Zou hij in al die dagen wel eens niet gedacht hebben: zou ik wel een kind van God Wezen?

Verstaat ge mij, dat men in ogenblikken kan komen, dat de ziel opspringt van ontsteltenis? O God, kan dat er mee door, wat bij mij gevonden wordt? Heere, ben ik niet dat huis, waar de satan in woont en er nog de sleutel van in zijn zak draagt? En dan kan het zo benauwd worden; verbergt het maar niet. Dan zoudt ge het aan het oor van uw vader of moeder niet durven fluisteren, wat er in uw verborgen boezem kan omspoken en huizen. Maar denkt er om, toen Nathan inkwam bij David, viel hij vlak voor God neer. En al was hij in een doorbrekende zonde zelfs gekomen, de diepe heiliging was er niet uit. Denkt dat eens door, getuige dat hij vlak voor God onder God kwam. En dat hij tenslotte opging naar het huis des Heeren, om daar God te loven voor die heerlijke weldaad, dat God zijn ziel bij het leven behield. Hij kon de Heere niet missen en hij zou met een gebroken hart God achterna kleven, ik zou haast wel willen uitroepen, tot aan de rand van de hel toe: Heere, ik laat u toch niet los. Ik zou U niet kunnen vloeken, al zou ik ook in de vlammen der verdoemenis liggen. Maar, mijn vrienden, het volk, dat zulke zaken kent, komt niet in de verdoemenis, want het geloof, als een inklevende hebbelijkheid in verstand en wil, heeft hen niet verlaten; dat blijkt

daaruit, dat het telkens weer met dezelfde veerkracht teruggrijpt naar dat voorwerp, God in Christus. Waakt en bidt, dat wel, maar wanhoopt niet aan de trouw en almacht van God-Drieénig en Zijn gezegende Borg.

Ik zou nog veel meer kunnen zeggen, ware het niet dat althans mijn tijd roept tot eindigen. Ik ga dat doen met nog één gedachte kort en zakelijk te ontwikkelen; en dan spreek ik speciaal tot dat volk in ons midden, dat eens door de Heere zó klein, arm, nederig, ootmoedig

en ellendig in zichzelf mocht gemaakt zijn. Dat ze de bede veel mogen opheffen: ,,Heere, is er nog een schadelijke weg? leid mij dan op de eeuwige weg”. Het is een wonderlijke zaak, het geloof leert zó vertrouwen, dat bergen er van verzet worden. En tegelijkertijd wantrouwen aan alles wat ons ,,eigen ik” is. Wondere, prachtige contrasten. Het geloof, als zijnde zulk een kennen van Christus, dat ik op Hem vertrouw en uit Hem leef, verzet bergen en rotsen. Maar daarom, omdat het geloof vanwege zijn Voorwerp zaligt, geen enkele vezel in mijzelf. Dat is een ellendig en arm volk. Ellendig onder de wet, arm in zichzelf in de genade, leven uit die gezegende Borg, Die daar staat in de synagoge met Zijn reddend woord tegen satan: Ga uit van hem! En toen begon de stomme te spreken, de blinde zag. Christus had getriomfeerd, en dan zal het getuigenis uitkomen.

Gaat met deze zaak vanavond Rotterdam in, Holland in. Waarheen dan? Naar uw werkplaats, naar de fabriek, naar de spoortrein, naar het schip, naar al de terreinen van het leven, hetzij in de raadszaal, hetzij in de Tweede Kamer, hetzij in de gewone school, hetzij in

de fabriek of in de werkplaats, laat uw getuigenis weerklinken, toehoorders, tegenover het geweld des duivels. Eerlijk hebt ge daar het recht toe, volk, dat uit zo’n geschonken Borg leeft. Dat belijden we in onze Heidelbergse Catechismus, dat ik met lichaam en ziel het

eigendom van de Heere Jezus ben, Die mij uit alle geweld des duivelsverlossen zal. . . . Neen, hallelujah! neen, zo staat het er niet. Die mij uit alle geweld des duivels verlost hééft. Versta het, volk, daar staat die gezegende Borg voor in. Ik zie die man in de synagoge staan, die genezene, de Heere Jezus voor hem. Ik kan het niet anders indenken, dan dat die man in zijn ziel deze meditatie heeft gehad: O gezegende Zone Davids, door U genezen, sta Gij nu verder voor mij in. En dat zal die heerlijke Christus ook doen. Uit alle geweld des duivels verlost hééft. En weet ge waarom? En daar eindig ik mee. Omdat Hij van eeuwigheid door de Vader is aangesteld om dat volk eenmaal in de heerlijkheid tot de glorie Gods binnen te brengen. Uit dat eeuwig trouw- en zoutverbond, dat in de eeuwigheid wortelt, waar Christus

Zelf uit voortgekomen is, uit dat trouwverbond scheppen we hoop voor onze ziel voor tijd en toekomst, voor leven en sterven. Satan heeft niets meer over ons te zeggen. We mogen een ogenblik wankelen en beven, ja helaas, maar het huis is van eigenaar veranderd, de sleutels worden gedragen door Hem, van Wie in de Openbaring staat: ,,Ik draag de sleutels van dood en van hel. En Ik ben het, Die opent, en niemand sluit; en Ik ben het, Die sluit, en niemand opent”. Uit alle geweld des duivels verlost! En dan zullen er bange dagen komen, ongetwijfeld. De heerlijkheid komt niet, tenzij satan z’n laatste kaarten op de wereldtafel heeft geworpen. Maar Christus de Heere, op Wiens kleed en dijen staat: ,,Heere der heren en Koning der koningen”, Die ziet het met triomfantelijke kalmte aan. Satan verspeelt z’n laatste zet. Het huis staat gewaarborgd, verzekerd op Golgotha, om straks het huis te zijn tot volle inwoning van God-Drieénig. En gelijk in deze bedeling het Farizeisme Christus uiteindelijk aan het kruis bracht, en het alzo erger met hen was dan in het begin, maar Christus in Zijn opstanding Overwinnaar bleef; zo ook in het einde in de toespitsing der dagen, als de nood op het hoogst is, dan zal de Triomfator op het witte paard verschijnen.

Klaarblijkelijk is deze bedeling, deze aarde, de planeet aarde —denkt het goed door, want dat wordt weinig bedacht — voorshands het bezit van de hoofdengel, die gevallen is, satan. Hij deelt de koninkrijken der aarde onder Gods toelating nog uit, maar straks, als Christus wederkomt, dan wordt dit huis, de planeet aarde, aan de duivel ontrukt en ontnomen, opdat hij er nooit in der eeuwen eeuwigheid meer in terug zal komen, en opdat dat huis bewoond

zal worden en zal blijven door Hem, Wiens Naam is Heere der heren en Koning der koningen. De zeven boze geesten er uit, opdat deze aarde een nieuwe zij, onder een nieuwe hemel, waar zullen wonen, o gloria in God, waar zullen wonen, eeuwig en altoos, de zeven

Geesten, Die staan en zijn voor de troon van God. Amen.

Slotzang Psalm: 89 : 8.

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht

UW vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht!

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

(De spreker werd toegezongen Psalm 134 : 3)