Lukas 2:25-26 'Een mens te Jeruzalem' ds. G.W. Alberts

Avondpredikatie

Uitgesproken op 6 november 1960 te Zwijndrecht, door de Weleerwaarde Heer Ds. G.W.Alberts.

Zegen.

Zingen, Psalm 68 vers 10:

Geloofd zij God met diepst ontzag

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen.

Schriftlezing: Lukas 2, van vers 25 tot 35.

Gebed.

Zingen, Psalm 98 vers 1 en 2.

Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere,

Dien groten God, Die wond'ren deed;

Het Schriftgedeelte, gemeente, wat wij thans gaan overdenken in biddend op zien tot de Heere, dat kunt u opgetekend vinden in Lukas 2, de verzen 25 en 26.

,,En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende, verwachtende de vertroosting Israëls; en de Heilige Geest was op hem.

En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zoude, eer hij de Christus des Heeren zou zien."

Gemeente, wij gaan tot u spreken over Simeon, en dan wens ik uw aandacht te bepalen bij een drietal punten.

Ten eerste:

Wat God van Simeon zegt.

N.L.: Dat hij rechtvaardig en godvrezende was.

Ten tweede:

Wat Simeon verwachtte.

N.L.: De vertroosting Israëls.

Ten derde:

Wat God de Heilige Geest aan Simeon openbaarde.

N.L.: Dat hij niet zou sterven, alvorens hij de Christus

en Zaligmaker had aanschouwd.

Wij hebben er meermalen op gewezen, gemeente, dat de Heere zegt in Zijn Woord: ,,Velen zullen menen in te gaan en niet kunnen." Dat is vreselijk, menen in te gaan en voor een gesloten deur komen te staan.

En daar staan wij nu allen bloot voor, dat wij ons voor de eeuwigheid kunnen vergissen. En dat zeg ik op grond hiervan dat des mensen hart boos, arglistig en dodelijk is. Jezus kwam tot de Zijnen, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Ja, ze hebben zich er op beroemd dat zij Abraham’s zaad waren, maar hoe waren de werken van hen? Heeft Zijn eigen volk Hem niet uitgeworpen en gedood?

Wij kunnen een godsdienstig en voorbeeldig leven leiden, en dat toch ons hart vol is van duivelse haat tegen de Heere en Zijn Woord en Dienst.

Ontzettend zeiden we, menen in te gaan en niet te kunnen. Onbekeerd dus voor de Heere te verschijnen zal een grote verschrikking zijn.

Daarom hebben wij vooral te letten op ons tekstgedeelte, wat de Heere hier van Simeon zegt. Kan de Heere dat ook van mij en van u zeggen dat wij Hem vrezen? Dan is het wel, en dan zal de Heere ook zorgen bij het naderen van de dood, dat Hij het voor Zijn kind opneemt.

Lukas gebruikt hier het woordje: ,,Ziet!"

Dat komen wij meer tegen in de Bijbel dat dit woordje gebruikt wordt. Ik wil slechts een paar voorbeelden noemen. Ik denk bijv. aan de Hemelvaart, als de Heere afscheid neemt van Zijn

discipelen. Zie daar richt de Heere Zich tot Zijn volgelingen met de woorden: ,,Ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen tot aan de voleinding der wereld."

De Heere gebruikt het woordje ,,ziet!", om Zijn kerk er op te wijzen, dat Hij hun nooit begeven en nooit verlaten zal. Dat is immers een Woord van rijke troost welke de Heere sprak bij zijn Hemelvaart.

Een ander voorbeeld: Ik lees in de eerste zendbrief van de apostel Johannes, het derde hoofdstuk aan het begin: ,,Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, n.l. dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Hier gebruikt de evangelist het woordje ,,Ziet!" om onze aandacht te vestigen op de

komende Zaligmaker. Ja, wij mogen weleens opgewekt worden van ‘s Heeren wege, dat wij onze aandacht vestigen op Zijn Woord. Want de aandacht te vestigen op Zijn Woord dat ontbreekt maar al te veel bij het beluisteren van des Heeren Woord. En wat zegt nu de Heere van Simeon? De Heere zegt hier van Simeon, dat hij te Jeruzalem woonde, rechtvaardig en godvrezende was.

Nu hebben wij dit niet zó op te vatten dat Simeon rechtvaardig was bij zichzelf, zoals zovelen, want heel dit Schriftgedeelte pleit daartegen.

Trouwens, daar is geen mens voor de Heere rechtvaardig. Gods oordeel over alle mensen luidt: ,,Dat het hart van een mens boos is, van zijn jeugd af aan.”

En dat zullen wij eerst dan gaan be-amen, als de Heere het ontdekkend licht in ons hart doet opgaan.

Maar, zo vraagt ge, wat betekent dan het woord ,,rechtvaardig?" Ik zou dat zo willen verklaren. Het is de Heere die Simeon en al Zijn volk in de rechte verhouding tot Hem en Zijn Woord en Dienst brengt. God alléén, gemeente, brengt een zondig mens in de rechte verhouding en dat gebeurt als de Heere door Zijn Woord en Geest ons hart vernieuwd en herschept. Dat gebeurt als de Heere Zijn liefde uitstort in het hart, en daaruit vloeit altijd voort dat wij Hem gaan liefhebben.

En als nu hier staat dat de Heere van Simeon zegt dat hij rechtvaardig is, dat vloeit uit de rechte verhouding waardoor Simeon tot de genade gebracht is voort, een leven voor Gods aangezicht. Want waar God het hart vernieuwd, wordt ook de mens vaardig om Gode te behagen en voor Zijn aangezicht te leven.

Er staat ook dat de Heere zegt van Simeon dat hij godvrezende was. En die godsvreze worteld in de uitstorting van Gods liefde in het hart.

Als de Heere hier zegt dat Simeon Hem vreesde, dan wil dat zeggen dat Simeons hart er naar uitging om Gode te behagen. En immers dat is de Heere ook zo waardig dat wij Hem behagen, grootmaken, afgedacht van Hemel en van Hel.

Als hier staat dat Simeon God vreesde, dan wil ons dat zeggen dat Simeon daar iets van heeft geleerd, om zichzelf te verloochenen, de wereld te verzaken en tot eer van God te leven. En dat zullen we mensen van nature nooit in be-oefening kunnen brengen, ons Zelf verloochenen, de wereld verzaken als wij van Godsweqe daartoe niet worden be-arbeid.

Simeon mocht dus een welbehagelijk leven leiden voor de Heere. Let daar vooral goed op, wie dat zegt van Simeon, dat zegt de Allerhoogste dat hij rechtvaardig was en godvrezende. Daar hebben ook wij met alles wat in ons is naar te staan. Wat zegt God van mij, en wat zegt de Heere van U? Kunnen wij ook door genade zeggen dat de Heere het willen en het werken naar Zijn Welbehagen in ons heeft gelegd? Ik zou niet graag op een z.g.n. veronderstelde wedergeboorte de dood ingaan.

Daar komen wij straks allen voor te staan, en dan hebben wij ons op dit punt biddend te onderzoeken, en ons de vraag te stellen: ,,Heere, kunt u dat nu ook van mij zeggen?"

Legt ook mijn leven daar getuigenis van af dat de Heere het goede werk in mij begonnen is?

Want door een waar geloof gemeente, worden wij door Christus ingelijfd, en als wij waarlijk uit Zaligmaker mogen leven en uit Zijn Volheid hebben ontvangen, genade voor genade, dan zal

er ook iets van die zelfverloochening, wereldverzaking en een behagen zijn om voor de Heere te leven.

Of moeten wij nog belijden dat die godsvreze niet in ons gewrocht is? Wat is ons leven dan schreeuwend arm als wij die godsvreze niet kennen.

En wij mogen de Heere wel aanlopen als een waterstroom om Hem te bidden en te smeken dat wij toebereid mochten worden voor die nimmer eindigende eeuwigheid.

Is het leven van Simeon niet beschamend voor ons, voor mij en voor u?

Kunnen wij in oprechtheid des harten zeggen voor het aangezicht des Heeren dat ons leven gelijk is aan dat van Simeon?

Daar schort nog wel eens iets aan.

En toch is de Heere het zo waardig dat wij met al de smart die in ons is, de zonde haten en vlieden.

God moge in ons aller harten nog eens zo werken dat dit gezien mocht worden dat in ons hart leeft om voor Hem te leven.

Wat verwacht Simeon van de Heere? Immers, er staat in ons Schriftgedeelte dat Simeon de vertroosting Israëls verwachtte.

En wat verstaat nu Simeon onder de vertroosting Israëls?

Ja gemeente, wij zullen hier de Schrift laten spreken.

Als de Zaligmaker geboren is, en als Simeons oog in de tempel op de geboren Zaligmaker zich vestigt, dan springen de armen van die bejaarde grijsaard open en hij drukt het Kindeke Jezus aan zijn hart, en dat heeft hij gedaan met al de liefde van zijn hart! Immers, er staat dat Simeon de Zaligheid aanschouwde in de Heere Jezus Christus, en dat bracht hem die vrede en rust.

Ongekende blijdschap in zijn leven.

Dus als hier staat dat Simeon de vertroosting Israëls verwachtte, dan denkt Simeon hier aan de Heiland die komen zal, dan denkt hij hieraan dat de Heiland het offer ook voor Simeons

zonde zal brengen, en hoe de Heere die verworven Zaligheid aan het hart toepast.

Hij verwachtte de vertroosting Israëls en daarmee wil Simeon zeggen dat de Heere de Bron is, vertroosting en vrede aanbrengt voor Israël, en die ook een licht zal zijn voor de heidenen, de heerlijkheid voor Zijn volk Israël.

Als hier dan ook staat dat Simeon de vertroosting Israëls verwachtte dan belijdt hij dat de ware vertroosting in een ander ligt, in Jezus de Zaligmaker.

Zijn hart schreeuwt, roept dat die Zaligmaker ook aan zijn hart moge geopenbaard worden.

Gaat nu ook ons hart uit naar Jezus om troost, om heil, of zijn wij nog ingenomen met ons zelven?

Of willen wij op eigen wijze en goeddunken zalig worden?

Als wij op deze wijze menen zalig te worden, dan zullen wij bedrogen uitkomen.

Men spreekt veel over Jezus, maar heeft men ook de noodzakelijkheid gevoeld dat wij een Borg voor onze zielen nodig hebben? Als die ontdekking ontbreekt in ons leven van zonde en schuld, wat moet ik dan met Jezus doen?

En die ontdekking ontbreekt maar al te veel in het leven van vele kerkgangers.

Hoe weinigen die het verstaan: ,,Zo Gij in 't recht wilt treden, O Heer en gadeslaan, onz' ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan." En dat alles moet toch gekend worden.

Ziet, als de Heere ons ontdekkend ontdekt aan de bron van alle wanbedrijven, en als we gaan zien dat al onze werken een wegwerpelijk kleed zijn, en als we onze geestelijke nooddruft voor eigen hart hebben leren kennen, dan zal ons dat zeker uitdrijven tot gebed en wij zullen blijven bidden, worstelen, totdat God Zijn Zoon aan ons hart heeft geopenbaard.

Zalig de mens die hongert en dorst naar de gerechtigheid, want zegt de Heere, dezulken zullen niet beschaamd worden. Ziet, dat is het werk van de Heilige Geest als wij doordrongen zijn van Godswege dat wij die Borg nodig hebben, want zonder die Borg voor eigen hart te bezitten komen wij voor eeuwig om. En die Zaken mogen ons wel eens op de knieën brengen en doen vragen: ,,Heere wil Gij ook mij een oog geven voor die Borg en Zaligmaker."

Jaren kunnen wij over Hem prediken, jaren over Jezus praten en dat toch Jezus een onbekende voor ons is.

Hij moet een bekende voor ons worden, Hij moet ons boven alles dierbaar worden.

Dan zegt de Heere hier in ons Schriftgedeelte dat God door de Heilige Geest Simeon openbaarde dat hij de dood niet zien zou, eer hij de Christus des Heeren zou zien. Dat openbaarde God aan Simeon, zie dat toch niet voorbij.

Wat heeft de Heere daarmee reeds een vertroosting gebracht in het leven van Simeon, dat hij de Zaligmaker zou zien voor hij ging sterven.

Laat ik het nog eens herhalen, het was God die Simeon dat kwam te openbaren.

Goedertieren, mogen wij wel zeggen, is de Heere.

Ach, wij zondige mensen denken zo vaak kwaad van God, maar goedertieren is Hij niet alleen voor Simeon, goedertieren is Hij voor elk hart dat Zijn Heil van de Heere verwacht.

Simeon, zegt de Heere, gij zult wel de weg gaan van alle vlees, doch voor dat ziel en lichaam ontbonden worden zult gij uw Zaligmaker aanschouwen en Zijn Heil zien.

Ja, ook Simeon zal gaan de weg van alle vlees, en ook wij zullen gaan de weg van alle vlees. En dat blijft toch altijd een aangrijpende gedachte dat wij voor het sterven komen te staan.

Wij huiveren vaak als wij aan dat sterven denken, want immers de dood is een Koning der verschrikking, en de Heere alleen kan de verschrikkingen van de dood uit ons leven bannen.

En dat zal de Heere ook doen.

Wij hebben daarstraks nog gezongen nietwaar: ,,Hij kan, en wil, en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven."

De dood herinnert ons aan de diepe val des mensen.

De dood herinnert ons aan het oordeel voor de overtredingen en de ongehoorzaamheid aan de Heere.

Ja Simeon, u wacht ook de dood!

Maar mijn kind, weest getroost, want gij zult de komende Zaligmaker aanschouwen.

God weet hoe zijn hart gehunkerd, geschreeuwd heeft naar Christus, naar de troost die de Heere in Simeons leven zal brengen, en in ons aller leven als wij kinderen Gods Zijn.

Ik kan me voorstellen dat Simeon met ontroering der ziel heeft aangehoord toen de Heere Simeon kwam te verzekeren door de Heilige Geest dat hij de Christus zou zien.

En elk kind des Heeren die de Zaligheid verbeidt, elk bekommerd hart die smeking op smeking doet om de Heere in Zijn Gunst te mogen ontmoeten, God zal dezulken die op Hem hopen nooit beschamen. Ziet, daar maakt God Zijn Woord waar als het Kindeke in de tempel wordt gebracht, daar vervuld de Heere Zijn belofte die Hij had gedaan aan Simeon.

Hoor die grijsaard het uitjubelen: ,,Nu laat Gij Heere uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw Woord, want mijne ogen hebben Uwe Zaligheid gezien."

Ook hier zien wij dat God waarachtig is, waarachtig is Hij ook in de vervulling van zijn beloften. Het hart dat naar Hem hongert en dorst zal zeker door de Heere verzadigd worden.

Wij letten maar al te weinig op de waarachtigheid van des Heeren Woord. Zou de Heere iets zeggen en niet doen, iets beloven en niet vervullen?

Immers, dat kan Hij niet! Wat Hij Zijn volk belooft, dat zal de Heere ook zeker in vervulling doen gaan.

Ziet gij niet hoe de Heere in Zijn ontfermende liefde Simeon daar vertroost? Nu laat Gij Heere Uw dienstknecht gaan in vrede. Simeon is bereid om heen te gaan.

Ik zeg niet dat Simeon aanstonds gestorven is, nee, maar hij kan sterven omdat nu de vrede zijn hart vervuld.

Waarom, vraagt ge, hebt ge deze adventstof genomen? Mag ik daar nu niet over preken?

Ik heb daarom dit Schriftgedeelte genomen om er op te wijzen, wat het oordeel des Heeren is over onze verhouding tot Hem!

Gij kunt uzelf wel voor een christen houden, maar de grote vraag is, wat zegt de Heere van ons. Daar hebben wij allen naar te staan, wat zegt de Heere van mij en van u.

Weten wij door Gods genade dat Hij het goede werk aan ons begonnen is?

Och, vervult ontzetting uw hart niet als ge denkt aan het Woord des Heeren dat velen zich bedriegen op weg en reis naar de eeuwigheid. Ja, als de Heere straks komt op de wolken des hemels, zullen ze zeggen: ,,Hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en duivelen uitgeworpen en vele krachten gedaan?"

Dan zal de Heere tot hen zeggen: ,,Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend."

U weet toch dat er in Gods Woord staat dat wij de gedaante kunnen hebben van godzaligheid, en dat wij van alle godzaligheid ontbloot zijn!

Daarom heb ik dit Schriftgedeelte genomen opdat wij onszelf onderzoeken, en daar hebben wij biddend over na te denken en te vragen: ,,Heere is er nog een schadelijke weg bij mij, en Heere als ik door U niet geleerd ben, Heere, mocht ik dan door U geleerd worden, opdat ik mij niet bedr iege voor die nimmereindigende eeuwigheid."

Gemeente, wij willen met elkander zingen Psalm 72 vers 6.

,,Ja elk der vorsten zal zich buigen,

en vallen voor Hem neer.”

Gekomen is de Zaligmaker in de wereld, en dat was een vrijwillig komen van Jezus op deze wereld.

Gebracht heeft de Heiland het grote offer voor de zonden van Zijn volk.

O liefde zonder pijl, dat Hij zich geofferd heeft voor de zonden van Zijn kinderen, dat Hij dat vrijwillig gedaan heeft.

En nu wordt er tegenwoordig van de daken gepredikt: ,,Jezus heeft alles volbracht mensen, neemt het aan mensen, zet uw hart open voor Jezus."

Zeker, de Heiland heeft alles volbracht, en we lezen zelfs dat het offer van Christus tot een welriekende reuk is waarover we ons arme zondaren mogen verheugen.

Maar wat moet ik toch met Jezus doen als ik niet weet dat ik tegen God gezondigd heb?

Wat moet ik met Jezus doen als ik niet besef dat ik een Borg nodig heb voor mijn ziel?

En zullen wij waarlijk in het Heil des Heeren delen, dan is het nodig, dit heb ik reeds gezegd, dat de Heere ons ontdekke aan de zondigheid van ons hart.

En als dat gebeurt in ons leven, dan zullen wij ook belijden: ,,Heere, ik ben Uw gramschap dubbel waardig."

Maar dan geeft ook de Geest des Heeren de ziel te zien dat Christus alles volbracht heeft, en dan wordt het een pleiten op Zijn Borgwerk.

Simeon zag uit naar de Christus, zijn heil. Dat uitzien naar Jezus' komst en het wachten op die Borg, het was alles vrucht van de genade des Heeren.

Wat is het een rijke zegen, gemeente van Zwijndrecht, als we onze geestelijke nooddruft hebben leren kennen, maar groot is ook de blijdschap als God Zijn Zoon in ons openbaart.

Dat is nog wat anders dan louter te spreken over Jezus.

Nog eens wil ik de vraag herhalen en ik stel die vraag ook aan mijzelf: Kunnen wij in waarheid zeggen voor de Heere, ,,Heere, Gij weet dat op de bodem van mijn hart de verzuchting leeft,

Och of wij Uw geboon volbrachten,

Gena o hoogste Majesteit.

Gun door 't geloof in Christus krachten,

Om die te doen uit dankbaarheid.”

Leeft dat niet in uw hart, die zielsverzuchting, die begeerte om voor Hem te leven?

Wat is dat vreselijk, maar de dag der genade is nog niet voorbij, wij leven nog in het heden der genade.

God zweert bij Zichzelf: ,,Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb aan de dood des zondaars, doch daarin heb Ik lust dat een zondaar zich bekere en leve."

Ziet, daar staat de Heiland met tranen in Zijn ogen: ,,Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild.”

Hoe zwaar zal het oordeel zijn die de Heere blijven verwerpen.

Jaren onder de prediking te zijn opgegaan en nog geen greintje begeerte in uw hart om dat beminnelijke wezen te lieven en te loven.

God moge ook Zijn liefde, onbekeerden, in uw harten uitstorten en de vlammen van Gods liefde uw hart zo in brand zetten, dat ge van de grote daden des Heeren gaat getuigen!

                Amen.

Zingen, Psalm 150 vers 1:

                ,,Looft God, looit Zijn naam aIom".