En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een christen te worden.
Ps. 90 : 9
Hand. 26 : 9 – 23
Ps. 95 : 4
Ps. 119 : 21, 23
Ps. 73 : 14
Ps. 32 : 5
Geliefden, er zijn weinig woorden die zo bekend zijn, als dit woord, gesproken door die Agrippa, daar in die rechtszaal.
Duizenden hebben het overgenomen in de praktijk van hun leven, om zich van de eis af te maken.
Veel dichters hebben hun gaven ten beste gegeven om hun indruk te verwoorden, in verzen, wat deze woorden beduiden. Eén heeft het zó gezegd:
Bijna bewogen christen te zijn
bijna bewogen – ach, het is slechts schijn.
De dichter heeft er een waarschuwing in gegeven. De mens der zonde heeft alle manieren, mooi en lelijk, vroom en onvroom, om de waarheid van Gods Woord van zich af te werpen. Dat vinden we hier ten voeten uit, bij deze Agrippa, als hij zegt: gij beweegt mij bijna een christen te worden.
Een mens wordt geconfronteerd (als hij onder het evangelie komt - met het aanbod van genade) met de eis; wat God komt te eisen van ons. Dan hebben we allemaal zo onze bedenkingen. De één heeft dit en de ander dat.
De één zegt het. De ander verzwijgt het. Maar van binnen zitten we vol met reserves tegen datgene wat God in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft - hoe de zaken er met ons bij staan en wat wij te doen en te laten hebben. Soms heel geprikkeld, met een brute afwijzing: “Wijk van me! want aan de kennis van die wegen heb ik geen lust. Uit!”
Soms bedekter - iets van weemoed erin: “Ik zou wel willen, maar….. en dan komt er allerlei….. Maar het komt allemaal hier op neer: Ik heb er geen zin in; ik heb er geen lust toe, al wordt het nog zo aangedrongen aan mijn consciëntie (geweten).”
Al is het een engel uit de hemel, zegt Christus. Al zou er één van de doden opstaan, ze zouden zich niet laten gezeggen.
Misschien hebt u dat ook weleens gezegd, of gedacht: Bijna.
Dat zeggen we als we jong zijn: Nu nog niet. We moeten eerst eens getrouwd zijn en als we getrouwd zijn, moeten eerst de kinderen eens groot zijn. En zo blijft een mens aan het uitstellen.
“Bijna.”
Totdat de tijd voorbij is….. en dan is het eeuwigheid.
Bijna bewogen kunnen we zijn en toch helemaal niet bewogen eigenlijk, omdat er niets van God in is.
Het dacht ons goed vanmorgen daar iets van te gaan zeggen, van die uitspraak van die Agrippa, dat hij bijna bewogen werd om een christen te zijn.
Een uitspraak.
En dan staan wij het eerste stil
Door wie en bij welke gelegenheid dit woord gesproken is
Wat dat nu inhoudt
Met een toepassing op ons.
Gij beweegt mij bijna een christen te worden.
Vragen we eerst den Heere een zegen……
Gij beweegt mij bijna een christen te worden.
Door wie? En bij welke gelegenheid dit woord gesproken is?
U weet: Dit woord is gesproken door Herodes Agrippa de tweede - niet de slechtste van de Herodessen die regeerden.
U weet ook bij welke gelegenheid. Het is in het rechthuis te Caesarea. Paulus had zich op de keizer beroepen (weet u wel). Ze hadden hem iets misdaan en dat nam hij niet als een Romeins burger. Hij liet zijn rechten gelden (wat goed was).
Die procedure liep nog en die was in volle gang. Het recht stond bij de Romeinen hoog. Dat is algemeen bekend. De Romeinen en allen die tot het Romeinse Rijk behoorden, die burgerrecht hadden, konden zich in tijd van nood op de keizer beroepen - de hoogste instantie.
Dat betekende dat niemand hem dan meer mocht veroordelen in die tussentijd. De keizer zelf zou dan uitspraak doen. Zo stonden de zaken er, juridisch, met Paulus bij.
Die Festus was de stadhouder. Onder zijn verantwoordelijkheid zat Paulus in het gevang. En hij moest daarvan rapporteren bij de keizer.
En nu zit die Festus met dat geval - Paulus - in de maag. Zo gaat dat. Dan zijn we een “geval” bij die instanties. Numero zoveel. En daar is Paulus er één van.
Het ging namelijk over een beschuldiging van de Joden, die ze tegen hem ingebracht hadden. Dat lag op godsdienstig vlak. Dat lag Festus niet zo erg; hij had daar zo geen verstand van. Dat waren van die ingewikkelde dingen. Hij wist daar eigenlijk te weinig van, om daar nu een rapport over te schrijven naar de keizer, dat die Paulus toch wel fout was.
Hij was niet gevaarlijk voor zijn omgeving. Hij was geen oproermaker, geen moordenaar. Hij was helemaal geen lastig, moeilijk mens. Hij gaf de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is.
Die Festus zat dus met Paulus omhoog.
Hier hebt u weer zoiets. Dat zat Pilatus met Jezus ook - weet u wel. Jezus werd ook overal van beschuldigd. En ze konden niets waar maken. En dat is hier met Paulus ook zo.
En nu zou Festus zo graag deskundige voorlichting daarover hebben. Van iemand die toch wel ter zake kundig is en geïnformeerd is over al die religieuze kwesties die er zijn, aangaande Jezus van Nazareth, waar de Joden zo agressief tegenover stonden.
Hij krijgt daartoe een schone kans, die Festus. Want wat gebeurt? Hij krijgt Herodes Agrippa op bezoek, vergezeld van zijn zuster Bernice, een zeer schone jonge vrouw, weet u. Maar waarvan vermoed wordt (zij was zijn zuster), dat hij met haar in bloedschande leefde.
Zij zijn vele dagen de gasten, daar bij die Festus. En dat gesprek komt al gauw over dat geval Paulus. En dat dat hem hoog zit. Dat blijkt.
En nu heeft hij iemand bij zich - niemand minder dan koning Agrippa; hij is een deskundige daarin.
Festus kan nu, op hoog niveau, in besloten kring, ambtelijk, om advies vragen en inzicht in die toestand waar Paulus daar verkeert - in die kwestie die aanhangig was.
Agrippa was in de Joodse godsdienst opgevoed. Hij was met de strijdvragen goed op de hoogte. Hij had een soort kerkelijk opzicht ook over de tempel. Zelfs een hogepriester mocht alleen benoemd worden als hij er zijn fiat aan gaf.
En nu geeft Festus aan die Agrippa , daar in het paleis, opening van zaken - wat hij van dat geval Paulus afweet.
Het blijkt dat die Festus niet zoveel eerbied had voor die zaken van het geloof. Krachtens zijn ambt kreeg hij ermee te maken, maar het lag hem helemaal niet. Het ging over een zekere Jezus - zo spreekt hij zich uit. Lees het maar in vers 19. “Een zekere Jezus Die gestorven was, Welke Paulus zei te leven.”
Dat was het eigenlijk. Dat was de kern van de zaak. Daar ging het over.
“Een zekere Jezus.”
Wat moet ik met Jezus doen? zei Pilatus. En dat is hier ook zo. “Een zekere Jezus.”
De Heere Jezus Christus, de enige Zaligmaker.
“Een zekere Jezus.”
Hij heeft niet zulke hoge gedachten van Christus. Ook niet van het Jodendom. Hij heeft ook niet zulke hoge gedachten van Paulus.
Och, wat wordt er in wetenschappelijke kringen en in regeringskringen soms heel laatdunkend gesproken over die zekere Jezus. En over die secte die overal tegengesproken wordt - een lastig volk.
Agrippa denkt daar niet zó over, zoals Festus. Hij heeft toch wel respect, ergens, voor de Joden. En ook voor die zekere Jezus. Hij weet er nogal het één en ander van. Paulus zegt het straks zelf in die rede, en dan herinnert hij hem eraan, dat Agrippa een man is, die weet waar hij over praat, als het over de godsdienst van de Joden gaat en als het over Jezus gaat.
Nu is de belangstelling van Agrippa voor die Paulus opgewekt. Hij wil hem ook wel zien en zelf wel ontmoeten en horen. Hij wil hem graag persoonlijk leren kennen. Dat kan. En Festus maakt alles in gereedheid dat dat gebeurt - de volgende dag al. Daar was haast bij; de volgende dag al.
En dan wordt daar een zitting georganiseerd in het rechthuis en Paulus zal gehoord worden.
De Romeinen hadden er slag van, om daar iets van te maken. Als die dag aangebroken is, dan gebeurt dat met grote pracht.
Er worden geen kosten gespaard. Dat is een gebeurtenis! Een attractie voor de elite van Caesarea. Heel de deftigheid zit daar – gedecoreerden, geridderden. Alles blinkt van parels en goud en orde-tekenen. Daar hebben we de elite en daar is ook koning Agrippa met zijn zuster Bernice. Zij is hier als koningin.
Daar zijn de voornaamste militaire en burgerlijke autoriteiten van de stad, in vergadering bijeen in het rechthuis te Caesarea.
Daar zal een man ondervraagd worden. Hij zal verantwoording moeten doen over die zekere Jezus, waarvan hij zegt dat Hij leeft.
Terwijl de Joden zeggen dat dat niet waar is.
Dat is voor hem een interessant geval - iets spits in hun vlakke leven, een kijkspel, zoals ze zo vaak gekeken hebben naar wat de christenen overkwam, als ze worstelden met de leeuwen in de arena.
Daar zaten diezelfde mensen in die arena te kijken, hoe die slachtschapen van Christus daar worstelden met de dood.
Dat is hier ook zo. Een heel gebouw vol met alles wat groot is. En in die samenkomst, in dat gebouw, bij die gelegenheid zal die koning Agrippa, als hij in vol ornaat is, zal hij zeggen, wat hij nooit gedacht had te zeggen - zeker daar niet: “Gij beweegt mij bijna een christen te worden.”
Het is wel een diplomatiek antwoord. Hij kan er alle kanten mee uit. Maar hij geeft toch eventjes iets bloot van wat er in zijn hart is. En dat is nu een gevolg van de prediking van Paulus.
Ik heb eens gelezen van Augustinus - hij zegt: Drie dingen zou ik wensen gezien te hebben, dat is: Christus in het vlees. Dat is Rome in zijn bloei en Paulus in zijn welsprekendheid.
Nu, hij mag er hier een proeve van afleggen. Hij krijgt van de autoriteiten hier officieel gelegenheid voor zo’n publiek, om rekenschap te geven van de hoop die in hem is.
En dan vinden we hier zo mooi, weer, de vervulling van Gods beloften.
Och, de wereld kan wel denken dat ze de boel regeren, maar het is niet waar. De Heere had gezegd, toen Paulus bekeerd werd: Paulus, je zult nog voor koningen en stadhouders gesteld worden, om Mijn Naam uit te dragen.
Nu, daar staat hij. Daar krijgt hij nu gelegenheid voor. Voor koningen en stadhouders; die zullen het horen, dat er een God in de hemel is, Die waard is gediend en gevreesd te worden.
Dat er een Middelaar is, dat er een Jezus is, Die dood geweest is, en ziet: Hij leeft tot in alle eeuwigheid.
Dat er een God is, Die zondaren roept en trekt - tot bekering brengt. En dat zij ook bekeerd moeten worden.
Daar wordt hij binnen gebracht. Ik zie ze allemaal met gestrekte halzen kijken. Daar gaat een deur open en dan komen er twee soldaten en dan komt er een pover figuurtje binnen, geketend aan die soldaten.
Is hij dat? Ja, dat is hij nu. Dat is nu dat uitverkoren vat bij God. Dat is nu Saulus van Tarsen, een gezant in een keten.
Zij delen de lakens uit in het koninkrijk dat van deze wereld is, maar hij is een onderdaan en hij heeft bevoegdheid gekregen in het koninkrijk der hemelen.
Om Gods Woord te spreken.
Daar staat hij nu, geboeid als een gevaarlijk mens. Ach, je hoeft Paulus echt niet te boeien, hoor. Hij loopt niet weg.
Nu staat hij oog in oog met de elite van de wereld; met vijanden. Uit de vunzige kelder komt hij in de schittering van goud en diamanten en juwelen.
Een kind van God en een knecht van God. Hij heeft geen goud. Er zijn geen ridderorden die zijn borst versieren.
Niets dan ijzeren ketenen - het minste metaal. En voor hem zitten er tallozen met ketenen van paarlen en van smaragd. De flonkering van het goud van deze wereld is overweldigend. Maar er zal hier iets gaan stralen en gaan schitteren, dat komt uit de hemel. Dat is het goud van de genade. Want dat had die man: genade in zijn hart. Hij had iets waarvan Christus gezegd heeft: Dat zal nooit meer van hem weg genomen worden - nooit meer. Dat gaat over dood en graf heen. Hij had die parel van grote waarde en die zal hij hier laten schitteren voor elks ogen - begiftigd met de gave van het geloof, maar ook van de welsprekendheid.
O, Paulus was een man met singuliere gaven - zeer bijzonder - die zijn woord kon doen en die op alle plaatsen naar de omstandigheden, naar bevind van zaken kon handelen en zijn woorden kiezen en plaatsen - ook hier.
O, als je die rede leest! Ik heb expres de hele rede gelezen. Dan kom je onder de indruk. Wat kon die man zijn plaats innemen - niet onbeschoft, niet grof. Correct!
Hij weet dat alle machten gesteld zijn door God. Er is geen macht, dan van God verordend. Daar geeft hij nog getuigenis van.
Daar staat hij en dan geeft God hem vrijmoedigheid om te spreken. Dan mag hij rekenschap geven van de hoop die in hem is.
Waar begint hij dan mee? Dat is opmerkelijk - dan gaat hij zijn bekering vertellen. Dan gaat hij vertellen wie hij eerst geweest is. En dat is niet zo mooi. Die geweldhebbers daar zijn heel wat mans. Maar dat was Paulus ook in zijn blindheid. Godsdienst is ook fanatiek. Paulus heeft in zijn blindheid ook kinderen, lieve kinderen van God geslagen en het hen zeer moeilijk gemaakt. Lees het maar. U hebt het horen lezen. O, als hij daaraan denkt!
Daar denkt hij nu altijd aan. Dat heeft hem altijd aan de grond gehouden ook. Dat heeft hem klein gehouden.
Je eertijds; de permanente herinnering daaraan houdt je klein. Dan wordt je nooit een groot mens. Nooit.
En dan gaat hij zijn roeping vertellen - niet alleen tot het licht, maar ook tot het ambt.
Dat krijgen ze niet allemaal: een roeping tot het ambt. Elk bekeerd mens wordt geen dominee. Ze zouden het wel willen, uit de liefde vandaan. Dat is een begenadiging. Paulus is heel kennelijk geroepen.
Dat vertelt hij ook: zijn roeping. Dus net als bij een admissie-examen. Dan moet je verslag doen van roeping en genade-staat.
Nu staat hij niet voor een curatorium hier van de kerk. Maar hij staat hier wel voor Festus en Agrippa. Nu moet hij voor zulke mensen verslag uitbrengen.
Wij zouden zeggen: Paulus, geef toch het heilige de honden niet! Werp toch je paarlen niet voor de zwijnen. Daar zijn wij zo gauw mee klaar.
Dat doet Paulus wel. De Heere had het Zelf gezegd, dat hij voor koningen Zijn Naam moest uitdragen en voor stadhouders. En dan gaat hij zijn vervolgingen vertellen.
U zegt: “Een christenpreek. Moet je nu zó beginnen? Moet je nu je bekering vertellen? En met jezelf komen?”
Och, doe toch voorzichtig! Dan kent u Paulus niet hoor. Want hij is de man die het gezegd heeft: Ik heb me voorgenomen niets anders onder u te weten, dan Jezus Christus en Die gekruist.
O, mensen als Paulus hebben dit als thema van hun prediking. Maar dat sluit niet uit, dat hij de christen er ook bij betrekt. Die Paulussen spreken altijd over Christus, ook al noemen ze zichzelf. Maar er zijn er ook, die hebben het altijd over zichzelf, al noemen ze Christus. Dat is het verschil.
Wij zouden zeggen: Een vorm van evangelisatie hier.
Paulus heeft een missie. Hij weet dat God wil dat allerlei mensen zalig worden - tot kennis der waarheid komen.
Wat een vrijmoedigheid! Hij is echt geen ogendienaar, geen mensenbehager. O, hij doet echt zijn best niet om die ketenen van zijn voeten en van zijn armen af te krijgen door bemiddeling of door tussenkomst van die autoriteiten daar.
Dat had hij wel gekund.
Dat doet hij niet. O, hij gaat de kern van het evangelie daar ontsluiten. Ik noem er alleen dit woord maar van: Om hun ogen te openen (vers 18) en te bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van de zonden ontvangen zouden en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
Dan brengt hij daar het evangelie en dan komt er reactie. Daar gaat het bij ons over.
Eerst van Festus; die heeft al genoeg gehoord. Hij weet het al. Hij is er al uit. Hij kan hem verwijzen, met deze aantekening dat die man psychologisch gestoord is en dan kunnen ze hem opnemen in een psychiatrische inrichting. Dat gebeurt nu nog.
Ach, hoeveel knechten van God en dissidenten in die dictatoriale staten worden opgeborgen, onschadelijk gemaakt.
Het is razernij, zegt Festus. “Gij raast, Paulus! Wat is dat nu toch? Uw grote geleerdheid brengt u tot razernij.”
Dan geeft Paulus hem een snedig antwoord: “Ik raas niet, machtige Festus. Mijn woorden zijn woorden van gezond verstand. Ik weet goed, wat ik zeg hoor.”
Vervolgens richt hij zich tot Agrippa. En die haalt hij als getuige erbij en dan wordt hij heel persoonlijk. Dat is wat voor die koning geweest. Moet je je voorstellen: zijn naam wordt daar genoemd en in verband gebracht met dat wat bij hen het minste was, wat je zou nalopen. Dat is de Joodse religie en die Jezus van Nazareth.
Dat hij als het ware daarmee gecompromitteerd was.
En dan richt Paulus zich tot die Agrippa. Dan richt hij pijlen van Gods boog op zijn hart.
Agrippa heeft geluisterd. Het wordt hem moeilijk gemaakt.
En dan richt de apostel een pijl rechtstreeks op zijn hart: “Agrippa, gelooft gij, o koning, de profeten?”
Hij laat hem niet antwoorden. Hij zegt: Ik weet dat gij ze gelooft.
Dat is de pijl die Paulus op het hart van die Agrippa richt: “Ik weet dat gij ze gelooft.”
Agrippa had wel belangstelling. Maar hoever dat strekte, dat weten wij niet precies. Hij stond niet zo afwijzend en niet zo vijandig als de anderen tegenover de waarheid. Tot op zekere hoogte geloofde hij de Schriften.
Hij krijgt het er benauwd onder. Zijn geweten zegt: Ja. En zijn schaamte zegt: “Nee, een koning een christen?!”
En dan zegt hij het. Dat is de reactie van Agrippa, als Paulus aandringt: “Gij beweegt mij bijna een christen te worden.”
Opmerkelijk, dat hij niet zegt: Een Nazarener. Of: Een gelovige. Maar: Een christen. Je leest dat woord meen ik maar drie keer in het Nieuwe Testament: een christen.
In Antiochië werden ze het eerst christenen genoemd.
En Petrus zegt ergens: Indien ge lijdt als een christen.
Hier: een christen te worden.
U weet, dat was eigenlijk oorspronkelijk als een scheldnaam bedoeld. Naar Christus vernoemd, die Verachte. De Joden noemden de navolgers van Jezus geen christenen. Ze noemden hen Nazarénen. Maar de heidenen zieden: een christen.
Nu, zo hij: “Gij beweegt mij bijna een christen te worden, zo’n navolger, een gelovige. Ook zo’n verachte. Dat is zijn reactie.
II
Wat dat inhoudt? Ja, ons tweede punt. Dat is nogal wat, wat dat inhoudt.
Agrippa heeft goed de strekking van Paulus’ woorden begrepen. Wie aan de profeten gelooft, moet ook aan Jezus geloven. En dat wil hij nu juist niet. Hij wil alles wel doen, maar één ding niet, dat is: christen worden.
Nu snijdt hij met dit antwoord alle verdere vragen van Paulus af. Hij isoleert zich en hij trekt als het ware een pantser aan, waarop alle vurige pijlen van Paulus af zullen stuiten/ketsen, als die nog eventueel zouden komen - met dit woord: Gij beweegt mij bijna een christen te worden.
Op de klank af, ligt er in dit woord iets sympathieks, iets van bewogenheid, iets van weemoed. Denkt u dat toch eens in: als je het neemt zoals het er staat: Bijna bewogen.
Ja, die Agrippa stond daar niet gemakkelijk. Hij was in zijn wezen ontroerd, zouden wij zeggen, met de confrontatie van het evangelie door deze knecht, in dit gezelschap.
Bijna bewogen. Bijna bewogen om zich voor God te verootmoedigen. Bijna bewogen om zich neer te werpen aan de voet van Christus.
Was het net als bij de verloren zoon misschien? Is het zo: Ik zal opstaan en ik zal tot mijn vader gaan? Ik heb gezondigd?
O nee. Dat is het niet. Hij weet zijn gedachten zo diplomatiek te formuleren, dat hij zijn vijandschap camoufleert. “Bijna,” zegt hij. Zou hij het gemeend hebben? Is die man overreed? net als de profeet ergens zegt: Ik ben overreed, Heere. Gij hebt mij overreed. Gij zijt mij te sterk geweest….. en nu ben ik hier.”
Och, ware het zo! Het is niet zo. Dan zou hij niet gezegd hebben: Gij beweegt mij bijna. Dan had hij zich onbedongen overgegeven: Hier ben ik, hier ben ik.
Tussen “bijna” en “geheel” ligt een hemelsbrede afstand, geliefden.
Gij beweegt me bijna een christen te worden. Wat dat inhoudt - dat woord? Welke betekenis we daaraan moeten geven? De schriftverklaarders zitten met dit woord zo omhoog. En de schriftvertalers niet minder. We staan hier, wat de vertaling betreft, voor een moeilijkheid, die veel aanleiding tot wetenschappelijke strijd gegeven heeft. De Statenvertaling - dat is de beste; in dit geval blijkt dat ook weer - heeft dat verklaard met het woordje “bijna.”
En Calvijn zegt zo mooi: Dit woord mishaagt mij niet - bijna.
Andere exegeten en verklaringen hebben er een heel andere inhoud aan gegeven. Dat het een soort ironisch antwoord is. En dan hebben ze deze inhoud eraan gegeven - ik zal er enkele noemen: Het scheelt niet veel, of gij maakt van mij een christen.
En een tweede: Gij beweegt mij enigszins.
Een derde: Al te gemakkelijk tracht gij mij over te halen, om mij voor christen uit te geven.
En de Nieuwe Vertaling is: Gij wilt mij wel spoedig als christen laten optreden.
Wij houden het toch maar bij de Statenvertaling, die de woorden het beste weergeeft met: Bijna.
Het lijkt op een compliment, maar het is toch hooghartig. Hij wil er eigenlijk ook mee te kennen geven: Zo gemakkelijk gaat dat niet, Paulus. Zo makkelijk gaat dat niet. Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres, als je dat denkt, dat ik me zo gauw laat vangen en laat verleiden, om een christen te worden. Dan moet er nog heel wat meer gebeuren. Daar moet ik nog eens goed over nadenken.
Och, als God er bij een mens niet aan te pas komt, dan komt hij er nooit.
Het was een dubbelzinnig antwoord, zegt Calvijn. Inderdaad.
Maar hij zegt: De prediking van Paulus heeft dit toch bij die man uitgewerkt, dat hij tegen zijn zin een getuigenis geeft - een getuigenis van iemand die de waarheid niet langer durft en kan weerstaan, vanwege de overweldiging van de feiten, die niet tegen te spreken zijn. En hij moet ze enigermate toestemmen. Hij wordt enigszins meegevoerd, zegt Calvijn. Inderdaad.
Wat blijkt daar nu uit? Dat het hart van een zondaar hardnekkig is.
En zolang het verstand ook niet geheiligd wordt door Gods Geest en tot gehoorzaamheid gebracht wordt, dan zegt hij: Nee.
Eigenlijk is de vertaling van deze woorden van Agrippa meer een zielkundige dan een taalkundige kwestie.
Arme Agrippa! Zijn hart is vijandig, hoewel zijn geweten zich niet aan de waarheid kan onttrekken. Er is een zekere overtuiging bij hem, maar hij heeft een ongeheiligde wil en die vecht daar tegenin.
En nu is Agrippa nog een mens, waar God mee twist; waar de Geest mee twist. Dat is nog een geluk. En dan lijkt het soms wat. Dan gaan ze soms ver mee. Daar komen zelfs goede voornemens in het hart van een zondaar, waar die geest mee twist. Dan komt hij in de benauwdheid, in de moeilijkheid. Maar op het kritieke moment als hij kiezen moet, dan zegt hij: Nee.
Als zijn eigen “ik” sterven moet, als hij de wereld moet verlaten, zijn oude natuur doden. Nee! Dat is teveel gevraagd. Dan bruist het verzet op. En door de reactie van de onwil openbaart hij een demonische vijandschap.
Gij beweegt mij bijna….
U hebt datzelfde geval bij de rijke jongeling. Die ging bedroefd weg, geheel bedroefd, staat er.
En Orpa; ze kuste Naomi. Ze had zelfs tranen. Maar ze ging toch terug.
En Felix. Hij werd ook zeer bevreesd. Ja, je kunt zeer bedroefd worden, dat je bijna een christen wordt. En zeer bevreesd…. zodat je zegt: “Als ik gelegener tijd zal bekomen hebben, dan, kom dan nog meer eens. Nu niet. Misschien later.”
Daar ligt een les voor ons in - groot en klein, jong en oud. Dat Agrippa-woord wordt nog gesproken.
Achter dit beleefde - dat “bijna” - daar ligt de harde, besliste onwil van de mens op wie het evangelie afstuit. Het is toch een afwijzing.
Zal hij opstaan en ingaan?? Nee, hij wil toch niet en doet het niet.
Voor de beslissende stap deinst hij terug.
Zonder wedergeboorte zal ook Agrippa het koninkrijk Gods niet zien.
In dit opzicht is er geen “bijna”. Het is in deze weg alles of niets. Liefde of haat.
Verstandelijk wist Agrippa heel goed wat Paulus gesproken heeft. Dat dat de waarheid is. Daarom is hij verantwoordelijk voor wat hij zegt en doet. Dat zijn wij ook. Tegen de stem van zijn geweten gaat hij in. En dan zegt hij: “Nee, gij beweegt mij bijna, maar Paulus, ik doe het toch niet.”
Een vreselijk antwoord: Bijna.
U zegt: Dat bestaat toch niet?!
Nee, dat bestaat inderdaad niet. Het is ja of nee.
Hier was het: Nee.
Dit is het einde van Paulus’ verantwoording. Die interruptie van Agrippa heeft hem ook niet van zijn stuk afgebracht. Hij wordt niet boos. Hij vraagt niet of de Heere vuur van de hemel zal doen regenen en heel die vergadering zal vernietigen. Maar het blijkt dat Paulus een knecht is, uit het rechte hout gesneden. Hij is echt een christen; hij vertoont het beeld van Christus en heeft dus zachtmoedigheid geleerd.
En dan maakt hij een toepassing - tegen die afwijzende zondaar. Dan zegt hij: o Agrippa, ik wenste wel van God, dat gij en bijna en geheel, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen - heel die vergadering - zodanigen werden als ik ben.
O, hij gunt die mensen wat hij had. Maar hij kan het ze niet geven. Maar hij werpt ze niet weg.
Dit is een pijl geweest die Paulus afschiet en de eeuwigheid zal het openbaren, voor wie dat vrucht heeft gedragen.
“Uitgenomen die banden. Ik wens jullie niet de banden. Ik wens jullie het genot en het licht en de vrede en de vreugde van het christen-zijn; mocht het zijn: zonder banden. Maar als het moet: Het kan ook met banden. Ik wilde dat jullie allemaal waren, zoals ik ben, uitgenomen die banden.”
Zo verloopt die rechtszitting, daar. Het verhoor is afgelopen. Het kwam een beetje te dichtbij. Het kwam te dicht bij het hart. Dat moest ongedaan gemaakt worden.
Agrippa heeft het meesterlijk gedaan, met zijn opmerking: Gij beweegt mij bijna een christen te worden. En nu gaat hij gelijk over tot de orde van de dag. Lees het maar. Daar wordt een grote punt gezet, hierachter. Misschien wel voor altijd. En dan gaan ze even opzij: Bernice en Festus en Agrippa - een klein onderonsje. Een ambtelijk….. “Ja, jammer van de man. Hij moest, hij kon eigenlijk vrij gelaten worden. Hij heeft niets gedaan dat des doods en banden waardig is. Maar hij heeft zich op de keizer beroepen, dus het moet voortgang hebben.”
En dan stroomt die zaal leeg. Paulus gaat terug door dezelfde deur, weer naar het gevang. De ketenen rammelen. Maar als er ooit een man is geweest, die gevoeld heeft dat de Heere nabij is en dat hij waardig is geacht, om Gods wil smaadheid te lijden, is deze man het geweest.
Hij kon losgelaten worden. Hij gaat weer het gevang in.
Arme Agrippa, arme Festus, arme pracht en praalhanzen die daar vertegenwoordigd zijn. Ze hebben het gehoord tot hun voordeel of tot hun nadeel! Een reuke des doods of een reuke des levens. Wie ver van God, wie het ook is, of waar het ook is en wanneer – de weelde zoekt (onthoud dit) die vergaat eerlang. Hij wordt vervloekt. We gaan het zingen. God roeit ze uit, die afhoereren en Hem de trotse nek toekeren.
Maar Paulus mag zeggen: Maar het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.
Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U den trotse nek toekeren;
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
'k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den HEER, Wiens werk ik roemen zal.
Met toepassing op ons.
Dit woord is ter waarschuwing van ons geschreven. Er zijn veel bijna-christenen. Ze gaan ver mee; en in veel mee. Maar niet in alles. En niet altijd. Ze hebben zo hun reserves. Ze zijn niet ver van het koninkrijk van God. Maar “niet ver” is nog niet daarbinnen. Niet ver van ’s Heeren voeten is nog niet aan Zijn voeten.
Bijna bewogen is nog niet bewogen. Bijna een christen. Agrippa was ook zo. Niet ver van het koninkrijk van God. Maar “niet ver” betekent ook: Heel ver.
Van nature staan we allen heel ver van God af. De Heere zal eraan te pas moeten komen, nu we nog in het heden der genade zijn. We moeten bekeerd worden; niet bekoord door de Waarheid, maar bekeerd.
Agrippa had ook een historisch geloof. Hij wist veel. Maar het gaf hem geen kracht om de wereld te verlaten en met de zonde te breken. Het was geen geloof in Christus.
U ziet: het is niet genoeg.
En nu is dat zo jammer, ook in het kerkelijke leven. Nu vinden velen dat toch wel genoeg en ze doen het ermee. Ze houden het ervoor - alleen een historisch geloof: De dingen weten door overlevering. Gelezen. Dat we ze voor waarachtig houden, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Maar geen toepassing in eigen hart en leven.
Je kunt er alle kanten mee uit. Wees met dat geloof toch niet tevreden, geliefden, wie ge ook zijt. Ik weet het: De Heilige Geest moet dat echte geloof werken. Hij wil het ook werken. Begeert u dat?
Jonge mensen en ouderen: U weet het: Bijna binnen is toch buiten. Bijna behouden is toch nog verloren.
Je kunt de hemel niet binnengaan met een paar begrippen, of een paar goede voornemens. Tenzij dat iemand wederom geboren wordt.
Een goed inzicht in de waarheid hebben is een voorrecht, maar het maakt uw verantwoordelijkheid te groter.
Bijna. U ziet het hier. Dat is de grote les uit dit verhaal. Ook onze jongens en meisjes. Hoeveel zijn er daar ook niet bij, die bijna een christen worden.
Ieder die onder de waarheid leeft, komt weleens onder de indruk van de waarheid - soms heel diep. Dan kunnen kinderen al met aandacht, intens luisteren. Ze voelen: Ja, zo is het. Zo moet het.
Als er voor ogen geschilderd wordt, dat er een oordeel komt. Dat de dood komt.
Het kan ook zijn door een ernstig ziekbed. Onder de waarschuwende prediking. O, als Gods knechten de zonden bij name noemen en de straffen daarover.
De noodzakelijkheid van bekering en vernieuwing voorstellen. Dan kan het wel zijn, dat we tot in het diepst van ons hart bewogen zijn. En als we zouden vragen: Hoe staat het? Dan zou u zeggen: Ja, ik ben bijna bewogen een christen te worden. Bijna. Nog niet helemaal.
Ja, dat kan heel ver gaan. Je kunt jaloers zijn op Gods volk. Een bijna-christen is dat ook. Maar het komt niet tot een breken met de wereld. Waarom niet? Omdat het hart er niet in is. Het hart blijft vijandig.
Hun geweten is geraakt. Er is een zekere overtuiging ook. Maar hun ongeheiligde wil, die gaat daar toch tegenin.
Een christen worden - dat is nogal wat. Dat is het laatste wat een mens wil worden. Dat vindt hij het minste. En als er nu genade komt, dan wordt dat het hoogste! Dat ik dat nog mag worden. Dat ik dat nog kan worden. De mogelijkheid een christen te worden is al zó groot, als je dat mag zien.
O, die komen in een weg van onmogelijkheid: “Heere, ik zou het zo graag worden. Maar ik weet niet hoe.”
Dat is nu een Ruth, een moordenaar aan het kruis. Ze wilden het ook zo graag worden. En dan helemaal. En dat dat waar was, dat bleek wel uit die man ook, dat hij zijn mede-kruiseling ging waarschuwen.
O Agrippa wilde ook wel een christen worden, maar dan had hij Agrippa moeten kunnen blijven.
Christen-worden brengt met zich mee: uzelf verloochenen, de zonde afleggen, uw lievelingszonde, uw voordelige zonde, de zonde van de jonkheid, jonge mensen.
De keus des geloofs is voor alles, of voor niets.
Als het half kon? Ja, half. Daar is de kerk vol van, van halve mensen.
Half. Net als in Elia’s dagen: Baäl en de wereld en God. God en de wereld.
Die schamen zich voor dat heel enge. Die zetten zich over de waarschuwende stem heen. Die zoeken dan afleiding en afleiding is er genoeg op alle gebied in de kerk en buiten de kerk.
De indrukken die ze gekregen hebben, worden weer weggewerkt. Ja, erger, het gaat soms helemaal weer over - en dan bij mensen waar verwachting van was. Dan vind je er niets meer van terug. Het is allemaal over gegaan. En ze schamen zich nog, als ze er nog aan denken, hoe ze gesproken en geschreeuwd hebben. Die gaan soms zelfs spotten. Gevaarlijk werk.
O, doe dat nooit! Spot nooit met de algemene werkingen van Gods Geest. Maar die houden tenslotte ook op. Als God het niet verhoedt, dan gaat hij indrukkeloos over de wereld en indrukkeloos eruit - onbekeerd.
Bijna. Alleen maar een indruk gehad. Een indruk in het verstand alleen is niet voldoende voor de eeuwigheid. Gods Geest moet ons levend maken.
Anders brengen we het niet verder dan een bijna-christen.
We zeggen het toch met alle nadruk, wat de Schrift zegt: Verhardt u niet! Neemt Zijn genâ ootmoedig aan. Veracht het Woord Gods niet, wat ge nog hoort.
Dat het uw geweten nog weleens raakt, is een bewijs dat God u nog niet losgelaten heeft.
Vraag of de Heere die prediking mag heiligen, tot vernieuwing van uw hart. Dat is nu nodig.
Een christen zijn en een christin - Agrippa wilde het niet. U wel?
We gaan sluiten.
Wat is een christen eigenlijk? De catechismus geeft er zo’n prachtig antwoord op; daar sluit ik mee, met de woorden uit zondag twaalf: Waarom wordt gij een christen genaamd?
En dan moet u uw eigen hart er maar eens naast leggen en uw eigen leven. Dan kunt u zien, of u een bijna-christen bent of een echte.
En dan zegt daar die onderwijzer: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.
Dat is een christen. Bunyan heeft er een boek van geschreven: De christenreize naar de eeuwigheid. Die man, daar met dat pak, en zonder dat pak, dat is een christen. Die wilde een christen worden en is het geworden ook - een echte.
En de christin uit de Christinnereize van diezelfde Bunyan, dat is een Bijbelse christin. Bent u het ook?
We slaan nog eenmaal een blik in die zaal daar. En ik eindig met het woord van Da Costa:
Erenamen, al te zamen,
Vorsten, titels, zijn maar schijn.
Niets zo heerlijk, zo begeerlijk
Als een kind van God te zijn.
Amen