Salomo's bede bij Ambtsaanvaarding
Intredepreek over 1 Koningen 3 : 9a
gehouden op 7 November 1937
in de Christelijk Gereformeerde Kerk
te URK
door ds. E. du MARCHIE VAN VOORTHUIJSEN
INTREDEPREEK
1 Kon. 3 : 9a: "Geef dan Uwen knecht een verstandig hart."
Wie roemt, roeme in den Heere!
Geldt deze vermaning voor de ganse kerke Gods, inzonderheid past dit voor hen, die geroepen worden tot een ambtelijke bediening in 's Heeren wijngaard. En opdat geen vlees zou roemen voor Hem, daarom worden alle van God geroepen dienstknechten
eerst ontdekt aan eigen onbekwaamheid en onwaardigheid.
Dit zien we duidelijk bij Mozes, de man Gods. Eenmaal meende hij, dat de tijd gekomen was, om Israël te verlossen uit het diensthuis van Egypte en in jeugdige ijver doodde hij den Egyptenaar. Maar toen was het Gods tijd nog niet om Mozes tot dat grote en heerlijke doel te gebruiken.
Veertig jaren moest Mozes de kudde van zijn schoonvader Jethro weiden en dan eindelijk, als Mozes een man van tachtig jaar geworden is, dan komt tot hem de roeping Gods. Dan is het niet meer een Mozes, die enige verwachting van zichzelf koestert, noch enige bekwaamheid tot dit werk in zichzelf meer ontdekt. Integendeel alles wat daartoe vereist wordt ontbreekt hem en dan horen we hem klagen: „Och
Heere ik ben een man zwaar van mond en zwaar van tong." „Zendt toch door de hand dergenen, dien Gij zoudt zenden."
Maar nu is dit het wonder, dat het juist Mozes was, die het uitklaagde zwaar van tong te zijn, die de grote Voorspraak der Kerk van het Oude Verbond werd. Zwaar van mond en zwaar van tong, hij werd juist de grote pleiter in de bres, de man die met God sprak zoals een vriend met een vriend spreekt. Juist Mozes was het, die als geen ander onder de oude bedeling, tijdens het Oude Testament, de „mond Gods"
werd.
Ook bij den profeet Jeremia beluisteren wij dezelfde klacht over eigen onbekwaamheid, Hem horen we klagen: „Ach Heere, zie ik kan niet, spreken, want ik ben jong." En toch, o wonder van bekwaammakende genade, bijzonder in Jeremia is bewaarheid
geworden: „Zie Ik geef Mijn woorden in uw mond". Want het is deze profeet. Gods, die het uit moest klagen, ik kan niet spreken, want ik ben jong, die verwaardigd werd als geen ander te worden ingeleid in de breuk der kinderen Sions. Enerzijds is hij een
vuurprofeet, getuigende tegen en bestraffende het afkerige Israël Gods en anderzijds was het Jeremia, die, ingeleid in het eeuwige welbehagen Gods, over Zijn volk uitriep: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid''.
Was het niet Jesaja die het uitriep: „Wee mij; want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben"?
En toch, o wonder van Gods eenzijdige verkiezing, Jesaja werd, als geen ander, bekwaamd en verwaardigd om als de Evangelist van het Oude Verbond te mogen getuigen van de deugden van den komende Christus.Wee mij, dewijl ik een man van onreine lippen ben, maar juist gij, Jesaja, opdat niemand ergens anders in zou roemen dan in vrije genade, zult door 's Heeren Geest geleid de Namen van de Heilige Israëls den volke bekend maken. Van uw lippen zal het klinken door alle eeuwen heen, dat Zijn Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God,
Vader der eeuwigheid, Vredevorst.
Ook Salomo, mijne toehoorders, moest het getuigen „Ik ben een klein jongeling; ik weet niet uit te gaan noch in te gaan". En deze kleine jongeling, die het niet kon en het niet wist, werd de wijste van alle mensen en het voorbeeld Desgenen, Die Zijn
volk tot wijsheid gegeven is.
Alle deze knechten Gods hebben het geleerd niets te zijn in zichzelf, niets te hebben van zichzelf en nochtans alles bezittende te zijn, maar in een Ander.
Hoe past het ons dan in dit uur om niet te roemen in Mozes, Jeremia, Jesaja, Salomo noch in enig ander schepsel, maar alleen in die Ene grote Profeet, Priester en Koning, Die onmachtige en in zichzelf onwaardige dienstknechten verwaardigt om te stamelen
van Gods vrije, eenzijdige, soevereine genade.
Daarom, o gemeente van Urk, wie roemt, roeme in den Heere, bijzonder in een ure als wij thans beleven.
Zo wensen wij dan met 's Heeren hulp u te bepalen bij de woorden van onze tekst 1 Kon. 3 : 9a: „Geef dan Uwen knecht een verstandig hart".
En onze hoofdgedachte is dan:
SALOMO'S BEDE BIJ AMBTSAANVAARDING.
I. Zij pleit op Gods betoonde weldadigheid in het verleden.
II. Zij getuigt van een doorvoeld zware taak voor het heden.
III. Zij smeekt om onmisbare bekwaming in de toekomst.
I. Zij pleit op Gods betoonde weldadigheid in het verleden.
De grote biddag Israëls is aangebroken, want Salomo is Koning. Vergezeld van de vorsten en rechters van zijn volk trekt Salomo naar Gibeon om den Heere te offeren. Naar Gibeon trekt Israëls koning omdat die hoogte groot was, zo lezen we. Hier op deze hoogte stond het brandofferaltaar uit Mozes tijd. Nog was de vaste tempel des Heeren niet gebouwd, nog offerde koning en volk op onderscheidene plaatsen,
hetwelk, zolang er nog geen vaste woonplaats voor den Heere gebouwd was, door den Heere werd toegelaten.
Later echter, toen Sion de vaste woonplaats Zijner Heiligheid geworden was, werd het offeren op de hoogten de offeraars tot zonde gerekend en door den Heere bestraft.
Thans echter was de hoogte te Gibeon de voornaamste offerplaats, omdat daar het brandofferaltaar uit Mozes tijd stond opgesteld. Salomo en het volk gingen dus op naar Gibeon.
Duizend brandofferen werden geofferd, offerdier na offerdier was in rook opgegaan. Deze offeranden spraken de taal van het gebed, want in en door deze offeranden spraken koning en volk uit dat hun verwachting van den Heere HEERE was. Bij ieder offer zuchtte de ziel van Salomo tot den Heere om bijstand en bekwaming voor de zware taak. Duizend offeranden, zij spraken van duizend zorgen, gezien de ontzaggelijke taak, die hem wachtte.
Duizend offeranden, ze spraken ook van duizend noden gezien eigen onbekwaamheid. Deze duizend offeranden te Gibeon, zij spraken als het ware duizend maal de bede uit: „Zie op mij in gunst van boven, wees mij toch genadig Heere."
En als eindelijk in den avond de taal des offers verstild is, dan spreken ons het rokende altaar en de wegdrijvende rookwolken van de verzuchtingen uit het hart van Israëls koning: „Duizend zorgen, duizend noden, kwellen mijn angstvallig hart, voer mij uit mijn angst en noden."
Dan, in de stille nacht, komt het antwoord des Heeren aan Salomo, door middel van een droom.
De droom komt op uit de diepte van de ziel en openbaart veelal het meest verborgen geestesleven. In den droom komt bijzonder openbaar, welke de allerinwendigste begeerten en drijfveren des harten zijn. En nu Salomo's ziel in de rust des slaaps is
verzonken, nu openbaart zich in de droom zijn diepste verlangen en innigste begeren. Straks, op de heldere dag, spraken de offeranden de taal van het gebed, nu in de stille nacht openbaart zich het allerverborgenste begeren van Israëls koning. Eén begeerte vervult zijn ziel, één bede stijgt nog uit zijn diepste zielsleven naar boven, namelijk: "Heere wees Gij met mij, wees Gij mijn hulpe en mijn kracht."
En daarop komt in den droom het antwoord", wanneer het woord des Heeren tot Salomo komt: „Begeer wat Ik u geven zal".
Het is alsof de Heere tot Salomo zegt: "Mijn kind, de taal des offers heb Ik vernomen, en nu mag u uw hart uitstorten voor het oor van een horend God. De duizend offeranden heb Ik aanschouwd, Mijn knecht, de duizend gebeden zijn tot Mijn oren opgeklommen, stort nu eens uit uw ganse hart."
En dan, gelijk een bron zich uitstort op de velden, zo gaat Salomo in zijn bede pleiten op Gods weldadigheid in het verleden betoond. Zo lezen we in vers 6 en 7 hoe hij de bede begint door 3 maal te pleiten op wat God eertijds gedaan heeft. Niet wat hij zelf is, wordt de pleitgrond van zijn gebed, maar wat God voorheen geweest is voor David, Zijn knecht en in hem voor Zijn kerk.
„Gij hebt aan Uwen knecht David grote weldadigheid gedaan." Dan denkt Salomo eraan hoe eenmaal David als de kleinste van zijns vaders huis werd uitverkoren om voorganger te zijn over Israël.
• Grote weldadigheid hebt Gij aan hem gedaan, ook toen hij als een veldhoen op de bergen moest vluchten voor het aangezicht van Saul. Grote weldadigheid is het geweest, dat toen alles op Davids dood en ondergang zich scheen toe te leggen, Gij hem hebt bewaard, hoewel David moest klagen, ik zal nog een der dagen door de hand van Saul omkomen.
• Grote weldadigheden hebt Gij aan David gedaan, waarvan de grootste wel is „Dat hij in waarheid voor Uw aangezicht gewandeld heeft in oprechtheid des harten met U." In oprechtheid des harten, zoals hij in de kracht Gods de vijanden verslagen heeft, uitroepende: „Zou ik niet haten, die U haten, ik haat ze met een volkomen haat". In oprechtheid des harten, als hij het uitjubelt, ziende op den ondergang der vijanden van God en Zijn volk: „het is in den Naam des Heeren, dat ik ze verhouwen heb". In oprechtheid des harten, heeft David voor U gewandeld,
toen hij huppelde voor de ark des Heeren met de minsten der dienstmaagden. Dat was weldadigheid, toen hij de genade verkreeg om tegen Michal, de vrome wereld, te getuigen: „ik zal mij nog geringer houden dan alzo want met deze dienstmaagden zal ik verheerlijkt worden".
• Maar niet minder was de weldadigheid aan hem voorheen betoond, toen hij na de diepe val, in oprechtheid des harten zich mocht aanklagen in Psalm 51. Dat was 's Heeren weldadigheid, dat na de donkere nacht van zonde de boetpsalm geboren werd. De engelen Gods hebben zich verblijd, toen na tijden van stilzwijgen en achteruitgang de oprechtheid van het: Genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit, weder opklom uit Davids ziel.
• Het was betoonde weldadigheid in het verleden, toen David, vluchtende voor Absalom en gescholden door Simeï, niet wederschold, maar in den gang van diepe vernedering voor Gods Aangezicht, het in kinderlijke oprechtheid uitriep: „Laat. Simeï vloeken, misschien heeft de Heere gezegd, vloek David". Dat ziende roept Salomo uit: "Gij hebt aan Uwen knecht grote weldadigheid gedaan" en in hem aan Uw Kerk en Koninkrijk. Want het gaat ten laatste niet om David, het gaat om Gods Kerk en Koninkrijk en om Davids grote Zoon. Het ging en gaat alleen
om God zelf, vandaar het pleiten van Salomo op Gods eigen werk. Hoe gepast is het in dit uur terug te zien op de Kerk des Heeren in het verleden en op Gods betoonde weldadigheid aan haar.
• Dan denken we aan onze Godzalige vaderen, die andere Davids, door de Heere verwekt, die door de zuivere en Godzalige bediening van het Woord het middel mochten zijn dat velen van 's Konings vijanden dodelijk werden getroffen in het hart en neervallende leerden uitroepen: „Heere wat wilt Gij, dat ik doen zal".
• Onze oude vaderen, wiens geschriften tot op deze dag zich mogen verheugen in de ongeveinsde liefde van al Gods ware volk, hoe zijn zij geweest mannen en vaders in Christus, bediend door de Heilige Geest en daardoor betonende andere Davids te zijn, die enerzijds vervuld waren met het: „Zou ik niet haten, die U haten", maar anderzijds verwaardigd werden om Gods heilgeheimen tot troost en onderwijzing
te ontsluiten voor een arm en ellendig volk.
• Hoe hebben die Godzalige mannen niet gehuppeld met de minsten van Gods dienstmaagden voor de Ark des Heeren, namelijk Zijn Kerk. Hoe hebben zij in tere Godzaligheid, ten spijt van de vrome Michals, de waarheid, die naar de Godzaligheid is, gepredikt. Hoe hebben ook in de Kerk der Scheiding de vaderen eenmaal door het geloof van blijdschap gehuppeld over de uitgeleide Kerk en de smaadheid der wereld voor eer gerekend, verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben.
Waarlijk, hoe gepast is het dan terug te mogen blikken in deze donkere en geesteloze dagen naar die tijden, waarin de Heere Zijn Kerk bijzondere weldadigheid betoonde.
• Maar er is meer. Hoe hebben eenmaal Gods knechten als boetelingen gepleit voor de zonden van land en volk en overheid. Hoe mochten zij als andere Jeremia's de breuk en de zonden van het volk bloot leggen. O, dat was geen spreken, noch dode klacht over de breuk, maar door 's Heeren Geest bediend zijnde, stonden zij midden in de breuk, om het 's Heeren Kerk toe te roepen: „Wij hebben twee boosheden begaan, God den Springader des levens verlaten en onszelven bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden."
Zij hebben de breuk niet op het lichtst geheeld, zoals dat in onze dagen zo menigvuldig geschiedt tot schade en oneer van God en Zijn volk, maar eerlijk gemaakt, mochten zij het in 's Heeren Naam verkondigen: „wij hebben God op 't hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor af gegaan". De Heere mocht het overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat er ook nu nog over is, geven om enerzijds te pleiten op Gods betoonde weldadigheid in het verleden en anderzijds te mogen zuchten: „Och dat Gij de hemelen scheurdet".
O, volk van Urk, dat wij in deze donkere en geesteloze dagen eerlijk gemaakt mochten worden, om den Heere aan te lopen als een waterstroom, opdat wij niet rijk en verrijkt zijnde, in het oordeel der duisternis en Godverlating zouden vallen en dan zouden
bemerken dat bewaarheid zou worden: "niet één profeet is ons tot troost gebleven en niemand weet hoe lang dit duren zal." De Heere zende dan uit grondeloze barmhartigheid nog de Geest der genade en der gebeden, die met smekingen en zuchtingen de troon der genade bestormt, opdat Hij, in plaat van ons geheel te verlaten, nog Zijn licht en waarheid mocht neerzenden, opdat die ons geleide in de grazige weiden van Zijn eeuwigblijvend getuigenis. En zo teruggaande in het verleden zegt Salomo: „Gij hebt Uwen knecht koning gemaakt, in de plaats van mijnen vader David". Niet hij had zich tot dat ambt opgeworpen, maar Gij hebt Uwen knecht koning gemaakt. Welk een onuitsprekelijk voorrecht, welk een absolute noodzakelijkheid is dit voor een Dienaar van het Woord. Welk een vaste pleitgrond is dit bij alle bestrijding van
binnen en van buiten voor 's Heeren knechten. Och, dat een ieder, hetzij hij in opleiding tot het ambt is of reeds in het ambt gesteld zijnde, dit mocht onderzoeken voor het Aangezicht des Heeren, of het met hem alzo gesteld is. Voor dit gekend wordt, zal er eerst bevindelijk moeten geleerd zijn dat God naar ons gevraagd heeft, toen wij naar Hem niet vroegen. Eerst zullen Gods knechten geleerd
moeten hebben het wonder van Gods vrije genade, die hen, toen ze dood waren in zonden en misdaden, van de tichelovens der zonde heeft verlost. Maar dit is niet genoeg, om een herder en leraar te wezen. Daartoe is ook vereist dat men weet niet
zichzelf tot dat ambt te hebben begeven, maar dat men als een onwillige, ja als de onwilligste, door 's Heeren hand gewillig gemaakt is tot dat werk, op den dag Zijner heerkracht. „Gij hebt Uwen knecht koning gemaakt." De Heere beware genadiglijk onze Kerk voor Adonia's en Absaloms, die de pleitgrond in Gods eenzijdige roepingswerk missende, nooit verder komen dan „ik heb mij koning gemaakt", „ik heb mij tot dat werk begeven'. Wij weten het wel, het is geen kleine zaak te kunnen pleiten in den weg tot het ambt op Gods eigen werk, maar noodzakelijk is het eveneens, zulks grondig, geestelijk en bevindelijk te kennen. O, mijn vrienden, zo ge het niet kent, die vaste pleitgrond in
den weg der roeping tot het ambt, bedenk dan nu, dat Gods geduchte wraak zal uitgestort worden over hen, die zich ongeroepen tot dat heilig werk begeven. Nog kunt u wellicht een eerzame schoenmaker of kantoorbediende worden, of wilt u advocaat
of dokter, maar wat wij u bidden mogen, lees en onderzoek biddend Ezechiël 34 en beef voor Gods gerechte toorn over ongeroepen herders uitgestort en verlaat de weg, welke voor u een eeuwige nacht zou baren en voor Gods Kerk en volk ten hoogste
schadelijk is. Maar Salomo kon het getuigen: „Gij hebt Uwen knecht koning gemaakt" en als hij zo gepleit heeft op Gods betoonde weldadigheid in het verleden, dan in de tweede plaats
II. getuigt zijn bede van een doorvoeld zware taak voor het heden.
„Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt."
Welk een ontzaggelijke taak! Uw volk, hetwelk Gij verkoren hebt. Dat is Gods volk, hetwelk Hij in de eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren. Een volk in zichzelf zwart, vanwege de dienstbaarheid der zonde, maar liefelijk in Hem, Die hen gekocht heeft met Zijn bloed. Uw volk, dat is het volk van God de Almachtige, van Jehova, de God des Verbonds, Die hen in Zijn handpalmen gegraveerd heeft.
• Dat volk heeft een andere afkomst dan de wereld. Hun geboorteakte ligt in de stilte der eeuwigheid, en krachtens verkiezende genade is er in het leven van dat volk een ogenblik gekomen dat hen werd toegeroepen, toen ze vertreden lagen in
hun bloed op het vlakke des velds: „Leef in uwen bloede, ja leef". Toen werden ze geboren uit water en geest.
• Dat volk heeft andere wetten dan de wereld. Zij hebben een vermaak in de wet Gods naar den inwendige mens. Gods wet is hun dierbaar geworden. En al is het, dat ze dagelijks moeten klagen over het kleine beginsel der gehoorzaamheid, hetwelk hen doet uitschreien: „ Ik, ellendig mens", nochtans begeren ze voor den Heere te leven, kon het zijn in volmaaktheid.
• De wet Gods hebben zij geestelijk leren kennen en toen ze zo Gods wet en heiligheid leerden kennen hebben ze het uitgeroepen: „Wie kan dan zalig worden." Toen leerden ze dat zalig worden van 's mensen kant onmogelijk is, maar de Heere heeft hen toen gewezen op Hem, die Gods heilige wet in het binnenst Zijns ingewands gedragen heeft, waarop zij een ontsluiting ontvangende in Hem, door het geloof hebben uitgeroepen: „Bij God zijn alle dingen mogelijk." Alle dingen mogelijk, dus ook dat zo een hellewicht en Godverlater, uit vrije genade
zou zalig worden.
• Dat volk heeft een andere toekomst dan de wereld. Hun toekomst is om eenmaal verlost zijnde van het lichaam des doods en der zonde te wandelen in lange witte klederen, met palmtakken der overwinning, om dan nooit meer te zondigen, nooit meer om te zwerven, maar om Gods eer en deugden eeuwig te loven en te prijzen. Uw volk, dat is in Christus een Koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk.
En nu staat Salomo in het midden van dit volk, hetwelk ziet op roeping en taak. In het midden, dat wijst op de grote verantwoordelijkheid en hoge roeping. Zo staan Gods knechten krachtens roeping en taak in het midden van Gods Kerk, daar het knechten zijn van Hem, van Wien we lezen: "en Hij stond in het midden van hen". Uw knecht, is in het midden van Uw volk, dat, is met een ontzaggelijke taak, en hoge
verantwoordelijkheid.
En als we dan vragen aan Salomo: hoe staat u daar? dan antwoordt hij, en al Gods ware knechten met hem, „als een klein jongeling, die niet
weet in te gaan noch uit te gaan". Een klein jongeling, d.w.z. onmachtig en hulpeloos in zichzelf, één die het niet weet en niet kan. Eertijds had David zijn zoon genoemd een wijs man, maar ziende de taak, die hem wacht, beschouwende eigen onbekwaamheid, noemt Salomo zich voor den Heere een klein jongeling, die niet weet in te gaan noch uit te gaan. Velen in Israël zullen hem hebben willen pleisteren en opbeuren, zeggend: Salomo u hebt toch uw onderwijs genoten van uw vader David, die voortreffelijke koning. U hebt toch de mannelijke leeftijd bereikt en u prijzen toch de mensen als een wijs man, bedeeld met uitnemende gaven.
Maar, als dan ontdekkende genade Salomo leert wie hij is en wat van hem gevraagd wordt, dan kan hij, Gode zij dank, niet verder komen, dan een klein jongeling, onwetend en onmachtig in zichzelf.
Ach, dat wij, broeders kerkenraad, u vergrijsd in uw ambt en wij nog jeugdig, nooit méér mochten worden als van die kleine jongelingen, die het niet weten en niet kunnen. Dat wij dan nu en steeds elkander eerlijk mochten behandelen en waarschuwen indien wij zouden bemerken, dat wij meer worden dan kleine jongelingen. Maar dan onuitsprekelijk voorrecht om zo als kleine jongelingen, onmachtig in onszelf, te mogen zinken en zakken door het geschonken geloof op die Meerdere Salomo, die als Profeet en Onderwijzer van Zijn Volks, Borgtochtelijk een weg bereid heeft, waarop zelfs de dwaas niet dwalen kan.
Zalig voorrecht om zo door het geloof te mogen zakken op Hem, die als klein jongeling in de Tempel van Zijn Vader, Zijn onwetende en dwalende Kerk kwam toe te voegen: „Weet gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?"
Hij Borgtochtelijk werkzaam als klein Jongeling in de dingen van Zijn Vader, opdat Zijn kinderen en knechten het zouden mogen leren, dat dit de ware wijsheid is, om uit Hem bediend wordende, in zichzelf al dwazer te worden, en het nochtans te leren beleven, in de gangen van het aanklevend geloof, dat Hij ons geworden is tot wijsheid.
O, Geest des Heeren, ontdek ons, maak ons armer en nooddruftiger, maar bedien ons dan als kleine jongelingen uit Zijn volheid tot ware wijsheid en kennis Gods. Dan, bij tijden, mag de ziel van Gods arme volk zich hierin verheugen, dat Hij de Alwijze Profeet, Zijn Vader gedankt heeft, dat deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn, maar dat ze de kinderkens geopenbaard zijn, naar het eeuwig
welbehagen van de Drie-enige God. En als Salomo dan zo getuigd heeft van de doorvoelde zware taak voor het heden, dan
zal hij in de derde plaats smeken
III. om onmisbare bekwaming voor de toekomst,
uitroepend: „Geef dan Uwen knecht een verstandig hart." Een verstandig hart, mijn toehoorders, wil naar het grondwoord zeggen een luisterend of een horend hart. Een luisterend hart, dat het geleerd heeft te horen naar wat de Heere Zijn volk komt te openbaren. Daarom zegt de Kerk: „Merk op mijn ziel wat antwoord God u geeft." Een verstandig hart, dat is een horend hart.
• Ten eerste naar wat de Heere zegt in Zijn dierbaar getuigenis. Zulk een hart luistert naar de opdracht des Heeren aan Zijne knechten, n.l. „Gij zult hen van Mijnentwege waarschuwen", zoals we deze ochtend mochten beluisteren.
• Een verstandig hart, o zulk één is geen vreemdeling van Gods verborgen omgang te vinden, daar aan zulk een hart de Heere de heilgeheimen van Zijn Vredeverbond komt te tonen.
• Geef dan Uw knecht een verstandig hart, dat is een vragend hart: Heere, wat zal ik prediken; Heere, ach zeg Gij het toch hoe Uw woord moet ontsloten worden?
• Een verstandig hart is een luisterend hart, wachtend en uitziende naar de bediening des Geestes of het God de Heilige Geest mocht believen het Woord te ontsluiten en te openen. Een verstandig hart is een Samuëls hart wat het geleerd heeft: „Spreek Heere, Uw knecht hoort".
• Een verstandig hart is zulk een hart, dat, al zeggen duizend stemmen van binnen: „Hij heeft geen heil bij God", nochtans onder de bestrijdingen, aanvallen en duisternissen, geen vreemdeling is van de zalige betuiging van de psalmdichter:
„Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G' uit al 't aards gedruis,
Doet naderen en Uw heilstem horen,Ja wonen in Uw huis."
• Maar ook hebben Gods knechten nodig een verstandig hart om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad. Om te kunnen onderscheiden tussen het werk des Geestes en des vleses, tussen het werk van algemene overtuiging en genade en het bijzonder en zaligmakend werk.
• Geef dan Uw knecht een verstandig en luisterend hart, opdat hij mag beluisteren het kirren der duif, het schreien naar God van een arme, verloren zondaar, die het leven in eigen hand niet meer kan houden. Geef dan Uw knecht een luisterend hart, opdat hij mag beluisteren het zuchten over de zonde en het Godsgemis, van een alles meer en meer verliezend en stervend volk.
• Een verstandig hart, opdat de stem van een blinde Bartimeüs opgemerkt moge worden, opdat het geroep van een melaatse, kreupele en door den duivel bestredene gehoord mag worden, om aan een schreiend, missend, klagend, uitziend volk te mogen verkondigen de allesoverklimmende genade in Christus voor arme Rachabs en Manasses, voor stervende moordenaars.
• Een verstandig hart is zulk een hart, dat het Evangelie van vrije genade bevindelijk heeft leren kennen, dat maar één begeerte heeft, namelijk om de weg te mogen verkondigen, hoe in Christus Rachab de hoer een reine maagd zonder vlek en zonder rimpel wordt en hoe Manasse en een moordenaar (úw naam, volk van God) worden geteld bij hen, die in Sion geboren worden, opdat ze hier in beginsel en
eenmaal in volmaaktheid als een koninklijk priesterdom de deugden zouden verkondigen Desgenen, die hen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht getrokken heeft.
• Geef dan Uwen knecht een verstandig hart, om Uw volk, o Heere, te mogen bemoedigen op de reis door de woestijn. O, dat volk van God, wat zooveel moet klagen:
„Zou God Zijn gena vergeten,
Nooit meer van ontferming weten?"
Dat lieve volk van God, dat met David zo vaak moet uitschreien:
„'k Zal tot God mijn steenrots spreken,
waarom Heere vergeet Gij mij"?
• Een verstandig hart, dat is ook een hart waarin de begeerte leeft, dat door de bediening des Woords het volk des Heeren meer en meer ontledigd mag worden. Ontledigd van alle gronden die geen Christus zijn. Ontledigd van hun bekering, ontmoetingen en bevindingen - niet als vrucht, maar als grond - opdat Christus de meerdere Salomo meer en meer een gestalte krijgt in Zijn Kerk. Zulk een dienstknecht zal niet pleisteren met loze kalk, maar in den weg der plaatsmaking voor Christus alleen als grond, door de bediening van het Woord, des Heeren volk
meer en meer trachten te ontdekken aan hun verborgen vijandschap tegen vrije genade. Omdat zulk een dienstknecht er persoonlijk iets van geleerd heeft, dat Gods wegen altijd wegen der ontlediging, uitbranding en ontdekking zijn, wegen om den mens met alles wat hij heeft meer en meer te ontgronden, opdat hij op Christus als den enigen grond der zaligheid mag zinken en zakken. Zo zal zulk één der Kerk Gods nooit anders kunnen leren, dan dat Gods weg met de arme zondaar gaat langs deze weg: „Wat Ik gebouwd heb, breek ik af en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land." Opdat Christus een gestalte verkrijgt in het hart van Zijn Volk. Zo is toch steeds de weg die God met Zijn kinderen houdt, n.l. om het ene weg te nemen, om het andere te stellen.
Dat hier dan wezen mocht een overblijfsel met een verstandig hart, om te luisteren naar wat van die meerdere Salomo geschreven staat tot bemoediging en vertroosting voor een zich al meer en meer onbekeerd kennend volk.
Luister dan, o kinderen Gods:
„Dan zal Hij al Zijn volk beheren,
Rechtvaardig, wijs en zacht
En Zijn ellendigen regeren,
Hun recht doen op hun klacht."
Heere, zo smeken wij, doe dan recht aan Uw ellendigen op Urk, aan Uw knecht, aanUw kinderen. Doe ons dan recht, dierbare en grote Koning, tegen al onze wederpartijders van binnen en van buiten. Regeer Gij ons dan rechtvaardig, wijs en zacht, opdat hier mag staan op de kansel een kleine jongeling die het niet weet en niet kan in eigen kracht, opdat hier mag zuchten onder de kansel een arm en ellendig volk, dat nochtans op de Naam des Heeren betrouwt, uitroepende: „Geef dan Uwen knecht een verstandig hart."
Dat hier dan in deze donkere dagen nog uit grondeloze barmhartigheid een volk mag gevonden worden, dat voor den leraar en voor zichzelf de eenzame plaatsen kent en verwaardigd wordt om het uit te smeken: „Geef dan Uwen knecht een verstandig hart".
TOEPASSING.
Toehoorders, eenmaal hebben wij allen een verstandig hart gehad. Toen mochten we luisteren alleen naar wat de Heere zei. Eenmaal was in Adam onze vermaking dag en nacht om te horen naar de stem van God. Toen wandelden wij in het licht van Zijn vriendelijk Aangezicht, van uur tot uur, in de volzalige gemeenschap met God Drieenig Maar toen, o dodelijk uur, hebben we geluisterd naar den vader der leugenen, die
mensenmoorder van den beginne. En vanaf dat uur zijn wij gevallen in een dodelijke dwaasheid. Een dodelijke dwaasheid, zodat we kunnen menen voor God te kunnen bestaan en het toch straks, wat God verhoede, zullen horen: "Ik heb u nooit gekend." Arme zielen op weg en reis naar de eeuwigheid, de Heere ontdekke u nog in het heden der genade aan uw dwaasheid, onmacht en onwil en binde u het gewicht uwer zielen op uw hart voor het voor eeuwig te laat is. Wij moeten worden wat we zijn, door ontdekkende genade en leren zien en bevindelijk kennen, dat wij van nature in een dodelijke staat liggen, dat wij vijanden van God en Christus en van vrije genade zijn. O, toehoorders, de godsdienst zal u niet zalig maken, (doop, belijdenis en heilig avondmaal) zullen u, arme verlorene, niet kunnen behouden en wie daarop, zij het dan heimelijk, steunt en leunt zonder zielsbevindelijk, grondig en geestelijk een verloren zondaar voor God te zijn geworden, zal in de eeuwigheid ontdekken, dat het Tyrus en Sidon in de rampzaligheid verdragelijker is, dan het rijke en ruime Christendom van onze dagen.
Mijn toehoorders, ik hoop van harte dat mijn komst naar Urk u niet ten oordeel, maar mocht het wezen tot uw eeuwig voordeel mocht zijn. Nochtans de koning der Kerk heeft het gezegd, dat Hij niet gekomen is om vrede te brengen, maar het zwaard. Het Woord, dat wij hopen te prediken zal wezen een reuk des doods ten dode en naar ik bid, ook een reuk des levens ten leven. Daar zullen er hier zijn, die na deze keer wel niet meer hier in dit Godshuis zullen komen, aangezien zij een ruimere en gemakkelijker weg naar den hemel zoeken. U zeggen wij in de Naam des Heeren HEEREN, dat zo wie hier niet aan zijn Godsgemis ontdekt wordt en als een arme verloren zondaar voor God in het stof leert kruipen; dat, wie hier niet de onmogelijkheid van zalig worden aan 's mensen kant leert beleven, om dan als een gans ontblote en melaatse tot Christus door het geloof de toevlucht te leren nemen, straks in den dag der dagen, staande voor den rechterstoel van Christus,
ook bewenen zal deze ure, welke tegen hem getuigen zal tot in alle eeuwigheid. Dat de Heere, dan uit Urk mocht doen opstijgen het „wee ons, dat wij zoo gezondigd hebben", en dat één vraag uw ziel mocht vervullen: „is er nog een weg om deze welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen". Dat er één roep mocht opgaan, bij dagen en bij nachten: „Heere bekeer ons" en dat gij geen rust meer kunt
vinden in de uitwendige weldaden des Verbonds, maar dat gij als ongelukkige, God missende mensen, mocht leren pleiten op de ontfermingen Gods in Christus. Wie weet, God mocht zich wenden! O, mijn vrienden, wij smeken u bij het heil uwer zielen, laat u in deze hoogst
gevaarlijke dagen niet pleisteren noch opbouwen door mensen, door te gaan rusten op gronden, die straks zullen blijken droggronden te wezen.
Zijn er in ons midden nog arme zondaars? Zijn er nog die geleerd hebben dat alles zonde is. Zonde uw slapen, uw eten, uw lopen ja dat u één klomp zonde, vijandschap, verderf en verdoemelijkheid bent? Zijn er nog die naar binnen blikkende het moeten uitroepen: „Het land is vol van donkere moordspelonken?" Welaan dan, er is nog een weg ter ontkoming. Er is nog een gewillige, vriendelijke, welmenende Zaligmaker, die
de grootste der zondaren nodigt om met Hem te eten. Hij roept het u toe, door het Evangelie op dit ogenblik: „Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven''.
O, rustelozen, door onweder voortgedrevenen, vol erbarmen staat Hij met uitgebreide armen om u te nodigen. Gij die overal de dood hebt leren zien en bewenen, och, dat u verlichte ogen des verstands mocht ontvangen om Hem te aanschouwen in Zijn schoonheid. Dan zult u het uitroepen, al ziet u Hem door traliën en nevelen heen, al raakt u dan slechts den zoom van Zijn kleed aan: „Al wat aan Hem is, is gans
begeerlijk".
Tenslotte volk des Heeren, de Heere verwaardige u met alles in Hem te eindigen. U kent door genade u zelf, dus ook ons, in die weg zullen we elkaar niet tegenvallen. Dat we elkaar dan mochten ontmoeten nu en straks in Hem, in Wien de Kerk volmaakt is, in Wie Rachab een reine maagd is zonder vlek en zonder rimpel. De Heere schenke ons maar een uitziend leven naar die ure, waarop de intrede van
Gods arme volk zal plaatshebben hier Boven, alwaar de Kerk op grond van het plaatsbekledend en plaatsbereidend werk van haar grote Koning, Profeet en Priester het lied zal aanheffen:
„Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden,
De poorten der gerechtigheid;
Door deze zal ik binnentreden,
En loven 's Heeren majesteit".
Amen.