Jesaja 46:12-13 'De Borggerechtigheid van Christus' ds. R. Kok

JESAJA 46 : 12, 13.

Hoort naar Mij, gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt, Ik breng Mijne gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Zion, aan Israël Mijne heerlijkheid.
Ps. 73 : 14
De borggerechtigheid van Christus is: Lezen Jes. 46 : 1
l. Een vernieuwende gerechtigheid Ps. 71 : 11, 14
ll. Een verlossende gerechtigheid Ps. 103 : 1, 3
lll. Een verheerlijkende gerechtigheid Ps. 22 : 16

Geliefden! – Al de gedachten, die wij vermeld vinden in ons tekstkapittel, concentreeren zich om het ééne woord d r a g e n.
De afgoden wierden gedragen. „Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem en zetten hem op zijn plaats”. Daar staat hij dan, totdat hij weer opgenomen, rondgedragen wordt met statie, tot vreugde van zijn onder¬danen. Het was een god, geformeerd uit het stof der aarde, die gedragen moest worden, want hij kon van de plaats, waar hij gesteld was, niet wijken.
Bel en Nebo, de goden der Chaldeërs, hebben den strijd verloren. Verslagen zijnde gaat Bel zich krommen, Nebo zich buigen. Nu worden hunne goden weer gedragen, niet gedragen met statie, maar met de schan¬de der verachting. De vermoeide beesten zuchten onder het dragen van de goden, die door den overwinnaar weggedragen worden met schande, daar zij met de beesten worden gelijkgesteld.
Daar is een roofvogel geroepen van het Oosten, de man Mijns raads, zegt de Heere, uit verren lande, Kores, die snellijk met zijn heirlegers is gekomen om Babel te verwoesten. Als knecht van den Heere moet hij de afgoden van de Chaldeën op zijn beesten laden, om die weg te dragen met schande. In dat verband zegt de Heere: „Hoort naar Mij o huis Jacobs en het gansche overblijfsel van het huis Israëls, Gij die van Mij gedragen zijt van den buik aan en opgenomen van den baarmoeder af en tot den ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen”. Vanuit Egypte heeft de Heere Israël gedragen, gelijk een arend zijn jongen draagt op zijn vleugelen. De Heere heeft Zijn volk gedragen van de baarmoeder af en Hij zal Zijn volk dragen tot den ouderdom en grijsheid toe. Gelijk Hij het volk des Verbonds gedragen heeft vanuit Egypte, zal Hij het ook dragen vanuit Babel en brengen in het land vloeiende van melk en honig. Hij neemt dat volk op uit de ellende in de armen van Zijne borggerechtigheid, om hen in Zijn heil en heerlijkheid te laten deelen.
De borggerechtigheid van Christus is:


l. Een vernieuwende gerechtigheid.
Hoort naar Mij, gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt. Het volk is stijf van hart en ver van de gerechtigheid. De Heere is kenner des harten, Hij weet, hoe het gesteld is in het hart des menschen. In ons hart is een wereld van ongerechtigheid. De zonde is geheel in ons hart, ons hart is geheel in de zonde. Het is een hart dat ondeugdzame gedachten smeedt, dat bedriegelijk is. In het hart des menschen, dat weinig waard is, niet meer waarde heeft, dan om als brandhout voor de hel te dienen, stelt de Heere belang. Hij spreekt hier over en tot ons hart: Gij stijven van hart. Zoo is het hart niet voortgekomen uit des Scheppers hand. Zoo is het geworden door de zonde. Het is noodzakelijk, kennis te bekomen van de gesteldheid des harten. Vanwege onze groote oppervlak-kigheid leven wij over ons hart heen.
Het stijve hart is stout, onbeschaamd en overmoedig. Met een groote dosis brutaliteit leeft de mensch voort, alsof hij nooit kwaad gedaan heeft; zonde is geen zonde, schuld is geen schuld voor hem. Bij die onbe¬schaamdheid is hij nog overmoedig, door een verbond te sluiten met de dood, een verdrag met de hel. In zijne vermetelheid gaat hij tegen God in, veracht hij het Woord, leeft hij roekeloos voort. Het stijve hart is stug, het verhardt zich tegen de ernstige en welmeenende roepstemmen des Heeren. De mensch houdt met die stugheid zijn hart gesloten voor den Heere, veracht de aanbiedingen van Zijn genade.
Het stijve hart wil niet bukken voor God, niet buigen in het stof der ver¬ootmoediging. Het doet in zijn brutaliteit, alsof het onafhankelijk is van den Heere. Met die gesteldheid des harten wil de mensch geen schuld bekennen, geen straf aanvaarden, daar leeft hij overheen.
Het stijve hart is eigenzinnig, het denkt zijn eigen heer en meester te zijn. De beste raad met de duidelijkste onderwijzingen die hem gegeven worden, neemt hij niet aan. Het stijve hart leeft, zoals het leven wil ten koste van alles.
Tot dat stijve hart zegt de Heere: „Hoort naar Mij”. Het wil niet hooren, want het is ver van de gerechtigheid op den weg der ongerechtigheid. Gods gerechtigheid eischt den mensch op voor Zijn dienst. Hij heeft recht op ons uit kracht van schepping, van het Verbond der werken, van Zijn onderhouding van den mensch. Recht op den mensch, daar hij leeft op de erve van het Verbond der genade, met het teeken des Verbonds aan den lijve. Gods eischende gerechtigheid erkent Hij niet, Zijn wrekende ge¬rechtigheid telt Hij niet. Door zijn liefde tot ongerechtigheid wijkt hij steeds verder van den weg der gerechtigheid.
Daar is vanwege de zonde niets in den mensch, wat hoop geeft op beter-schap, Heeft de Heere dan wèl verwachting van den mensch? Zoo Hij geen verwachting van hem heeft, waarom zegt Hij dan: „Hoort naar Mij”. Toen de Heere Adam riep in den Hof: „Waar zijt gij!” was het hooren, komen en antwoorden geen vrucht van Adams welwillendheid, maar van het herscheppende werk der genade. Adam moest hooren, moest komen, moest antwoorden, want God had hem ten doel.
Zoo is het ook hier, als de Heere zegt: „Hoort naar Mij”. God kwam met en in Christus tot Adam, gelijk Hij hier met en in de borggerechtigheid van Christus komt tot deze stijven van hart, die verre zijn van de ge¬rechtigheid.
Stijven van hart, die verre van de gerechtigheid zijn, rekent God de ge¬rechtigheid van Christus toe door een innerlijke vereeniging des harten met Christus, onder de bearbeiding des Heiligen Geestes. Buiten dien dierbaren Zaligmaker is God een verterend vuur en een eeuwige gloed. Vriendelijk uitnoodigend spreekt Hij tot het booze zondaarshart, dat, door de innerlijke vereeniging met Christus vernieuwd zijnde, hoort, daar het ooren ontvangt om te hooren en een hart om op te merken. Gelijk dit hart, bij de vereeniging van ziel en lichaam tot een menschelijk persoon, door de toerekening van Adams ongerechtigheid, Gods beeld verloor, drukt God door die innerlijke vereeniging met Christus zijn beeld af, wat onze cate¬chismus noemt een inlijving in Christus door het geloof. Nu hoort die mensch, hij moet hooren, hij wil hooren.
Dat dit voortvloeit uit de toerekening van Christus' gerechtigheid, door de innerlijke vereeniging des harten met Hem, is de zondaar zich niet bewust. Hij kent Hem niet in de oefeningen des geloofs, al heeft Hij vereeniging met Hem in het wezen des geloofs.
De zondaar hoort zijn naam noemen met de plaats zijner woning. Hij heet stijve van hart, woont in het land der ongerechtigheid, dat ver, heel ver verwijderd ligt van het rijk der gerechtigheid. Dat ben ik, zoo heet ik, in dat land woon ik. 't Is waar, ik ben een stijve van hart, ik heb nooit voor God willen bukken, in de verharding des harten heb ik altijd geleefd. De weg van recht en gerechtigheid werd door mij niet betreden, ik had de ongerechtigheid lief. Mijn weg is de weg des verderfs, mijn pad moet uit¬loopen in de eeuwige rampzaligheid.
Gods eischende en wrekende gerechtigheid wordt ontdekt. Ik ben ver van de gerechtigheid, daar God recht op mij heeft, door Zijne gerech¬tigheid in mij af te drukken in den staat der rechtheid, zoodat ik den weg der gerechtigheid had kunnen houden. Het is niet in woorden uit te drukken, hoever ik van die gerechtigheid ben afgeweken. Die gerechtigheid veroordeelt mijne ongerechtigheid, moet zich wreken aan mijne onge¬rechtigheid. Dat hoor ik nu prediken, dat zegt de Heere mij door zijn woord. Hier valt het stijve hart, dat vernieuwd en verootmoedigd is, de ongerechtigheid af om de gerechtigheid Gods toe te vallen, al wordt het door die gerechtigheid veroordeeld. Het wordt een billijken van, een bukken onder, zelfs een lieven van die gerechtigheid. Hier zijn trappen in. Onder de bearbeiding des Heiligen Geestes krijgt het volk steeds meer kennis van Gods eischende en wrekende gerechtigheid.
Het wordt in de eerste plaats een billijken van die gerechtigheid, dat hart valt God toe. Mijne ongerechtigheid is ongerechtigheid, daar ik Gods gerechtigheid krenk. Al de tegenheden die over mij gekomen zijn heb ik verdiend, daar ik Gods gerechtigheid krenkte. Het billijken van Gods straffende gerechtigheid gaat gepaard met verootmoediging des harten, door het smaken van zijne goedertierenheden. Rechtvaardig had de Heere van mij Zijn hand kunnen aftrekken, mij in mijne ongerechtigheid kunnen laten omkomen. Dat ik nog ben die ik ben, zijn Zijne goedertierenheden, die mijn hart verbinden aan den Heere.
Het wordt een bukken onder de eisch van Gods gerechtigheid. De Heere heeft recht op mij. Hij is het waardig gediend, geliefd en gevreesd te werden. Het stijve hart gaat buigen, steeds inniger, steeds dieper buigen onder de eisch van Gods gerechtigheid, wat met een innige verbreking des harten gepaard gaat. Dat hart kent den Heere in al zijn wegen, het vraagt: „Zou ik dat mogen doen, zou het Gods gunst in goedkeuring weg kunnen dragen?” Tegen Gods wil en wet durft het niet in te gaan van wege Zijne hoogheid en majesteit, het vermag niet tegen Hem te zondigen. Dit is een gezegende onmacht. De vreeze des Heeren is in het hart, houdt over het hart de wacht, waarmede het leven van dat volk versierd wordt. Met steeds meer klaarheid wordt het door hen ingezien, dat zij ver, heel ver van die gerechtigheid geweken waren. Het wordt hen een steeds grooter wonder dat zij door den Heere getrokken zijn uit de heerschappij der on¬gerechtigheid.
Zij, die eertijds verre waren van de gerechtigheid, wenschen zich nu met een biddende afhankelijkheid, verre te houden van de ongerechtigheid. – Het wordt een lieven van Gods wrekende gerechtigheid. Bij het billijken van en het bukken onder Gods gerechtigheid gaat de schuld der ongerech¬tigheid steeds meer drukken. Aan de schuld der ongerechtigheid is de straf van Gods wrekende gerechtigheid verbonden. De straf der zonde vloeit niet voort uit het besluit Gods, maar uit de gerechtigheid Gods, al is het volkomen waar, dat het besluit Gods gaat over het straffen der ongerech¬tigheid. De straf der zonde vloeit voort uit de natuur van Gods gerech¬tigheid, die ten opzichte van de zonde een wrekende gerechtigheid is, wat ons duidelijk blijkt uit het lijden van den Borg tot verheerlijking van Gods wrekende gerechtigheid.
Het is voor het innerlijk leven van Gods kinderen van groote beteekenis, Hem in zijn wrekende gerechtigheid te lieven, steeds meer te lieven. Om door de borggerechtigheid van Christus behouden te worden, moeten wij onder de eisch van Gods wrekende gerechtigheid eerst verloren gaan, daar Hij verloren zondaren zoekt en zalig maakt. De mensch, die verloren ligt, gaat onder de eischen van Gods wrekende gerechtigheid, daadwerke¬lijk verloren. Hij wordt van alles afgesneden, waarop hij voorheen nog steunen kon, hopende op de eeuwige zaligheid. Hij zinkt nu weg in zijn verlorenheid en verdoemelijkheid zeggende: „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben”, Jes. 6. Het vonnis des doods, dat over hem uitgesproken is, wordt van ganscher harte aanvaard. De zondaar lieft en kust Gods wrekende gerechtigheid met de bekentenis, den eeuwigen dood verdiend te hebben. Hier bekomt men niet alleen een welgevallen in de tijdelijke, maar ook in de eeuwige straffen van onze ongerechtigheden. Nu kent deze ziel het onderscheid tusschen het billijken, dat gepaard ging met liefde tot Gods eischende gerechtigheid, en het lieven en omhelzen van Gods wrekende gerechtigheid. Hier kan de Heere met eerbied gesproken hem geen kwaad meer doen. Niets heeft het hart tegen op Gods wrekende gerechtigheid, die hij kust, wel duizend maal kust, met de bekentenis, dat zijne verdoemenis recht en redelijk is. Zij is wel zwaar, ontzaglijk zwaar, maar niet te zwaar. Zij is geheel in overeenstemming met het kwaad der ongerechtigheid, erf- en dadelijk door mij bedreven.
Hoort naar Mij, gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt. Zij hooren niet alleen dat God spreekt, maar ook wat de sprekende God zegt. Achter dezen Goddelijken volzin staat een punt. Achter dit herscheppend, hartvernieuwend spreken zet God een punt in ons hart en leven, die daar onuitwischbaar blijft staan. Het is een keerpunt in ons in¬nerlijk leven. Daar zijn punten in het leven van Gods kinderen, die zij nooit vergeten, waaraan zij gedurig terug denken, waarvan zij de beteekenis steeds duidelijker krijgen te verstaan.
De Heere is nog niet uitgesproken. Op dezen Goddelijken volzin volgt achter deze punt een tweede volzin. Daar staat niet: Ik zal Mijn toorn, Ik zal het oordeel der verdoemenis eeuwig over u uitgieten. Dat had er kunnen staan, dat zou rechtvaardig geweest zijn. Maar neen, daar staat iets anders. Hoort bedroefden, hoort bedrukten, hoort boetvaardige zon¬daren, wat hier staat: „Ik breng Mijne gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Zion, aan Israël Mijne heerlijkheid”. De borggerechtigheid van Chris¬tus is:

II. Een verlossende gerechtigheid.
Door de Goddelijke toerekening van de borggerechtigheid Christi, is de zondaar een nieuw leven deelachtig geworden. Met een innige boetvaar¬digheid is het door hem bekend voor het aangezicht des Heeren, stijf van hart en verre van de gerechtigheid te zijn. Deze menschen weten, dat zij geen gerechtigheid van zichzelf hebben, waarmede zij kunnen bestaan voor het aangezicht des Heeren. Maar hoe worden zij nu door het geloof werkzaam met de gerechtigheid van Christus? Al is die gerech¬tigheid hun toegerekend in het wezen des geloofs, dat hen met Chris¬tus vereenigt, daarom kennen zij die gerechtigheid nog niet in de oefeningen des geloofs. Dat de tollenaar, door de toerekening van die gerechtigheid in het wezen des geloofs, een nieuw leven deelachtig was, blijkt uit zijn staan en bidden in den tempel, maar door de toerekening van die gerechtigheid in het bewustzijn des geloofs, ging hij gerechtvaar¬digd naar huis. Hoe de Heere dit schenkt en werkt in de harten van Zijn kinderen, moet met een biddend opzien tot den Heere overdacht worden, daar wij geheel afhankelijk zijn van de onderwijzingen en wer¬kingen des Heiligen Geestes.
„Ik breng Mijne gerechtigheid nabij”. Het is een werk, dat van God uitgaat. De Rechter van hemel en aarde komt met Zijne gerechtigheid tot den boetvaardigen zondaar. Hij openbaart Zijn Zoon: „Den Heere onze Ge¬rechtigheid”, in het hart van die bedrukte en bedroefde zielen. „Onze Koning is van den Heilige Israëls”, Ps. 89.
De Heere Jezus is geheel gerechtigheid, borggerechtigheid voor zijn volk. Dat is Hij in Zijn persoon, namen, naturen, staten en ambten. Zijne borg-gerechtigheid is een goddelijke gerechtigheid, die voldoet en alleen voldoen kan aan de eischende en wrekende gerechtigheid Gods. Het is een gerechtigheid, die wel voor duizend werelden toereikend is. Hij is geheel het eigendom des Vaders, staande in dienst van den Vader. – Met die gerechtigheid komt de Vader van uit de eeuwigheid, van uit den Raad des vredes, tot den verloren zondaar, die zijne verlorenheid kent en belijdt. Dit doet de Vader niet om eenige waardigheid in den zondaar, maar om de verheerlijking van Zijn grooten Naam, door Zijn Woord en Geest. In de prediking van het Woord openbaart Hij dien dierbaren Zaligmaker.
De prediking van die borggerechtigheid, wordt dien boetvaardigen zondaar, die in zichzelf het ongelukkigste mensch van de wereld is, dierbaar. De deur der hope gaat hem open. Al is het vanuit de verte, zoo ziet hij toch eenige ruimte om zalig te worden. Door die gerechtigheid kon het Joodsche volk, dat het diep verzondigd had, uit zijn ballingschap verlost worden en kunnen alle verloren zondaren uit den afgrond der ellende opgehaald worden. Met verwondering des harten zegt dat hopende volk: „O Heere, in dien weg zou ik nog zalig kunnen worden, met behoud van Uwe gerechtigheid, door mij geschonden.”
„Ik breng Mijne gerechtigheid nabij”, zegt de Heere. Door de onderwij¬zingen des Woords brengt de Heere die gerechtigheid steeds dichter bij. Met steeds meer klaarheid aanschouwen zij den weg der gerechtigheid. Dat wil niet zeggen, dat zij geen donkere tijden meer kennen. Daar komen gewoonlijk weer tijden van donkerheid, waarin de onmogelijkheid om zalig te worden dieper gevoeld wordt dan ooit. De geestelijke bruilofts¬kinderen stonden er veel verder van af dan ooit, toen de Heere Jezus in het graf lag, vanwege de donkerheid der geestelijke onkunde. Wordt het weer licht, dan zien zij met meer klaarheid de dierbaarheid van die gerechtigheid.
Bij het zien van die mogelijkheid, worden zij door de ontdekkingen des Heiligen Geestes steeds meer overtuigd van de noodzakelijkheid, door die gerechtigheid van Christus bedekt te worden. Het is niet mogelijk zonder die gerechtigheid vergeving der zonden en een recht ten eeuwigen leven te ontvangen. Naarmate dat volk Gods eischende en wrekende ge¬rechtigheid leert kennen, wordt het gemis van die borggerechtigheid smar¬telijker. De bede: „O Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn borg”, Jes. 38, wordt steeds inniger gebeden.
Maar met al die werkzaamheden en genietingen des geloofs, staat die ge¬rechtigheid nog buiten hun bereik. De zucht: „Ik sta nog voor eigen reke¬ning”, wordt geslaakt. Hoe wordt die borggerechtigheid nog ooit mijne gerechtigheid? is de vraag, die zij niet kunnen beantwoorden. Het deel¬achtig worden van die borggerechtigheid staat in verband met uwe in¬nerlijke verhouding tegenover Gods eischende en wrekende gerechtigheid. Die bij het licht des Geestes dieper af krijgt te dalen in Adams val, in de verdoemelijkheid van zijn bestaan, gaat Gods eischende en wrekende gerechtigheid met meer bewustheid en beslistheid beminnen en lieven. „Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen”, tot verlos¬sing van Mijn volk uit de gevangenis, wat voor het Joodsche volk en ons alleen mogelijk is door de gerechtigheid van Christus. Hij brengt die ge-rechtigheid onder het bereik van Zijn volk. De Heere wijst en prijst die gerechtigheid aan door Zijn Woord en Geest, zoodat het hart vrijmoedig¬heid bekomt, op die gerechtigheid zich te verlaten.
Het is een Gode welbehagelijke daad, in de gerechtigheid van Christus zich te verheugen, die aan te nemen als een geschenk van God. In die gerechtigheid is de vergeving der zonde, het recht ten eeuwigen leven. Christus is mijn gerechtigheid in Zijn geboorte. Met Zijn heilige ontvange¬nis en geboorte bedekt Hij mijn zondige ontvangenis en geboorte. Mijn gerechtigheid is Hij in Zijn lijden en sterven. Hij heeft volmaakt aan de eisch van Gods wrekende gerechtigheid voldaan. Mijn gerechtigheid is Hij in Zijne volmaakte onderhouding van de wet. Nu mag ik het ervaren, dat de Heere mij in Hem aanschouwt, vriendelijk op mij nederziet. In Zijne gerechtigheid ben ik volmaakt, denkt mijn hart met blijdschap aan den Heere, aan de eeuwigheid, om eeuwig bij Hem te mogen zijn.
Daar is onderscheid, of de Heere ons op die borggerechtigheid wijst, of dat wij den Heere op die gerechtigheid van Christus wijzen. De Heere wijst Zijn volk op de borggerechtigheid van Christus, om haar aan te nemen, om zich geheel daarop te verlaten. Van Godswege mag ik dat doen, moet ik dat doen, het wordt een heilige vanzelfsheid, zich door het geloof op die gerechtigheid te verlaten.
Maar het is ook des Vaders wil met die borggerechtigheid van Christus tot Hem te komen gelijk hij er mede gekomen is tot Zijn kind. In het gebed is het altijd en alleen een pleiten op die gerechtigheid. Wat wij den Vader bidden in Zijn naam, wordt door Hem geschonken. Gegrond in, bekleed met die gerechtigheid, heeft Gods kind groote vrijmoedigheid, in te gaan in het binnenste heiligdom.
Steunende door het geloof op de borggerechtigheid van Christus, staat Gods kind sterk tegenover den vijand. De verklager der broederen, die ons verklaagt vanwege onze ongerechtigheden, is alleen te overwinnen door de gerechtigheid van den Borg. Roemende in den Borg, houdt hij zich verre van u. Satan weet het best, dat het volk, steunende op dien dierbaren Borg, zal ingaan in de eeuwige heerlijkheid.
De wolken, volgeworden zijnde, storten overvloedig water uit. De wolken of daden van Christus gerechtigheid zijn vol geworden, waarom de Vader Hem opgewekt heeft. Zijn werken zijn vol gevonden voor God. De wolken van Zijn werken vloeien van gerechtigheid. Wanneer Gods kind met zijn dorre doodige en onvruchtbare ziel komt onder de wolken van die heerlijke borggerechtigheid, dan vloeien zij van gerechtigheid in hun hart. Dat gebiedt de Heere die wolken, want Hij zegt: „Drupt gij hemelen van boven af en dat de wolken vloeien van gerechtigheid.” Jes. 45. Door deze gerechtigheid wordt Gods kind bedauwd. „Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie”, Hos. 14. Door den dauw versiert de Heere de aarde met de glans der heerlijkheid. Bedauwd met den dauw van Christus gerechtigheid is Gods kind heerlijk in de oogen des Heeren. Gij zijt schoon mijne vriendin, gelijk Thirza, lieflijk als Jeruzalem." Hoogl. 6. Deze dauw van de gerechtigheid valt niet op het gebergte van Gilboa maar wel in het dal Verootmoediging.
Door deze gerechtigheid wordt Gods kind vruchtbaar. Gerechtigheid brengt gerechtigheid voort. „De aarde opene zich en dat allerlei heil uitwasse en gerechtigheid tezamen uitspruite, Jes. 45. Zij doet ons vruchtbaar zijn in ons denken. Nooit raakt Gods kind uitgedacht over de gerechtig¬heid van Christus. Daarover denkende kunnen zij er niet van zwijgen. „Zij zullen Uwe gerechtigheid met gejuich verkondigen.” Ps. 145.
Zij doet ons vruchtbaar zijn in ons willen. Door de heerschappij voerende kracht van die gerechtigheid is Gods kind zeer gewillig. Gewillig om te gaan in den weg der gerechtigheid. Al de genegenheden van het hart verlustigen zich in die gerechtigheid.
Door deze gerechtigheid wordt Gods kind beschenen. De zon der gerechtigheid, die de Heere doet opgaan over zijn volk, geeft genezing. Het is alsof zij ineens van alle zielekwalen zijn genezen. Nu zijn zij gezond in het geloof, in de kennis, in de liefde. Het is alsof u van al die doodelijke zielekwalen verlost is. Geen ongeloof, geen opstand, geen moedeloosheid meer in het hart. Als de zon der gerechtigheid over Uw tent schijnt om in de boter der gerechtigheid uw handen te waschen, dan is u vroolijk in God. Uw bruidegom is uit zijn slaapkamer uitgegaan om zijn bruid te trouwen in ge-meenschap van goederen. Het is een dag der heerlijkheid.
In die gerechtigheid is het suizen van een zachte stilte waarin de Heere ontmoet wordt. Hoe lieflijk is het gesuis der bladeren waarmede de wind zachtkens speelt. Het ademt al van rust en vrede. Zachtkens en lieflijk spreekt Gods kind zijn verwondering uit met de zachte stem der liefde, over den Boom des levens, Die van maand tot maand vrucht geeft, wiens bladeren zijn tot genezing.
Door deze gerechtigheid heeft de HEERE het volk des Verbonds opge¬haald uit de gevangenis, van onder het oordeel, gesteld in zijn gunst. In deze gevangenis moest het volk gesteld worden, daar het leefde in groote overtredingen. Nu wordt het nut van die verdrukking ingezien. De kastijdingen Gods zijn over ons gegaan uit liefde. Nu zegt het volk: „Ik dank U Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgewend en U troost mij”, Jes. 12. Het is u nu een bewijs van uw kindschap; als u een bastaard geweest waart, was u niet gekastijd geworden.
Uit de gevangenis des doods en der ellende, wordt Gods kind verlost, door de gerechtigheid van Hem, die zich Zelf gevangen heeft gegeven, die afgedaald is in de gevangenis der hel en des doods, om Zijn volk er uit op te halen. Hij heeft de gevangenis gevangen genomen om Zijn volk te stel¬len in de vrijheid. Zijn opstanding is daarvan een bewijs.
Gekomen in Zion, zal Hij heil geven, heerlijkheid schenken aan Zijn volk Israël. – De borggerechtigheid van Christus is:


III. Een verheerlijkende gerechtigheid
Op den weg der gerechtigheid geeft de Heere heil, want Zijn heil zal niet vertoeven. Zijn heil vertoeft, blijft achter, wordt niet aanschouwd, niet gesmaakt door verre te zijn van de gerechtigheid. Maar zoodra het volk, door het geloof wandelt op den weg der gerechtigheid, is aan het vertoe¬ven van Gods heil een einde gekomen. Gelijk het oordeel des Heeren rust op den weg der ongerech-tigheid, rust des Heeren heil of zegen op dien der gerechtigheid. Hij zegent Zijn volk met moed en kracht. Moed om de vurige oven te trotseeren, kracht om te wandelen in het vuur. Moed om voor de leeuwenkuil niet terug te deinzen, kracht om temidden van de leeuwen rustig op God te ver-trouwen. Moed om tot den koning te gaan al was de dood er op bedreigd, kracht om te pleiten voor het behoud der Joden in de tegenwoordigheid van Haman.
Op den weg der gerechtigheid geeft de Heere moed en kracht, stad en tempel te herbouwen, ondanks alle tegenstand daaraan verbonden. Als amechtige Joden werden zij bespot en veracht, die nooit iets tot stand zouden kunnen brengen. Maar Gode zij dank waren zij niet moedeloos te krijgen door des vijands smaad. In het geloof, dat fier en dapper is, gaven zij den vijand ten antwoord: „God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken en wij Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen, maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem”, Neh. 2.
Op den weg der gerechtigheid ziet en steunt het volk in het geloof alleen op den Heere. In dien weg wordt het ervaren, dat alle dingen moeten me¬dewerken ten goede. Met de heilige activiteit des geloofs doet het volk, steunende op Gods beloften, stad en tempel herrijzen uit het stof. In het geloof is Gods kind altijd werkzaam tot uitbreiding en opbouw van Gods koninkrijk. Dan is dat volk niet amechtig, al worden zij amechtige Joden genoemd. Alles wordt in het werk gesteld tot verheerlijking van den Heere. Het gaat niet om hun naam en zaak, maar om 's Heeren naam en zaak. De zonde heeft een verlammende kracht, maar de gerechtigheid een versterkende kracht onder de zegen des Heeren, om allen die het hun moeilijk maken te negeeren, bergen van onmogelijkheden te trotseeren, daar de Heere die doet worden tot een vlak veld. „Ik zal heil geven in Zion, aan Israël Mijne heerlijkheid”. David, de man naar Gods hart, heeft deze berg veroverd. Hij heeft op den weg der gerechtigheid, onder de zegen des Heeren, de Jebusburcht ingenomen. Het is de plaats door God verkoren, om daar te wonen, om Israël te doen deelen in Zijn heerlijkheid.
Hier heeft hij de ark des Verbonds geplaatst met vreugde, huppelende voor het aangezicht des Heeren. Hier heeft het volk des Heeren feest mogen vieren, van den koning brood, wijn en vleesch mogen ontvangen. De Heere geeft Zijn volk heerlijkheid, laat hen deelen in zijn heerlijkheid op den weg der gerechtigheid.
In Zion geeft de Heere heil. Hier spreekt de Hoogepriester den zegen weer uit over het volk, dat wandelen mag door het geloof op den weg der gerechtigheid, zeggende: „De Heere zegene u en behoede u; de Heere doe zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig. De Heere verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede”, Num. 6. Vanuit het Verbond wordt het volk gezegend, door den Drieëenigen God. Naar Zijn belofte komt Hij Zijn volk zegenende te zegenen, te behoeden in gevaren, te stellen in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht, met de blijken van Zijn gunst, Zijn aangezicht over hen te verheffen met het genot van vrede, een vrede die alle verstand te boven gaat.
Hier wordt den zegen van Gods verkiezende liefde in Christus gesmaakt. Verkoren door den Vader tot Zijn kind, door den Zoon tot Zijn bruid, door den Heiligen Geest, tot Zijn tempel. Hier komt de Heere Zijn kind bevestigen in den staat der genade, doet Hij hem den naam van Zions kinderen dragen. Daar is onderscheid, of God Zijn kind komt beves¬tigen in den staat der genade, of dat men, uit hetgeen doorleefd is, zelf zijn genadestaat opmaakt.
Hier spreekt de Vader zijn verkiezende liefde uit in het hart des kinds, dat Hij in het uurtje der minne, met het meetsnoer van Zijn verkiezende liefde kwam te omstrengelen, om hem te trekken uit de modder der onge¬rechtigheid. „Ik heb u”, zegt de Vader, aan Mijn Zoon gegeven, Hij heeft u gewasschen in Zijn bloed, bekleed met Zijn gerechtigheid. Hij heeft u aan Mij voorgesteld als een bruid zonder vlek of rimpel en Ik neem u aan tot Mijn kind. Ik ben uw Vader, Ik zal u eeuwig laten deelen in Mijn liefde. Ik geef u, zegt de Vader, een naam en plaats in mijn huis, op den berg Zion, de berg van Mijn verkiezende liefde. De Zoon verheugt er Zich over, dat Zijn bruid, aangenomen door den Vader tot kind, deelt in Zijn Vaderlijke liefde. Dit wordt bevestigd door den Heiligen Geest, door Zijn bediening heerlijk te maken in het hart van Gods kind. „Dezelve Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn”, Rom. 8. Zoo wordt in den tempel des Verbonds op den berg Zion de stem des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes gehoord in den zegen, die over en in het hart van Gods kind wordt uitgesproken.
De heerlijkheid van het tweede huis is grooter dan de heerlijkheid van het eerste huis. Wandelende op den weg der gerechtigheid heeft Maria het heilig kind Jezus mogen baren, mogen brengen voor het aangezicht des Heeren in Zion. Wat een blijde mare is het, als de Heere zegt: „Maar Ik zal heil geven in Zion”. Gelijk Maria op den weg der gerechtigheid den Heere Jezus heeft mogen dragen in het leven, heeft mogen dragen in den tempel, op de berg Zion, draagt de gemeente des Heeren, zwanger zijnde uit den Heiligen Geest, den Heere Jezus uit in de heerlijkheid van Zijn bediening, als Profeet, Priester en Koning, tot verheerlijking van Zijn naam op deze wereld.
Wandelende op den weg der gerechtigheid, heeft de Heere heil gegeven in Zion, toen de kleine gemeente biddende bevonden werd om de uitstor¬ting des Heiligen Geestes. Deze kleine gemeente, deze jeugdige moeder, heeft zich door de uitstorting des Heiligen Geestes, mogen verheugen in de geboorte van 3000 kinderen op één dag. Het is een blijde mare, als de Heere zegt: „Maar Ik zal heil geven in Zion”.
Op de weg der gerechtigheid is de kerk een vruchtbare moeder, wier dankbare kinderen zeggen: „Toen ik een weinigje van hen weggegaan was vond ik Hem, die mijn ziel lief heeft, ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, tot dat ik Hem in mijner moeder huis gebracht had en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft.” Hoogl. 3. Wanneer de moeder wandelt op den weg der gerechtigheid, dan onderwijst zij haar kinderen in het wandelen op den weg der gerechtigheid. Een slordige moeder heeft gewoonlijk slordige kinderen. „Aan Israël mijne heerlijkheid”. Op den weg der gerechtigheid, die Jacobs ziel deed deelen in Gods reddende liefde om hem Israël te doen worden, moest Ezau het onderspit delven. De laat¬ste lettergreep „El” is de naam des Heeren, die ons te kennen geeft, dat Hij oneindig is in kracht en sterkte. De. Heere heeft Zijn Naam in den naam Israël gelegd, als een bewijs, dat Hij de kracht en sterkte Zijns volk is. Uw naam is voortaan Israël „want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de menschen en hebt overmocht”, Gen. 32. Met een vorstelijken naam wordt hij genaamd, met een vorstelijke heerlijkheid bekleed. Op den weg der gerechtigheid, geeft de Heere Zijn volk Israël een vorstelijke heerlijkheid, zoodat de koningen der aarde het volk moeten dienen. Die van Kores zegt: „Hij is mijn herder en Hij zal al mijn welgevallen volbrengen, zeggende ook tot Jeruzalem: „Word gebouwd” en tot den tempel „word gegrond”, Jes. 44.
Op den weg der gerechtigheid wandelt Gods volk door het geloof in Christus, deelt het met Christus in de heerlijkheid van Christus, daar het met Hem deelt in de zalving, waarmede de Vader hem heeft gezalfd. De heerlijkheid des Heeren wordt aanschouwd in al de gangen des geloofs, in al de oefeningen van het leven der oprechten. Met dat heil, met die heerlijkheid geeft Gods kind den Heere heerlijkheid. Het is de natuur des geloofs God te verheerlijken, met de weldaden in Hem te eindigen, Ps. 103: 1, 3.


Toepassing.
Dat wij ver van de gerechtigheid zijn, is vreeselijk; dat wij in de staat der ongerechtigheid zijn is verschrikkelijk, Maar wat erger is dan dat, is dit: de roepstemmen des Heeren niet ter harte te nemen, de aanbiedingen van zijne genade te verachten. Hoort naar Mij, zegt de Heere. Hij roept u vriendelijk, welmeenend, dringend, opdat u het ter harte zoudt nemen. Die ver van de gerechtigheid zijn, worden geroepen tot de bruiloft door verschillende dienstknechten. Het is, alsof de koning wilde zeggen: de eer¬ste dienstknechten hebben u mogelijk niet ernstig, niet dringend genoeg ge¬noodigd, daarom zond ik u andere dienstknechten, die van de heerlijke gerechten spraken, waarvan gebruik gemaakt mocht worden in Mijn paleis. Zoo u die roepstemmen niet ter harte neemt, in uw zorgeloosheid blijft voortgaan, zult u door des konings dienstknechten verdelgd worden. Hoor naar Mij, zegt de Heere. Die ver van de gerechtigheid is, is dicht bij de hel, die ver van de gerechtigheid blijft leven, zal omkomen in zijn ongerechtigheid. De Heere roept u, de Heere biedt u zijne gerechtigheid aan. Door zijn gerechtigheid kunt u bevrijd worden van het oordeel, dat rust op de ongerechtigheid, kunt u deelgenoot worden van de eeuwige zaligheid. Door te wandelen op den weg der gerechtigheid zult u geze¬gend worden door den Heere, bekleed worden als een vorst met heerlijk¬heid. Kan het u niet bekoren? Hebt u de ongerechtigheid nog. lief? Dat is vijandschap tegen God. Door de toerekening van Christus gerechtigheid, kan die vijandschap verbroken, Gods beeld in uw ziel afgedrukt worden, om de ongerechtigheid te haten, den Heere lief te hebben. In dien weg kan de grootste der zondaren nog zalig worden. Het zalig worden is, Gode zij dank, niet afhankelijk van uwe welwillendheid. Daar zijn er die zeggen: „Ik wil niet hooren”, maar berouw krijgen en luisteren met heil-be¬geerige harten. Gelijk de redelijkheid der gerechtigheid de onredelijk¬heid der ongerechtigheid veroordeelt, moet uw redelijk verstand het toestemmen, dat het redelijk is, u af te manen van het pad der onge¬rechtigheid. Overdenk het eens, gij die nog ver van de gerechtigheid zijt. Bedenk het wel, dat God het weet, in welke ongerechtigheid u leeft, al is het verborgen voor de menschen. Al verbergen de kinderen hunne ongerechtigheden voor hun ouders, voor God is het niet te verbergen. Deze roepstem: „Hoor naar Mij, gij stijve van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt” gaat met u mee naar de eeuwigheid. De gerech¬tigheid, die u hier wordt aangeboden tot verlossing van de ongerechtigheid, zal eeuwig getuigen tegen degenen, die er onder verloren gaan. De wrekende gerechtigheid Gods zal eeuwig branden in hun harten, de gerechtigheid van Christus zal eeuwig tegen hen getuigen, daar zij Zijn bloed onrein geacht hebben. Die hier niet wil bukken, zal daar moeten bukken; te moeten bukken en niet te willen bukken is een zware straf.
Daar zijn er, die het bekennen met een innerlijke smart, ver van de gerechtigheid en stijf van hart te zijn. U kunt met uw schuld niet onder God ko¬men, niet buigen in het stof der verootmoediging. Bezie Uw ongerechtig¬heid in het licht van Gods heiligheid en rechtvaardigheid. Overdenk, dat Hij u nog na wandelt met Zijn goedertierenheden. We hadden in onze ongerechtigheid reeds weggezonken kunnen zijn in het eeuwig verderf. Overdenk zijn nederbuigende goedheid, daar Hij u nog doet zijn onder Zijn Woord, in de mogelijkheid om zalig te worden. Zoudt U naar den hemel willen met krenking van Gods gerechtigheid? Neen, dat weet de Heere, Hij kent mijn hart. Belijd dat dan gedurig voor Zijn aangezicht. Als u het niet doen kunt, door de verootmoedigende werkingen des Gees¬tes, doe het dan met uw verstand. Wie weet, God mocht met Zijn Geest eens invloeien om voor Hem te bukken met vernedering des harten.
Leeft u in die verootmoediging en vernedering des harten, dan brengt de Heere u door de prediking des Woords Zijn gerechtigheid nabij. Zou de gerechtigheid van Dien dierbaren Zaligmaker, niet genoegzaam zijn tot uwe zaligheid? Zie toch op Zijn borgtochtelijke gangen, overdenk Zijn lijden in den hof en aan het kruis, uw hart mocht er door vervrijmoedigd worden, aan Zijne gerechtigheid u vast te klemmen. Niets is meer tot ver¬heerlijking van Zijn naam, dan op Zijne gerechtigheid te pleiten voor het aangezicht des Heeren tot vergeving der zonden. Of ziet u wel met eenige verruiming voor uw gemoed op Zijn gerechtigheid, daar u er een moge¬lijkheid in ziet om zalig te worden, zonder de vrijmoedigheid des geloofs, u er aanvast te klemmen? Wat mag daarvan toch wel de oorzaak zijn? Is er soms nog een hoogte van eigengerechtigheid, die geslecht moet wor¬den? Of is een diepte van ongerechtigheid, die niet beweend werd, daarvan de oorzaak? Het kan zijn dat u denkt, dat de Heere zich verre van u houdt met Zijne gerechtigheid, terwijl wij ons terughouden met onze gerechtigheid, die weggeworpen moet worden, of met onze onge¬rechtigheid, die beleden en beweend moet worden. Zie klaarheid te bekomen onder de bearbeiding des Heiligen Geestes in Gods eischende en wrekende gerechtigheid, waardoor wij veroordeeld worden tot den dood, om dat oordeel van ganscher harte te aanvaarden. De gerechtigheid van Christus redt van den dood en schenkt het leven. Het kan nooit genoeg gepredikt worden, dat wij God in Zijn eischende en wrekende gerechtigheid moeten leeren kennen, billijken, lieven en omhelzen. Niets is noodzakelijker dan de vernedering des harten, om die zoete en zalige verlustiging te bekomen in de gerechtigheid van den Borg.
Hoor naar Mij, zegt de Heere. – Die naar Hem luistert wordt altijd ver¬oordeeld in zijn verdorven bestaan. Het Evangelie is niet naar den mensch, het veroordeelt alles wat van Adam is, maar het leven der ge¬nade staat aan de zijde Gods en veroordeelt, wat God veroordeelt. Dat leven wordt er altijd door verkwikt, versterkt en vertroost, als u luistert met de ooren des geloofs naar het Goddelijk spreken van de gerechtig¬heid, die door bloed en tranen, door lijden en sterven, door een volmaakte gehoorzaamheid aan de wet Gods verworven werd. Die gerechtigheid is de poort waar het rechtvaardige volk door ingaat in de eeuwige heerlijkheid. In het hemelsche Zion zal het heil geschonken worden zonder mate. Wat zal dat heerlijk zijn, door God eeuwig gezegend te worden met vrede, blijdschap en zaligheid. Dan zal het Israël Gods met den ver¬heerlijkten Christus eeuwig deelen in zijn volle heerlijkheid, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, in geen menschelijk hart is opgeklommen. In die volle heerlijkheid zal Hij eeuwig verheerlijkt worden, voor Zijn Goddelijk en borgtochtelijk dragen. Hij heeft Zelf in Zijn lichaam de zonden zijns volks gedragen op het vloekhout des kruises, om hen met Hem en in Hem te doen sterven aan de zonden, om der gerechtigheid te leven. „Die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft aan het hout opdat wij der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden, door Wiens striemen gij genezen zijt”, 1 Petr. 2.
Bel en Nebo, die eerst met eere rondgedragen werden, later met schande zijn weggedragen, laten hunnen dienaren in den steek, in de ellende omkomen, want een afgod is niets. „Wij weten, dat een afgod niets is in de wereld”, 1 Cor. 8. Maar de Heere draagt en brengt zijne gerechtigheid in het hart en leven Zijns volks, Hij neemt hen op uit de ellende, waarin zij zuchten om hen te dragen in de armen van Zijne gerechtigheid voor het aangezicht des Vaders, om hen te laten deelen in Zions heil, in Israëls heerlijkheid. Voor die gerechtigheid zal Christus eeuwig verheerlijkt worden. „Mijn mond zal Uwe gerechtigheid vertellen, den ganschen dag uw heil. Ik zal uwe gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen”, Ps. 71.
A m e n.