EZECHIËL 33 : 11.
Zeg tot hen: Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, HEERE, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen, maar daarin heb ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o Huis Israëls?
Ps. 73 : 9
De Goddelijke tempel des Verbonds die Lezen Ezech. 33 : 1 - 11
l. Geopend wordt voor goddeloozen. Ps. 2 : 6, 7
II. Toegankelijk wordt door bekeering. Ps. 116 : 11
IIl. Betreden wordt ten leven. Ps. 105 : 24
Geliefden! Groot is de verantwoordelijkheid, zwaar is de taak voor een wachter over het Huis Israëls. Bij vernieuwing wordt het gewicht dier zaak gebonden op het hart van den profeet, om met des te meer ernst bezig te zijn in het waken over het volk des Heeren. Heeft de wachter gewaakt, geblazen op de bazuin, toen het gevaar des doods dreigde, dan gaat hij vrijuit, als de man, die zich niet liet waarschuwen, door het zwaard is weggenomen. Blaast hij niet op de bazuin, is hij nalatig den man, die in levensgevaar verkeert, te waarschuwen en het heeft den dood tengevolge, dan moet de ontrouwe wachter gesteld worden voor het vuurpeleton des gerichts.
Gods knechten hebben te waken over het zieleheil van hun medereizigers naar de eeuwigheid. Zij moeten van dag tot dag hun medemenschen wijzen op het gevaar waarin zij verkeeren, zoo zij niet geborgen zijn door het geloof in den Heere Jezus en de noodzakelijkheid der waarachtige bekee¬ring prediken.
Ongeveer elf jaren voor de verwoesting van Jeruzalem, is Ezechiël, met koning Jojachin en vele vorstelijke en priesterlijke personen. weggevoerd naar Babel. Daar heeft de Heere hem geroepen tot profeet om Zijn woord te prediken, het oordeel aan te kondigen.
Ezechiël moet de verwoesting van stad en tempel aankondigen. Denkt u dat eens even in, Jeruzalem de stad des Heeren, de tempel, het hart, het centrale punt van Israëls godsdienst, zal aan de verwoesting worden prijsgegeven.
Ezechiël was als profeet niet de gevierde man. Daar waren andere pro¬feten wier prediking veel meer ingang vond. Neen, Jeruzalem zal niet verwoest worden, de tempel blijft staan. Dat hebben zij gepredikt alsof het een boodschap van den Heere was; zij hebben het volk gepleisterd met looze kalk, gedreven naar de bloemhoven, het waren leugenprofeten.
De prediking van Ezechiël is bevestigd; de gepredikte verwoesting is gekomen. De droeve mare dat Jeruzalem in puin ligt, dat de tempel in vlammen is opgegaan, doet de ronde. Met groote verslagenheid werd deze gebeurtenis, die nog nimmer had plaats gevonden in de geschiedenis van Israël, besproken. Geen tempel meer om op te gaan, geen altaar om te offeren, nu heeft de prediking van Ezechiël naar het oordeel van deze op¬pervlakkige menschen geen zin meer. Hoe kunnen wij ons bekeeren, daar onze godsdienst is vergaan, altaar en tempel niet meer bestaan. Het volk gevoelt zich van alles verlaten. Het is bewezen dat de breuk met looze kalk niet geheeld kon worden, dat het oordeel der verwoesting door de schoonste bloemhoven niet te keeren was. Flora de godin der Lente kon Israël uit den bangen winter van het oordeel niet doen opkomen, geen vernieuwing des levens schenken. Het volk staat voor een totale onmogelijkheid in een algeheele verlatenheid. De God onzer vaderen heeft ons verlaten, de afgoden laten ons in den steek, wij heb-ben geen godsdienst meer, geen goden waarop wij kunnen hopen. Wij versmachten, wij zinken weg, wij komen om in onze goddeloosheid. Wij zijn ongelukkiger dan de heidenen, want die hebben hun goden en tempels nog.
Op de vraag: „Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?" kan geen ant¬woord gevonden worden. Wij hebben geen altaar meer om varren en lammeren te offeren tot verzoening voor onze zonden, wij versmachten want wij hebben geen godsdienst meer. Voor ons is geen bestaansmoge¬lijkheid, geen levensruimte meer over gebleven. Nu het volk geen tempel, geen altaar, geen godsdienst, geen goden meer heeft, opent de God des hemels den tempel des Verbonds voor goddelooze zondaren. Zeg tot hen: „Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen".
O wonder, onuitsprekelijk wonder van Gods genade, daar de Goddelijke tempel des Verbonds:
l. Geopend wordt voor goddeloozen.
Voor goddeloozen, voor menschen die geen godsdienst meer hebben. Dat was juist de bedoeling Gods met dit volk, het moest zijn eigenwillige godsdienst opgeven. Het stond met zijn godsdienst God tegen. Om veilig te gaan had Israël zijn godsdienst vermengd met heidensche bestanddee¬len. Zij dienden tweeërlei goden. Laat de één ons in den steek, dan kun¬nen wij nog hulp verwachten van den ander. Twee heeren dienen, van twee wallen eten, is de hoogste levenswijsheid, van den mensch, die niet oprecht van hart is. Op dien weg kon de Heere het volk niet voort laten gaan, van dien godsdienst moest het gezuiverd worden. Hij kan en wil alléén de God zijn van een volk, dat buiten Hem géén godsdienst heeft. De godsdienstigheid stond dat volk in den weg, om zalig te worden.
Zoo is het nog; dat moet ons geleerd worden. Wij houden ons met dien godsdienst op de been, wij zijn geen goddelooze menschen, wij zijn godsdienstige, vrome lieden. Met zijn godsdienst zoekt de mensch zich. te dekken, tot bedekking van zijn ongerechtigheid. Zoolang Israël nog maar een altaar had om beste varren en vette lammeren te offeren, hield het zich daaraan vast in de meening, dat het nog wel terecht zou komen. Maar nu het geen godsdienst meer heeft om zijn zonden te bedekken, denkt het volk weg te zinken, daar het zelf zijn ongerechtigheid moet dragen.
De tempel des Verbonds is geopend voor goddelooze zondaren, voor menschen die met hun godsdienst zijn omgekomen. De mensch zit vol drogredenen, waar hij den Heere mee tegen staat en buiten sluit. Men zegt, dat er meer godzalige menschen zijn in Rusland, sinds de godsdienst van dat volk is te niet gedaan, dan voordien. Nederland is religieus, maar het gaat met zijn godsdienst te gronde. De godsdienst wordt ge¬bruikt om zich zelf er mede te bedekken, om op de been te blijven. Daarom houdt God den tempel des Verbonds zoo gesloten, welke alleen geopend kan worden wanneer wij met onzen godsdienst zijn omgekomen. Wij gevoelen ons gedrongen tegen deze schijngodsdienst te preeken, aangezien wij met zulk een godsdienst God tegen staan. In deze tekst-woorden heeft God in den rijkdom van zijn genade een heerlijke belofte gegeven voor: goddelooze zondaren, terwijl in de gansche Bijbel niet één belofte staat voor godsdienstige menschen, die het met hunne gerechtig¬heid kunnen stellen. Wel wordt het wee u van Gods ongenoegen over hen uitgesproken: „Wee u Farizeën, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen en de begroetingen op de markten. Wee u, gij schriftge¬leerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn en de menschen die daar over wandelen weten het niet.", Luk. 11.
Goddelooze zondaren zijn zondaren, die bij het verlies van hun godsdienst des te meer in vijandschap komen te staan tegenover God. Het bewustzijn van het godsbestaan is in hun hart. De ingeschapen Godskennis is een onuitroeibaar besef, dat er een Goddelijk Wezen is. Alles wat in den mensch is, keert zich tegen God, wat in den weg van druk en ellende zich des te duidelijker komt te openbaren. Het leeft in de ontaard¬heid van ons bestaan God eeuwig te haten en te vloeken. Alles wat in ons is keert zich tegen den Allerhoogste. Tot deze goddelooze menschen wordt Ezechiël gezonden door den Heere, met deze heerlijke belofte: „Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen." Voor die goddeloozen moet hij het Evangelie prediken. Hij heeft zichzelf zeker als een goddelooze leeren kennen, anders was het niet mogelijk geweest dat te kunnen doen.
Voor de goddeloozen, die geen vertrouwen meer hebben in God komt God Zijn woord, Zijn beloften met een eed bevestigen. Zijn Woord is waar, zoo waar als Hij leeft. Dat God leeft, wordt door hen in hunne goddeloos¬heid niet ontkend, maar bevestigd, getuige hun vijandschap. Dat er een God is, staat voor hen boven allen twijfel verheven. Het is hier niet een negeeren van God, het is een haten van God, een staan in vijandschap tegenover God. Dat Ik leef, weet u, dat Ik besta, bekent u, nu, zoo waar¬achtig als Ik leef heb Ik geen lust in uw dood, maar wel in het behoud van uw onsterfelijke ziel. U zegt, dat Mijn Woord de waarheid niet is, dat Ik u het leven niet wil schenken, daarom bevestig Ik het met een eed, dat Ik geen lust heb in uw dood maar hierin „dat de goddelooze zich bekeere van zijn weg en leve." De eed nu is het einde van alle tegen¬spreking, een bevestiging van het woord door den Heere gesproken.
De Heere komt Zichzelf te openbaren. Zijn woord te bevestigen door Zijn namen. De eerste naam Heere betekent: Hij die gebiedt. Het wordt door den Heere verboden langer voort te gaan in het ongeloof, geboden in Hem te gelooven, zich op Zijn Woord te verlaten. Wat de Heere in den weg der genade gebiedt kan door Zijn genade betracht worden, als het wordt een buigen onder het gezag van Zijn Woord. Dan houdt het rede¬neeren des ongeloofs op, dan wordt het een eerbiedig luisteren naar Hem, die de Rotssteen der eeuwen is, Wiens werken volkomen zijn. Tot nog toe hebben zij vertrouwd op den zand-grond van hun eigenwillige godsdienst. Door den naam Adonai wordt het ons ook geopenbaard, „dat God de pilaar, de grondslag en het steunsel is van al wat buiten hem bestaat."
Nu al de pilaren van den tempel zijn bezweken komt de Heere in Christus Zichzelve te openbaren, als de pilaar van den tempel des Verbonds. Al de namen, eigenschappen, ambten van Christus zijn de pilaren van den tempel die eeuwig staat. In Hem is de gemeente Gods „een pilaar en vastig¬heid der Waarheid", 1 Tim. 3. Door den pilaar Jezus Christus is de ge¬meente Gods een pilaar die onbewegelijk en onoverwinnelijk is in Hem. Een pilaar waarop al de heldendaden van den Heere onuitwischbaar geschreven staan.
Het volk dat geen grondslag, geen steunpunt meer heeft, dat in de bodem¬looze diepte der goddeloosheid denkt weg te zinken, krijgt een grondslag, een steunpunt in Gods volheerlijke Verbondsopenbaring. Het volk moest ontgrond, van het steunen op hun godsdienst afgebracht worden, alle leunsel en steunsel buiten die volheerlijke openbaring in Christus moest te niet gedaan worden om zijn steun en rustpunt in God te vinden. De grondslag der zaligheid is in het Verbond der genade, in deszelfs Midde¬laar Jezus Christus. Hier leert Gods kind zingen: „Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid". De grondslag van des menschen godsdienstige tempel ligt in het stof van wettische dienstbaarheid en eigengerechtig¬heid, maar de grondslag van den tempel des Verbonds ligt in God Drieeenig. Hierom zegt de kerk: „Hij is mijn Adonai. Welgelukzalig is het volk dat op hem mag leunen en steunen."
Nu die zandgrond is weggespoeld door de waterstroomen van Gods onge¬noegen wordt de Rotssteen der genade aangewezen om op hem te bou¬wen en te vertrouwen.
Voor goddeloozen die geen tempel meer hebben komt God den tempel des Verbonds openen. De tweede naam HEERE beteekent Jehova, is Gods Verbondsnaam. Toen Israël onder de macht van Pharao was, is Mozes in en met de beteekenis van dezen naam tot hen gezonden om hen uit het diensthuis uit te leiden. Nu Israël onder de macht der Chaldeën is, wordt Ezechiël tot hen gezonden om hen uit hunne goddeloosheid op te halen in en met de beteekenis van dezen allergrootsten naam HEERE.
HEERE is zijn gedenknaam. De HEERE gedenkt aan Zijn verbond; Hij gedenkt uit kracht van Zijn Verbond aan Zijn volk, dat in goddeloosheid tegenover Hem staat, Hij opent voor dat goddelooze volk de tempel des Verbonds, waarin het oordeel des doods ontvloden, het recht ten eeuwi¬gen leven verkregen wordt. Dat kon, want staande in den tempel des Ver¬bonds heeft de Zoon Zichzelf gegeven om voor goddeloozen, beladen met de goddeloosheid van goddeloozen, te sterven aan het vloekhout des kruises. Daar Hij het oordeel der goddeloosheid heeft gedragen voor goddeloozen en doordragen aan het vloekhout des kruises, mocht Hij van Godswege niet met en bij de goddeloozen begraven worden; wat zeker geschied zou zijn, zoo de Heere het niet verhinderd had. Het is de heerlijkste openbaring van Gods eeuwige liefde, den tempel des Verbonds in Christus te openen voor goddeloozen.
IK ZAL ZIJN, DIE IK ZAL ZIJN heeft Zichzelf met dezen naam bekend gemaakt. Dit was God voor Zijn volk in het verleden, dit is Hij in het tegenwoordige, dat zal Hij ook in het toekomende zijn. Gods eeuwige Verbondsliefde is onveranderlijk. In het Verbond schenkt de Heere Zichzelf geheel weg. Wat Hij is, wie Hij is, is Hij voor Zijn volk, voor god¬deloozen. O onuitsprekelijk wonder van Gods genade in Christus. „Het Verbond der genade is die weg, langs welken God door Christus het eigendom wordt van den zondaar en hij een eigendom Gods."
De Heere HEERE spreekt, spreekt bij monde van Zijn knecht Ezechiël, dat Hij geen lust heeft in den dood des goddeloozen. U kunt slecht, u kunt ellendig zijn, doch erger dan een goddelooze is niet mogelijk. Een godde¬looze is van al zijn godsdienst ontledigd, staat in zijn volle vijandschap tegenover God. Voor zulke menschen opent Hij de tempel des Verbonds en betuigt Hij geen lust te hebben in hun dood. Geen lust in uw geestelijken dood, geen lust in uw lichamelijken dood en geen lust in uw eeuwigen dood. Die de moed heeft God daarvan te beschuldigen en durft zeggen, dat Hij wèl lust heeft in den dood des goddeloozen, kent God niet en gelooft Zijn Woord niet, wat Hij met een eed heeft bevestigd. De Heere HEERE opent den tempel des Verbonds in Christus, tegenover den tempel des ongeloofs. In den tempel des ongeloofs klinkt het: „God heeft lust in den dood des goddeloozen”. Het ongeloof denkt en spreekt nooit goed, maar altijd kwaad van God. Het ongeloof is zoo brutaal en vijandig tegenover God, om het uit te schreeuwen op de straten: „God is het grootste kwaad”. Dat is en dat leeft in het hart van elk mensch, daar wij van nature zijn in den staat des ongeloofs, geboren in het ongeloof.
„God heeft wèl lust in onzen dood”, zegt het ongeloof, Dat zeggen wij zóó maar niet, daar hebben wij bewijzen voor. – In de eerste plaats dit bewijs, daar Hij ons heeft over gegeven in de macht der Chaldeën en laten voeren in ballingschap. In de tweede plaats, daar Hij de verwoesting van stad en tempel heeft toegelaten. Als God geen lust had in onzen dood, dan had dat alles niet plaats gehad.
God heeft géén lust in Uw dood. Hij heeft u in deze ellende gebracht om u met uwe goddeloosheid bekend te maken. „Ik kan”, zegt de Heere, geen menschen zalig maken, die het nog met hun godsdienst kunnen stellen. Gij zijt goddeloos, gij zijt vijanden van den Heere, daaraan moest u ontdekt worden om de tempel van Mijn Verbond waarde voor U te doen bekomen. Hier hebt u Mijn Naam, Mijn Zoon, Mijn Verbond en Mijn Eed tot bewijs dat Ik geen lust heb in uw dood. Het ongeloof heeft niet meer dan een ijdele redeneering tot basis, maar het geloof heeft de volheerlijke openbaring Gods in Christus tot grondslag.
Wat is het toch noodzakelijk in den weg van ontdekking, zich zelf te leeren kennen als een goddelooze. Ik heb het niet ingezien, ik was er blind voor, maar in den weg van ontdekking is het mij duidelijk geworden dat ik in mijn godsdienst, vroomheid en gemoedelijkheid was blijven leven zoo de Heere mij niet ván die droggronden had afgebracht. De Heere Jezus was mij nooit dierbaar geworden, vrije genade had nooit waarde voor mij gekregen zoo ik daaraan niet ontdekt was geworden. Onder de omstandigheden van het leven, in de weg van tegenheden, heeft de Heere u in uwe vijandschap, in de goddeloosheid van uw bestaan, laten vastloopen. Toen kwam de kracht der zonde, de schuld der zonde en de straf der zonde op u aan. Toen had u geen altaar meer waarop de varren van gemoedelijk¬heid, de lammeren van uw godsdienstigheid van weleer geofferd wierden, daar u in uw vijandschap stond tegenover den Heere. De tempel van uw godsdienstig leven waar u voorheen zoo gelukkig mee waart, lag in puin, was aan de verwoesting prijs gegeven. Toen is het u duidelijk geworden, dat de mensch in de ontaardheid van zijn bestaan niets liever doet dan God eeuwig vloeken en lasteren in de hel. Als brandhout voor de hel waart u brandende in het helsche vuur van vijandschap. „Hoe zouden we dan leven, neen dat is niet mogelijk. Ik heb altijd nog hoop gehad om zalig te worden, doch dat is nu niet meer mogelijk. God kan toch met geen goddelooze te doen hebben. Ik haat God in mijn bestaan en God haat mij, die twee zijn toch niet te verzoenen? Branden, eeuwig branden in de hel, dat is mijn deel”. Het is door de verheerlijking van Gods eeuwige liefde in Christus dat die vijandschap wordt verbroken, daar God geen lust heeft in den dood des goddeloozen. O wonder der genade, dat de Heere voor zul¬ke snoode en goddelooze zondaren den tempel des Verbonds komt te ope¬nen. Diep steekt de zondaar dan zijn mond in het stof der verootmoedi¬ging met de bekentenis: „O Heere ik had al lang kunnen liggen in de eeuwige rampzaligheid en dat was rechtvaardig geweest.” Bedenk het wel, dat de opening van den tempel des Verbonds nog niet is een gaan in den tempel des Verbonds. Zeker, het is heerlijk, het verkwikt het hart als u door de geopende deur moogt blikken in het goddelijk heiligdom, de geur van Christus' offerande moogt rieken, maar het is nog veel heerlijker in te mogen gaan, in de Goddelijke tempel des Verbonds, die
Il. Toegankelijk wordt door bekeering.
Lust heeft de Heere in onze bekeering. Daar is niets te bedenken waarin Hij meer lust heeft dan in de bekeering des goddeloozen. In Zijne ondoor¬grondelijke wijsheid heeft Hij den weg der bekeering uitgedacht. Hierin heb Ik lust, zegt de Zoon. Hij heeft Zichzelf gegeven met een Goddelijke bereidwilligheid tot bekeering van goddeloozen. Hierin heb Ik lust, zegt de Heilige Geest, nederdalend op Christus, Hem bekwaam makend naar zijn menschelijke natuur om den weg der bekeering te banen. Hierin heeft de Heere lust, want het is tot verheerlijking van Zijn naam, tot Zaligheid van Zijn kind, dat zich van Hem had losgescheurd. Gesteld in des Heeren dienst, geeft Hij Zijn knechten lust de bekeering van dag tot dag te prediken.
De Heer heeft er lust in ons op te eischen, geheel op te eischen voor Zijn dienst met de eisch der bekeering. De eisch der bekeering komt niet op uit het Verbond der werken maar uit dat der Genade. Al liggen en leven wij onder de eisch van het Verbond der werken, waarin de Heere een volmaakte onderhouding van Zijn wet van ons eischt, daar Hij ons volmaakt heeft geschapen, zoo kan Hij toch uit kracht van dat Verbond, niet de mogelijkheid, noch de eisch der bekeering prediken. In dat Verbond is geen ruimte voor een zondaar, geen hope voor een goddelooze, dat ontsluit de Heere in het Verbond der genade.
Hij, die lust heeft in de bekeering, geeft de waarachtige bekeering in Christus. Bekeert u, bekeert u zegt de Heere, want in Christus is de be¬keering statelijk en standelijk, uit- en inwendig. In Hem is de tweede be¬keering, zoowel als de eerste. Dit eischt de Heere om hét ons te doen gevoelen, dat hij ons in de bekeering doet werkzaam zijn in het verlaten van onze booze wegen om het oordeel des doods te ontvlieden en het leven, het eeuwige leven deelachtig te worden.
Omdat de Heere lust heeft in onze bekeering is het mogelijk dat godde¬looze zondaren er ook lust in krijgen.
Daarin heeft de mensch van nature geen lust. Hij heeft lust in de dienst der zonde, lust om voort te leven op zijn booze wegen, lust om de lusten van zijn verdorven bestaan uit te leven. Die lust moet vergaan, die vergaat dan ook door de innerlijke vereeniging des harten met Christus. Geen lust meer om langer op die booze wegen voort te gaan. Hij gaat van die booze wegen walgen, hij krijgt er een innige afkeer van in zijn hart. Hij ziet de dwaasheid er van in, die wegen langer te betreden, hij ziet het einde van die wegen, daar zij uitloopen in de eeuwige dood; het Gode¬-onteerende van die wegen, daar het is een zondigen tegen den Heere, op Wien hij betrekking heeft. De zondaar ziet het in, die wegen zijn boos, door en door boos, daar is totaal geen goeds in. Op die booze wegen is het een dienen van den booze, zich steeds meer verbinden aan den booze, een zich eindelijk geheel overgeven aan den booze ten verderve en dat wordt nu met smart ingezien.
Daar het hart des menschen boos is, heeft hij op die booze wegen voortgeleefd. „Brandende lippen en een boos hart zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen”, Spr. 26. Het is een potscherf die geen waarde heeft, maar met schuim van zilver overtogen wordt, om haar nog eenige schijn van waarde te geven. Zijn lippen branden van dorst, daar het vuur van Gods ongenoegen brandt in de natuur der zonde. Hij gaat steeds meer dorsten naar de wateren der zonde. Hij drinkt de zonde in als water en zijn lippen gaan steeds meer branden van dorst. Door de innerlijke vereeniging des harten met Christus is het den zondaar niet mogelijk lan¬ger de wateren der zonde te drinken. Daar het hart des menschen boos is waren zijn gedachten te allen dage alleenlijk boos. Zijn gedachtenleven is geheel verdorven. Hij denkt altijd verkeerd van God en Zijn wegen. Des boozen gedachten zijn den Heere een gruwel, Spr. 15. Dat wordt nu van ganscher harte toegestemd. De dwaasheid wordt er van ingezien nu hij andere gedachten van God en de dingen der eeuwigheid heeft in zijn hart. Die zich door de genade Gods bekeert van zijn booze wegen, gaat met steeds meer klaarheid de boosheid van die booze wegen inzien. Die boos¬heid heeft een zielsverdervende en doodende kracht. „De boosheid zal den goddelooze dooden”, Ps. 34.
Rechtvaardig zou het geweest zijn, zoo Hij mij in mijn boosheid reeds lang verdelgd had, indien het in mij vervuld was, wat de Heere zegt in Ps. 94: „En Hij zal hunne ongerechtigheid op hen doen wederkeeren en Hij zal hen in hunne boosheid verdelgen; de Heere onze God zal hen verdelgen”. Deze boosheid is een dubbele boosheid. „Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de springader des levenden waters hebben zij verlaten om zich zelven bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden”, Jer. 2. Het is de grootste dwaasheid, die te bedenken is, den springader des levenden waters te verlaten om op gebroken bakken, die geen water houden, te vertrouwen. Die boosheden kunnen nooit genoeg veroordeeld en beweend worden, daar zij uitloo-pen en moeten uitloopen in den eeuwigen dood.
Het is door de innerlijke vereeniging des harten met Christus dat de zondaar er lust in krijgt die booze wegen te verlaten, om zich tot God te be¬keeren. Nu hij er lust in krijgt, gaat hij gelooven, dat God er ook lust in heeft. Wat heeft het hart toch altijd hard en opstandig van den Heere gedacht.
In die innerlijke vereeniging des harten met Christus is de kracht der be¬keering. Door die kracht staat hij op uit den modder der ongerechtigheid, om boetvaardig tot God weder te keeren. Hij spoort ook anderen aan dit te doen en zegt: "Komt laat onswederkeeren tot den Heere", Hos. 6. Niets is in zijn oog redelijker, dan in boetvaardigheid tot God weder te keeren. Alleen langs den weg der bekeering is het mogelijk door het geloof in den Heere Jezus Christus te komen in verzoening met God. Bij die inner¬lijke vereeniging des harten met Christus vangt de waarachtige bekeering aan. Wat uit God geboren is, gaat naar God uit. Het wordt gevoeld met steeds meer smart, tegen God gezondigd te hebben. Efraïm heeft berouw, draagt rouw, daar hij geen God en Vader heeft op Wien hij kan vertrouwen. Met berouw over de zonden dragen zij rouw over het verlies van Gods gunst en gemeenschap.
In die innerlijke vereeniging des harten met Christus is het wezen der be¬keering, dat niet alleen bestaat in een innig weenen over de zonden voor het aangezicht des Heeren, maar ook een in haten en vlieden van de zonden. De zonden laten is nog geen haten van de zonden. Die God lief heeft haat de zonde, haat de zonde in haar natuur en wezen. In de zonde bedoelt de mensch altijd zichzelf, het is altijd, in welk opzicht zij ook bedreven wordt, een willen treden in de plaats van God. De mensch heeft zelfs in zijn godsdienst zichzelf ten doel, als hij niet is in het geloof; waarom de Schrift zegt: „En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde”, Rom. 14. Dat is het wat Gods kind drukt. „Ik zit er zelf in, ik heb God niet ten doel.” Daarom walgt hij van zichzelf. Die bekeering gaat door tot de laat¬ste snik toe, die dooding van den ouden mensch, die afsterving van den ouden mensch, door de innerlijke geloofsvereeniging met Christus, krijgt in de oefeningen van het leven, steeds meer waarde. Die oude mensch is geheel en al zonde, alles wat in hem is staat Christus tegen. Hij zoekt Christus biddende of vloekende te verdringen uit het rijk des harten.
Biddende gelijk als die van Gadara, want zij deden het, wat men zou kun¬nen noemen, op een fatsoenlijke wijze, daar zij baden, of de Heere Jezus uit hunne landpalen wilde vertrekken, omdat zij de zwijnen liever hadden dan Hem; en dat is ons aller bestaan. De burgers van Nazareth hebben den Heiland weggevloekt, door den vloek des doods over Hem uit te spreken, door Hem van de steilte te verdringen, om Hem, ware het mogelijk geweest, in de diepte van den dood te laten verdwijnen. Heb toch nooit gunstige gedachten van uzelf, van uw verdorven bestaan. Onze vader was een Amoriet en onze moeder een Hetietische, een familie waar u nooit en nooit mee leven kunt op den weg des geloofs. Door een innerlijke ver¬eeniging met Christus moeten wij het van dag tot dag leeren, dien ouden mensch, die goddelooze familie af te sterven. Die oude mensch moet met Christus sterven en begraven worden. Begraven zijnde kruipt hij weer vanuit het graf te voorschijn, zoodra u door ongeloof afwijkt van Chris¬tus. Zoodra u het standpunt van toegeeflijkheid tegenover den ouden mensch inneemt, is u weg. Geeft u hem een vinger, dan neemt hij gewis uw geheele hand. Daar blijft geen andere weg open dan met hem te leven en te blijven leven op voet van oor-log.
Op den weg der waarachtige bekeering treedt God ons tegemoet met zijn vergevende liefde in Christus, gelijk de Vader van den verloren zoon zijn zoon tegemoet trad met zijn vergevende liefde op den weg der be¬keering. Hij kust hem, hij omhelst hem. Dat volk zinkt soms weg op den weg der bekeering onder Gods goedertierenheden. Naarmate die bekeering diepgang bekomt in onze harten, komt de Heere zijn vergevende liefde in Christus te openbaren en te verklaren in onze harten, wat Gods kinderen met steeds meer vrijmoedigheid doet ingaan in den tempel des Verbonds. De Heere heeft lust in mijn bekeering, aangezien Hij lust heeft in mijn behoud, in mijn zaligheid.
Stervende aan de zonden treedt de nieuwe mensch met vreugde in den tempel des Verbonds. Nu de tempel van hout en steen, van goud en zil¬ver in puin ligt, mag het volk door het geloof gaan in den tempel, die nooit vergaat. Wat het Verbond is, is het door Christus. Hij is afgebroken tot de fundamenten toe, afgedaald in den vloekdood des kruises, gelegd in het stof der aarde. Het oordeel der verwoesting, der eeuwige verwoesting, is door Hem gedragen, daar wij den tempel van Gods beeld en Verbond, kwamen te verwoesten in het Paradijs, door de zonde. In de verheerlijking van Christus zijn de poorten van den Goddelijken tempel des Verbonds geopend, om in den weg van waarachtige bekeering te treden in Gods gunst en gemeenschap. De Goddelijke tempel des Verbonds, die
III. Betreden wordt ten Leven.
Het is een onvergetelijke gebeurtenis, te mogen treden in Verbondsge¬meenschap met den Heere door het geloof in Jezus Christus, ten leven. Het is een gaan met vreugde in het huis des Heeren, dat niet met handen gemaakt is. Nu, zegt Gods kind, is het in mijn hart een verbond te maken met den Heere. Die door het geloof mag treden in den tempel des Ver¬bonds, wordt met open armen ontvangen door den Heere. Hier, in den tempel des Verbonds, wordt het ervaren, dat de Heere lust heeft in het leven zijns volks. De Heere heeft lust in mij, want Hij ziet vriendelijk op mij neer. Hij laat mij deelen in zijn liefde. Hij die alles op ons tegen moest hebben vanwege onze zonden, heeft niets op ons tegen in den tempel des Verbonds. Ik dacht dat God er lust in had mij te verdoemen, maar dat heeft Hij niet. Hij heeft lust in mijn behoud, lust in mijn zalig¬heid.
Hierin heeft de Heere lust. Hij geeft Zich volkomen. Hij heeft er lust in, al Zijn deugden te verheerlijken in het zaligen van een zondaar. Ik heb er lust in, zegt God, om u te laten deelen in Mijne liefde. Dat leven in die Goddelijke liefde is een eeuwigheidsleven. Het komt op uit de eeuwigheid en eindigt in de eeuwigheid. Nu mag ik leven zooals ik nog nooit geleefd heb, zegt Gods kind. In den tempel des Verbonds spreekt de Heere vrien¬delijk en lieflijk tot Zijn volk.
Ik heb lust, zegt de HEERE, om u te laten leven in Mijne genade. Mijne genade is u genoeg om eeuwig te leven al hebt u met duizend dooden te worstelen. In Mij is uw kracht en uw moed om te leven. In den tempel des Verbonds wordt God ontmoet, zeggende: „Ik ben de HEERE, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid hebt”, Ex. 20.
Ik heb lust zegt de HEERE, om u te laten leven in Mijne barmhartigheid. In den tempel des Verbonds hooren wij Zijn ingewanden rommelen van barmhartigheid. Bij vernieuwing heeft Hij mij opgehaald uit mijne ellende, waarin ik mij gebracht had door mijne ongerechtigheden, en gesteld in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht, zegt Gods kind met verwondering.
Ik heb lust, zegt de HEERE, om u te laten leven in Mijn onveranderlijke Verbondstrouw. Door uw ontrouw is den tempel, door Salomo gebouwd, aan de verwoesting prijs gegeven, maar door Mijn trouw zal de tempel des Verbonds staan tot in eeuwigheid. Door uw ontrouw, o wonder der genade, is Mijn trouw niet te niet te doen, zegt de Getrouwe in den tempel Zijner heerlijkheid.
Ik heb lust, zegt de Vader, om u te laten leven in Mijn vaderlijke liefde. Hier wordt het ervaren: De Vader zelf heeft u lief. Zoo menigmaal Gods kind door het geloof in dezen tempel des Verbonds, het huis des Vaders, wandelt, wordt het licht van des Vaders vriendelijk aangezicht aan¬schouwd. Tot dat einde is Israël gesteld onder de kastijdingen des Vaders om hen te heiligen en te stellen in Zijn vaderlijke liefde. De Vader heeft er lust in dat Zijn kinderen een kinderlijk leven leven tot Zijne verheer¬lijking en hunne zaligheid. Ik heb lust, zegt de Zoon, om des Vaders welbehagen te doen. „Ik heb lust, o Mijn God om Uw welbehagen te doen”, Ps. 40. Daarin had de Zoon lust, daar het des Vaders lust was Zijn eeuwige liefde te verheerlijken in Zijn kinderen. Met lust heb Ik als Borg voor u de zaligheid verdiend, zegt de Zoon. Neen, dat heeft de Zoon niet met de minste tegenzin, maar met lust gedaan. De Zoon heeft er lust in, Zijn bediening heerlijk te maken in de toepassing van Zijne weldaden, om Zijn volk op te halen uit den dood der goddeloosheid, te stellen in het leven van des Vaders zalige gunst en gemeenschap. Hij heeft er lust in, zondaren te reinigen in Zijn bloed, te bekleeden met Zijn gerechtigheid. Ik heb lust, zegt de Heilige Geest, het geestelijk leven des geloofs te wer¬ken en te versterken. Hij schrijft met Zijn hand de wet des geloofs en der liefde in het hart Zijn volks. Hij doet hen leven het leven des geloofs. Het was door zijn werk en leiding, een mogen ingaan langs den weg der waar¬achtige bekeering in den tempel des Verbonds. Nooit wordt de Heilige Geest het moede, altijd heeft Hij lust het leven des geloofs te onderhouden in het hart Zijns volks. De tempel des Verbonds is vervuld met de heerlijkheid des Heiligen Geestes, de reuke des heiligdoms is aan het gewaad van allen, die in deze tempel den Heere dienen.
Uit deze onuitputtelijke bron des Verbonds ontvangt Gods kind lust om te leven, lust om biddende te leven in den tempel des Verbonds. Om met een kinderlijke afhankelijkheid het hart uit te storten voor het aange¬zicht des Heeren. Liever één dag biddende in Gods huis, dan duizend el¬ders. Het biddende leven is een Gode verheerlijkend leven, het gebed is het voornaamste stuk der dankbaarheid. Hier heeft Hanna haar hart uitgestort voor het aangezicht des Heeren, al haar nooden aan Hem bekend gemaakt. Lust om ootmoedig te leven. In de oefeningen van het leven zijn Gods kinderen altijd met ootmoedigheid bekleed. Dat kleed is het tempelkleed des geloofs. Het is een steunen op de Rotssteen der eeuwen, een verlustiging des harten met verootmoediging en verwondering des harten in de heerlijkheid des Verbonds, geopenbaard in den Naam des Verbonds. Hier kunnen wij nooit staan met eenige verhevenheid des harten, het is altijd een vallen voor den Heere in het stof der verootmoediging. Lust om heilig te leven. Door de openbaring van het Verbond in den naam des Heeren wordt de heiligende kracht des Verbonds ervaren in het hart. Wandelende op den weg des Verbonds, wandelt Gods kind op den weg van heiligmaking, als een kind des lichts. Dood en leven worden hier te¬genover elkander gesteld. De weg der zonde is de weg des doods, de weg des Heeren is de weg des levens. Wat leeft, ademt; die het leven des ge¬loofs leeft, ademt in God. In de tempel des Verbonds ademt Gods kind in de atmospheer van vrije genade. Hier mag het ruim ademhalen, met een onbevangen gemoed. In de banden des doods en de angsten der hel had u het tot stikkens toe benauwd, maar in den Heere is ruimte om te ademen. Leven is werkzaam zijn tot verheerlijking van den Heere. Het hart heeft lust God te verheerlijken, Zijn deugden te prijzen: „Alles wat adem heeft love den Heere, Ps. 150. Het is een onuitsprekelijk wonder, als een god-delooze uit de goddeloosheid opgehaald zijnde, te mogen deelen in Gods zoete gunst en zalige gemeenschap. Leven is den Heere loven. Leven in den zin van onzen tekst, geeft een bestaansrecht te kennen in den tempel des Verbonds. Daar gesteld te zijn door God, voor God, om Hem eeuwig te leven. Christus moest sterven, daar Hij beladen was met mijn zonden. Hij heeft door een volmaakte onderhouding van de wet het bestaansrecht Zijns volks verworven. Ik leef, daar ik het recht ten eeuwigen leven van den Heere heb ontvangen.
Leven geeft doel te kennen, een doel waaraan het leven beantwoordt. De Heere is het hoogste levensdoel in het leven des geloofs. „Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou”, Gal. 2. Die innige lust om den Heere te leven heeft een doodende kracht voor de lusten des vleesches. Naarmate dat hooge levensdoel beoogd wordt in liefde tot den Heere, wordt levensvreugde gesmaakt. Leven geeft vermaak te kennen: „Ook zijn Uwe getuigenissen mijne vermakingen”, Ps. 119. Het is niet mo¬gelijk zonder die vermakingen in Gods getuigenis gelukkig te leven, dan heeft dorre doodigheid de overhand. „Indien in Uwe wet niet ware geweest al mijne vermakingen, ik ware in mijn druk al lang vergaan”, Ps. 119. In den tempel des Verbonds zijn de vermakingen van Gods kind met de woorden des Verbonds in het luisteren naar de onderwijzingen van des Heeren mond. Zoo betreden Gods kinderen met vreugde de tempel des Verbonds in het geloof, Ps. 116 : 11.
Toepassing.
Weten wij wat het is met onze godsdienst om te komen, of staan wij met onzen godsdienst den Heere nog tegen? Als een goddelooze wil de mensch niet aangesproken zijn, wij zijn godsdienstige menschen. De goddeloozen zijn buiten de kerk, dat zijn menschen die met alles wat godsdienst is ge¬broken hebben, maar in de kerk zijn godsdienstige menschen, geen godde¬loozen. Zoo redeneert de mensch maar hij staat met zijn vleeschelijke godsdienst God tegen, zoekt zich met zijn godsdienst te dekken, zooals men den dood zoekt te bedekken met bloemen. Onze godsdienst is geen bedekking voor God. Wij zijn in ons bestaan goddelooze zondaren, waaraan het hart ontdekt moet worden om te komen in het stof der veroot¬moediging. Zoolang de mensch zich nog kan dekken met de godsdienst, heeft hij de bekeering niet noodig, wordt de tijd der bekeering doorge-bracht in zorgeloosheid, de mogelijkheid om te komen tot bekeering veracht.
Onder het kleed van godsdienst werkt de goddeloosheid door. Het hart is vijandig, ongeloovig, denkt hard van den Heere. Zoo voortgaande zullen wij in onze goddeloosheid omkomen, in onze ongerechtigheid sterven. Dan gaat dit woord: „Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere HEERE, zoo ik lust heb in den dood des goddeloozen”, met ons mee naar de eeuwigheid. „Ik heb geen lust gehad in uw dood, toen gij waart in het Verbond der werken en ook niet toen gij waart onder het Verbond der genade. De oorzaak van uw verderf is niet in Mij, maar in uw lust tot de zonde. Het was uw lust te eten van den verboden boom. Toen u naar dien boom zaagt, was hij reeds een lust in uw oogen, begeerlijk voor u om u verstandig te maken. Door dien lust bevangen hebt u geen lust gehad, om naar de aanbiedingen van Mijne genade te luisteren, hoe welmeenend Ik u de bekeering ook heb laten prediken.” Hij, die het ons hier betuigt, geen lust te hebben in onzen dood, zal dat betuigen tot in alle eeuwigheid. Het zal een smart bij de smart der hel, een straf bij de straf der zonde zijn, dat de mensch zelf de oorzaak van zijn verderf is. De mensch formeert zichzelf een hel, bereidt zich zelf een eeuwige rampzaligheid.
De tempel des Verbonds, de poorten des hemels staan nog voor ons open, wij zijn nog in de mogelijkheid om zalig te worden. Van tegenspraak kan hier geen sprake zijn, daar de Heere dit woord met een eed bevestigd heeft. Overdenk het eens, neem het ter harte, eer het voor eeuwig te laat is. Leef toch niet langer de booze lusten des vleesches uit, ga toch niet langer voort in uwe onbekeerlijkheid. De tijd die God geeft, geeft Hij voor één doel en dat is bekeering. Wat wij op de wereld ook buiten dit doel ten doel hebben, wij zullen eeuwig ons doel missen, daar dit doel het eenige levensdoel is, ons door God gegeven, om voor Hem te leeren leven. Hebt u geen lust, zegt het den Heere, daar Hij uw hart door een innerlijke vereeniging met Christus lust kan en wil geven om Hem te zoeken in den weg van waarachtige bekeering. Dat de Heere leeft, weet u en zoo zeker als Hij leeft, heeft Hij geen lust in uw dood, maar wel in uwe bekeering. Het is een smartelijke weg voor het volk, dat den Heere lief heeft, dat door een innerlijke vereeniging met Christus een innige betrekking heeft op God, aan zijn goddeloosheid ontdekt te worden. Van dag tot dag leeren zij zichzelf meer en meer als een goddelooze kennen. De tempel van ons godsdienstig leven moet in puin geworpen worden, u moet onder den blooten hemel komen te staan, opdat de tempel des Verbonds voor u ge¬opend zou kunnen worden. Zoo is het Israël gegaan in Babel en zoo gaat het al Gods volk. Wij hebben maar één ding te doen: wij hebben onze goddeloosheid te bekennen voor het aangezicht des Heeren. Hebt u de beteekenis van des Heeren naam eenigermate leeren kennen? Hebt u vanuit de diepte der goddeloosheid den Rotssteen Jezus Christus mogen aanschouwen, met den tempel des Verbonds op Zijne offerande gebouwd, dan hebt u ruimte gezien om zalig te worden. Zoek die zaligheid door in te gaan in den tempel des Verbonds op den weg van waarachtige bekeering. Rust toch niet in een uitwendige bekeering, waarmede u niet kunt ingaan in den tempel des Verbonds. Wij moeten door de kracht van Gods genade ons ook bekeeren van de booze wegen onzes harten. Zoek die be¬keering in Christus, daar het alleen in Hèm mogelijk is de dooding der zonden te bekomen. In vereeniging met Hem gaan wij steeds inniger wee¬nen over de zonden. Dat weenen heeft een zonde-doodende kracht. Gelijk een boom gaat kwijnen, waarbij van tijd tot tijd ziltig vocht gegoten wordt, kwijnt de oude mensch der zonde door de ziltige tranen die over haar uitgegoten worden uit het boetvaardige hart voor het aangezicht des Heeren.
Onuitsprekelijk wonder, dat de Heere lust heeft in onze bekeering, lust heeft in ons behoud, in onze eeuwige zaligheid. Met den eed van Zijn onveranderlijke Verbondstrouw gaat Hij het steeds meer in het hart Zijns volks bevestigen, dat Hij alles voor hen is. Wat Hij is, dat is Hij voor Zijn volk. In Hem is het leven en de gelukzaligheid. Hij heeft u, volk des Heeren, uit uwe goddeloosheid opgehaald, gesteld in het leven van Zijn zalige gunst en gemeenschap. De naam des Heeren is voor u niet alleen een tempel der heerlijkheid, maar ook een toren der sterkte: „De naam des HEEREN is een sterke toren, de rechtvaardige zal daarheen loopen en in een hoog vertrek gesteld worden”, Spr. 18. In Zijne Verbondsgemeen¬schap is u buiten het bereik van den vijand. Welgelukzalig is het volk, dat in den weg van waarachtige bekeering het leven mag verliezen uit zijn hand en vinden in des Heeren hand om dat uit te mogen leven in den weg van heiligmaking. Denk er aan, dat het leven alleen in den Heere is.
Is er stremming in uw innerlijk leven, verwijdering tusschen den Heere en uw gemoed, leef er toch niet overheen. Wij hebben ons altijd weer te beproeven of wij in het geloof zijn. Opgehaald uit de goddeloosheid wordt alles in het werk gesteld door den vijand om u weer terug te brengen in de goddeloosheid, vergeet het niet dat ons bestaan bij al de genade, die de Heere U heeft geschonken, goddeloos is en blijft.
Vader, Zoon en Heilige Geest hebben het met daden bewezen, lust te hebben in u en uwe zaligheid, waardoor u lust bekomen hebt den Heere te vreezen en in Zijn wegen te wandelen. De Heere wil niet met traagheid, maar met lust en opgewektheid gediend worden. In Hem is de onuitput¬telijke bron van levenslust. In het geloof wordt het verstaan, dat de Heere alles is voor Zijn volk, om hen alles te doen zijn voor den Heere. Dan houdt Gods kind niets achter, dan geeft hij zich geheel over aan den Heere en Zijn dienst, Dat is de geestelijke en eeuwige levensvreugde van Gods kinderen
A m e n.