Ebed-Melech.
Predikatie door Ds. P. DE SMIT
Ps. 131 : 1 en 4
Lezen: Jeremia 38 : 6-13
en 39 : 15.18
Ps. 3:2en3 Ps. 133: 2
Ps. 2:7
Het woord des Heeren was ook tot Jeremia geschied als hij in het voorhof der bewaring opgesloten was, zeggende: Ga henen en spreek tot Ebed Melech de Moorman, zeggende: Zó zegt de Heere der heerscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal mijne woorden brengen over deze stad ten kwade en niet ten goede, en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn.
Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest; want Ik zal u zekerljk bevrijden en gij zult door het zwaard niet vallen ; maar gij zult uwe ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere,
Jeremia 39 : 15-18.
De profetie van Jeremia is een boek vol duisternissen voor het volk van Israël. Maar de bladzijde die voor ons opgeslagen ligt, is zeer zeker wel de allerdonkerste.
Heeft Jeremia het oordeel der zonde aangewezen, - hier is het gekomen.
De Chaldeërs hebben Jeruzalem omsingeld en ingenomen. Op gruwzame wijze hebben zij huisgehouden.
De stad is met vuur verbrand.
De muur van Jeruzalem is afgebroken.
De edelen des volks zijn omgebracht.
Koning Zedekia moet het aanzien, dat zijn eigen zonen door de vijand worden geslacht, alsof ze beesten waren.
De Koning zelf worden de ogen verblind en dan gaat hij smet liet volk, dat nog is overgebleven, de ballingschap in.
Een klein hoopje van volk uit de allerarmsten des lands wordt in Kanaan achtergelaten.
Hoe droevig ziet het er in dit hoofdstuk uit.
Hoe zwaar zijn de straffen van de rechtvaardige God over zijn afgeweken volk.
Jeremia heeft dat wel gezegd. Maar men heeft hem niet geloofd.
Met heilige ernst heeft hij hen gewaarschuwd, doch zij hebben naar hem niet geluisterd.
Zij raakten tegen hem ontstoken.
Zij scholden hem een verrader.
Zij zeiden van hem, dat hij heulde met de vijand.
Daarom sloten zij hem op in de voorhof der bewaring.
En om tenslotte maar voor goed een einde met die man Gods te maken, wierpen zij hem in een diepe kuil, waar hij moest sterven.
Zietdaar de zwarte nacht op deze bladzijde.
En toch breekt daar zulk een vriendelijke lichtstraal door.
Temidden van al die bange gerichten om der zonden wil - vinden we daar die ontroerende geschiedenis van Ebed-Melech de Moorman, als een oase in de woestijn, als een stukje zon midden in de onweerswolken, als een betoning van Gods barmhartigheid in het midden van zijn toorn.
Wonderlijk! Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over een Moorman.
Philippus ontmoette hem op de eenzame weg van Jeruzalem naar Gaza.
En de geschiedenis van de Moorman uit Jeremia's dagen heeft een sterke overeenkomst met de geschiedenis van de Moorman uit de dagen van het Nieuwe Testament.
In Jeremia's dagen zien wij het volk van Israël gaan naar de ballingschap.
En de Heere neemt die Moorman Ebed-Melech aan.
In de dagen van het Nieuwe Testament snelt het volk van Israël de algehele afval tegemoet. En die Moorman wordt met Gods genade beweldadigd.
In deze ure willen wij eens overdenken de geschiedenis van Ebed-Melech.
Zij wordt hier zo aandoenlijk schoon beschreven. Vooral tegenover die donkere achtergrond: de ballingschap. Alles rondom is even triest en treurig.
Het volk des verbonds zinkt weg : zijn koning, zijn vorsten, zijn priesters, zijn volk. En die Ebed-Melech komt tot God. Dat is nu die wondere, vrijmachtige ontferming van God. Ja, God maakt die
Moorman tot een held des geloofs.
Dat willen wij tezamen eens overdenken en God geve er ons tevens iets van te genieten. We spreken dan tot u over :
EBED-MELECH.
1. Zijn geloofsgenade ;
2. Zijn geloofsbetoning;
3. Zijn geloofsbekroning.
I. Zijn geloofsgenade.
Ebed-Melech. Die naam betekent: knecht des konings. Sommigen hebben gemeend, dat die naam hem was gegeven, omdat hij een van des konings kamerlingen was en onder hen een zeer voorname plaats bekleedde. Anderen hebben gedacht aan zijn bekering. Hij is gekomen tot Jehova. Hij is bij het volk van Israël ingelijfd. Dit is voor Ebed-Melech zulk een heerlijk wonder geweest, dat hij zelf deze naam heeft aangenomen ter herinnering aan deze ure. Hij heeft gezegd : Ik ben een knecht des Heeren geworden, een knecht van de Koning der koningen en de Heere der heren.
Ik weet niet wat ik hiervan zeggen moet. Ik meen te mogen zeggen, dat beide waar is.
Hij heeft een mooie betrekking bij de koning van Juda aan het hof. Hij is een van de kamerlingen. Hij gaat zeer vertrouwelijk met de koning Zedekia om.
Maar hij mag ook de Heere toebehoren.
En dit is hem een ondoorgrondelijk wonder geworden van Gods barmhartigheid.
Het is voor elk kind van God een wonder, dat de Heere hem opgezocht heeft. Ieder van Gods kinderen moet er van uitroepen: Waarom was het op mij gemunt? Waarom heeft de Heere naar mij willen omzien?
En dan Ebed-Melech, een zwarte, een nakomeling van Cham. De vloek van God ruste op hem.
Heeft Noach het niet eenmaal als een ontzaggelijke profetie uitgesproken: „Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijnen broederen."
En is die vloek niet gekomen in al zijn zwaarte over het ganse geslacht van Cham? Maar voor Ebed-Melech heeft God de vloek in een zegen omgezet. Van verre is hij nabij gekomen, van een vreemdeling is hij een bijwoner geworden, een huisgenoot van God. O, heerlijk wonder van Gods liefde.
Hoe is dat gebeurd ? Het wordt ons niet verteld.
Dit mogen wij wel zeggen: Hij is er niet toegekomen uit zichzelf.
Niemand van de mensenkinderen vraagt uit zichzelve naar God. Dat moeten wij zelfs belijden als kinderen des verbonds. Hoeveel temeer is dit waar van een zoon van Cham.
Verder moeten wij ook zeggen, dat de kinderen des verbonds uit die dagen Ebed-Melech er zeker niet toe getrokken hebben. Zij waren in hun leven geen predikers. Helaas, hoever waren de kinderen des verbonds afgeweken.
Zij waren eer tot een aanstoot voor de dienst van God dan wel tot een aantrekkingskracht. Er was nog wel enige godsdienst maar zonder kracht, zonder leven. De kinderen des verbonds hebben waarlijk niet de schoonheid en de lieflijkheid van de dienst des Heeren getoond, zodat Ebed-Melech daardoor tot de Heere werd geleid.
En toch, daar was er één, die zeer veel invloed heeft gehad op deze Moorman. Bijna zou ik durven zeggen, dat die éne voor EbedMelech ten zegen is geworden. Dat is de profeet Jeremia.
Wij kunnen het met zekerheid niet zeggen. Maar er zijn toch wel veel dingen die er heenwijzen.
Ebed-Melech is een intieme vriend van Jeremia.
Hij heeft zich die vriendschap nooit geschaamd.
Ook niet als allen staan tegenover de profeet.
Ja, dan kiest juist Ebed-Melech de zijde van Jeremia.
En als de vorsten de man Gods naar het leven staan, dan maakt Ebed-Melech zich op om Jeremia te beschermen.
Dat is veel betekenend. Een Moorman die de man Gods-liefheeft Dat spreekt glashelder van genade.
,,Wij weten," zegt Johannes: „dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben."
Wij zullen daarvan straks nog meer zien .
Nu is echter reeds gebleken, hoe liefderijk de Heere Ebed-Melech heeft opgezocht. Laten we mogen aannemen door Jeremia als middel in Gods hand.
Uit genade heeft de Heere het geloof in zijn hart gewerkt. Welk een goddelijke onderscheiding.
De joden werden afkerig van de dienst des Heeren. Ebed-Melech kleeft de Heere aan.
De joden hadden genoeg aan uitwendige vormen.
Ebed-Melech bezit dat innerlijke vertrouwen, waardoor hij zich geheel aan de Heere overgeeft.
Nu moeten we het 18e vers eens lezen. Daar zegt de Heere, dat Ebed-Melech op de Heere vertrouwd heeft, „omdat gij op Mij vertrouwd hebt."
Daar valt nu de nadruk op. Dat is die geloofsgenade.
Vertrouwen op de Heere, dat is een gelovige werkzaamheid der ziel. Al Gods kinderen weten daarvan te spreken. Het is een innige gemeenschap met de Heere, zo zalig en zo aangenaam en zo hart-innemend, dat de dichter er eens van gezongen heeft: ,,Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen."
O, dat vertrouwen op de Heere is zo lieflijk en goed.
Het geeft ons een blij geluk in het hart.
Het schenkt ons een diepe vreugde in het gemoed.
Het maakt onze gangen vast en rustig, zodat we in de brandende gevaren niet wankelen. We hebben de vaste grond gevonden, die niet bezwijkt. Wat er ook rondom ons gebeuren moge, wij leunen op de Heere. Daardoor zijn we sterk.
Alle grond zinkt weg, alle leunsels en steunsels breken af, maar wie op de Heere vertrouwt, die gaat voort op een vloer van graniet; die zal niet beschaamd uitkomen; die is als de berg Sions, die niet wankelt
Wie op de Heere vertrouwt, die neemt zijn toevlucht tot de Heere.
Uit de grond van zijn hart roept hij het uit: ,,Heere er is buiten U geen steun te vinden. Op U hebben onze vaderen gehoopt en zij zijn niet schaamrood geworden. Gij zijt een Steenrots wiens werk volkomen is. Gij zijt het vertrouwen van alle einden der aarde en der verre gelegenen aan de zee. Gij zijt ook mijn hulp en mijn toeverlaat. Bij U schuil ik."
Wie op de Heere vertrouwt, die buigt voor de Heere neder. Hij belijdt het zo van harte: „Gij zijt die alwetende God. Gij kent mijn hart. Gij ziet mijn nood. Gij hoort mijn roepen. Niets is voor U verborgen. Daarom neem ik de toevlucht tot U, om al mijn zorgen en zonden U te vertellen. Gij zult mij niet verstoten. Wees mij genadig."
Wie op de Heere vertrouwt, die is er zeker van, dat de Heere als een almachtig God hem uit al zijn zwarigheden kan redden. Hij wil het gaarne uitspreken, dat de Heere kan doen boven bidden en denken. Hij ziet zulk een ruimte bij de Heere, zulk een volheid van zegen. De Heere verandert de duisternis in licht. Hij zet de doodschaduwen om in een vriendelijke morgenstond.
Daarom heeft die Ebed-Melech het anker zijner ziel in de Heere uitgeworpen.
Hij heeft gezegd: „Heere, ik weet geen andere weg dan tot U. Ik wil geen andere weg. Niets is voor U te wonderlijk."
Hoed mijn ziel, en red z' uit noden:
Maak mij niet beschaamd, o Heer!
Want ik kom tot U gevloden.
Wie op de Heere vertrouwt, die krijgt een helder gezicht voor Gods goedertierenheid. Daarom wordt hij hoe langer hoe meer tot de Heere aangelokt en aangedreven om zich telkens tot de Heere te wenden. Het begint in zijn ziel wel te zingen: „Milde handen, vriendelijke ogen, zijn bij U van eeuwigheid."
En dit gezicht wordt nog meer verrijkt, als hij zien mag op Jezus
en zijn dierbare Borgverdiensten.
O, dan is er genade voor een arme Moorman, die niet alleen een zwarte huid heeft, maar ook een zwarte ziel. En die dan met zijn zwarte ziel de toevlucht neemt tot dat Borgbloed om daar gewassen en gereinigd te worden.
Wie op dg Heere vertrouwt, die klemt zich vast aan de beloften Gods.
Die gelooft zeker, dat de Heere zijn beloften zal vervullen. Hij is de God der waarheid. Hij zal mij niet verstoten maar aannemen, Ook mij zal Hij niet afwijzen. Al ben ik een zoon van Cham, Al heb ik zijn vloek verdiend. Hij zal uit genade mij zijn zegen schenken.
Zie dat is vertrouwen op de Heere.
En dat vertrouwen werd nu bij deze Ebed-Melech gevonden. De Heere zelf zegt het duidelijk in onze tekst : „omdat gij op Mij vertrouwd hebt.”
„Op Mij." Het zijn maar twee kleine woordjes, maar wat houden ze veel in. Ze spreken van Ebed-Melechs geloof. Ze vertellen ons zijn volkomen overgave aan de Heere. Hij heeft het niet gezocht bij de afgoden, zoals de joden deden, maar bij Jehova, de alleen ware en levende God.
„Op Mij vertrouwd." Wat is dat groot.
Ik moet er nog eens op terugkomen.
De kinderen des verbonds waren van de Heere afgezworven, maar deze zwarte mens mocht tot de Heere komen. De koning met de vorsten, de priesters en het volk, allen hadden de band aan de Heere doorgesneden, maar deze man had de band der gemeenschap aan God ontvangen.
Het is wel mogelijk dat vele joden verachtelijk op hem hebben neergezien. Best mogelijk, dat zij hem hebben uitgescholden voor heiden, hond, uitgeworpene, gevloekte. Hij had geen recht op de kruimpjes van de tafel, die gespreid was voor de kinderen.
En Ebed-Melech heeft het moeten toestemmen.
Hij heeft zijn onwaardigheid beleden en zijn vloekwaardigheid. Maar de Heere heeft het door Zijn genade zo gemaakt, dat hij heeft mogen zingen :
Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
Noch oor, noch oog, van mijn verdrukking wenden;
Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
Riep naar omhoog.
Welk een wonder van Gods vrijmachtige ontferming.
Ebed-Melech was omringd door een zee van goddeloosheid. Hij aanschouwde bij 't volk des verbonds niets anders dan God-tergen-de zonden.
Men zou zo zeggen, dat het volk des verbonds hem toeriep: ,,Er is bij Jehova geen heil te verwachten. Kijk maar naar ons. Wij verkeren in de grootste ellende. En wij zinken nog dieper weg. Weldra zullen wij worden weggeworpen in de ballingschap, in de bitterste nood. Houd op met uw God-zoeken. Er is bij God niets te vinden. Hij laat u in de steek."
Maar Ebed-Melech is daardoor niet afgeschrokken.
Hij koos de Heere. Hij vond daar zijn schuilplaats. Hij heeft zich geheel aan Jehova overgegeven en hij heeft hemelse lafenis en verkwikking voor zijn zwarte ziel gevonden.
„Op Mij vertrouwd." Het is een sterke uitdrukking volgens de Hebreeuwse taal. Het betekent een vast en een zeker vertrouwen.
Wij zouden mogen zeggen, dat Ebed-Melech niet was een gelovige die van verre stond, maar een sterk gelovige.
Een kind van God als Job, die zeggen mocht: „Ik weet mijn. Verlosser leeft."
Een man als Paulus die roemen mocht: „Ik weet in wie ik geloofd heb en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag."
Misschien zou de Heere Jezus van hem gezegd hebben, zoals hij eenmaal zeide van de hoofdman te Kapernaam: „Ik heb zo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden."
Zietdaar Ebed-Melech in zijn geloofsgenade.
Is dat niet om er begerig naar te worden?
Terwijl wij het u zo voorstelden, - is uw gebed niet opgerezen naar boven om die gunst en dat goed van de Heere?
Hoe zalig is dat vertrouwen op Jehova.
Welk een steun geeft dat in deze wegstervende wereld. Alles roept ons toe: „Bij mij, is het niet."
Maar wie op de hoge God vertrouwt, die heeft zeker op geen zand gebouwd.
Wij zien ook in onze dagen niet veel krachtig geloofsleven.
Het volk des verbonds maakt ons ook nu niet jaloers op de dienst des Heeren. Helaas, wij moeten ons hoofd met schaamte buigen. Wij moeten wel belijden, dat wij zeer verdonkerd zijn en dat wij der aarde flessen gelijk geworden zijn. Maar daarom des te meer is het zo heerlijk, als wij toch die genade van God mogen ontvangen, dat wij ons aan Hem mogen toevertrouwen.
Gelukkig het volk, dat zich met Ebed-Melech een knecht des Heeren mag weten, Gelukkig het volk, tot hetwelk de Heere zelf zegt : „Gij hebt op Mij vertrouwd."
Wat zullen wij de Heere dan antwoorden?
Wij zullen vertellen: Het is uw werk, Heere. Het uwe alleen.
Nu heeft Ebed-Melech niet alleen genade des geloofs mogen ontvangen van de Heere, maar hij heeft die geloofsgenade ook mogen openbaren. Daarom spreekt deze geschiedenis ook van:
II. Zijn geloofsbetoning.
Om die te verstaan moeten wij eigenlijk terug naar het voorgaande hoofdstuk. Met opzet heb ik u daarstraks een gedeelte daarvan laten voorlezen. Het waren moeielijke omstandigheden. Vooral voor de profeet Jeremia. Hij had het woord des Heeren verkondigd. Hij had het volk bevolen, dat het zich in de hand der Chaldeërs zou overgeven.
Zo zegt de Heere: „Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben en zal leven."
Maar het volk wilde daarvan niet weten.
Zip zetten Jeremia in het huis van bewaring.
Zij waren verbeten op de profeet.
Het ging de vorsten daarom nog niet ver genoeg.
Die beraadslaagden tezamen en zij stelden de koning voor, dat men Jeremia zou werpen in de kuil van Malkia de zoon van Hammelech, die in de voorhof der bewaring was. Zo geschiedde het Jeremia werd in die kuil geworpen.
Dat was een afschuwelijke kuil. Er was geen water in, maar wel slijk en modder. Jeremia zonk er in weg al dieper en dieper. Hij moest daarin tenslotte versmoren. Nu dat was ook de bedoeling van de vorsten. Zij haatten Jeremia met een dodelijke haat. Zij zouden er zich over verheugen, als de man die hen telkens het woord van God overbracht, gestorven zou zijn.
Maar nu moet ge eens goed toezien op dat wondere beleid des Heeren.
De mensen kunnen niet doen wat ze maar willen tegenover de kinderen Gods.
Nu gebruikt de Heere Ebed-Melech als een middel in zijn hand om Jeremia te redden. De Heere wist het wel, dat Ebed-Melech de profeet Jeremia hoog vereerde. O, die zwarte kamerling was met zijn ziel aan de profeet verknocht. Het was bij hem net als bij Ruth tegenover die oude Naomi.
„Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden."
Hij zou met Groenewegen kunnen spreken van zoete banden aan Gods kinderen.
En ten opzichte van Jeremia zou hij kunnen belijden: „Hij behoort bij des Heeren lieve volk en ik ook door genade. Daarom is hij mijn hartevriend."
Nu daar heeft die Ebed-Melech gehoord wat er met Jeremia gebeurd is.
Hij is er van geschrokken. Dat men zoiets heeft durven bestaan. Hoe diep is toch het volk des verbonds gezonken.
Maar nog meer. Dadelijk snelt Ebed-Melech naar de koning om voor Jeremia te pleiten. Hij is daar helemaal niet geheimzinnig mee. Ieder mag het gerust weten, dat hij het voor de profeet des Heeren opneemt. Ebed-Melech speelt geen verstoppertje met zijn geloof hij is niet verlegen of beschaamd. Hij komt er openlijk voor uit. Ook voor de koning. Ook tegenover de vorsten.
En nu moet ge eens horen, welk een vurige pleitrede hij houdt voor de koning.
„Mijn heer koning, deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles dat zij gedaan hebben aan de profeet Jeremia, die zij in de kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege de honger, dewijl er geen brood meer in de stad is."
Gij ziet hieruit, dat Ebed-Melech nog al wat te zeggen had bij de koning. En Ebed-Melech neemt waarlijk geen blad voor zijn mond.
Hij durft gerust de vorsten te beschuldigen. Hij noemt het eigenlijk onnodige wreedheid, wat men Jeremia aangedaan heeft.
Maar tegelijkertijd laat hij zijn medelijden, zijn barmhartigheid uitkomen. Ontroerend is dat hier weer.
De kinderen des verbonds zijn hardvochtig tegenover een profeet des Heeren.
Een man uit Cham is liefderijk, zachtzinnig en vriendelijk tegenover de man Gods. 't Is of we hier de gelijkenis vinden van de Heiland over de barmhartige Samaritaan. De priester en de Leviet liepen de verwonde man voorbij, maar de Samaritaan bewees zijn naastenliefde aan de verslagene.
Hoe beschamend voor de joden. Ook hier.
Hoe vererend voor Ebed-Melech. Dat is nu geloof. Zijn geloofsbetoning.
En nu de beslissing. De koning stemt aanstonds toe. Hij gebiedt dat Jeremia uit de kuil getrokken zal worden, eer hij sterft.
Hij geeft Ebed-Melech dertig soldaten mee ter assistentie.
Natuurlijk, dat is een heel werk om een man uit zo'n diepe kuil te trekken. Maar, ik denk, dat de koning die dertig soldaten ook wel meegegeven zal hebben om te voorkomen, dat de vorsten Ebed-Melech niet zouden tegenstaan.
Daar gaat Ebed-Melech heen.
Nog meer zal hij zijn barmhartigheid betonen. Hij heeft de profeet Jeremia zo hartelijk lief. Hij spoedt zich heen naar des konings huis en neemt vandaar uit de garderobe oude en versleten lompen en dan haast hij zich naar de kuil.
Jeremia leeft nog.
Ik weet niet, hoe de profeet Jeremia het in die kuil gemaakt heeft. Mij dunkt, hij had met het leven afgerekend. Hij heeft zich voorbereid op een benauwde verstikkingsdood in de modder.
Wie zal zeggen, hoe hij heeft geroepen en geweend tot de Heere.
En daar komt Ebed-Melech de Moorman, een van zijn liefste vrienden.
De Moorman laat met de zelen de oude en versleten lompen neder. Hij beveelt Jeremia die oude, versleten lompen te leggen onder zijn oksels en de zelen er over heen, dan zullen de touwen en de zelen bij het optrekken geen pijn doen, Hoe gemakkelijk konden de scherpe touwen bij het optrekken in het vlees snijden of het vlees scheuren. O, het openbaart alles zo'n liefde, zo'n teerheid en zachtmoedigheid, geloof!
Wat zegt de apostel Paulus ook alweer van de vruchten des Geestes?
Die zijn: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid......
Maar de werken des vleses zijn: venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, nijd, moord en dergelijke.
Weer komt Ebed-Melech hier uit in zijn geloofsbetoning.
Wij mogen ons wel met ernst afvragen, of die openbaring van het geloof ook bij ons te zien is. Dat medeleven en dat medelijden vooral met de kinderen Gods mag ons toch niet onbekend zijn.
Neen, ge hoeft er niet mee te koop te lopen. Ge hoeft er niet mee te pronken. Dan zoudt ge de Farizeër gelijken en ge zoudt uw loon weg hebben.
Geloofsbetoning geschiedt tot Gods ere.
We denken daarbij niet een ogenblik aan onszelve. Het is spontaan. Het is liefdesopenbaring, werk des Heiligen Geestes in onze harten. En daarom juist zo voortreffelijk en Godverheerlijkend.
Hebt gij ook belangstelling als uw buurman ziek is? Of bekommert gij u niet om uw medemens? Neemt gij ook uw broeder wel eens mee, als gij weet, dat hij in nood is ? Of laat het u koud en kent gij dat voorbidden niet?
Als gij een arm mens een gave geeft, - gooit gij hem dan uw gave uit de verte toe? Of geeft ge met de gave hem ook een warme handdruk?
Ik meen, dat die zwarte broeder ons nog wat leren kan met zijn oude, versleten lompen. Dat zijn van die zachte kussentjes die wij voor anderen bereiden om hun het leed te besparen. Dat zijn die stoere schouders die wij zetten onder de lasten van onze naasten om alzo de liefdewet van Christus te vervullen.
Dat is geloof en geloofsbetoning.
Och, of wij Uw geboón volbrachten!
Genà, o hoogste Majesteit!
Gun door 't geloof in Christus krachten,
Om die te doen uit dankbaarheid.
Heerlijk als dit bij ons gevonden wordt.
Waar de vreze Gods in het hart is, daar wordt het onze lust en ons genoegen. De liefde van Christus dringt ons. Zo was het bij Ebed-Melech. Hij was een man des geloofs, een held des geloofs.
En wanneer wij waarlijk iets genoten hebben uit die heerlijke Zaligmaker, dan kan het niet anders of wij beginnen ook die liefde en de medelevendheid en barmhartigheid te bewijzen waar dat maar nodig is. Dát is het practische christendom.
Zo is het geloof niet alleen een weldaad in ons hart, maar ook een weldaad in onze hand. Wij mogen dan geloofsgemeenschap oefenen met de Heere, maar ook gemeenschap oefenen door het geloof met onze medemensen en vooral met de huisgenoten des geloofs.
Hebt gij ook geloof? Toon dan uw geloof uit uwe werken, opdat een ieder het zie en er iets van geniete en des Heeren lof verkondige?
Het was daar wel diep beschamend voor Israël als die EbedMelech zo mocht uitkomen. Maar voor hem, Ebed-Melech zelf, was het een zalige weldaad van God. En Jeremia zal er zich over verheugd hebben. Toen Jeremia uit de kuil was opgetrokken, hebben zij tezamen zich in Gods goedheid mogen verblijden. Daar was het nu gelijk de dichter zingt:
Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,
Als d' olie, die van Arons hoofd gedropen,
Zijn baard en klederzoom doortrekt;
Z' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt,
Die Zions top met vruchtbaar vocht besproeit,
En op zijn bergen nedervloeit.
Ps. 133: 2.
III. Zijn geloofsbekroning.
Ebed-Melech wordt van de Heere niet vergeten. De liefdedaad aan Zijn knecht Jeremia bewezen, heeft de Heere beloond.
Hoe heeft de Heere Jezus 't ook alweer gezegd? Hoe zal Hij spreken in de jongste dag tot degenen die aan Zijn rechterhand zullen staan en die Zijn beminden hebben bezocht, gekleed, verkwikt?
Hij zal hen vriendelijk nodigend toespreken en zeggen: „Komt gij gezegenden Mijns Vader, beërft het koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld; want...... voor zoveel gij dit één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan."
Welnu, de Heere heeft dat ook gezegd tot Ebed-Melech.
„Hebt gij Mijn kind en knecht Jeremia uit de kuil gehaald ? Hebt gij dat gedaan op zulk een tere en lieflijke wijze in het geloof ? Dat hebt gij aan Mij gedaan. Ik zal u daarvoor belonen. De daden des geloofs in de Heere verricht dragen vrucht! Vrucht voor dit leven en vrucht voor de eeuwigheid."
Lees nu eens mede het woord van de tekst, „Het woord des Hee-ren was ook tot Jeremia geschied als hij in het voorhof der bewaring opgesloten was."
Daar komt de Heere al. Jeremia was nog in de voorhof der bewaring. Misschien was hij er nog niet eens uitgegaan, of hij was er weer teruggekeerd. Hoe het zij, de Heere heeft hem wat te zeggen. En uit alles is het te merken, dat de Heere haast gemaakt heeft.
„Ga henen en spreek tot Ebed-Melech de Moorman."
Het is dus een speciale boodschap voor Ebed-Melech.
Welk een genadige onderscheiding. Dat is wel om op de knieën neer te zinken en in heilige verrukking uit te roepen : „Heere, wilt Gij dan zoveel met mij te doen hebben? Met mij, een zwarte, een zoon uit Cham, die eigenlijk uw vloek moest dragen ? Wel Heere, wat zijt Gij onuitsprekelijk goed voor mij."
Ja, dat is geloofsbekroning. Die is altijd zo overstelpend. „Zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls."
We moeten deze namen niet overslaan. We moeten met aandacht erbij stil staan. Die namen hebben hier zoveel te zeggen. Ebed-Melech heeft de afgoden verlaten. Hij heeft door genade mogen kiezen voor de Heere, voor Jehova, de enige en waarachtige God.
Merk nu, hoe de Heere voor Ebed-Melech gekozen heeft; hoe de Heere zich aan hem wegschenkt; tot hem zegt: „Ik ben de uwe, uw Jehova, de Heere der heirscharen; gij zijt de Mijne geworden; gij behoort nu waarlijk tot het gelovige Israël. Daarom heb Ik ook een afzonderlijk woord voor u."
Waarlijk, dat is, om als een verbroken mens voor God neer te vallen. Om als een Petrus uit te roepen: „Heere, dat ben ik niet waardig."
En nu de boodschap zelve.
Weet ge nog, hoe de Heere kwam tot Abraham de vader der gelovigen?
Weet ge nog, hoe de Heere Zijn geheimen aan die man Gods heeft willen openbaren omtrent de ondergang van de steden der vlakte?
Zo komt de Heere hier ook tot Ebed-Melech.
Het is of wij de Heere horen zeggen: „Zou Ik voor EbedMelech verbergen, wat Ik doe? Is die zwarte kamerling van koning Zedekia niet mijn vriend, tot wie Ik in vertrouwen spreek?
Hoor Ebed-Melech, Ik ga Jeruzalem omkeren.
Mijn knecht Jeremia heeft daarvan reeds gesproken. Maar zij hebben hem niet geloofd. Doch nu zal Ik Mijn woorden doen komen. Gij zult het zien.
Het zal vreselijk zijn. Jeruzalem omgekeerd, gelijk eenmaal Sodom werd omgekeerd. Het volk des verbonds uitgeroeid door het zwaard of door de honger of door de wegzending naar de ballingschap.
„Maar," - en nu die zalige vertroosting: „Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest ; want Ik zal u zekerlijk bevrijden en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uwe ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere."
Zietdaar een zeer bizondere gunstbetoning van de Heere aan Ebed-Melech.
Heel Jeruzalem zal met de grond gelijk gemaakt worden.
Er zal een gruwelijke slachting onder de mensen aangericht worden.
De vorsten en de edelen zullen vallen door het zwaard.
Ebed-Melech schijnt ook gevreesd te hebben. Geen wonder: de oordelen Gods zijn geducht. Wie zal bestaan, als de Heere komt met Zijn roede?
Maar de Heere belooft deze kamerling, dat hij niets heeft te duchten. De Heere zal hem bewaren. Ebed-Melech zal zijn ziel hebben tot een buit. Rondom Ebed-Melech zullen er velen vallen. Duizenden aan zijn rechterhand. Tienduizenden aan zijn linkerhand. Maar hij -zal gespaard blijven. Door de Heere gespaard. Temidden van al die gerichten zal hij daar staan als een toonbeeld van Gods dragende en sparende lankmoedigheid.
Hij zal vorsten en edelen en koningszonen zien slachten, maar hij zal de bescherming des Heeren genieten. Dat is geloofsbekroning.
En dit wordt hoe langer hoe rijker. Hoe meer hij het beschouwt, hoe groter het genadewonder wordt.
Ik denk, dat die vorsten wel boos op hem geweest zullen zijn.
Zij hadden hem wel willen ombrengen. Maar de Heere zegt: „Ik zal u redden. Ik zal u zekerlijk bevrijden. Uw ziel zult gij tot een buit hebben."
O, die beveiliging des Heeren.
De Heere breidt Zijn hand beschuttend over Ebed-Melech uit. Wat zal een nietig mens hem dan doen?
Ik denk, dat de satan ook geloerd heeft op Ebed-Melech. Hij heeft dit kind des Heeren niet ongemoeid gelaten. Midden in de verwarring en in de slachting zal hij zeker geprobeerd hebben ook Ebed-Melech te treffen. Maar de Heere heeft het beloofd: „Gij zult door het zwaard niet vallen."
Tegenover dat woord is de satan ook machteloos.
Als God ons schild en onze hulp wil wezen, dan kunnen de vijanden niets doen.
En nog ben ik er niet.
Als de Heere zegt, dat Ebed-Melech zijn ziel tot een buit zal hebben, dan hebben we daaronder meer te verstaan dan alleen de behoudenis van dit tijdelijke leven. Dan hebben we daaronder zeker ook wel te verstaan de zaligheid te eeuwigen leven.
Hier genoot Ebed-Melech die vrije gunst van God.
Hier heeft Ebed-Melech mogen zien op de Zaligmaker die eenmaal komen zal en ook voor hem het heil des Heeren zal verwerven. Het is een dubbele vertroosting geweest, natuurlijk en geestelijk. Dat is zijn geloofsbekroning!
Het is niet tevergeefs God te dienen en Zijn volk wel te doen.
Wie het volk van God weldoet, die doet een daad aan God zelf. En die daad wordt door de Heere vergolden. Zo wordt genade met genade gekroond. Zo ontvangt de Heere alle ere.
Hoe zal deze Ebed-Melech gezongen hebben, toen de Heere dit woord aan hem bevestigde: „Welgelukzalig is hij die de God Jacobs tot zijne hulp heeft, wiens verwachting op de Heere zijne God is: die de verdrukte recht doet; die de hongerige brood geeft. De Heere maakt de gevangenen los; de Heere bewaart de vreemdelingen. Hij Hij houdt de wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om."
Wat is dit een ontroerende geschiedenis.
Hoe blinkt hierin de genade des eeren op een voortreffelijke wijze uit. Ebed-Melech is waarlijk een knecht des Heeren geworden, een knecht van de Koning der koningen.
Het dienen van koning Zedekia was spoedig ten einde. Maar het dienen van de Heere is nooit geëindigd.
En is Ebed-Melech gestorven, - toen is dat dienen van de Heere eerst pas recht begonnen. Want van de verlosten in de hemel staat ons opgetekend: „zij dienen Hem dag en nacht in Zijne tempel."
Toen is de zwarte kamerling de hemel ingegaan.
Toen mocht hij staan voor de troon van God en van het Lam. Hij heeft een aanvang mogen maken met het zingen van de lof des Heeren, om er nooit van uitgezongen te raken.
Gelukkige Ebed-Melech, dat was voor u de zaligste geloofsbekroning!
Is dit ook een bladzijde uit uw levensboek?
Hebt gij bekende trekken gevonden in de geschiedenis van deze Moorman?
Er zijn in deze geschiedenis toch zeker wel trekken, die ons zeer sterk toespreken. Wat is God goed voor arme zondaren.
Wat mogen we rijke gedachten koesteren van Gods genade.
Maar daartegenover is God ook heilig en rechtvaardig.
Een nakomeling uit Cham neemt God aan, maar het volk des verbonds, dat van Hem afwijkt, verstoot Hij.
Wij moeten daar niet overheen lezen.
De Heere Jezus heeft eens gezegd, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zij zullen aanzitten met Abraham en Izaak en Jacob in het koninkrijk der hemelen. En de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis: aldaar zal wening zijn en knersing der tanden.
Wij moeten waken, dat dit verderf niet over ons komt.
Ik heb daarstraks gememoreerd, dat de kinderen des verbonds niet uitsteken boven het volk des verbonds uit Jeremia's dagen. Ieder onzer kan dit bij zichzelven nagaan.
Het staat vast, dat een afwijkend volk niet veel goeds van de Heere te wachten heeft. Laat Israël hier een duidelijk voorbeeld wezen. Wie zich aan een ander spiegelt, die spiegelt zich zacht.
Wees dan niet tevreden met een oppervlakkige godsdienst.
Sta er naar om God te kennen .
Verlang er naar ook een blik te werpen in uw eigen hart, opdat ge uzelf kent.
Wij zijn zondaren, diep gevallen in Adam. Wij liggen in een verloren staat terneder. Gij moet de Heilige Geest bidden, dat Hij u die verloren staat leert kennen, opdat gij weet, wat dat betekent. Niet alleen een beetje verstandelijke kennis is daarvan genoeg. Het moet praktijk worden, beleving, ondervinding.
Weet, dat de Heere goedertieren is en zeer barmhartig. De Heere wil u alles leren om niet, uit vrije genade. Dit mag ons dan met vrijmoedigheid tot God doen gaan en alles van Hem doen begeren.
De troon der genade staat wijd open.
In Jezus dierbaar bloed is God een genadig God en zeer barmhartig.
Een zwarte Ebed-Melech heeft de Heere aangenomen, - zou Hij dan een kind des verbonds niet aannemen? Zoek Hem en leef.
Welgelukzalig zijn allen die de Heere zoeken. Zij zijn reeds door de Heere gevonden. Weet het, dat die honger en dorst naar de Heere, een werk is van Hem zelf in uwe harten gewrocht.
Maar er is bij de Heere nog veel meer. Er is bij de Heere ook verzadiging.
Zie het maar in Ebed-Melechs leven. De Heere wou hem bizonder toespreken en vriendelijk vertroosten. Hij wil dat al Zijn kinderen doen. Ook u.
De rijkste weldaden wil Hij geven.
Hij wil uw God zijn, uw Jehova. Hij wil u tot Zijn kind maken, tot een ware Israëliet. Het moet ons daarom te doen zijn.
Benaarstig u toch om uw aandeel aan de Heere vast en zeker te maken.
Het is zo zalig de Heere te bezitten. Het is ook zo kostelijk de Heere Jezus te kennen en Hem als een geschonken Borg van God te ontvangen en Hem door een dierbaar geloof te omhelzen.
Dan worden wij ook Ebed-Melechs met een vast en sterk geloof.
Dan beginnen wij ons geloof te belijden, maar ook te openbaren.
O, dat moet toch wel een hartelijk verlangen zijn, geloof te bezitten; geloof te beleven en de geloofsbekroning van God te ontvangen.
Dat loopt uit op Gods glorie. Want van iedere weldaad, die we van de Heere ontvangen, geven wij Hem de ere.
Wij leven ook in moeielijke tijden. De hemel is zwart en de toekomst schijnt zeer donker. Maar tot al Zijn gunstgenoten zegt de Heere ook in onze dagen evenals Hij eenmaal deed tot Ebed-Melech: „Ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest ; want Ik zal u zekerlijk bevrijden en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uwe ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere.
Amen.
Ps. 2 : 7.
Augustus 1952