Psalm 141: 2a 'Het reukwerk des gebeds' ds. P. de Smit

Het reukwerk des gebeds.
Biddagpredikatie door Ds. P. DE SMIT.
Ps. 105 : 1 en 3
Lezen : Ps. 141
Ps. 145 3 en 6
Ps. 141 : 2 en 9
Ps. 66 : 9
Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht.
Psalm 141: 2a.
Dit is nu echt een woord uit het Oude Testament.
Het zet ons midden in de dienst der schaduwen.
Toch zijn er Nieuw-Testamentische tendenzen in.
Het gaat over het gebed. En dat gebed is altijd de kern geweest in de godsdienst. Daarom heb ik dit woord gekozen, want wij zijn vandaag samengekomen om te bidden.
Nu schijnt de dichter in moeilijke omstandigheden te verkeren. Zijn gebed is een roepen. Hij vraagt of de Heere hem haastig wil verhoren.
De bidder is gejaagd en hij schijnt het ook benauwd te hebben.
Toch nadert hij met eerbied voor de Heere, want in de woorden van onze tekst begeert hij, dat zijn gebed moge zijn als reukwerk, dat op het reukaltaar voor de Heere ontstoken wordt.
En dat is het, wat wij nu ook van node hebben.
Wij zullen bidden om een zegen van de Heere over de velden enover ons vee.
Wij zullen bidden om een zegen over de landbouw en over de handel en over allerlei takken van bedrijf.
Wij zullen ook bidden om des Heeren zegen over kerk en school. Want het gaat ons niet alleen om natuurlijke zegeningen, maar ook om geestelijke weldaden.
Uit de diepten van onze behoeften zullen wij tot God roepen. Roepen, als onwaardigen, als schuldigen. Men heeft wel eens gezegd, dat biddagen altijd zijn treurdagen. Dat wil zeggen : wij kunnen niet bidden zonder te treuren. Wij kunnen voor God niet nederknielen zonder te wenen over onze zonden, zonder onze harten te scheuren en te roepen om genade en te smeken : „Geef ons weder de vreugde uws heils!"
En ja, als wij zo tot de Heere mogen gaan, dan wordt het ook onze begeerte: dat ons gebed in deze ure moge worden als lieflijk reukwerk voor Gods aangezicht.
Toen Noach de ark uitgeleid werd, bouwde hij de Heere een altaar.
Hij bracht offeranden van lof en dank en hij boog zich diep voor de Heere neder. En dan lezen wij, dat de Heere de lieflijke geur van het offer rook. Het offer was de Heere aangenaam. Hij had een welgevallen in Noach's gebed.
Dat is het wat de dichter hier begeert, en wat wij met hem van node hebben.
Daarom nemen wij het woord van de dichter over en moge ons gebed de Heere aangenaam zijn. Dan hebben wij een goede ure des gebeds.
„Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Zietdaar: HET REUKWERK DES GEBEDS.
Wij overdenken :
I. De bereiding van dat reukwerk;
II. De aanbieding van dat reukwerk;
III. De heiliging van dat reukwerk.
I. De bereiding van dat reukwerk.
Om daarvan een goede voorstelling te hebben, moeten we opslaan Exodus 30. Daar wordt gesproken van het reukwerk, dat als een reukoffer gebracht moest worden.
Want het moet al dadelijk vast staan voor ons, dat men niet naar willekeur enig reukwerk voor God mag brengen. Alleen dat reukwerk, dat God zelf bevolen heeft.
Nu, dat was een bij uitstek geurig reukwerk.
Het bestond uit welriekende specerijen. Dat wordt wel tweemaal gezegd, om het ons toch maar goed duidelijk te maken, dat het waarlijk welriekende specerijen zijn.
Vier ingrediënten worden genoemd van het reukwerk: mirresap, oniché, galban en wierook. Al deze specerijen werden verkregen uit bomen door insnijdingen of inkervingen, en die specerijen liepen er dan uit bij wijze van tranen.
Gij begrijpt al aanstonds het betekenisvolle. Want het echte gebed welt op uit het verbroken en verbrijzelde hart, dat door de Heilige Geest verslagen is. En de tranen spreken dan nog meer dan de woorden.
Wij moeten ook eens op de specerijen letten. Het is niet zonder beduidenis dat hier deze vier specerijen worden genoemd. De Heere heeft dit met opzet bevolen.
Ten eerste: de mirresap. Die is gewonnen uit de mirreboom. In zichzelve is die sap erg bitter. Maar als de mirre verbrand wordt, dan verspreidt ze een aangename geur. Men heeft daarin wel gezien de vertolking van de belijdenis van zonden.
Als de bidder verschijnt voor Gods Aangezicht om te bidden, dan komt hij altijd met de belijdenis van zijn zonden. En wat zijn die zonden bitter! Hoe kan de bidder over zijn zonden wenen. Maar zulk een hartelijke en gulle belijdenis van zonden is de Heere recht aangenaam. Ze is als een lieflijke reuk die de Heere gaarne wil aantreffen in ons gebed.
De tweede specerij is: de oniché. Dit is een soort hars uit een bepaalde gomboom. Sommigen zeggen, dat deze oniché op zichzelf verbrand, niet een prettige geur geeft. Maar met de andere specerijen samengevoegd geeft de oniché juist een krachtige en sterke geur aan het geheel. Men heeft gemeend hierin te mogen zien een gebed om de vergeving van zonden. Want die vergeving van zonden is zo duur verworven in het smartelijk lijden en sterven van de Heere Jezus. Doch wanneer die vergeving aan een zondaar wordt geschonken, dan maakt ze alle weldaden heerlijk en doet die geuren met een hemelse reuk.
De derde specerij is: de galban. Dat is de sap uit de galbanstruik.
Als deze galban verbrand wordt, heeft die alweer een sterke geur. Het eigenaardige hiervan is, dat deze geur het ongedierte verdrijft. Ik heb wel gelezen, dat de slangen er voor op de vlucht gaan. Mogen we daaronder wellicht verstaan : de afstand van de zonden? De bidder die de Heere bidt om genade en vergeving van zonden, en die de vergeving van zonden ontvangt in Jezus' bloedig lijden en sterven, die kan de zonden niet meer vasthouden. Bidden en zonden aan de hand houden, gaat niet. Hij doet afstand van de zonden.
Tenslotte wordt nog genoemd : de zuivere wierook. Die is ons wel bekend. Die wijst ons henen naar lof en ere. Het is zelfs tot een spreekwoord geworden onder ons, dat men iemand kan bewieroken, d.w.z. dat men iemand ere kan toebrengen.
Nu, er zal zeker in ieder gebed tot de Heere de gepaste eerbied zijn, waarmede wij Hem eren en verheerlijken. Paulus heeft het ons geleerd: „Laat al uwe begeerten met bidden en smeken onder dankzegging bekend worden bij God."
Dit zijn nu de ingrediënten van het reukwerk, dat op bevel des Heeren moest worden samengesteld. Welriekende specerijen, om uit te beelden het gebed, dat uit het hart werd opgezonden en dat aangenaam is in de ogen des Heeren.
Hoe wonderschoon is dat hier voorgesteld.
Welk een juiste uitbeelding van de bidder.
Dit zullen zeker de elementen van ons gebed moeten zijn. Een hartelijke belijdenis van onze zonden.
Een innige smeking om vergeving in het bloed des verbonds. Een grondige afkeer van alles was God mishaagt. En een ootmoedige belijdenis van Gods goedheid en weldadigheid. Zulk een gebed stijgt op naar boven in geurige wolken. In zulk een gebed neemt de Heere een welgevallen.
Nu beginnen wij zo langzamerhand te begrijpen, waarom David zegt in het woord van onze tekst: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Hij wil zeggen: „Geef mij zulk een gebed! Dat is immers van U? Het reukwerk is op uw bevel samengesteld. Geef mij die ware zondekennis. Doe mij zien op het bloed van de Heere Jezus, op de rijke schuldvergeving in dat bloed! Leer mij alle zonden haten en vlieden en verleen mij genade om met hart en mond uw lof te verkondigen. Geef mij dat lieflijk reukwerk des gebeds!"
Er is nog iets. Als dat reukwerk werd toebereid, dan moesten de specerijen eerst afzonderlijk klaargemaakt worden. Die afzonderlijke toebereiding wordt zeer speciaal bevolen. Ik heb gelezen in de geschiedenis der joden, dat de priesters lange tijd moesten stampen in hun vijzel om de specerijen fijn te maken. Onder het stampen door, riepen ze mekaar toe: „Stamp het fijn. Stoot toch voort."
Heeft de Heere daardoor willen leren, dat elk stuk des gebeds een onderwijzing is van de Heere?
Het is noodzakelijk onze zonden te kennen, al is het nog zo bitter. Maar het is ook zalig die zonden te belijden.
Het is bemoedigend de schuldvergeving bij God te zien in de offerande van Jezus Christus aan het kruis. Maar het is nog zaliger die vergeving te genieten.
En zo wij iets daarvan mogen kennen, wij wensen geen zonden meer te koesteren, doch ons leven aan de Heere te geven tot Zijn lof en ere!
Joodse schrijvers weten ons ook te vertellen, dat de toebereiding van het reukwerk een aangename geur verspreidde. Als de priesters met het bereiden daarvan bezig waren, dan kon men het op verre afstand ruiken.
Wel, ik wil bekennen, dat al deze elementen van het ware gebed keurig zijn.
En als een bidder zulk een gebed mag opzenden, dan gaat er kracht van uit op zijn eigen leven, in zijn huis, in de gemeente en in zijn omgeving.
Alweer kan ik het best begrijpen, dat David zeide: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Wij willen in deze ure met David instemmen. Wij willen met hem roepen: „Heere, geef ons ook zulk een gebed met zulke geurige elementen. Geef ons zulk een gebed voor de landbouw en voor de handel, voor ons land en volk, voor de kerk en voor de school, voor onze lichamelijke en geestelijke nooddruft."
Dit reukwerk mocht nooit nagemaakt worden.
De Heere heeft dat met nadruk verboden. Wanneer iemand het zou wagen om het na te maken, alleen maar om er aan te ruiken, zo moest hij met de dood gestraft worden. Hij moest uitgeroeid worden uit zijn volken.
Het reukwerk wijst op het werk van de Heilige Geest.
Het gebed is immers het werk van de Heilige Geest.
Namaak van de Heilige Geest is zwaar strafbaar. Welk een les voor ons in deze ure.
Wij moeten wáár zijn in ons bidden. Als we onze zonden belijden, dan moet het hartelijk gemeend zijn. David zeide: „'k Bekend' aan U oprecht mijn zonden."
Als wij smeken om genade en om zegen over onze velden, dan moet dat uit het hart komen. Anders valt het oordeel des Heeren over ons: „Dit volk naakt mij met de lippen, maar het houdt het hart verre van Mij."
Namaak is altijd te veroordelen. Toen enige jaren geleden een schilder verdacht werd van namaak-schilderijen gemaakt te hebben, heeft men hem op allerlei manier vervolgd. Maar namaak in het geestelijke is wel zeer sterk te veroordelen.
De Heere heeft er een afkeer van. De Heere zegt zelf, dat die mens uitgeroeid zal worden. Dat is dus wel een ernstige zaak voor ons.
De Heere zegt tot Israël: „Scheur uw hart en niet uw klederen."
David heeft dit in onze tekst aangevoeld. David weet, dat hij een bedriegelijk hart heeft. Hij heeft het wel geleerd, dat wij voor de Heere durven komen met mooie woorden, met een trotse gestalte, met veel gebaar. Maar heel ons gebed is dan ijdelheid. 't Zijn woorden zonder zaken. Daar heeft de Heere een afkeer van.
Maar een godvrezend mens heeft er ook een afkeer van. Daarom begeert David, dat zijn gebed gesteld worde als het reukwerk, dat de Heere bevolen heeft.
En wij roepen met David mede: ,,Heere, geef ons zulk een gebed door Uw Heillige Geest gewerkt. Laat ons gebed uit ons hart opstijgen. Laat het U aangenaam zijn als de reukoffers, die Gij zelf geboden hebt. Het is van U. Het is door Uw Heilige Geest. En zo gaat het ook tot U op !"
Dit is nu de bereiding van het reukwerk.
Is het uw begeerte, zo te mogen bidden?
;,Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht." Zalige ure des gebeds als het zo in ons midden zijn mag. Dan houden we biddag. En de Heere zal horen!
Op de bereiding van het reukwerk volgt de aanbieding. Daarom ga ik in de 2e plaats tot u spreken over :
II. De aanbieding van het reukwerk.
Het reukofferaltaar stond in het heilige.
Als de priester de eerste voorhang doorging, dan stond hij aanstonds vlak voor het reukofferaltaar.
Rechts van hem stond de tafel met de toonbroden.
Links van hem was de gouden kandelaar, die het heilige verlichtte. En daar midden in stond dus het reukofferaltaar.
Dit altaar was van sittimhout met louter goud overtrokken. Men heeft daarin van ouds af een uitbeelding gezien van de Middelaar naar Zijn goddelijke en menselijke natuur.
Dat hout wijst dan op Zijn menselijke natuur en het goud herinnert aan Zijn goddelijke natuur.
Tweemaal per dag moest nu de priester het reukwerk brengen voor des Heeren aangezicht : des morgens en des avonds.
Hij vulde daartoe zijn gouden wierookvat met verse, vurige kolen van het brandofferaltaar in de voorhof, - en dan ging hij het heilige binnen.
Heel de dag door lag het reukwerk op het altaar.
Gestadig stegen kleine wolkjes omhoog.
Maar op die twee tijden als de priester het altaar bediende en als hij die verse kolen op het altaar uitstortte en het reukwerk daar overstrooide, dan rezen zware, dikke wolken omhoog. Ze trokken over de voorhang tussen het heilige en het heilige der heiligen heen, - en zo kwam het reukwerk voor het aangezicht des Heeren, die in dat heilige der heiligen woonde tussen de cherubim op het verzoen-deksel. Welk een mooie uitbeelding van het gebed.
Eerst denk ik hier aan dat gouden wierookvat.
Dat wijst op het hart van de ware bidder. Het is een gouden wierookvat. Let wel, dat betekent, dat het een hart is met Gods genade begiftigd. Daarin worden nu die vurige kolen gelegd, die van het brandofferaltaar in de voorhof zijn genomen. Daarin wordt nu het reukwerk toebereid en straks wordt dat reukwerk uitgestort op het reukofferaltaar. Dat is de uitstorting des gebeds.
Dan gaat het gebed opwaarts, hoger en hoger en hoger, totdat het de Heere bereikt. Nu komt er misschien enige aarzeling bij u. Gij durft niet te zeggen, dat uw gebed zo aanstonds tot de Heere opgaat. Gij vreest het zo dikwijls anders. In plaats van dat lieflijk reukwerk vindt gij zulke povere gebeden. En gij denkt, dat ze niet hoger klimmen dan een paar voet. Daar blijven ze hangen als mist- banken boven moerassen en modderpoelen. Ja, dat denkt ge, en ge hebt er smart over. Dat komt juist daar vandaan, dat de Heere uw hart veranderd heeft; dat Hij het gemaakt heeft tot een gouden wierookvat. Nu merkt ge 't, dat er zoveel in is, wat er niet in behoort te zijn. Daarom veroordeelt gij uzelf en vreest ge, dat ge zulk een lieflijk reukoffer niet hebt, Maar de Heere maakt het goed voor u. Hij zorgt er voor, dat er wel terdege geurige wolken opstijgen. Dat zijn uw tranen, uw schaamte over uw ongelukkig bidden, uw schuldbelijdenissen, uw smekingen om genade en vergeving.
En zeg nu zelf: is het niet aangenaam uzelf aan te klagen bij de Heere en uzelf te veroordelen? Ga maar veel met het gouden wierookvat het heiligdom des gebeds binnen. Val maar neer in schaamte, in schuld, in zelfveroordeling. Dat is de Heere een welgevallig gebed. Zeg gij 't maar: „Heere, mijn gebed is niemendal; ik moet mij schamen over mijn bidden. Wees mij genadig. Doe verzoening over mijn stuntelig bidden. Ja, geef mij, dat mijn gebed zij als reukwerk voor uw aangezicht."
Ik heb u daarstraks gezegd, dat de priester zijn wierookvat vulde in de voorhof met vurige kolen van het brandofferaltaar.
Dat brandofferaltaar wees op Christus.
En die vurige kolen zijn uitbeeldingen van de verzoening van de Heere Jezus. Of ook wel de gaven des Heiligen Geestes die de Heere Jezus voor zondaren heeft verworven. Hoe rijk is dat alles hier.
Het kind van God ontvangt in zijn gouden wierookvat des harten de Heilige Geest. En die Geest vuurt ons aan tot het gebed.
Die Geest drijft ons voort naar het heiligdom des gebeds.
Die Geest spreekt ons voor. Die leert ons bidden, leert ons smeken.
Die Geest vaagt al de mistbanken van zonde en ongeloof weg. Die Geest maakt de hemel helder en zuiver, zodat de wierook des gebeds rechtstreeks opgaat naar het hemels heiligdom.
Dat worden aangename ogenblikken.
Dan kunnen we bijna van onze knieën niet opstaan.
Die eenzame gebedsplaatsen worden ons zo aantrekkelijk.
Koude gebeden kruipen langs de grond als zwarte roetwolken en ze slaan hier of daar neer in een donkere poel.
Maar deze vurige gebeden gaan opwaarts als geurig reukwerk tot God. Koude gebeden zijn als aangeschoten vogels. Ze fladderen wat omhoog en ploffen weldra neer. Maar deze vurige gebeden zijn als adelaars, die naar boven opwieken. Straks mogen we er van zingen:
Maar nu, nu heeft, met gunstig' oren, Mijn God op mijne wens gelet; Hij, die het al kan zien en horen, Merkt' op de stem van mijn gebed.
Dat is: ,,Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht.”
Ik heb zo pas opgemerkt, dat het reukwerk heel de dag smeulde op het reukofferaltaar. Voortdurend stijgen kleine wolkjes van het altaar omhoog. Dat is een juiste uitbeelding van het leven van Gods kinderen.
Goed bezien is hun leven een leven des gebeds geworden. Gestadig rijst het gebed uit hun harten omhoog. Soms een enkele zucht. Soms een woord of een paar woorden. Zij bidden onder het
werk door. Zij hoeven hun werk niet te verzuimen om te bidden. Neen, hun werk gaat er nog gemakkelijker door.
We lezen van een Jacob, dat hij zijn zonen zegende. Maar in eens breekt hij dat zegenen af en hij stort zijn ziel uit in het gebed : „Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere!" Dan gaat hij weer voort met zegenen.
Wij lezen van een Mozes, dat hij het volk van Israël leidde aan de Schelfzee. Ge merkt niets van een gebed. En toch heeft hij gebeden, want de Heere zegt: „Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken."
Eliza zat met zijn knecht in Dothan. Heel de stad was omsingeld door vijanden om de man Gods gevangen te nemen.
Die jongen zuchtte: „Ach, mijnheer, wat zullen wij doen?"
Maar Eliza troostte de jongen en sprak hem bemoedigend toe: .,Vrees niet, want die voor ons zijn, die zijn meer dan die tegen ons zijn."
Tegelijk bad hij, dat de Heere de jongen zijn ogen mocht openen. Toen zag de jongen heel de berg rondom de profeet bezet met vurige paarden en wagenen.
Zo lezen we ook van Nehemia, dat hij de Koning diende. Hij zette de beker op de hand des Konings. Tegelijk bad hij zijn gebed. En het was' een goed gebed ook, want de Heere schonk hem op een verrassende wijze de verhoring.
Voorwaar, het volk van God is een biddend volk geworden.
Aanhoudend stijgen er van die kleine wolkjes van het reukwerk opwaarts. Onder het werk door. Ja, gebeurt het niet, als ze eens in moeiten komen, dat er aanstonds een hulpgeroep opgaat naar de Heere ! Komt het niet telkens voor, dat een kind van God midden in de nacht wakker wordt, - en dat er een gebed is in hit hart en op de lippen. O, dat moeten wij niet gering achten. Dat is het werk des Heiligen Geestes in ons gebedsleven.
Maar er zijn ook bizondere tijden. Dat zijn die tijden, als de verse vurige kolen op het altaar worden gebracht. Tijden van nood! Dan worden biddagen gehouden.
En die biddagen worden treurdagen, vastendagen.
Dan laten we alle werk rusten.
De Heere wordt aangelopen van de ochtend tot de avond. Het is nu ook een tijd van nood. Veel erger dan wij menen.
O, die dreiging van een grimmige oorlog, van een benauwende revolutie, van allerlei verwoesting.
O, die dreiging van het ongeloof, dat het geloof wil vertreden. En die oordelen en gerichten, die telkens over de aarde gaan. Vergeten wij het toch niet. Letten wij er wel terdege op.
Hoe betamelijk is het, dat wij met verse, vurige kolen tot het
altaar gaan om op deze biddag de Heere vast te houden met vurigheid en klem. Dan wordt het biddag.
Dan roepen wij met David: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Wat heeft David dat schoon gezegd: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Als het reukwerk gebracht werd, dan kronkelden de wolken omhoog. Ze trokken over het voorhangsel heen naar het heilige der heiligen.
„Daar woonde de Heere op het gouden verzoendeksel tussen de cherubim", zeiden we daarstraks. Dat is dus: „voor uw aangezicht." Zo wilde de Heere het. Zo was het Hem welgevallig.
Zo begeert de dichter het nu ook.
Al zijn zuchten, al zijn gebeden, al zijn smekingen moeten komen tot de Heere.
t Behaag U toch uit 's hemels koren,
Mijn stem te horen.
„Voor uw aangezicht." Daar ligt ook de gedachte in, dat David de Heere bedoelt. Er zijn mensen, die zichzelve bedoelen. Hun gebed is een verheerlijking van zichzelve. Maar David heeft de Heere op het oog.
En allen die een gouden wierookvat van de Heere hebben ontvangen ; die de vurige kolen hebben gekregen van het brandofferaltaar ; die aangedreven worden door de Heilige Geest, - zij naderen voor uw aangezicht!
Daar raken ze hun gebed kwijt.
Daar mogen ze al hun wegen de Heere vertellen.
Ja, zij raken zichzelve aan de Heere kwijt.
Is dat niet om er naar te verlangen ?
Is dat ook niet om de woorden van David over te nemen en ze tot de onze te maken en dan aldus met David te bidden:
Mijn beé, met opgeheven handen,
Klimm' voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden.

Doch op U zien mijn schreiend' ogen;
Op U vertrouw ik in 't verdriet;
Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet,
O Heer, o eeuwig Alvermogen.
Ps, 141: 2 en 9.
III. De heiliging van het reukwerk.
Het reukwerk werd gelegd op het reukaltaar. En dat reukaltaar is Christus.
Het wees naar Christus. Het is een uitbeelding van Christus.
Gij hebt dat nu wel verstaan naar wat wij gezegd hebben.
Want nu kunnen wij ons hart uitstorten als uit een gouden wierookvat ; en wij kunnen aangedreven worden door de Heilige Geest; - maar, wij zijn zulke zondige mensen.
Voordat het gebed over onze lippen gegaan is, hebben wij het bezoedeld met zondige gedachten en met zondige lippen.
Onze gebeden hebben verzoening nodig.
Maar, - en dat is nu juist de prediking hier - het reukwerk des gebeds wordt gelegd op het reukaltaar, en dat reukaltaar is Christus. Christus met zijn bloed der verzoening.
Christus die al onze zonden met zijn Borgbloed bedekt en die nu onze gebeden in zijn gebed opneemt en opdraagt aan de Vader in de hemel.
Ik denk hier aan het achtste hoofdstuk van de Openbaringen.
Daar ziet Johannes de Heere Jezus staan bij het gouden reukaltaar des gebeds. En Hem, dat is de Heere Jezus, werd veel reukwerks gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat voor de troon is. En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Heeren voor God.
Dat is de heiliging van het reukwerk.
Wij hebben gebrekkige gebeden, onreine gebeden, kreupele gebeden, bezoedelde gebeden. Ach, wie moet zich niet schamen over zijn gebed? Wie moet zijn schuld niet belijdenover zijn gebeden?
Maar de Heere Jezus heiligt ons gebed en stelt het als een rein en vlekkeloos gebed voor aan de Vader.
„Kinderkens, indien wie gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook
voor de zonden der gehele wereld."
Hoe gepast wordt nu dit woord van David: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
En nu nog een laatste gedachte.
Dat reukofferaltaar was vierkant.
Van alle zijden konden de gebeden op dat altaar gelegd worden, van het Noorden en Zuiden, van het Oosten en Westen.
Er waren ook hoornen aan dat altaar en die hoornen staken naar buiten uit. Ze komen de bidder tegemoet.
Zo wil de Heere het. Dat is zijn vriendelijke uitnodiging en aanmoediging tot het gebed. Kom maar! Vertel uwe noden toch! Zwijg niet. Wees niet bevreesd, dat ge afgewezen zult worden.
t Is of de Heere in die uit-stekende-hoornen de hand reikt aan de bidder en de bidder trekken wil.
Stort voor Hem uit uw ganse hart. Hij is een Toevlucht te allen tijde. Dat is nu het opwekkende ook voor ons op deze biddag. Wij mogen alles aan de Heere voorleggen.
Wij mogen de nood van de landman de Heere bekend maken. Wij mogen een ruime handel van Hem begeren.
Wij mogen bidden om vrede in ons land en in de wereld.
Wij mogen de , zegen des Heeren afsmeken over de gemeente en over de Kerk, over ons Vorstenhuis en over ons volk. Alles mogen we van de Heere vragen.
Wij mogen vooral bidden om genade voor ons eigen hart. De troon der genade is een grote troon.
Maar wij moeten er aan denken, dat wij het echte reukwerk nodig hebben. Het zuivere reukwerk des gebeds, zoals de Heere het zelf voorgeschreven heeft.
Dat betekent: wij moeten een gouden wierookvat hebben. In dat wierookvat moeten wij die vurige kolen bezitten van het altaar der verzoening.
Wij moeten ook de Heilige Geest hebben in onze harten, want dat is de Geest der genaden en der gebeden. Dat is de Geest die ons aanvuurt tot het gebed, die ons het gebed voorzegt en die zelfs in ons hart zucht met onuitsprekelijke zuchten, dewijl Hij voor ons bidt tot God.
En dan die vier ingrediënten : de mirresap van de echte zondekennis en zonde-belijdenis; de oniché van het hijgen en verlangen naar vergeving in Jezus' bloed ; de galban van het haten en verlaten van de zonden; en tenslotte de wierook der dankzegging voor al Gods goedheid.
Welk een voorrecht daarvan iets te kennen.
Welk een keurig gebed om er jaloers van te worden.
Zulk een gebed hebben wij nu nodig op deze biddag.
Maar niet alleen op deze biddag, wij hebben het altijd weer nodig, ons hele leven door. Dat lieflijke reukwerk, dat almaar voort smeult in ons hart; almaar kleine wolkjes opstuwend, onder ons werk door, onder het luisteren door, onder het preken door.
Zulk een gebed moeten wij ook hebben op bizondere tijden. Opdat verse kolen gelegd mogen worden op het altaar en volle, geurige wolken opwaarts stijgen.
Och, dat dit gebedsleven het onze zij, vandaag, morgen en telkens weer. De Heere is een Hoorder der gebeden. Hij hoort naar ons, als die kleine wolkjes uit ons hart opgaan. Hij hoort ook naar ons, als het nood is. Hoe bemoedigend spreekt een dichter ons toe:
Doch zij, die op de Heere wachten,
Zij zullen in verheugde vlucht,
Met aad'laarsjeugd en aad'laarskrachten,
Op wieken stijgen in de lucht.

Daar lopen ze voor 's Heeren ogen,
Geen moeheid drukt hen door haar dwang.
Zij wandelen heen door 's hemels bogen,
Geen matheid stuit hen in hun gang.
Laat dit u dan aansporen om het gebed te vermenigvuldigen.
Misschien moeten velen onder u belijden, dat zij zulk een gebed niet kennen. Dan naoogt gij de Heilige Geest inroepen, dat Hij het u lere. Houdt dan vandaag biddag om de genade des gebeds van de Heere af te bedélen. Gij kunt daar niet buiten.
Zult gij getroost voortgaan door het leven, dan moet ge het geheim des gebeds kennen. En zult ge eenmaal rustig en zalig kunnen sterven, dan moogt ge toch ook geen vreemdeling zijn in het heiligdom des gebeds.
Ik weet het wel, van nature is ons hart niet zulk een gouden wierookvat. Uit ons zelve stijgen daar geen geurige gebeds-wolkjes op naar de Heere. Helaas, daar is heel wat anders, dat uit ons binnenste oprijst. De Heere Jezus heeft het ons duidelijk geleerd, dat uit ons hart voortkomen allerlei boze bedenkingen, hoererijen, dieverijen, lasteringen en nog duizend andere schrikkelijke zonden. Maar nu is dit de rijke genade des Heeren, dat Hij zulk een verdorven en onrein hart door zijn Heilige Geest wil omzetten en het wil maken tot een gouden wierookvat, waaruit zulk een aangenaam en verrukkelijk reukwerk opstijgt.
Zoudt gij dat dan niet van de Heere begeren? Wie zou zulk een zalig voorrecht niet willen bezitten?
Welaan dan, gij houdt vandaag biddag. Laat dit dan bij u op de voorgrond staan. „theere, ik moet een nieuw hart hebben; een hart waarin uw Geest woont ; een hart waarin de verzoening is van de Heere Jezus. Geef mij zo'n hart. Dat is toch het eerste en het voornaamste ook op de biddag. Dan zal ik pas recht biddag kunnen houden. Geef mij een hart met Uwe genade versierd, dan zal ik een bidder zijn, vandaag op de biddag en morgen en al de dagen mijns levens door."
Voorwaar, zo moet ge bij de Heere aanhouden.
Buig maar zeer laag voor Hem neder. Wees een arme, onwaardige bedelaar. Roep het uit met een dichter :
Troost mijn diep gewonde ziele,
Gij, die arme zondaars noodt.
'k Weet, mijn God, voor wie ik kniele,
Uw genade is eind'loos groot.
Zelfs al werden al de zonden
Van deze aard' bij mij gevonden,
Uw genade gaat alleen
Over al die zonden heen.
En neem dan het woord van David over en smeek de Heere: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht." Zalig is het dit gebedsleven te kennen.
We zijn dan geen vreemdelingen aan het hof des hemels.
We mogen verstaan, wat het betekent: bij de Koning der koningen op audiëntie te gaan.
O, dat verkeren bij God in het gebed, - wat geeft dat vreugde.
't Is waar : wij worden zeer arme mensen, arme, schuldige zondaren. Wij vinden de zonden ook in ons heiligste werk, in ons gebedsleven. Maar juist daarom krijgen wij behoefte aan dat echte reukwerk. Zo wordt het al meer, al sterker en krachtiger: „Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht."
Amen.
Ps. 66: 9.

Maart 1955