2 Koningen 2:23-24 'Elisa's vloek over de jongens van Bethel' ds. Jac. Overduin

Elisa's vloek over de jongens van Bethel.

Predikatie door Ds. Jac. OVERDUIN.

Ps. 105:3
Lezen: 2 Kon. 2
Ps. 101 : 1, 2, 3, 4
Ps. 2 : 6, 7
Ps. 103: 9
En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu de weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad, die bespotten hem en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! En hij keerde zich achterom, en hij zag hen, en vloekte hen in de Naam des Heeren.
Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen twee en veertig kinderen.
2 Kon. 2 : 23, 24.
Gemeente!
Als het goed is, dan predikt elke bediening des Woords zegen én vloek !
Eeuwig wel en eeuwig wee!
Dan wordt Christus verkondigd tot een opstanding voor de rechtvaardigen, maar óók: tot een val voor de onbekeerden!
Als alléén maar de vloek wordt aangekondigd, dan is dat geen rechte, schriftuurlijke Woord-bediening.
Wanneer echter alléén maar de zégen wordt voorgesteld, dan is dat evenmin de zuivere bediening van het Woord.
Mozes sprak eenmaal tot het volk Israël in de woestijn die indrukwekkende woorden: „Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek !"
Zo behoort het te zijn : de zegen en de vloek.
Onze Catechismus heeft dat goed begrepen. Want hij leert ons zo terecht in Zondag 31, dat door de prediking van het heilig evangelie het hemelrijk voor de gelóvigen wordt opengedaan, maar wordt toegesloten voor de óngelovigen, zolang als zij zich niet bekeren.
En nu denken we aan Elisa.
Hij was ook een profeet, die zegen en vloek heeft gebracht. Zeker, 't is waar, Elisa was, veel meer dan zijn voorganger Elia, een profeet, die zégen bracht.
Elia, - wij kennen hem als de vuur-profeet, de prediker van het goddelijk oordeel.
Elisa daarentegen trad meestal op als de vriendelijke helper van mensen, die in droefheid en nood waren. Hij was de Godsgezant, die zegen bracht en licht verspreidde.
Was Elia de profeet van het oordeel, Elisa openbaarde zich veel meer als de profeet der genade.
Elisa kwam in Jericho en maakte er het water gezond.
Hij kwam in Gilgal bij de profeten, die daar woonden, en -redde er hun leven.
Eens verloste hij een vrouw van de hongerdood.
In Jericho gaf hij een arme profeet zijn bijl terug, die hij verloren had.
Het grootste wonder deed hij in Sunem, waar hij een kind weer heeft opgewekt uit de dood.
Denk ook aan de genezing van Naaman, de Syriër......
Bij al deze wonderen zien we de profeet Elisa optreden als de helper in droefheid en nood.
Zijn naam, Elisa, betekent: mijn God is hulp.
En zo was deze Elisa in heel zijn profetische werkzaamheid een duidelijk voorbeeld, dat heenwees naar de Heere Jezus Christus, Die eenmaal komen zou.
De Heere Jezus Christus immers was de grote Helper Israëls, Die het land doorging, goeddoende en genezende de zieken; predikende het evangelie des koninkrijks en vergevende de zonden!
Christus was de grote Zegen-brenger.
Maar...... heeft Christus alleen zégen gebracht?
Neen, de H. Schrift zegt het ons zeer nadrukkelijk: Christus bracht zegen én vloek!
En zo deed ook de profeet Elisa.
Het is eenzijdig en dus verkeerd, om Elia voor te stellen als de vertegenwoordiger van de wet en Elisa als de vertegenwoordiger van de genade.
Zeker, in Elia's prediking brandt het vuurt der goddelijk gerechtigheid, maar toch is ook in die vlammen de gloed der genade..
In Elisa's prediking glanst het licht van de goddelijke genáde, maar in dat genade-licht is toch óók de glans van Gods héiligheid.
Elisa was, evenals Elia, een trouwe dienaar des Woords.
Hij bracht zegen en vloek.
Ook de vloek!
En die prediking van zegen en vloek komt ook tot ons en onze kinderen, opdat we de vloek zouden ontgaan en de zegen beërven. In onze tekstverzen lezen wij:
ELISA's VLOEK OVER DE JONGENS VAN BETHEL.
En we letten op:
1. Een verschrikkelijke zonde;
2. Een ontzettend oordeel;
3. Een ernstige waarschuwing.
1.
Van Jericho ging Elisa naar Bethel,
Nu was de áfstand tussen Jericho en Bethel niet zo groot. Maar wél was er tussen die twee plaatsen een hemelsbreed verschil. Jericho was de plaats van Gods vloek.
Bethel daarentegen was de plaats van Gods zégen.
Maar in Jericho, de plaats van Gods vloek, heeft Elisa zégen gebracht.
En in Bethel, de plaats van Gods zegen, zou hij de vloek gaan brengen.
Bethel, die naam betekent: huis van God.
Dat weet ge toch nog wel: die naam had Jacob aan deze plaats gegeven.
Vroeger heette ze Luz.
Maar vlak bij deze plaats had Jacob, toen hij op de vlucht was voor Ezau, dat nachtelijk droomgezicht ontvangen, dat hem deed zeggen : „Dit is niet anders dan een huis Gods en een poort des hemels."
Vandaar dan ook kwam het, dat de stad Lu z later Bethel werd genoemd.
Bethel, huis van God!
Bethel, een plaats, door God gezegend, en gewijd door zeer vele heilige herinneringen !
In Bethel had oudtijds vader Abraham zijn tenten opgeslagen en zijn kudden geweid.
In Bethel hield Samuël geregeld zijn rechtszittingen.
In Bethel had zelf een tijd lang de tabernakel gestaan.
Maar helaas, koning Jerobeam had zich niet ontzien om deze geheiligde en door God gezegende stad in hoge mate te ontheiligen, door haar te maken tot de hoofdzetel van de kalverendienst.
Dat was helemaal in strijd met Gods wil.
Zeker, die scheiding tussen Juda en het tienstammenrijk was wél naar Gods wil geweest.
Maar godsdienstig moest het volk één blijven.
Het éne, centrale heiligdom stond in Jeruzalem, en dáárheen moesten alle stammen Israëls gaan, om hun offers aan de Heere te brengen.
Maar koning Jerobeam dacht: als de Israëlieten jaarlijks met de grote feesten naar Jeruzalem trekken, dan zullen ze zich weer aansluiten bij het huis van David,
Dat wilde Jerobeam natuurlijk niet.
En wat dééd hij ?
Hij vergat Gods wil en hij besloot een éigen heiligdom op te richten.
Hij bouwde twee tempels: één in het Noorden van het land, in Dan ; en één in het Zuiden, dicht bij de grenzen van Juda, namelijk te Bethel.
In beide tempels richtte hij het beeld op van een gouden kalf, net als vroeger de Israëlieten in de woestijn gedaan hadden.
Dat gouden kalf was niét bedoeld als een afgodsbeeld, maar als een afbeelding van de Heere, de God van Israël.
Maar had de Heere dan niet gezegd: „Gij zult u geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is; gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen" ?
De Heere wil geen eigenwillige godsdienst. Dat is afgoderij. Jerobeam begón met overtreding van het twééde gebod.
Maar het duurde niet lang, of dat liep uit op overtreding van het éérste gebod.
O, toen moest de Heere klagen:
Israël verliet Mij en Mijn geboón ;
't Heeft zich and're goón,
Naar z ij n lust verkoren !
Die zonde van Jerobeam heeft zeer droevige gevolgen gehad voor Israël. Het volk, naar Gods Naam genoemd, is daardoor steeds verder van de Heere afgedwaald.
De profeet Hosea heeft Bethel meermalen met afschuw genoemd: Beth-Aven, hetgeen betekent: huis van ijdelheid of van afgoden~ gruwel.
Bethel - Beth-Aven!
En naar dat Bethel, zo zegt onze tekst, begaf zich nu de profeet Elisa......
Wij zien hem gaan langs de stijgende weg: de eerbiedwaardige gestalte, gekleed in de ruige profetenmantel, die vroeger om Elia's schouders had gehangen......
De weg van Jericho naar Bethel voert door het eenzame berglandschap, door onbegaande, rotsige, woeste bossen, voornamelijk bestaande uit laag struikgewas.
In de klippen en holen van de rotsen houden ontelbare zwermen bijen verblijf. In het struikgewas zijn de schuilplaatsen van wilde dieren.
Al hoger en hoger klimt Elisa langs de moeilijk begaanbare weg. Reeds nadert hij de stad Bethel.
Ja, Elisa wéét het wel: de mensen in Bethel háten hem, omdat hij een knecht van God is!
Maar Elisa doet gehoorzaam en ijverig zijn goddelijk werk, in dienst van zijn Zender, ook al haten de mensen hem er om.
Hij weet het: daar in Bethel staat het gouden kalf; daar is de goddeloosheid heel groot geworden!
Elisa heeft van Bethel niet veel goeds te verwachten. Plotseling....... wat gebeurt daar?
Zie, daar daalt een troep kinderen de weg van Bethel af.
Volgens onze tekst waren het kleine jongens. Wij kunnen daarbij denken aan jongens van uiteenlopende leeftijd, zo ongeveer van vijf tot vijftien jaar.
Waarschijnlijk moet ge 't u dan verder zó voorstellen : het stijgende pad, waarlangs Elisa opklom, maakte grote slingers. Die jongens zagen eerst vanaf een hoger punt Elisa dicht onder zich voorbijgaan. En doordat de weg nu weer een slinger maakte, kreeg Elisa de jongens achter zich.
Die jongens uit Bethel gaan achter Elisa aanlopen, en daar beginnen ze hem uit te jouwen.
Ze lachen en spotten en roepen al maar: „Kaalkop, ga op; kaalkop, ga op!”
Wat lelijk!
Het staat altijd lelijk, om iemand uit te schelden.
„Kaalkop," dat is een scheldwoord.
In de tijd van de hervorming werden de roomse geestelijken ook meermalen om hun tonsuur „kaalkoppen" genoemd.
Maar was Elisa dan kaalhoofdig? Dat staat nergens in de bijbel.
Elisa zal in die tijd ongeveer dertig jaar oud zijn geweest, zodat hij in elk geval nog niet kaalhoofdig kon zijn vanwege zijn ouderdom.
Maar bovendien: elke nette Oosterling liep toch, als hij over de weg ging, met omhuld hoofd. Vooral in de zomermaanden was dat ook wel geraden met het oog op de hitte. En aangezien de gebeurtenissen in onze tekst vermoedelijk hebben plaats gevonden in Mei, Juni of Juli, zal Elisa op zijn tocht van Jericho naar Bethel wel een hoofddoek hebben gedragen, zodat, indien hij al kaalhoofdig geweest mocht zijn, dit toch niet zichtbaar was.
Daarom zullen we wel het veiligst gaan, als we aannemen, dat het scheldwoord „kaalkop" in onze tekst overdrachtelijk bedoeld is, ongeveer in de zin van: kale schooier, of kale jakhals. Volgens andere verklaarders kan het óók betekenen: „melaatse," dat is: verafschuwde; iemand, die als een onreine, een onwaardige, uit de menselijke samenleving is gebannen.
Maar hoe dit ook zij, het was voor de profeet Elisa uiterst grievend en beledigend, om zo te worden nagejouwd: „Kaalkop, ga op !"
Wat bedoelden die jongens daar mee, met dat: „ga op" ?
Verschillende uitleggers zijn van mening, dat ze daarmee wilden zeggen: „Vaar jij óók maar op naar de hemel, evenals voorganger Elia, dan zijn wij van je af !"
Maar deze mening is erg onwaarschijnlijk. Want ten eerste betekent hier het Hebreeuwse woord voor „opgaan" allerminst „opvaren,” maar ten tweede konden deze jongens onmogelijk reeds nu weten van Elia's hemelvaart, die nog maar zo kort geleden had plaats gevonden en waarvan alleen Elisa een ooggetuige was geweest.
Neen, die spottaal van deze jongens was veel meer bedoeld als een boosaardige uitdaging: „Kom eens op, als je durft ! Wij zijn niet bang !"
Zo hebben ook eens de Filistijnen Jonathan en zijn wapendrager uitgedaagd: „Klimt tot ons op, dan zullen wij je wel mores leren!"
Zó hebben die jongens van Bethel Elisa, de profeet des Heeren, uitgedaagd: „Kaalkop, ga op; kaalkop, ga op!"
Wat een verschrikkelijke zonde!
Misschien zegt iemand : „Nu ja, maar zó erg was dat toch niet. Het was een echte kwajongensstreek, zeer afkeurenswaardig, maar was dat nu zo'n verschrikkelijke zonde ?"
Maar als ge er zó over denkt, dan hebt ge het mis, Want wat die jongens uit Bethel deden, dat was maar niet een kwajongensstreek.
Neen, het was veel erger.
Begrijp dat toch goed: die jongens kwamen uit Bethel, waar men de ware dienst van Israël's God had ingeruild voor de valse kalverendienst; waar genoeg valse profeten waren, maar waar men Góds profeten haatte.
Die haat tegen God en Zijn dienst en Zijn knechten hadden die jongens van hun ouders geleerd. Misschien was het wel bekend geworden, dat Elisa in aantocht was en zijn die jongens door hun ouders tot dit boosaardig optreden tegen EIisa aangezet. Ook is het mogelijk, dat de priesters van Bethel hen daartoe hebben opgehitst.
Maar waar het op aankomt, is dit: wat deze knapen uitschreeuwden, was hun áfkeer van de ware dienst des Heeren, die Hij in Zijn Woord bevolen heeft. Zij brachten met hun bespotting van de profeet des Heeren tot uiting, wat er leefde in het hart van heel de burgerij, die door de heidense kalverendienst vergiftigd was.
Daarom was het een verschrikkelijke zonde, wat die jongens van Bethel deden. Het was een openbaring van de vijandschap uit de hel. Dat uitschelden van de profeet Elisa was een beledigen. van God Zelf, Die gezegd heeft: „Tast Mijn gezalfden niet aan en doet Mijn profeten geen kwaad!"
II.
En omdat die zonde zo verschrikkelijk was, daarom is het oordeel ook zo ontzettend geweest.
Daarop letten wij in de tweede plaats : op een ontzettend oordeel! Want wat gebeurt er ?
Die jongens lopen daar achter Elisa aan, joelend en lachend, en almaar schreeuwend: „Kaalkop, ga op; kaalkop, ga op!"
Maar opeens....... daar staat Elisa stil. Hij keert zich om en overziet die lachende troep.
Elisa, de zegenbrenger, de zachtmoedige......
Ach, hij was toch heus een man, die wel wat verdrágen kon. Maar hiér - o, ontzettend is dat geweest! - hoort, Elisa begint te spréken, terwijl zijn ogen fonkelen van heilige verontwaardiging. Hij begint te spreken géén woorden van zegen, maar van vloek!
Reken maar : daar hebben die jongens bij staan te sidderen!
Haal u het tafereel een ogenblik voor de geest. Daar staat Elisa, de trouwe dienstknecht des Heeren, in toorn ontstoken, zijn rechterhand omhoog geheven, en het suist van zijn trillende lippen : „Ik zeg u, jongens van Bethel, vervlóekt zijt gij. Ja, in de Naam des Heeren vervloekt!"
O, en meteen, wat anders nooit gebeurt, - want beren gaan alleen 's nachts op roof uit -, maar nu komen daar op klaarlichte dag twee beren uit het struikgewas te voorschijn.
Het waren twee berinnen, volgens de grondtekst.
Opeens: een vreselijke paniek!
Die jongens gaan op de loop, maar in hun wilde angst kijken ze niet eens, waarhéén ze lopen. Ze slaan een doodlopend bergpad in. Op een gegeven moment kunnen ze niet meer verder. Er is geen ontkomen meer aan. En tegen twee grimmige berinnen valt niet te vechten.
Ach, die jongens, hoe vreselijk!
Straks liggen daar niet minder dan twee en veertig knapen lichamen op de weg, verscheurd, ontzield.
Ontzettend oordeel!
Hoe bleek het ook hier, dat het vreselijk is om te vallen in de handen van de levende God!
Want neen, ge moet deze verschrikkelijke gebeurtenis niét zien, zoals sommigen gedaan hebben, als een persoonlijke wraakneming van de profeet Elisa,
Dát zou inderdaad immoreel zijn geweest en Elisa onwaardig,
Dat zou ook in strijd zijn geweest met de Godsspraak: ,Mij komt de wraak toe en de vergelding!"
Maar wat hier gebeurde, dat was een góddelijk strafgericht. Niet Elisa, maar God Zélf heeft die twee beren doen komen.
En denk maar niet, dat Elisa er behagen in gehad heeft, dat die kinderen zo zwaar gestraft werden.
Neen, hij is er ongetwijfeld diep door geschokt geweest, al was hij er ook van overtuigd, dat deze straf rechtvaardig was.
Maar we kunnen er zéker van zijn: niemands hart droeg groter smart dan dat van Elisa, toen hij eenzaam verder ging......
Hoe predikt ons dan deze geschiedenis de ernst van het Woord Gods, dat wij lezen in Gal. 6 : 7: „Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten."
En uit het verband blijkt, dat de apostel Paulus daar in Gal. 6 juist ook doelt op het spotten met Gods dienaren.
Dat laat God niet straffeloos toe.
Hij neemt het voor Zijn dienaren op; hun zaak is Zijn zaak!
Hij heeft het oordeel doen komen over die jongens van Bethel, die durfden te spotten met Zijn dienstknecht Elisa.
En wij weten het: ook aan de Heere Jezus Christus, onze hoogste Profeet en Leraar, is de vlijmendste spot niet gespaard gebleven.
Zijn vijanden noemden Hem een vraatzuchtig mens en een wijn- drinker, een vriend van tollenaars en zondaars.
Zij smaalden: „Hij werpt de duivel uit door middel van Beëlzebul, de overste der duivelen!" Ze dreven de spot met Zijn koninklijk ambt, door Hem, als een spotkoning, een spotmantel om te werpen, een spotkroon op het hoofd te zetten en een spotscepter in de hand te geven.
En zelfs toen Hij aan het kruis in de bangste smart uitriep: „Eli, Eli, lama sabachthani ?", ontzagen zij zich niet om spottend uit te roepen : „Ziet, Hij roept Elia. Houdt stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem af te nemen !"
Maar oók in ónze dagen ontbreekt niet de felle spot met al wat heilig is.
Een aantal jaren geleden, zo vertelt een zekere schrijver, had men op Goede Vrijdag op het eiland Martinique het schandelijke schouwspel vertoond, de kruisiging van Christus te bespotten.
Onder de toejuichingen der menigte werd een dier aan het kruis geslagen, en dat schouwspel vond zóveel bijval, dat men besloot om het op hemelvaartsdag nog eens opnieuw te doen. Evenwel, God de Heere sprák op die dag!
In de vroegte opende de Mont Palee, een vulkaan, die lange tijd in rust was geweest, zijn kratermond en spuwde dood en verderf over een stad en andere delen van dit eiland. Het Godsgericht brak los en het was een ontzettend gericht.
En hoe ging het op een ander eiland ? In een spotblad was een gedicht verschenen, gewijd aan het kindeke Jezus, waarin . gezegd werd, dat er heden ten dage niemand meer in Jezus geloofde. Hij moest dan maar eens tonen, dat Hij bestond, bijvoorbeeld door een aardbeving te beschikken! En wat gebeurde er? De Heere sprak, en Zijn stem was met majesteit en heerlijkheid, want Hij nam de uitdaging om een aardbeving te beschikken aan, en een groot deel van het eiland werd geheel verwoest.
Zulke voorbeelden spreken voor zichzelf, maar laat de wereld zich hierdoor gezeggen?
Neen, driester dan ooit tevoren openbaart zich in onze dagen de macht van het ongeloof, de geest van de anti-christ, die trots wat heilig is onteert en zich durft stellen tegenover God er tegenover Zijn Gezalfde.
Maar die wereld zal het ondervinden: God laat Zich niet bespotten en Zijn getergde wraak staat gereed om tot staving van Zijn lang gehoond gezag Zijn heiligheid te handhaven.
Duidelijk kunnen we dat zien aan de Joden, die, als straf voor hun bespotting van de Messias, bezocht zijn met de zwaarste oordelen.
En we zien het ook in het strafgericht over de jongens van Bethel, die met hun honende smaadtaal de man Gods en daarmee God Zélf hebben beledigd.
Zo bracht Elisa zegen en vloek.
Elisa bracht zégen in Jericho, de stad van Gods vloek, maar ook vloek in Bethel, de plaats van Gods zegen.
En ook hierin was hij een duidelijk schaduwbeeld van de komende Heiland.
Zo terecht heeft iemand geschreven : Christus is niet alleen de Zegenbrenger, maar ook de Wreker, niet alleen de Redder, maar ook de Rechter. Hij deed niet alleen Zijn vele zaligsprekingen horen, maar slingerde ook herhaaldelijk de Farizeërs Zijn „wee u !" in het gelaat. Hij vervloekte de steden Chorazin, Bethsaïda en Kapernaiim.
Hij is de Helper in alle nood. de Verlosser uit de dood, de barmhartige Hogepriester, de Trooster in alle smart, de Rustaanbrenger voor vermoeiden en belasten, de deelnemende Vriend, de vriendelijke Levensgids, de zachtmoedige Raadgever, de liefdevolle Geneesheer, Die alle wonden heelt.
Maar Hij is ook de Steen dës aanstoots en de Rots der ergernis. Hij is óók gekomen om het zwaard te brengen, om allerlei oordelen over de onbekeerden uit te spreken en de verharde zondaren allerlei dreigingen en vervloekingen te laten horen.
Hij heeft de bálsem in de hand en over Zijn lippen is genáde uit gestort, maar Hij heeft óók de wan en het zwaard in Zijn hand. En in de Heilige` Schrift wordt Hij óók getekend als de Krijgsman, Die besprenkelde klederen draagt, Wiens mantel, bij de uitvoering van Gods wraak tot bestraffing der vijanden, rood geverfd is, door het bloed van Zijn haters, die Hij in de wijnpersbak van Zijn toorn met Zijn voeten vertreedt.
Elisa bracht zegen en vloek.
Ook Christus brengt zegen en vloek.
Hij heeft het Zelf gezegd: „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."
En nu luistert de grote massa niet naar de roepstemmen Gods.
Maar doen wij het wel, gemeente ?
Laat gij u waarschuwen ?
Want in die geschiedenis van Elisa's vloek over de jongens van Bethel ligt voor ons allen een ernstige waarschuwing opgesloten. Daarop letten we nog in de derde plaats, maar zingen wij eerst van de tweede psalm het zesde en zevende vers:
Vreest 's Heeren macht en dient Zijn majesteit;
Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen,
En kust de Zoon, vanouds u toegezeid,
Eer u Zijn toom verdelg' voor aller ogen,
U op uw weg tot stof doe wederkeren,
Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,
U onverhoeds zou door haar gloed verteren,
Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.

Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Zions Vorst erkennen voor hun Heer;
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.
Ps. 2: 6, 7.
III.
Elisa heeft die spottende jongens van Bethel in de Naam des Heeren vervloekt.
Hij bracht zegen en vloek.
En zo ook predikt elke Woordbediening zegen en vloek.
Want Christus is niet alleen de Zegenbrenger, maar ook de Wreker ; niet alleen de Redder, maar ook de Rechter.
En daarom, onbekeerden, weest gewaarschuwd!
Jezus Christus is de Zaligmaker.
Bij Hem is de goddelijke deugd der milde goedheid, maar ook het heilig recht der strenge rechtsgedingen.
Daarom zegt u Gods Woord: kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Gewent u aan Hem en hebt vrede, want wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?
De goddelozen zullen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
En zoals Bethel door de vloek getroffen werd, zo zal eenmaal het oordeel Gods komen over allen, die het evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn, wanneer Hij tot hen zeggen zal: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is !"
Maar...... moet deze waarschuwing dan óók gepredikt worden in het midden der geméénte ?
Onze kinderen zijn toch gedoopt in de Naam van de drieënige God ? Ze behoren toch tot de christelijke kerk en ze hebben toch van kindsbeen af Gods Woord gehoord?
Ja zeker, maar die kinderen van Bethel dan?
Dat waren toch óók kinderen der gemeente; kinderen van dat uitverkoren volk, waaraan God de Heere Zich verbonden had met de rijkste beloften, toen Hij Zijn verbond oprichtte met Abraham, Zijn vriend!
En toch...... deze kinderen des verbonds ontvingen niet de zegen des verbonds, maar werden getroffen door de wráák des verbonds.
Wat is dit dus een ernstige waarschuwing ook voor u, kinderen der gemeente, jongens en meisjes, om toch te gaan in Góds weg, om Zijn verbond niet trouweloos te schenden, noch van Zijn wet afkerig uw oren te wenden.
Neen, van uzelf zijt ge daartoe niet bekwaam.
Ge moet wederom geboren worden.
Maar Hij, Die dat gezegd heeft, heeft u óók de weg gewezen, waarin gij kíint en zult wederom geboren worden.
O, God de Heere maakt Zich vrij van u!
Hij zegt:
Hebt gij lust om Mij te vrezen,
t Allerhoogst en eeuwig goed?
Ik zal Zélf uw Leidsman wezen, Leren,
hoe gij wand'len moet.
t Goed, dat nimmermeer vergaat,
Zult gij ongestoord verwerven!
Is dat geen rijke belofte ?
En de Heere meent het ernstig, wat Hij zegt.
Hij blijft getrouw. Hij gedenkt aan Zijn verbond tot in eeuwigheid ; aan het Woord, dat Hij ingesteld heeft tot in duizend ge- slachten. Hij ontheiligt Zijn verbond niet. Wat uit Zijn lippen is gegaan, zal niet veranderen.
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht, dat naar Hem vraagt, Zijn wet betracht, en zoekt Zijn aanschijn met verlangen!
Ook al moet ge uzelf voor Hem aanklagen, dat ge zo zwaar en zo menigmaal tegen Hem hebt misdreven, gij moogt het toch weten :
Barmhartig is de Heer en zeer genadig,
Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig,
De Heer is groot van goedertierenheid.
Ja, Hij is het, Die 'ons Zijne vriendschap biedt.
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden,
Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,
Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
Maar dit moeten onze kinderen óók weten en wél bedenken: als ge die God van het verbond, Die zo groot is van goedertierenheid, als ge die God blijft verwerpen en versmaden, als Let uw lust niet is om Hem te vrezen, maar als ge wandelt in de raad der goddelozen of staat op de weg der zondaren en zit in het gestoelte der spotters, dan treft u de wraak en de vloek van het verbond, want de Heere heeft óók gezegd: „Indien Mijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn rechten niet wandelen, indien zij Mijn inzettingen ontheiligen en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen!"
Neen, we moeten er geen gewoonte van maken om altijd te klagen over de jeugd. Er valt in de tegenwoordige jeugd ongetwijfeld veel goeds te waarderen.
Maar het kan toch niet ontkend worden, dat wij leven in een tijd van toenemende afval, God-verzaking en Christus-verwerping. Er is overal een verachten van de banden, waarmee God in Zijn heilige wet ons roept tot Zijn dienst. Het oude profetenwoord geldt ook vandaag: zij spreken hun zonden vrij uit, gelijk Sodom, en zij weigeren schaamrood te worden. En zo wordt onze wereld rijp voor het oordeel.
De Heere is groot van lankmoedigheid.
Maar hoe lang nog ?
Want God laat Zich niet bespotten.
En daarom moeten wij allen, maar zeker ook onze jeugd, met grote ernst luisteren naar de roepstem des Heeren, die eenmaal kwam tot het oude bondswolk in de dagen van koning Hizkia, maar die óók bestemd is voor ons en voor onze kinderen
„Bekeert u tot de Heere, de God van Abraham, Izaak en Israël verhardt nu ulieder nek niet; geeft de Heere de hand en komt tot Zijn heiligdom, en dient de Heere, uw God ; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren. Want als gij u bekeert tot de Heere, uw broeders en uw kinderen zullen barmhartigheid vinden, want de Heere uw God is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert!"
Maar, geliefden, dan ligt er tenslotte in Elisa's vloek over de jongens van Bethel ook een ernstige waarschuwing besloten aan het adres van alle ouders en opvoeders!
Want denk er om, dat het wat geweest is voor die ouders van die twee en veertig kinderen, die door de beren zijn verscheurd! Dat was Gods oordeel over die spottende kinderen, maar nog veel meer over hun goddeloze ouders.
Want die ouders hadden hun kinderen dat spotten geléérd. En nu werden die ouders gestraft in hun kinderen.
Het is heel erg, wanneer kinderen de eerbied voor God en Gods dienaren uit het oog verliezen.
Maar het allerergste is het, als de ouders hiervan de schuld dragen!
Zo was het met de ouders van die jongens uit Bethel. En hoe staat het met ons, als ouders?
O, wij staan schuldig voor Gods aangezicht.
Maar het is niet genoeg, dat wij dat belijden, als wij ook niet strijden, wakend en biddend.
Hoe vreselijk is het, als de ouders hun kinderen het spotten
leren; als de ouders hun kinderen vóórgaan in de goddeloosheid! Misschien zult ge zeggen: „Ja, maar dát doen wij toch niet?" Neen, maar wat doet ge dan wél?
Vaders en moeders; op u rust de zware verantwoordelijkheid om uw kinderen op te voeden in de vreze des Heeren, en, zoals ons huwelijksformulier zegt, tot hun zaligheid!
Daarvoor is nodig: godsvrucht, volharding, zelfverloochening, moed!
Ja, dat is veel, maar vergeet niet, ouders, dat uw kinderen dat van u verwáchten mogen, en dat het grievendste verwijt, dat zij u later kunnen doen, is, dat gij hen niet hebt opgevoed, dat gij ze nooit leiding hebt gegeven, nooit iets verboden hebt!
En helaas, deze verwijten worden meer dan eens gehoord. Daarom, ouders, leidt uw kinderen ten goede.
Denkt er aan, dat de opvoeding niet louter bestaat in verbieden, in het weigeren van gunsten, in het waarschuwen voor gevaarlijke zaken en gelegenheden. Ge moet met uw kinderen mééleven. Als ge hen wilt afhouden van het kwade, weet hun dan óók iets góeds te bieden. En vooral : trekt hen door uw goede voorbeeld !
Ouders, als gij uw verantwoordelijkheid niet gevoelt, de ernst van de doop-belofte niet verstaat en uw roeping niet vervult, zult gij daarvan voor de Heere rekenschap moeten afleggen. Reeds in dit leven zullen uw kinderen u tot verantwoording roepen, alleen al door hun gemis aan liefde, achting en vertrouwen jegens u.
Maar ééns zullen zij het doen in het laatste oordeel.
Ja, in dat oordeel zullen de kinderen van Bethel opstaan tegen hun ouders, die hen leerden spotten met God en Zijn knechten.
O, hoe vreselijk!
Ouders, waakt en bidt en strijdt, opdat uw kinderen niet tegen u opstaan in de grote laatste dag!
Hoe heerlijk zal het zijn, als gij éénmaal mét de kinderen, die
God u gegeven heeft, zonder verschrikking moogt verschijnen voor de rechterstoel van Christus, om eeuwig God te loven en te prijzen!'
En de Heere wil u dat geven in de weg van Zijn genadeverbond, waarin Hij u belooft om u te zijn tot een God en uw zaad na u, in de Middelaar des verbonds, Jezus Christus.
Welgelukzalig dan die ouders en die kinderen, die Geds verbond en woorden als hun schatten gadeslaan ; die gedurig de troon der genade aanlopen, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd!
Hoe zullen zij het ondervinden:
Maar 's Heeren gunst zal over die Hem vrezen
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen !
Zo bracht dan Elisa zegen en vloek.
Van zegen en vloek gewaagde deze prediking.
„Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde," zo sprak de Heere eenmaal door Mozes; ,,het leven en de dood heb Ik u voorgesteld, de zegen en de vloek i"
En zalig zijt gij, die gehoorzaamt aan Zijn heilig bevel: „Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad !"
Amen.

Aug. 1952