Psalm 41:5 'Genees mijn ziel' ds. A. Gruppen

Gelovig bewust zielsherstel.

Predikatie door Ds. A. GRUPPEN.

Ps. 63 : 1
Lezen: Psalm 41
Ps. 51 : 4, 9
Ps. 62 : 5
Ps. 30 : 2

- Genees mijn' ziel - Psalm 41 : 5m.
Wij spreken in dit uur tot u over:
GELOVIG BEWUST ZIELSHERSTEL.
Wij letten ten le. Op de gelovig bewuste krankheid;
2e. Op de gelovig bewuste Heelmeester;
3e. Op de gelovig bewuste genezing.
I. Allereerst gelovig bewuste krankheid.
t Is wel opvallend, gem., dat deze bekende dichter bidt om ziels- genezing. Trouwe bijbellezers verwonderen zich nu niet zo zeer over deze bede. Ze zijn dermate vertrouwd geraakt met de H. Schrift, zodat ze direct weten wat de Gode vererende bidder met deze korte beê bedoelt.
Wie echter des Heeren Woord, met enige inspanning leest, valt n uitdrukking, als deze, direct op. 't Trekt, neen 't boeit hun bijzondere aandacht. Wanneer er heden iemand, in de zelfde bewoording zou bidden, gelijk de oude dichter 't in ons tekstvers doet, dan zou moóglijk de vraag rijzen, is die persoon zielsziek ?
De oude joden waren bijzonder geneigd om de feiten bij name te noemen.
Ons, Westerlingen, doet dit uit de aard der zaak vreemd aan. Genees mijn ziel ; - zo smeekt de roemrijke dichter. Gelovig bewust is hij zielsziek.
Gerust mogen we dan ook zeggen, dat deze zielekwaal tot de grote uitzonderingen behoort.
Er zijn heden zoveel zielelijders die geheel onbewust zijn van hun vreeslijk lijden.
En niet alleen dat ze van hun bitter lijden niets afweten, ze hebben blijkbaar nergens geen weet van.
Ogenschijnlijk zien ze in elk medemens 'n geduchte vijand.
Ach, 't zijn toch zulke grote stumpers. Beklagenswaardige voorwerpen voor zich zelf, en mede voor de naasten.
Wat heeft de zonde toch 'n vreeslijke slag geslagen, gem.! Er is nu ook letterlijk niets te denken wat door haar niet is aangetast.
Op vele en velerlei wijze komt dit telkens weer openbaar. 't Meest ontroerend valt dit op bij onze zwakzinnigen. Juist hierom, omdat de zwaarst beproefden van alles onkundig zijn.
Wie ooit kennis met hen heeft gemaakt, weet dit uit eigen ervaring.
Maar des te meer zal dan 'n zogenaamd gezonde ziel gewaardeerd worden. Van welke aard de zielsziekte ook mogen wezen, de onbewuste lijders zijn 't diepst te beklagen.
Kunt u zich vreeslijker stumpers denken?
't Zijn medelijwekkende voorwerpen, voor wie er, helaas, in zeer vele gevallen, geen hoop op herstelling is.
In tegenstelling met hen, hebben wij 't, in ons tekstvers, met 'n geheel andere zielszieke te doen.
t Is de u wel bekende David, de man naar Gods harte.
Hij wist zich gelovig zielsziek. 't Is daarom dat hij tot zijn God vluchtte, en bad : - genees m'n ziel -
Israëls gezalfde droeg dus, gelovig bewust, kennis van z'n zielékrankheid.
Aanstonds rijst de vraag in ons op hoe wist de grote Koning dat zijn ziel in lijden was ?
Wie had hem dit medegedeeld ? Hoe kwam hij aan de weet, dat t niet met hem in orde was ?
Niemand minder dan de Heilige Geest. Hij is 't toch alleen die
de mens-zondaar zijn zielenood, zijn zielelijden, kan bekend maken ?
O zeker, wij kunnen 't elkaar ook zeggen. De dominee moet 't telkens weer verkondigen. 't Onderwijzend personeel, dient er de schoolse jeugd altoos aan te herinneren. De ouders hebben het hun kroost voortdurend in te prenten, dat de kinderen 'n nieuw „hartje" moeten ontvangen. -
Hoe, en door wie 't ook wordt bekend gemaakt, aan jong en oud, aan klein en groot, dat 't met onze ziel niet in orde is, het onderwijs door de H. Geest is vóór alles onmisbaar. De harde les, ten dezen, voor de eigengereide zondaar, slaat door Hem eerst goed in.
't Is hierom omdat Hij zelf intrek neemt in 't oude hart.
Vroeger - in 't schone paradijs - was 't mede Zijn woonplaats. Toen heeft de mens Hem uitgedreven. Door de rijke belofte weleer, van 't toekomstig vrouwenzaad, kon Hij de voorheen woonplaats voor Zich opeisen.
Zodra Hij er nu wederom intrek neemt, doorlicht Hij, in beginsel, de ganse ziel.
Bij die doorlichting nu is des dichters ziel niet vertroebeld -maar in tegenstelling daarvan, geheel verlicht geworden. En krachtens die verlichting, zag hij door en door verdorven te zijn. Zó grondig verkeerd, dat er absoluut niets goeds meer in of aan hem was.
Zè diep verdorven, dat hij niet meer waardig was dat deze aarde hem droeg.
Hij zelf was, in eigen persoon, hiervan aanleidende oorzaak. Mede, in zijn Bondshoofd Adam, had hij zich van zijn Maker en Formeerder losgescheurd.
Uiteraard was hij nu de Bron van alle leven, en alles wat dit schone leven inhield, kwijt.
Dat nog niet alleen maar hij lag tevens - in aanvang - in de drievoudige dood.
Echter, Israëls gezalfde was genadiglijk, met des Heeren Geest begiftigd geworden. Van dood weer levend gemaakt.
Door dàt Geesteslicht nu, leerde hij dat z'n ziel geheel verdorven was. Vandaar dat hij nu tot zijn Bondsgod riep: - genees mijn' ziel -
Dan, gewoonlijk wordt deze verdorvenheid onderschat.
Men wil 't heel makkelijk vergelijken met 'n stuk bedorven vlees dat aan de ontbinding is prijsgegeven. Zó is 't echter niet. Neen veel erger is 't, met des dichters ziel.
Zijn innerlijk zielsverderf bestond in bittere haat - van nature - tegen z'n Bondsgod. Fel van vlammend gif en hels venijn, was 't in zich zelf tegen God gekeerd. Dàt alleen is de oorzaak, waarom hij nu tot z'n God roept : - genees m'n ziel -
Want 't deed hem innerlijk vreeslijke pijn, dat hij zich zelf aldus tegenover z'n God bevond.
Al zou die hem, wegens 't innerlijk verderf, dat in hem huisde voor eeuwig verstoten, dan nog zou de dichter zingen: de Heer doet recht is heilig in Zijn richten.
Gelovig bewust weet de man naar Gods harte zich de diep schuldige voor zijn Bondsgod. Zielsziek, ja en dan bovendien nog doemwaardig, voor de Kenner des harten en de Proever der nieren. Dat was dubbel erg voor hem.
Zovelen denken vandaag dat 't geloven in God alleen maar inhoudt hoe gelukkig 'n gelovige is, in z'n God.
Maar als 't niet anders is dan dat, dan is 't nooit 't geloof van t echte stempel. Weet u wat de ware zielszieke allereerst leert geloven ?
Dit gem., dit alleen, mijnerzijds is 't voor eeuwig met me verloren, maar door dat zelfde geloof ben ik in Christus, voor eeuwig gered. En dat niet maar zó-zó, neen gelovig bewust. Gelovig bewust verloren om eigen zonde-misdaad; gelovig bewust behouden, alleen om Christus verdienste. De gelovige hellevaart, gaat voor ons gelovig zielsbesef, aan de hemelvaart vooraf.
Het is daarom ook dat bij afwisseling, zielesmart en zielevreugd, doorleefd worden. Zo was 't ook bij Israëls tweede koning. Nu eens roept hij uit de dieptekolken van zonde en schuld, en later rolt 't schone lied van zijn gewisse verlossing, over zijn sterfelijke lippen.
„Genees mijn' ziel"; -roept hij tot z'n God. Hij is 't zondigen moede, tegen z'n God.
Zo heel graag is hij verlost van dat wat hem ketende en daarom hinderde, om zijn God kinderlijk te eren.
„Genees mijn' ziel"; -Het is alsof ge in deze zielekreet Davids eigen machteloosheid beluistert. Hij zal 't ook wel eens beproefd hebben om zich zelf te genezen.
immers 't zich zelf willen herstellen, 't zich zelf opknappen, 't zich zich zelf behaaglijk aan God voorstellen, is onze boze natuur toch zo eigen; 't zit ons in 't bloed. De rijk begaafde dichter heeft echter geleerd, dat hij in zich zelf machteloos, tegenover z'n zielekwaal stond. 't Is hem onmooglijk geworden om zich van 't innerlijk onheil te ontdoen.
Hij is zich gelovig bewust, dat er hogere kracht, goddelijke wijsheid, nodig is, om hem te herstellen.
„Genees mijn' ziel"; - aldus schreeuwt hij tot z'n God.
't Is 'n smartekreet tot zijn Bondsgod, die hem lief en dierbaar geworden is. 'n Smartekreet, die z'n sterflijke lippen ontvlood, omdat hij bij geesteslicht had leren zien, dat zijn God zo eeuwig waardig is, om volmaakt, met 'n reine ziel, geëerd, gediend en gevreesd te worden.
Dat alleen is zijn heilig doel geworden.
Hij kan 't echter niet zoals hij 't zo gaarne zou willen. 't Is daarom dat hij tot z'n God roept: - genees mijn' ziel" -
Neen 't gaat de dichter niet om bij-oorzaken!
Hij slaakt deze smartekreet niet, uit vrees voor de verdoemenis Daar is geen sprake van.
De dienenswaardigheid van z'n God deed hem deze zielekreet uiten. De verheerlijking van Israëls Opperheer is z'n levens-ideaal geworden. Maar nu kan hij dit begerenswaardige doel niet bereiken, zoals hij dit graag zou willen. 't Innerlijke verderf staat hem in de weg.
En 't is nu daarom dat hij uit 't diepst van zijn hart schreit: „Genees mijn' ziel" - Hij heeft zoveel vertrouwen op zijn Bondsgod zodat hij er niet aan twijfelt, dat die de smekende dichter niet zou willen genezen.
Maar deze absolute genezing zou dan toch niet geschieden in deze tijd. We weten dat er vandaag andere meningen verkondigd worden. Openlijk wordt er geleraard, dat de volmaaktheid in deze sfeer kan worden bereikt. Dit mag nu een mening zijn die eigen hart strelend aandoet, ze is echter in flagranten strijd met de H. Schrift.
Nog nooit heeft iemand, in deze bedeling, diè volmaaktheid be- reikt, die de Heere welgevallig was, en eigen ziel behoudend.
Dit feit spreekt voor zich zelf.
Stel al dat 't moóglijk was, dat in deze tijd iemand dat begeerlijk hoogtepunt had bereikt, dan had immers het geloof afgedaan!
Neen, zo is des Heeren weg niet met 't redden van de, in zich zelf verloren, zondaar.
Des Heeren pelgrim blijft in dit leven 'n gelovig bewuste zondaar, zij 't dan, in beginsel, 'n verloste.
Hij blijft in dit korte leven een kinderlijk gelovig smeker: -genees mijn' ziel. -
Maar hij verbeidt de volmaakte genezing na dit leven.
Kennen wij nu, persoonlijk, onze zielekrankheid, gelovig bewust ? Bij de vele kennis, die wij moóglijk bezitten, gaat deze toch boven alle. 't Is waar, ze is niet strelend voor ons, van nature, eigengerechtig hart. Wie wil er nu gaarne aan zijn absolute verkeerdheid ontdekt worden ? Immers niemand ? Desniettegenstaande is ze onmisbaar. Elkeen weet te met dat hij niet goed is voor God. Als om strijd spant men zich in om toch maar zoveel moóglijk goed te doen, Maar daarmee is 't hart nog niet genezen van zijn innerlijke verkeerdheid. t Komt er vóór alles op aan wat we zijn voor God.
Naar Zijn dierbaar Woord zijn we voor Hem dood in zonden en misdaden. Niet ziek - zonder meer ? Neen, dood, zoals de grote heidenapostel ons dit onomwonden meldt.
Onherboren zondaar, vlucht smekend tot uw Bondsgod, en bid Hem dat Hij u levend make.
Eerst dan zult ge u bevinden, zoals 't gewijde Blad u en mij tekent. Maar dan zal ook de zielekreet van de oude dichter de uwe worden, als hij luidkeels smeekt : - genees mijn' ziel. -
Ach, tracht toch niet u zelf te herstellen. Dat werk is te zwaar, ja onmoóglijk voor u. Indien ge u niet laat levend maken, en niet laat herstellen door de Heere Zelf, dan zal de eeuwige dood uw toekomst zijn.
Is dat niet vreeslijk ? Ge kunt gered, ge kunt behouden worden, heden nog. Maak nu toch geen enkel voorwendsel ; zoek geen uitvluchten, door te zeggen, ik kan niet, en als ik er geen uitverkorene ben, wat geeft 't me dan ?
Luister slechts naar 't schone Woord van de Heiland.
Hij zegt nu nog, alle eeuwen door, tot jong en oud, klein en groot: „Die tot Mij komt zal Ik geenzins uitwerpen." Geenzins, hoe doemschuldig, hoe ziek ge ook moogt wezen.
Leer aan Zijn lieflijke nodiging gehoor geven, eer 't voor eeuwig te laat is.
Nu wil de Heere nog uw Heiland, uw enige Heelmeester zijn.
t Kommervolle hart verstaat de zielekreet van Israëls grote Koning. 't Kent zich uitermate ziek; door en door verdorven. De levensweg is zo gans anders, dan de aanvankelijke voorstelling was. Toen ze eigen ziele-onheil, gelovig bewust, leerde aanvoelen dacht t ook wel spoedig alle lijden spoedig te boven zullen zijn.
Ach ja, zo gaat 't nu elk kind Gods. Hoe wij ook toegebracht worden, tot de kerk des Heeren, bij de aanvang denken we allen beter te zullen worden.
Dat wordt echter 'n bittere ontgoocheling.
Inplaats van beter en voortreffelijker, leren we ons juist andersom kennen. Bij de dag slechter, ondeugender, ja walgelijker, in ons zelf. Niet zelden maakt moedeloosheid zich van 't verontruste hart meester. 't Is soms voor eigen besef, alsof de Heere de zielekreet: - genees mijn' ziel - niet eens hoort.
Menige ziel slaat nu vaak 'n verkeerde weg in.
Allereerst pogen ze zich zelf te genezen. Maar ook dit eigenzinnig werk baart niet anders dan vreeslijke teleurstelling.
Toch meent men stellig beter te moeten worden in zich zelf. Vandaar dat men hulpe gaat zoeken bij 'n goed bekend staande christen. Ja, misschien wel bij de dominé of bij éen der opzieners der gemeente.
Hoe vriendelijk die ook de geloofsweg mogen uitstippelen, beterschap wordt niet ervaren.
Gestadig aan wordt 't minder.
't Zelf dokteren brengt de kommervolle ziel geen heil aan. 0, dat onreine hart; o, die verdorven ziel ; o, dat trotse gemoed. Wat zou menigeen er toch, voor heel wat liefs, van verlost willen zijn.
Weet ge m'n worstelende broeder of zuster, weet ge waar deze „mens" gelijk mede staat ? O zeker, onbedoelt, gewis, niet anders. Maar daarom zeggen we 't juist. Ze staat gelijk met de eigenzinnige gedachte : zonder Jezus, naar God. Neen, dat kan niet. Ge weet dit opperbest. Bid nu maar om dit heerlijke geheim ook te leren geloven.
Ach, de weg van de bloedvloeiende vrouw is voor geen enkel christen 'n onbekende. Spiegel u aan haar, worstelende zielen, en volg haar laatste voorbeeld.
Naar Jezus, met uw zieke hart; naar de Heiland, met uw verdorven ziel ; naar Jezus Christus, met uw boze gemoed; naar de Zaligmaker der wereld, met uw onheilig bestaan. Dáár, en dáár alleen, is genadig herstel.
Laat Hem, blijvend uw Heelmeester worden.
Maak des dichters zielekreet maar tot de uwe, als hij zegt: - genees mijn' ziel. - In dien weg laat Hij Zich verbidden. Zo vindt ge gelovig bewust uw enigst zieleheil.
Gelukkig 't hart dat van alle kwakzalvers 't oog heeft afgewend, om zich alleen tot Jezus te wenden.
In Hem heeft 't de Heiland gevonden, die niet alleen lieflijk geneest, maar ook hartelijk verblijd. Hij, Hij alleen doet zingen, trots alle innerlijk onheil. Hij alleen, doet gelovig bewust jubelen met de kerk van de oude dag :
In God is al mijn heil, mijn eer,
Mijn sterke rots, mijn tegenweer
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart,
Stort voor Hem uit uw ganse hart;
God is 'n toevlucht t' allen tijde.
Ps. 62:5.
Laat ons nu ten tweede letten
op de gelovig bewuste Heelmeester.
Als de dichter smeekt: -- genees mijn' ziel, - dan is de door hem aangeroepene geen Vreemde voor hem !
Hij riep niet zó maar in de ijle ruimte weg : - genees mijn' ziel -, zonder dat hem, iemand voor ogen stond ?
Zó nu was 't niet. Toen de bekende dichter deze zielekreet slaakte, stond hem zijn Bondsgod voor 't geloofsoog.
David kende Hem - in beginsel - in alzijdigen zin.
't Was geen kennis, die hij nu uit 't een of andere boek had opgedaan, of te wel van iemand had horen zeggen.
Jehova Zelf, Davids Bondsgod, had Zich aan Zijn knecht geopenbaard.
Op deze wijze had de koninklijk gezalfde zijn Heelmeester leren kennen.
Dat was 'n wondere kennismaking voor de kleine David.
Nietwaar, wanneer wij in onze samenleving met iemand in aanraking komen, dan kennen we elkaar van aanzien. Mèèr dan ook niet. Over elkaars aard, aanleg en karakter, valt niet te oordelen. Bij intiemer kennismaking komt dit van zelf openbaar. En dan zijn er, wederzijds, mee- en tegenvallers te boeken.
Op 'n dusdanige wijze was de kennismaking niet met David en zijn Bondsgod.
David ervoer 'n wezenlijke kennis, ten aanzien van zijn God.
Hij leerde Hem kennen in Zijn onkreukbaar, heilig recht; dan in Zijn vlekkeloze heiligheid, en eindelijk in Zijn peilloze goedheid. Des Heeren vaderlijke -vriendelijkheid, blonk de man naar Gods harte, reeds van verre tegemoet.
Die kennismaking bepaalde zich niet alleen tot 't hoofd ? Ze ging niet aan Israëls gebieder voorbij ?
Neen, deze kennis drong zich diep, tot in Davids hart, in.
Ze zou voor David onvergeetlijk, ja onuitwisbaar wezen.
Wat hem in 't korte leven ook moge ontgaan zijn, dit ene niet, n,l. de vrijwillige zelfopenbaring Gods, aan hem.
Wanneer nu de eeuwige God Zich op deze wijze aan Zijn keurling David bekend maakte, hem Zijn heilig recht deed aanvoelen, Zijn smetteloze heiligheid deed toestralen en Zijn Vaderlijke goedheid deed proeven en smaken, dan kon 't niet uitblijven, dat David zich óók niet aan zijn God openbaarde.
Neen, nu kon zich de rijk begaafde zoon van Isai,,niet meer schuil houden. Hij zag zich in dit ongedachte moment genoopt om zich eerlijk en bloot aan zijn grote God voor te stellen. Des Heeren Geest drong hem daartoe, geheel uit wederliefde.
Was nu zijn Bondsgod, de Heilige en Rechtvaardige, de Lieflijke en Vriendelijke, voor hem, hij daarentegen was wezenlijk, de onrechtvaardige, de zwarte zondaar, de onreine van 't hoofd tot de voetzool toe. De doemwaardige.
En dit was David, zoals men dit wel eens zegt, niet bij toeval? Neen 't was enkel en alleen zijn eigen moedwillige schuld.
Nu is David strafbaar voor God. De dood was door hem verdiend, rechtvaardiglijk en eeuwiglijk.
Wat moest de zondaar, David nu in dit voor hem critieke moment doen ? Wat hij doen moest ? Hij had niet met al te doen, dan alleen zijn zondeschuld te openbaren. Hoor hem maar eens - in uw gedachten - hoor hem maar eens ootmoedig belijden, in van zijn schone liederen wanneer hij zegt : 'k Beken aan U o Heer, oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daán ; Gij naamt die gunstig weg.
David mocht dus inplaats van te sterven genadig leven. Genadig, ja maar dan als 'n zwarte, als 'n verlorene, voor eigen besef.
Welk 'n gunst van Davids God dat die hem, waar hij 't zoete leven eeuwig had verbeurd, toch deed leven.
Te meer schitterde die gunst, omdat Davids God de glansrijk Heilige was, hij zelf daarentegen de zondaar, de onheilige bij uitstek.
En nu klemt weer de vraag, hoe kon de heilige en rechtvaardige God Zijn David uitstaan, hoe kon Hij hem voor Zijn heilig oog verdragen ? Dit nu kon alleen in en door Hem, van Wien Israëls gezalfde type was, Vorst Messias.
Die zou in de verre toekomst in Davids plaats willen staan, om diens straf alleen te dragen en diens schuld in te lossen. Ja, Hij zou alles voor hem doen, om Israëls koning vrijuit te doen gaan, naar lichaam en ziel. Hij zou Zijn reine bloed voor David doen vloeien.
Zo nu mocht Israëls Koning leven, zij 't dan genadiglijk. Maar in dien weg leerde Hij ook zijn God gelovig bewust kennen. Dat was nu juist des Heeren heerlijke doel, met Zijn diep schuldige onderdaan, David. Hij wilde Zijn luisterrijke Naam doen eren en prijzen, door hem.
Niemand kon dit nu beter doen dan deze onreine koning. Zijn God kende hij, als de Dankens- en Dienenswaardige. Nooit kon hij Zijn Naam genoeg verheerlijken en roemen.
Zijn diepe verdorvenheid, stond hem in de weg om dit naar wens te kunnen betrachten. Daarom schreeuwt hij luidkeels: - genees mijn' ziel. -
Dat nu kon zijn God doen met behoud van Zijn heilig recht. Zijn eengeboren Zoon wilde boeten in plaats van Zijn gezalfde knecht. En in dien weg werd Gods recht gehandhaafd en Davids ziel ge-
nezen.
Want wat had David nodig tot redding zijner schuldige ziel ? Wat behoefde hij ter genezing van zijn verdorven ziel ? Bloed, gemeente, 't reine bloed van de toekomstige Messias.
Wat heeft Isai's kleine zoon zijn Bondsgod toch heerlijk leren kennen, gem. En nog eens, gelovig bewust.
En hij kende Hem niet één- doch alzijdig in al Zijn onzegbre deugden, in beginsel. Dikwerf wordt Israëls Bondsgod toch zo eenzijdig voorgesteld. Ach wat heeft men dan toch 'n kleine God. Maar t is er dan ook één naar eigen voorstelling; één naar eigen dwaas denken ; één naar eigen fantasie.
Israëls koning kende Jehova, als 'n rechtvaardig God; als 'n heilig God; als 'n barmhartig God; als 'n goedertieren God; als 'n liefderijk God; als 'n genadig God; als 'n eeuwig te vrezen God.
Hij wist zich zelf 'n arm doemschuldig zondaar, waarop Davids grote God in Vaderlijk mededogen ter neder zag.
Nu de dichter de dienenswaardigheid van zijn verheven ma- jestieuze Bondsgod, enigermate kende, nu is 't toch te verstaan dat hij, door wederliefde gedrongen, Hem gaarne volmaakt wilde eren en vrezen ?
Want die God, die naar recht zijn eeuwige Rechter moest wezen, is nu, gelovig bewust, zijn Redder.
Het innerlijke onheil staat hem in de weg om zijn dienenswaardige God, waardiglijk te prijzen, maar zijn koninklijke ziele blaakt van liefde, om 't te doen. Daarom smeekt hij : - genees mijn' ziel. -
Te meer uit de koninklijk gezalfde deze zielekreet wijl 't genezend heil aanvankelijk reeds zijn lijdende ziel verkwikte. Des Heeren genezing was voor hem 'n lieflijke, wijl Hij hem alle pijn Vaderlijk spaarde.
Vorst Messias, Christus Jezus zou in Davids plaats staan en Davids schuld boeten, door Davids straf te dragen, Davids pijn te lijden, Davids doem weg te dragen. Maar tegelijkertijd zou Hij David Heil, ja eeuwige genezing, verwerven.
Zo leerde Isai's zoon zijn Heelmeester gelovig bewust kennen, in beginsel.
Kennen wij Hem nu met David óók als onze enige Heelmeester ?
Wij zijn zo zeer bevoorrecht in vergelijking met de Oud-Testamentische gelovigen. Wij weten zoveel meer dan zij voorheen konden weten. Wij leven immers onder de vervulling van de OudTestamentische profetieën ?
Hebben wij nu ook zoveel meerder geloof, dan de oude vromen ? Ach, ik vrees soms dat 't met 't Bondsvolk van 't heden droeviger gesteld is, dan met dat van de Ouden Dag. Men weet vandaag veel meer, maar 't geloven in Hem schijnt veel geringer te zijn.
Ik bid u, onherboren kind des verbonds, ik bid u, leer uw heilloze zielekwaal kennen. Ja, meer nog, leer uw doodstaat - van natureaanvoelen.
Wie Davids God niet gelovig bewust, aan deze zijde van dood en graf leert kennen, zal Hem straks, aan de andere zijde ontmoeten. Dan echter zal 't vreeslijk zijn. Dan wordt elke verderfvolle - zonder Jezus - naar 't eeuwig verderf verwezen.
Ach buig nu voor Hem in 't stof. Roep Zijn genadige redding in. Lieve jeugd, zoek Hem in uw prille dagen. Verzuim deze kostelijke tijd nu niet. Ge krijgt nooit geen berouw dat ge de Heere vroeg hebt gezocht. Wel dat ge het niet eer hebt betracht.
‘t Kommervolle hart kent de zielekwaal, maar ze durven vaak niet met 't boze hart naar de grote Heelmeester. Ze menen te slecht, te onrein, te onheilig te zijn.
Eigen hart boezemt dit in; de duivel maakt hen dit altoos wijs. En daaraan geeft men gehoor.
Vandaar ook dat ge in 't donker wandelt, m'n kommervolle broeder en zuster. Ge tast altoos in 't donker. Uw levensweg is aan alle levensvreugd gespeend. Uw hongerige en dorstige ziele spijzigt en laaft ge met zwijnendraf.
Kent ge uw Heelmeester niet ? Ja, ge kent Hem enigszins met Israëls gewijde zanger. Soms gaat ge er aan twijfelen, of al wat gevan Hem hebt ervaren wel echt, wel waarheid is geweest. Oorzaak hiervan mede is, dat ge aan 't begin van de levensweg dacht, alle onheil spoedig te boven zoudt zijn.
't Scheen toch zo schoon, aanvankelijk. De Majestueuze Koning deed u Zijn heilig recht en vlakkeloze heiligheid aanschouwen. Maar ook Zijn Vaderlijk mededogen. Toen boogt ge voor Hem, als 'n diep schuldige, in 't stof. Hij was u 'n genadig God en 'n liefderijk God. Ge beloofdet, doordat Zijn onmisbaar heil uw ziel verijkte, voortaan voor Hem te leven. En ge dacht steeds heerlijker te zullen worden.
Inplaats van dat is 't juist andersom met u geworden.
't Werd er niet beter, en 't werd niet schoner, en 't werd niet heerlijker voor uw zielsoog. Integendeel, van uw schone voorstellingen en van uw hopenlijk herstel, kwam niet met al terecht. En nu hebt ge de moed opgegeven. Soms de wanhoop nabij. De boze dringt u in 'n hoek, die u doet huiveren.
't Gebed is verflauwd; de levensernst is geslonken en 't levensvuur uit de eerste tijd, schijnt gedoofd te zijn.
Klamme moedeloosheid en botte onverschilligheid zou zich van u meester willen maken, indien God 't niet verhoede.
Wat nu toe doen ? Wat u doen moet ? Niet anders, dan haastig, op uw knieën, voor Hem in stof neerzijgen. Vertel Hem alles eerlijk en oprecht. Hij is nog dezelfde God van voorheen.
Bij Hem is geen verandering of schaduw' van omkering.
Ga tot Hem, Hij wacht op u. Graag giet Hij Zijn heil in uw verontruste ziel. Talm nu geen moment ; draal geen enkel ogenblik. Ga tot Hem en zeg maar met Israëls koning: Toen ik zweeg, en U rn'n ongerechtigheden, weerhouden door de vrees niet heb beleden; Verouderden mijn beend'ren door geklag; In m'n gebrul en angst de ganse dag.
En dan leert ge uw God kennen m'n herboren broeder en zuster. Kennen, als 'n ontfermend Vader, die reeds van verre gereed staat om Zijn verdwaalde kind in Zijn Vaderarmen op te vangen.'
Nu is Hij uw Heelmeester in zo veelzijdigen zin.
Nu ziet ge 't gelovig bewust, dat Jezus alleen uw Heil is. Ge meendet, aanvankelijk, dit zelf te moeten behalen.
't Was al verworven, maar door Jezus, Jezus alleen.
Geef u nu maar gerust aan Hem over. Dan leert ge dat Gods recht door Hem is betracht; dat Gods heiligheid Hem heeft getroffen ; dat Gods grote zondaarsliefde u alleen door Hem is geopenbaard. Bid, kommervol hart, bid wederom met deze bekende smeker: Vertroost mijn ziel in haar geween, En zeg haar: „Ik ben uw heil alleen."
Maar bovenal, waar ge in dien weg uw Bondsgod meer en meer leert kennen, zal nu de zielekreet van de bekende dichter heerlijke betekenis voor u krijgen, en ge zult hem vuriglijk na-smeken : - genees mijn' ziel. -
Wat moet des Heeren kind toch vaak langs pijnvolle wegen zijn Heelmeester leren kennen. David is ons ten voorbeeld, gem. Maar met deze ootmoedige smeker leert elk herboorne zo de majestueuze Heelmeester gelovig bewust kennen en waarderen. O zeker, bij lange na niet genoeg.
Maar dan toch in beginsel. Hem volmaakt te kennen is voor des Heeren volk tot 't namaals in uitzicht gesteld.
Wij zouden in de derde plaats ook nog iets zeggen over
de gelovig bewuste genezing.
- Genees mijn' ziel; - zo smeekte de bekende koning Israëls, tot zijn almachtige Bondsgod. Daarmede was hij voor zijn lijdende ziel, aan 't juiste adres. Voorheen is reeds opgemerkt, dat wij gaarne geneigd zijn andere adressen voor dit mankement aan te doen. Dit kan niet anders dan pijnende schade voor 'n verslagen ziele zijn. David heeft blijkbaar de juiste weg ingeslagen om volstrekte genezing te mogen vinden. Ten dezen kan hij al des Heeren volk, van de huidige dag, ten voorbeeld zijn. Daartegenover staat ook weer, dat die Geest, die David op de juiste plaats bracht, nog Zijn beminnaars leidt naar de ongekende, liefdevolle, Heelmeester.
Des Heeren werk is, achteraf bezien, in vertrouwde handen. Wij weten dit soms heel best, 't wordt — helaas voor menige ziel - niet zo heel best geloofd. Desondanks gaat Hij steeds voort des Heeren genade-onderdanen naar de Bron des Heils te voeren. Uit zich zelf zou niemand die heerlijkheids-Fontein zoeken. Maar Hij leidt heen - lieflijk onderwijzend - naar de juiste plaats. Hij alleen draagt trouwe zorg, dat des Heeren werk in 't hart van de zondaar, tot God wederkeert.
Des Heeren Geest doet de Vader van alle vlees en geest kinderlijk verheerlijken. Nu bestaat die Godsverering niet alleen in de rijke jubel en 't machtig schone hallel. Wie dat meent maakt, onbewust, 'n kleine vergissing. Neen, ook de met zich zelf bekend gemaakte zondaar, die de gruwel zijner melaatse ziele aanvoelt, tot Hem vlucht, en hoopvol smeekt: - genees mijn' ziel; - is Hem uiterst welkom.
Deze uiting van bitter zieleleed, voor 't heilig aangezicht van de majestueuze Bondsgod, is Gode vererend.
Allereerst, wijl 't knagend zieleleed 'n heerlijke vrucht is, van Christus zegeviering over de eeuwige dood.
Dan, dat de doemwaardige verloren mens, tot God komt, Hem te voet valt en smeekt : - genees mijn' ziel. -
En David is niet genezen, hoor ik me toeroepen. Hij is 'n zondaar gebleven tot zijn jongste snik. Denk nu toch ook niet, m'n herboren broeder en zuster, dat David 't absolute herstel hier begeerde. In een ander lied drukt hij zich nog veel forser uit dan in ons tekstvers. In de 51e psalm smeekt hij, ontzondig mij met hysop.
Wil dit nu beduiden, dat de man naar Gods hart, hier de volkomen genezing verwachtte ? David wist beter, gem.
Deze oprechte begeerte, in Davids ziele, bewijst ons hoe hij 't zondigen moede was. En toch, werd hij genezen, ook gelovig bewust.
Maar die genezing is gans anders, dan onze voorstelling van nature is. Als Israëls koning smeekt : — genees mij'n ziel ; - reken er dan maar gerust en zeker op dat deze bede genadiglijk verhoord werd.
De bovennatuurlijke genezing staat nooit stil in 't hart van des Heeren kind. Voorheen niet en nu ook nog niet. 't Is één en dezelfde Geest die des Heeren volk afmonstert voor de grote eeuwigheidsreis.
Wanneer nu des Heeren strijder, in dit leven, smeekt om ontzondiging, of zoals ons tekstwoord luidt: - genees mijn' ziel; - dan is dit 'n duidelijk bewijs hoe vreeslijk 't zondigen tegen 'n liefderijk God voor hen is.
Als 't wel met hen is, ze hun eigene zielekrankheid grondig aanvoelen, dan is deze beé altoos - zij 't ook met andere woorden -levendig in hen.
En voortdurend worden ze slechter voor eigen geloofsbesef ; walgelijker in eigen oog.
Des te meer wordt nu de smartekreet geuit: - genees mijn' ziel. - Deze pijnvolle ervaring, van steeds onreiner te worden, is voor hen 'n prikkel om snakkend Christus zaligende gerechtigheid te verlangen.
En dàt is nu, voor elk herboren kind des Heeren, de genezing. gem. Gelovig bewust. Wij moeten onze schandelijk misdaden, onze welverdiende doemwaardigheid, onze bittere doemschuld gelovig aanvoelen, zullen wij tot Christus uitgedreven worden.
O zeker als wij zo helder bewust des Heeren gemeenschap proeven en smaken, o dan zouden wij er de zonde graag met wortel en tak uitroeien.
Maar bij nadere bezinning leren we toch dat deze idee niet strookt met 't gewijde Blad. En wat er nu ook de Bruid van Christus Jezus moge voorgespiegeld worden, 't heilig Woord des Heeren is hun zalig richtsnoer, voor deze tijd. 't Is dan ook niet tegen 't gewijde Blad wanneer des Heeren pelgrim schreit : - genees mijn' ziel. – ‘t Genezingsproces gaat veilig en zeker door, totdat straks de poorten van 't eeuwig Jeruzalem voor hem open gaan.
En dan zullen ze bij beurte aanschouwen dat hun geloofsbegeerte verwezenlijkt is. Ze verbeiden gelovig bewust de volstrekte genezing.
Echter, nooit hier, maar daar waar geen enkele inwoner meer zeggen zal, ik ben ziek.
Christus' heil waarborgt des Heeren volk 'n heerlijk herstel. Maar...... dan uit genade alleen.
Amen.

Juli 1953