Jesaja 40:31 'Maar die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen' ds. K. Bokhorst

Krachtsvernieuwing uit Godsverwachting.

Predikatie door Ds. K. BOKHORST.

Ps. 46 : 1
Lezen: Jes. 40 : 21-31
Ps. 25 : 1
Ps. 63 : 2, 3
Ps. 68 : 17
Ps. 89 : 7

Maar die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden ; zij zullen lopen en niet moede worden ; zij zullen wandelen en niet mat worden.
Jesaja 40 : 31.

Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij. Dit is wel een ernstige klacht welke de profeet Jesaja optekende uit de mond van het moedeloze Israël, dat door de verdrukking heen geleid werd. Een ernstige klacht, welke ook een aanklacht aan het adres van God kan worden genoemd. Immers hierin wordt uitgesproken, dat er bij God onwetendheid, ja zelfs onrechtvaardigheid zou kunnen zijn.
Mijn weg is voor de Heere verborgen. Alsof God niet alles weet en alles ziet. Doorlopen dan Zijn ogen niet de ganse aarde en aanschouwt Hij niet al wat er leeft en zich beweegt. Aanschouwt Hij ook niet de moeite en het verdriet, opdat men het in Zijn handen geve? Hoe kan dat volk dan zeggen : Mijn weg is voor de Heere verborgen. Is Zijn oog niet zeer bizonder op Zijn volk, dat leeft onder de belofte. Mijn oog zal op u zijn ; Ik zal raad geven?
Israël moet wel heel ver weg wezen en de dingen gans verkeerd zien, wanneer het deze klacht uitspreekt. En toch, het staat hier in het Woord Gods, dat waarheid is. Het volk, tevoren gunstig uitverkoren tot Zijn erf en lot heeft dit durven zeggen.
Zelfs wordt er de klacht van dat volk bijgevoegd : Mijn recht gaat van mijn God voorbij. Alsof God onrechtvaardig kan handelen en het recht krenken, Dat zou geheel ingaan tegen het bestaan van God, die niet anders dan recht en gerechtigheid handhaaft.
Wat een belediging in feite ten opzichte van de heilige God om aldus te klagen. Hoe schuldig maakt een mens zich, en met name wel een kind van God, als hij aan de deugden Gods gaat twijfelen en over God gaat denken en spreken, alsof Deze gelijk zou staan met een zwak en zondig mensenkind.
Zou het onrechtvaardig zijn, als God zulke twijfelende, bedillende, alles scheef ziende en trekkende mensen van voor Zijn heilig aangezicht weg wierp en hen in hun ellendigheid, waarin zij zich verstrikken, onder liet gaan? Immers neen! Dat ieder dit zich goed bewust zij, hoe zondig het is Gods doen en laten te bedillen en aan God te willen voorschrijven, hoe Hij doen moet en maar wat boos te zijn, als het niet gaat, zoals wij dit wensen en indenken.
Maar dan het wonder! God laat door de profeet aan Israël niet de straf op hun opstandigheid en verkeerdheid aanzeggen. Integendeel, God blijkt niet moede of mat geworden om dat volk met het beneveld oog en ingezonken hart steeds weer te onderwijzen en te bearbeiden om de zaken toch recht te gaan zien. De profeet herinnert het volk er aan dat God nooit na te rekenen is. Zijn gedachten zijn hoger dan de gedachten van welk mens ook. Zijn wegen anders dan de wegen, welke vlees en bloed gaarne gebaand ziet. Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
Bij de Heere is ook de kracht om in lijdzaamheid voort te kunnen gaan op de weg door Hem bepaald. Daar wordt nadrukkelijk op gewezen aan het einde van het hoofdstuk. Dit mag steeds herhaald in het strijdperk van het leven. Wat het Israël Gods in Jesaja's tijd doorleefde, komt alle tijden en in allerlei omstandigheden voor. Maar de God van Israël is voor alle eeuwen dezelfde, en Zijn woord is het eeuwige en onveranderlijke woord, dat lering en troost bevat. Wie het met erkenning van eigen dwaasheid en schuld weer van God verwacht en op Zijn goedheid leert hopen, zal niet beschaamd uitkomen. Dat willen wij aan de hand van ons tekstwoord nagaan. Wij vatten deze tekst samen in deze woorden:
KRACHTSVERNIEUWING UIT GODSVERWACHTING.
Wij letten daarbij
Ie. op de noodzakelijkheid van deze krachtsvernieuwing;
IIe. op de voorwerpen van deze krachtsvernieuwing;
IIIe. op de uitwerking van deze krachtsvernieuwing.
Krachtsvernieuwing, dat is het, wat ons in dit woord des Heeren voor de aandacht wordt gebracht. Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. Zij verkrijgen nieuwe kracht. Die nieuwe kracht is een gans bizondere kracht, welke door de Heilige Geest ingewerkt wordt in de harten der gelovigen, waardoor op een geheel enige wijze het oog weer gaat tintelen van leven; de handen weer sterk worden om voor de Heere te werken, de voeten bekwaam om de loopbaan te lopen, ja zelfs het hart weer gedrongen wordt en dringt tot lof en dank aan God.
Het is een kracht, welke boven alle andere krachten uitgaat. Niet alleen dat zij in sterkere mate invloeit dan welke andere kracht ook, maar zij is van geheel eigen karakter. Als voortkomende uit de Geest des Heeren is het een geestelijke, wondere kracht, welke in ons tekstverband gesteld wordt naast de kracht van een jongeling, maar die tegelijk daar zeer ver boven uitgaat.
De jongen zullen moede worden en de jongelingen zullen gewisselijk vallen. De jongeling is in de Heilige Schrift de typische vertegenwoordiger van menselijke kracht. Staat er niet geschreven: der jongelingen sieraad is hun kracht. Het is de kracht van het jonge opbruisende leven dat tot ontplooiing noopt. Toch blijkt ook deze kracht niet bestendig. In der jongelingen-leeftijd zinkt zij soms al in. Er lopen heel veel jonge mannen rond, die eigenlijk het leven niet meer aan kunnen en durven. Die in allerlei vermaken en uitspattingen wel afleiding zoeken, zonder deze echter te vinden. Zij zouden soms het leven maar zo gauw mogelijk uit willen.
Wie zover niet verzinkt, nog levensmoed overhoudt om het leven te aanvaarden, zoals het is, heeft toch het jonge leven spoedig achter zich en ziet zich bij het ouder worden de kracht ontvallen. Alle vlees is gras. Het gras verdort, de bloem valt af als de Geest des Heeren daarin blaast : Voorwaar het, volk is gras. Daar vallen de jonge mensen ook onder, hoe sterk ze zich ook wanen.
Maar dan de kracht hier genoemd. Dit is de kracht uit God, welke juist omdat ze uit God is, boven alle kracht uitgaat. Het is de kracht waarvan de kerk mag zingen :
Het vrome zaad, van die op God betrouwden Zal door zijn kracht Hem dienen, voor Hem leven.
Het is een kracht, waardoor David de strijd eens kon strijden tegen de geweldige reus Goliath en dan nog als overwinnaar uit het strijdperk kon treden. Mocht deze reus al komen met de sterkste wapenen, David kwam in de mogendheid des Heeren. Wij kunnen ook zeggen in de kracht van God, en daar moet zelfs de duivel het voor afleggen.
Het is de kracht, waarin de Apostelen mochten staan, nadat zij op dien heerlijke Pinksterdag na Jezus' hemelvaart aangedaan werden met kracht uit de hoogte. Die Heiland was voor hen naar een hemel gegaan, maar had vooraf beloofd Zijn Geest te zullen zenden en deze belofte werd ingelost, zoals alle beloften ja en amen zijn in Christus Jezus. Met Christus verenigd stonden deze Apostelen in levende gemeenschap met God, uit wien nu door Jezus Christus, de Middelaar, zij bediend werden met geestelijke kracht. Toen gingen ze niet meer vluchten om huns levens wil. Zij zaten ook niet moedeloos terneer, alsof alles verloren was, zoals op het Paasfeest, toen Jezus' lichaam in het graf lag. O neen, nu stonden ze alle geweld trotserende. God groot te maken en Jezus Christus te verkondigen als de algenoegzame Zaligmaker voor zondaren. Hun hart kon er wel bij zingen, al dreigde de vijand ook met dood en verderf.
Het is de kracht, waardoor ook nu Gods volk in stand wordt gehouden, De kleinen met de groten. De jonge met de oude, zij allen zullen moeten zeggen: O God - Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen. De God Israëls, Die geeft de volken sterkte en krachten. Geloofd zij God! Hij geeft de moede kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. Hij doet dit door Zijn grote Zoon, die mens wilde worden om als de Middelaar des verbonds de weg, of wel het kanaal te zijn, waarlangs de Heilige God nog met een schuldig volk te doen kan hebben en dat volk, hetwelk alleen de dood verdiend heeft, door zijn zonde, door wedergeboorte en geloof weer tot leven, tot nieuw leven, tot eeuwig leven te brengen.
Deze kracht is nu zo strikt noodzakelijk.
Vooreerst al om uit de dood tot het leven te geraken. Zonder de inwerking des Geestes is alles dood, geestelijk dood. Dood in zonde en misdaden, onbekwaam tot enig goed, geneigd tot alle kwaad. Is er in een dode nog kracht? Hoogstens kunnen wij nog spreken van een kracht des doods, een kracht ter verderving, een ontbindende kracht, maar geen kracht ten leven.
Zo is het ook in geestelijke zin. Een Gode vijandige kracht des doods beheerst de mens van nature. 't Komt niet altijd en bij ieder even duidelijk aan het licht. Maar het feit is zeker.
Daarom ook bij iedere doopsbediening er zo terecht op gewezen, dat wij in het rijk van God niet kunnen komen tenzij wij van nieuws geboren worden, en dit mag wel steeds herhaald in gesprek en prediking. Niet maar wat vormen of beschaven, maar van nieuws geboren worden. Een nieuwe levenskracht moet er door Goddelijke genade en almacht in gewerkt worden. Een kracht uit God door Jezus Christus in bediening des Geestes.
Niet maar wat opwinding van buiten af, maar een levensprincipe van binnen uit zal een mens moeten beheersen ten eeuwige leven. Niet dus maar wat stuwing door opvoeding, onderwijs of levensregelen. Zeker, inderdaad, deze kunnen van grote betekenis worden geacht, maar maken nog niet een nieuwen mens, die uit God geboren is en door Goddelijke kracht wordt geleid, geleerd en bekeerd.
Bij stuwing door uiterlijke omstandigheden is een mens te vergelijken met een stuk speelgoed, waarmee de kinderen wel spelen. Er zit een grotere of kleinere veer in. Deze kan opgedraaid. Het speelding loopt ook, zolang de veer niet is ontspannen. Maar het houdt geen stand. Er zit geen levenskracht achter. Het blijft een dood ding. Mogelijk prachtig van aanzien. Vernuftig in elkaar gezet. Maar dood.
Gans anders dan bij een zaadkorrel, waar een levenskiem in zit, welke uit kracht van dit leven tot werking komt.
Welnu zo hebben wij allen nodig een nieuw levensbeginsel, waarmee wij maar niet geboren worden. De Heilige Schrift noemt ons dood in zonde en misdaden.
Veronderstellen helpt ook al bitter weinig, want het moet werkelijkheid zijn. Alleen Goddelijke almacht kan het in ons werken. Er is nog mogelijkheid van leven, van zalig worden, van eeuwig leven, maar dan alleen uit het wonder Gods. Dat moet altijd maar weer benadrukt worden en niet het minst in onze tijd.
Leeft het nog wel goed in ons, dat er wat met een mens moet gebeuren, zal het eens goed met hem uit komen en hij zonder verschrikken kunnen verschijnen voor het aangezicht Gods en dan het eeuwig leven in gaan? Beseffen wij het allen, dat wij van dood levend moeten worden om in het rijk van God te kunnen komen? Dat wij nog niet klaar zijn, wanneer wij door allerlei, op zich zelf zeer goede dingen, voortgestuwd worden? Mogelijk als een opgewonden spoortreintje heel hard voortlopen, vol ijver wellicht ook voor 's Heeren kerk, maar dan toch hebben af te vragen of dit lopen komt als uit een opgewonden veer dan wel uit een nieuw levensbeginsel door God ingelegd. Tot de Efeziërs kon de Apostel Paulus eens schrijven : God die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden). Gelukkig de mens van wie dit gezegd kan worden. Een weldaad, het kan ook nu nog geleerd worden. God is niet minder rijk in barmhartigheid, dan toen dit woord aan Efeze geschreven werd. Zijn liefde is een eeuwige liefde. Zijn genade is nog vrij en groot. Hij kan en wil ook nu nog met Christus dode zondaren levend maken. Er is nog mogelijkheid voor de grootste der zondaren, want God is almachtig.
En genade is nu eenmaal genade, waardoor er dus niets van de mens bij behoeft. Gij, die dit hoort of leest, vraag veel om die genade. Smeek er om te mogen delen in die grote liefde Gods en doe een beroep op de grondeloze barmhartigheden Gods. De dood is eigen schuld, het leven zal genade zijn. Maar God, die rijk is in barmhartigheid heeft er zijn lust in genade te bewijzen. Het gebed, o God wees mij zondaar genadig, vond en vindt altijd nog verhoring. Wie Hem aanroept in de nood vindt Zijn gunst oneindig groot. Zoekt de Heere en leeft.
Maar dan ook weer niet vergeten, dat wij met de levendmaking alleen nog niet klaar zijn. Een zondaar moet niet alleen levendgemaakt worden, doch ook levend gehouden worden. Evenals bij de schepping God de wereld in het aanzijn heeft geroepen, maar Hij deze in Zijn voorzienigheid nog steeds onderhoudt en bestuurt, zo is het ook in de herschepping van de dode zondaar. Een wedergeboren mens heeft nodig dat God elk ogenblik weer invloeit met Zijn genadekracht om aldus in het nieuwe leven voort te kunnen gaan. Wie van Gods kinderen ondervindt niet de gedurige inzinking? De kleinen met de groten, de zwakken en de sterken moeten immer door bediend worden uit de volheid van het leven Gods door de genade van Jezus Christus.
Onophoudelijk dreigen ze weer in te zinken in dood en ondergang. Zo zwak, zo ontbloot van elke levensuiting, dat zij geen moment buiten de bediening des Geestes kunnen. Dat doet de kerk des Heeren ook zo bidden: Ai laat van mij uw Heilige Geest niet scheiden, Die kan alleen op het rechte spoor mij leiden. Die Geest en zijn verlevendigende kracht en genade is immer door nodig. Niet alleen op het Pinksterfeest of andere bizondere dagen, waarin de lof des Heeren behoort gezongen te worden. Neen elke dag er voor elke daad die tot lof des Heeren zal zijn, kan de Geestelijke inwerking niet gemist.
Laat mijn ziel leven en zij zal U loven, zong de dichter al in oude tijden en het is nog zo. Hoe zal de ziel leven zonder de inwerking des Geestes ? Als er één zaak is, die Gods levendgemaakte volk leert, dan is het wel deze, dat zij van zichzelf niets, maar dan ook niets vermogen. Hoe meer zij uit Gods genade mogen leven, hoe meer zij die genade ook weer nodig krijgen. Zij kunnen maar niet toe, met wat zij mogelijk in voorgaande tijden van hun God mochten ontvangen. Al zouden ze op het Pinksterfeest de grote werken Gods hebben mogen vertellen en daarin de zaligheid genoten, kunnen ze daar nu altijd maar door op leven? Al zouden ze daarbij Christus gezien en geprezen hebben, als degenen die de Geest des levens verwierf en uitdeelde en hen er persoonlijk in deed genieten, gevoelen zij dit vandaag en morgen ook op gelijke wijze ?
Het is groot en zalig te mogen zien en smaken, dat de Heere goed is, maar die Heere geeft Zijn volk juist zoveel, dat zij voort kunnen en zij telkens weer afhankelijk en heilbegerig hebben aan te kleven aan de troon van Gods genade om uit de volheid van Christus bediend te worden. In het natuurlijke leven is het zo naar de beschikking Gods, dat wij telkens weer eten moeten om in het leven te blijven. Gewis, de Heere kon dit ook wel anders doen. Hij heeft er ons ook enkele voorbeelden van gegeven, dat Hij ook zonder levensmiddelen het leven in stand kan houden. Dat zijn echter maar bizondere gevallen. Zijn gewone wijze van werken is het leven door van Hem gegeven middelen in stand te houden. In geestelijke zaken is het niet anders. Men hoort wel eens mensen spreken, die doen alsof zij leven kunnen op wat voor jaren is geschied. Die toen en toen wat hebben doorgemaakt en dat te pas of te onpas vertellen, maar waarbij nooit te merken is het tere, afhankelijke leven, waarbij dagelijks ingewacht wordt de leiding en bekrachtiging van boven. Het schijnen wel van die kunstbloemen of uitgedroogde mummies, die altijd gelijk zijn. Dit is een gevaarlijke toestand, waarbij wel eens afgevraagd mag worden of wat doorgemaakt is, werkelijk een begin van nieuw leven was. Want leven blijft niet op één punt of éne hoogte staan, Leven kent zijn op en neer. Leven is door alles heen groei. Leven moet al maar door gevoed worden. God leert Zijn volk, dat zij van zichzelf niets hebben en zijn. Zij leren het leven in eigen hand verliezen om het uit een Ander, uit de gezegende Zaligmaker weer te verkrijgen. Al naar mate zij met een waarachtig geloof uit Hem leren leven, kan hun leven waarlijk leven genoemd worden. Wie werkelijk doorleeft zijn eigen nietigheid en hulpbehoevendheid, zal steeds meer en inniger toestemmen de noodzakelijkheid om door God zelf bekrachtigd te worden in het leven tot Gods eer en lof, Dus niet alleen maar praten, bespreken dat de mens niets is en niets heeft en niets kan. Och dat wordt soms zo vlot en zo veel gedaan, maar kan ook nog een blote erkentenis, een dode vormelijkheid zijn. Daar gaat ook geen geur of smaak van uit en daar is ook geen ware behoefte om door Goddelijke kracht en genade uit die dodelijkheid verlost te worden.
Maar wie het echt doorleeft en steeds meer doorvoelt, dat hij zonder de bekrachtiging van boven uit Gods genade om Christus wil, in bediening, dagelijkse bediening des Geestes niets vermag, die moge getroost worden. De Heere geeft de moede kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien geen krachten heeft. Niet maar één keer, doch onophoudelijk, omdat Hij een God is die een zaak begint en ook voleindigt. Hij doet dit op Zijn wijze en op Zijn tijd. Ondergraaft soms op pijnlijke manier wat van Hem afhoudt en de voortgang van het leven zou belemmeren en brengt zo Zijn gunstelingen in de gesteldheid waarin ze open liggen voor de invloeiïng van Zijn genadekracht. Dat kunnen wij ook in deze tekstwoorden aangeduid vinden, waarin de voorwerpen van deze krachtsvernieuwing als ten voeten uitgetekend of wel met name genoemd worden. Wij willen u dit aantonen als wij in de tweede plaats wijzen op de voorwerpen van deze krachtsvernieuwing.
II. De voorwerpen van deze krachtsvernieuwing.
In het voorgaande zijn die voorwerpen of wat ook gezegd kan worden de deelgenoten in deze vernieuwing van kracht al genoemd. Zij waren degenen die als moeden voorgesteld werden: Hij geeft de moeden kracht. Dat zijn zij, die vermoeid en belast zijn en die met al hun krachten op het einde gekomen zijn, en nu door een Ander, door de Heere alleen geholpen kunnen worden.
Dit wordt nu nog nader begrensd als hier staat. Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. Die moeden zijn dus tegelijk verwachtenden. Zij zijn het die uitzien naar een Helper, een Redder, een Behouder. De Heere verwachten. Dat is hier de God des verbonds, zoals Hij zich in het bloed des verbonds openbaart aan een in zichzelf ellendig en arm volk. Hebben wij daarbij niet te denken aan dien Heiland Jezus Christus, in wien God zich openbaart als een goedertieren en volzalig God, Die hulp verschaft in nood en in Sion groot is ?
Welnu, die de Heere verwachten, van Hem alleen de redding verwacht, gans hulpeloos tot Hem de toevlucht neemt, zal niet beschaamd worden. Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen.
Er wordt dus verband gelegd tussen het verwachten en het ontvangen van nieuwe kracht. Niet zo op te vatten alsof er iets verdienstelijks zou zijn in het verwachten. Neen dat niet. Het is niet zo, dat de Heere Zijn zegedingen zou schenken omdat wij er zo zeer naar verlangen, maar wel zo, dat de Heere het verlangen in de ziel werkt om dan dit verlangen ook zo heerlijk met zichzelf te vervullen.
De Heere verwachten, hoe menigmaal komt deze zaak in.de Heilige Schrift voor. Met name in de psalmen en bij de profeten, maar verder ook door de ganse openbaring Gods heen. De Heere verwachten, op Hem hopen. Naar Hem uitzien. Dit is het wachten van de wachter naar de morgen, de morgen, ach wanneer ?
Stel u voor die wachter op zijn wachttoren, mogelijk in een donkere, stormachtige nacht, als alles dreigt te breken en weg te waaien. Hoe sterk kan dan het uitzien zijn naar de eerste lichtstralen van een nieuwe dag in de hoop dat die dag verlichting en verkwikking zal brengen.
Kunnen wij hierbij ook niet denken aan die vreselijke nacht van de stormramp, welke over ons vaderland is gegaan? Wie zal naar juistheid aangeven, wat er door hoofd en hart is gegaan bij diegene, die op een zolder, op een dak van een krakend, instortend huis, of wel in een over en weer zwiepende boom hebben gezeten? Zou dan het gemoed niet één verlangen, een verwachten zijn, of en vanwaar de redding komen mocht? Een helper of helpster, ach vanwaar en vanwaar?
Maar dan ook weer gedacht aan dit woord. Die de Heere verwachten en dan zo sterk, dat de psalmist er van zingt.
Mijn ziel vol angst en zorgen,
Wacht sterker op de Heer,
Dan wachters op de morgen.
De morgen ach wanneer ?
Dit is een wachten waarbij gedacht wordt niet alleen aan het behoud van het leven, maar meer nog aan het heil der ziel, aan de behoudenis voor de eeuwige toekomst. Een uitzien naar de Heere, die alleen verlossen kan van de oorzaak van alle nood en ellende, dat is de zonde. Een uitzien naar Hem, die van Satan en dood verlossen kan en met zich zelf de zaligheid kan werken tot eeuwige vreugde.
En nu, wat verwacht ik o Heere, mijn hope die is op U!
Dit houdt in, dat eerst alles wordt losgelaten, waarop de ziel zijn vertrouwen heeft gezet en de hulp heeft verwacht. Want de Heere is een ijverig God, die niet wil delen met de afgoden, welke die ook moge zijn. Alles buiten de Heere moet weg.
Het is des mensen natuur eigen om zichzelf te willen redden en dus zijn verwachting te stellen op eigen wijsheid, eigen inzicht, eigen vermogen. Dit is God onterend, in wezen Goddeloos, want daarbij wordt God de Heere uitgeschakeld. Daar openbaart God zich ook niet in Zijn gunst. Hij zal Zijn eer aan geen ander geven, nog Zijn lof der gesnedenen beelden.
Ook als er nog een godsdienstige tint aan wordt gegeven, kunnen wij God daarmee toch niet misleiden. Hij ziet niet aan wat voor ogen is. Hij ziet het hart aan. Al zou ik God ook noemen maar toch niet op Hem vertrouwen, dan ben ik nog niet het voorwerp voor Zijn Goddelijke inwerking van deze vernieuwing van kracht. De krachtvernieuwing staat in onlosmakelijk verband met de Godsverwachting.
De Heere geeft de vernieuwing niet voor de mens geleerd heeft eigen zwakheid en hulpbehoevendheid.
Dit maar niet voor één keer, doch door steeds verdere ontdekking tot diepere beleving.
Daarom stelt de Heere de vernieuwing ook wel eens uit. Het kan gebeuren dat een uitziende ziel denkt dat het tijd is voor de Heere om zichzelf in zijn genade in Christus Jezus te openbaren. Al zijn verwachting is schijnbaar op de Heere gericht. Nu zal Hij komen en mijn ziel in de ruimte zetten. Maar ach, wat kan dat een teleurstelling worden: Ik zocht Hem maar ik vond Hem niet.
Is de Heere dan zo hard en ongevoelig dat Hij die wachtende, die zoekende zielen maar voort doet worstelen ?
Dat niet. God is goed. Maar God is ook wijs. Hij heeft er altijd Zijn wijze bedoelingen mee, als Hij zich aan Zijn volk schijnbaar onttrekt. Wellicht moet dat volk nog dieper ontdekt worden, nog meer de afhankelijkheid beleven. Misschien zijn er ook nog zonden te belijden en afgoden prijs te geven. 't Kan ook zijn, dat juist die tijden van teleurstellingen oefentijden blijken te zijn in het leven des geloofs, dat ook bij schijnbare afwijzing juist in functie kan worden gebracht. Denk aan de Kananese vrouw, die tot Jezus werd getrokken en al haar verwachting op die Heere leerde stellen en wier geloof juist tot daden, krachtige daden kwam toen de Heere haar afwees. Het is de Heere zelf die de verwachtende steeds weer aan zich verbindt.
In die weg gaan de verwachtende zelf ook tot heilige werkzaamheid over. Gods Woord zegt: zij zullen de kracht vernieuwen. Dus niet alleen dat God hun kracht vernieuwt. Zeker ook dit. God geeft de moede kracht, Uit Hem is ook de activiteit, de werkzaamheid, welke de wachtende ontplooien. Het is God die in hen werkt, beide het willen en het werken, het uitzien en het verwachten, naar Zijn welbehagen.
Maar waar die God door Christus met Zijn Geest woning maakt en werkt, daar komen uit kracht van die inwoning ook de werkzaamheden. Daar gaat het gebed omhoog, daar wordt God vastgegrepen op Zijn Woord. Daar komt de kracht om voor de Heere te leven. Zij gaan hun zaligheid uitwerken met vreze en beven.
God houdt Zijn volk niet lijdelijk. Wel lijdzaam, maar niet lijdelijk. Wie denkt dat lijdelijkheid uit God is, heeft van het geesteswerk nog geen voldoende inzicht. Wie altijd maar koud, ongevoelig,
onbekommerd voortleeft, hij vreze. Als er nooit een echt levendig gebed is, ook nooit een geweld doen op het Koninkrijk Gods is; als er mogelijk wel een spreken over de Geest en Zijn werk is, maar geen werkelijke behoefte aan die Geest en Zijn bearbeiding is, het staat gevaarlijk. Gods Woord waarschuwt zo ernstig: wee de gerusten te Sion, de zekeren op de berg van Samaria. Ongetwijfeld ook bij Gods levendgemaakt volk zijn heel veel en soms zeer lange tijden dat zij zo koud en naar gesteld zijn. Hun gebed zo vormelijk, als er nog gebed is, en hun leven zo dor en ongevoelig. Maar daar heeft Gods kind geen rust in. De wedergeborene kan wel onrustig worden omdat hij zo rustig is, het kan hem wel benauwen dat hij zo weinig benauwd is. Hij weet er soms niet uit te komen.
Maar God kan en zal hem langs Goddelijke wegen en wondere bearbeiding te zijner tijd weer brengen tot het uitgaan naar de troon der genade, zodat de kracht weer wordt vernieuwd en ook een uitwerking daarvan aan het licht komt zoals deze hier in Jesaja's profetie wordt aangegeven met de woorden : Zij zullen opvaren als met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.
Onze derde gedachte :
III. de uitwerking van deze krachtsvernieuwing.
Zij zullen opvaren als met vleugelen, gelijk de arenden.
Dit is begrijpelijk beeldspraak. Opvaren wil hier zeggen geestelijk omhoog gaan. Als op de wiekslag van geloof en van gebed gaan tot de troon van Gods genade om daar barmhartigheid te vinden en genade om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Langs de verse en levende weg van Jezus' bloed zich aan te bevelen aan de God aller vertroosting en te ervaren:
't Is mij goed mijn zaligst lot
Nabij te wezen bij mijn God.
De arenden hier ten voorbeeld gesteld. Bekend is hoe deze vogel op kan stijgen uit de diepte der rotskloven om dan schitterend in de zonnestralen te zweven boven al 't gewemel hier beneden. Als onttrokken aan alle beperking en beklemming, zo echt vrij is, zo volop in de ruimte verkeert, zich zo geheel in zijn arendsnatuur bewegen kan.
Welnu, zo zegt het Woord van God, die de Heere verwachten, mogen zich dit voorgesteld weten. De belofte is vast, vastgemaakt in Gods eigen Zoon, die eens nedergedaald is in de nederste delen der aarde, om daar God met de mensen te verzoenen door Zijn plaatsbekledend lijden en sterven, maar die daarna ook letterlijk is opgevaren naar de hemel, om van daar tot zich te trekken allen die met zichzelf en hun eigen krachten op het einde zijn gekomen en nu al hun verwachting leerden stellen op de Heere hunne God. Door trekking Zijner liefde, door bearbeiding van Zijn Geest zullen die uitzienden, die hopenden ook opvaren als met vleugelen gelijk de arenden.
Vooreerst, zij stijgen op uit de poel der zonden. Wie door Gods Geest wordt bezield, kan het in de holen der zonden niet uithouden. 't Is wel waar, helaas, droevig waar, wie vandaag opstijgt, ploft morgen - of mogelijk nog eerder - weer neer in de zonde die hij meende verlaten te hebben. Vaak te zien na hoge vlucht. Onder een bediening des Woords, bij het meevieren van het Avondmaal des Heeren, of wel in een stille nacht bij zalige meditatie over de leidingen des Heeren kan het een ziel soms zijn alsof ze zweeft ver boven al het nietig aards gewemel en, wat nog meer zegt, ver boven zonde en verderf.
Heerlijke ogenblikken, waarin iets van het zalig hemelleven doorleefd wordt. Gelukkig de mens die er in beleving iets van kent. Er dus niet alleen maar over praat, doch in waarheid kan zeggen: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest.
Maar bleef dit zo ? Ik ellendig mens, die weer terug viel in datgene wat ik niet wilde, dat ik integendeel haatte. Zal ik er ooit weer uit komen ? Zal ik ooit uit de strikken des doods weer verlost worden?
In eigen weg en kracht onmogelijk. Maar wat onmogelijk is bij de mensen is mogelijk bij God. Hij kan mij weer op doen gaan uit die ellende des doods. Hij zal het doen bij allen die het van de Heere verwachten, want het staat hier voor alle tijden en omstandigheden. Zij zullen opvaren als met vleugelen gelijk de arenden.
Dat volk stijgt ook op uit allerlei nood en zorg. O, die aardse zorgen, die doornen en distelen, die zorgen en pijn, wat kunnen ze een ziel ook van Gods kind naar beneden trekken. Als vastgekluisterd in persoonlijke zorgen, huiselijke moeilijkheden, kerkelijke vragen. Duizend zorgen, duizend noden kwellen mijn angstvallige hart.
Doch zie, daar welt het gebed weer op uit de ziel. Uit het geprangd gemoed komt het als voor Gods aangezicht: Voer mij uit mijn angst en noden.
Als op arendsvleugelen naar omhoog, naar God die alles ziet en weet. Naar de Middelaar Gods en der mensen Jezus Christus, de Hogepriester onzer belijdenis, die medelijden kan hebben met al onze zwakheden. Geleid door 's Heeren Geest worden dan al de bekommernissen op de Drieënige God geworpen en dan zalig doorleefd in zulke ogenblikken. Welgelukzalig die de God Jacobs tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting van de Heere zijner God is.
Zo gaat het ook in alle geestelijke nood der ziel. Als Satan komt met zijn bestrijding en wijst op de vuile klederen, als ook de consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods gezondigd heb en deswege geen plaats in de heerlijkheid maar wel in de rampzaligheid verdiend heb, dan kan het bang en benauwd zijn. Als de angst der hel mij allen troost doet missen, wat blijft er dan over, wat anders dan te bidden. Och Heer, och wierd mijn ziel door U gered.
En zie, wie dan zo opvaart tot Gods genadetroon in dit ootmoedig smeekgebed, komt straks tot de juichtoon der zaligheid: Gij zijt verlost, God heeft u wel gedaan.
Die de Heere verwachten zullen niet beschaamd worden. God is getrouw en sterk. Door al die wondere wegen wil Hij dat volk, dat leert sterven aan zichzelf, het leven uit eigen hand leert verliezen, aan Hem binden en zo alles met zichzelf vervullen.
En al naar mate, dat dit beleefd wordt, geldt het ook: Zij zullen lopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden. Dan vloeit er onophoudelijk levenskracht uit God door Jezus Christus en kan de pelgrimsreis volbracht worden, totdat de Heere te zijner tijd in het Kanaan der ruste opneemt.
Moesten de pelgrims in eigen kracht de weg aflopen, het zou hopeloos zijn. Zij kwamen er nooit. Dwalen ze van de Heere af, dan wordt de toevoer van levenskracht ook verstopt of afgesloten.
Maar wanneer ze dan, wie zal zeggen met welke pijnlijke bearbeiding of harde kastijding, weer tot de Heere uitgedreven worden en weer op Zijn goedheid gaan hopen in belijdenis van zonden en dwaasheid, dan vloeit de Heere weer met Zijn genade in en leren zij God steeds meer groot maken voor Zijn onveranderlijke deugden. Zo steeds minder wordende in eigen oog, maar daarnevens ook al maar meer levende uit de Heere en Zijn genade leren Gods gunstelingen de waarheid van dit Woord Gods uit Jesaja's profetie verstaan, dat spreekt van krachtsvernieuwing uit Godsverwachting.
Daar mogen wij thans ook wel van zingen:
Hoe groot, hoe vreselijk zijt G' alom; Ps. 68 : 17.
Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. Zij zullen opvaren als met vleugelen. Dit Woord des Heeren, doet ons nu vragen of er ook in onze tijd veel van dit opvaren is te bespeuren. Ontmoeten wij veel mensen, die als arenden omhoog gaan en boven het aards gewemel uit, zich verlustigen in de Heere ? Die bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods?
Nu mag het gezegd: er kan een opvaren zijn, dat nog niet aanstonds zich aan het oog voordoet. Als hier of daar in een verborgen hoekje een benauwde ziel met God worstelt, wordt dit mogelijk door geen mens gadegeslagen. Toch kan een eenvoudige moeder, temidden van haar huiselijke plichten en beslommeringen, op de wiekslag van het gebed in de geest wel eens gaan tot de troon van Gods genade om hulp of gunst te vragen. Wellicht onder het werk door nog beter dan op gezette tijden. Ook kan een zorgzame vader met de behoefte van ziel, gezin, kerk en volk wel omhoog gaan zonder dat het nu direct door ieder gezien en gehoord wordt. God ziet het en hoort het en heeft er Zijn lust in, dat is ook van grote waarde. Evenwel, zo iets blijft dan toch niet verborgen. Het verwachten van de Heere, het steunen op Zijn Woord, het hopen op Zijn heil, komt als vanzelf ook openbaar.
Wie het in het verborgene van de Heere verwacht, openbaart dit in handel en wandel, in woord en daad. Helaas echter, dat het zo weinig waargenomen wordt.
Wat wel gezien wordt? Dit, dat zo menig leven geheel ingesteld is op de dingen van deze aarde alleen, ja, erger nog, al maar meer neerploft in de zonde en ongerechtigheid. De zonde wordt openlijk gediend en daarin het vermaak gezocht.
In de vragen van dit leven is de verwachting gesteld op eigen kracht en inzicht. Of wel op de schepselen gesteund en zo steeds verder van God af. Soms nog met een gedaante van godzaligheid, maar met een hart vol van vijandschap tegen God en Zijn Woord. In die weg is geen heil te verwachten. Daar moet het ongenoegen Gods over komen. Naar waarheid zingt de kerk des Heeren :
Aan wie vertrouwen op hun benen
Wil God geen gunst of hulp verlenen.
Dat een ieder er toch van doordrongen mocht zijn en zich afkeren van datgene wat eeuwig onheil moet brengen. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij zich Zijner ontfermen en tot onzer God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Zo naar omhoog in smeking en verootmoediging in de naam van Jezus Christus, dan zal God Zijn genade niet inhouden.
Nu kan het evenwel ook zijn, dat er begeerte is naar omhoog, doch de klacht geslaakt wordt : ik kan niet opvaren! Diep in 't hart 't verlangen leeft naar God, maar tegelijk de strikken der zonde gebonden doen blijven aan de aarde. God echt niet missen kunnen en toch niet bij Hem kunnen komen. Er zijn mensen, - zijt gij er soms ook één van - die vergeleken zouden kunnen worden bij arenden in een kooi opgesloten. Naar hun aard en wezen wel omhoog willen, soms hun vleugels uitslaan, maar die de vleugels als lam slaan tegen de traliën van de kooi en dan weer moedeloos neervallen, hopeloos en troosteloos. Allerlei verkeerdheden, zwakheden, beslommeringen, ongeloof en twijfelzucht houden hen als gevangen. Hoe bekommerd zitten zulke mensen daar veelal ter neer en hoe komen ze ooit nog in de ruimte?
Dit wordt hen steeds duidelijker: als er ooit wat van komen zal, zal het alleen zijn door het wonder Gods.
Maar dan: God kan het doen. Hij is een God die d' oren wonderen doet op wonderen horen. Hij is in Zijn Zoon Jezus Christus neergedaald om gebondenen, die daar hopen uit de kuil waar geen water in was, uit te halen. Als er nu maar de rechte verwachting, het levendig hopen is.
Wat het bezwaarlijke in dezen is? Dit, dat er zo weinig, dat echte levende werkzame uitgaan naar de Heere is. Dit is mogelijk wel de wondeplek bij menig bekommerd mens, dat hij teveel in zijn bekommernis blijft zitten en te weinig zijn verwachting op de Heere stelt. Het gebed ook zo weinig wordt gehoord: Voer mij uit mijn gevangenis, tot roem Uws naams, die heerlijk is. Daar zal het toch eerst weer komen moeten. Als het gebed weer leefde in het gemoed, was er al veel gewonnen.
Zeker, God zal het nooit doen om het gebed. Hij kan en wil ook vaak verrassend zegenen. Het gebeurt ook: eer zij roepen zal ik antwoorden.
't Wordt nog ervaren, dat de Heere aan een plaats is zonder dat het geweten wordt.
Toch echter nooit vergeten, dat hier in Jesaja's profetie verband gelegd wordt tussen verwachten en ontvangen. Het is daarom niet te verwonderen, dat God zo vaak wondere wegen houdt met Zijn volk. Dat alles hen bij de handen afbreekt. God schijnbaar tegen is. Dit is niet uit lust tot plagen, maar om dat volk los te maken van alles wat hen niet tot de zaligheid kan dienen. Alle leunsels en steunsels ontvallen soms. Dit is pijnlijk. 't Geeft een gevoel van ondergang. 't Brengt de vrees nog eens neer te zullen storten in een bodemloze afgrond. Er moet echter plaats gemaakt voor de Heere zelf, voor de Zaligmaker, voor de Redder, die volkomen kan en zal zaligmaken die door Hem tot God gaan.
Tracht steeds meer een indruk te krijgen van eigen ellendigheid en zwakheid en de noodzakelijkheid de Heere te hebben tot uw deel. Dit kan geleerd worden door de Heilige Geest, waarom ge wel veel vragen moogt: Dat uw Geest mij ware wijsheid lere. Die Geest wil ons ontdekken aan eigen nietigheid en onwaardigheid, maar ook aan de algenoegzaamheid van de Heere en Zijn genade. Die Geest kan ook de banden der zonde breken en u opleiden tot Hem, aie u naar ziel en lichaam kan behouden.
Verwacht het niet van u zelf. In ons is geen kracht om ons zelf te behouden. Wij kunnen wel van de Heere afdwalen, maar nooit de weg terug vinden. Trouwens, al zouden wij de weg terug kunnen vinden, dan missen wij nog de kracht om die weg te bewandelen en zo in Gods gemeenschap komen. Vraag naar de Heere en Zijne sterkte. Weet het, die de Heere verwachten, die zullen de kracht vernieuwen. Zij zullen lopen en niet moede worden.
Het zal hier alles wel bij tijden en wisselingen gaan. Struikelen en opstaan, terugvallen en weer opgericht en voortgeleid worden. Vandaag misschien omhoog en morgen weer neerstorten in ellende. Maar wie door alles heen toch op de Heere blijft vertrouwen, zal ondervinden dat het laatste niet is neerduikelen naar omlaag, doch opvaren naar omhoog gelijk de arenden.
De ziel is wel ontrust. Een wandelaar naar het hemels Sion moet zichzelf wel eens tot de orde roepen : Waarom zijt ge in mij ontrust, voedt het oud vertrouwen weder. Doch door alles heen zullen ze door Gods kracht en genade eens daar komen, waar hun Zaligmaker is.
De Heiland is door de diepte des lijdens heengegaan naar de plaats 'aan de rechterhand Gods.
Hij heeft het gezegd van al degenen die op Hem leerden steunen in alle nood en smart : Ik zal ze alle tot Mij trekken.
Door 's Heeren genade en kracht zullen al degenen, die de Heere leerden verwachten, eens in volkomen zin opvaren als met vleugelen gelijk de arenden, om dan altijd bij de Heere te zijn, verheven boven alle strijd en lijden, zonde en dood. Dan zullen die moegestreden pelgrims het uit Zijn mond horen : Komt in gij gezegenden, beërft het Koninkrijk dat u weggelegd is van voor de grondlegging der wereld. Voorwaar, welgelukzalig die de Gods Jakobs tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting van de Heere zijne God is.
Amen.
Ps. 89 : 7.

Juni 1953