Psalm 130:3-4 'Maar bij U is vergeving' ds. G. Bilkes

Levensvrucht uit levensdruk.

Voorbereidingspredikatie door Ds. G. BILKES

Ps. 65 : 1
Lezen: Ps. 130
Ps. 40 : 1 en 2
Ps. 130: 2
Ps. 130: 4

Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Psalm 130: 3 en 4.

De viering van het Heilig Avondmaal is voor Christus' kerk op aarde een van de heiligste, maar ook heerlijkste zaken. Het komt evenwel aan op het rechte gebruik van dit sacrament. Dat vraagt bezinning. Meer nog: vóór alle dingen is nodig, dat wij ons tevoren recht beproeven.
Beproeven, hoe onze verhouding is tegenover de Heere. Beproeven, of het ons wel waarlijk om. Christus te doen is.
Dat de avondmaalsgang weinig vruchtbaar is, vindt zijn oorzaak mede hierin, dat de rechte zelfbeproeving ontbreekt.
Zelfbeproeving bij het licht des Geestes leidt steeds tot de belijdenis: „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden. gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"
Deze woorden geven duidelijk de zielsgesteldheid weer. De psalmist weet zich het oordeel Gods waardig en ziet alle verwachting van 's mensen zijde afgesneden. De Heere Zelf beschikt echter uitkomst en ontsluit voor hem het stuk des heils. Hij mag pleiten en steunen op genade met de betuiging: „bij U is vergeving."
Deze stof leent zich bij uitstek als leidraad bij de voorbereiding tot de avondmaalsviering. Zij toont ons zo duidelijk de werkelijkheid der dingen.
Bij de mens: zonde, schuld, ongerechtigheid en de dood. Bij de Heere: de gerechtigheid en het leven.
Welk een tegenstelling! Welk een scheiding!
En die scheiding blijft, tenzij gij delen moogt in de zegen van Golgotha's kruis, in de vrucht van Christus' heilsarbeid.
Weliswaar staat de naam van Jezus in deze psalm niet letterlijk vermeld, maar wie goed leest, vindt die dierbare naam toch duidelijk gespeld. Wij kunnen de bedoeling niet vatten buiten de enige Zaligmaker om.
Moge de behandeling van dit Schriftgedeelte, onder de zegen des Geestes, ons brengen op de plaats, waar de Heere ons hebben wil. Neme Hij ons op Zijn leerschool, want deze dingen leert men niet in één keer.
De dichter ging door de diepte heen en moest veel ondervinden, om tolk te kunnen zijn voor al Gods volk op zo sprekende wijze, als psalm 130 weergeeft.
Ziet dan de tekstinhoud ook niet als een nuchtere verstandsoverweging, maar als echte geestelijke beleving, die de ziel in beweging brengt.
Dit is de vrucht des Geestes, gerijpt in de diepte.
Daarom lezen wij de tekst als:
LEVENSVRUCHT UIT LEVENSDRUK.
Die levensvrucht is drieërlei en komt uit in:
1. het belijden van schuld;
2. het pleiten op genade;
3. het staan naar de vreze Gods.
I. Het belijden van schuld,
Het is niet zonder reden, dat wij spreken van levensdruk. Psalm 130 is een psalm „uit de diepten". Diepe plaatsen zijn in de Schrift zinnebeelden van bange in- en uitwendige levenstoestanden, van bijzondere nood, ellende en smart, waaraan niemand op aarde ontkomt. Ieder huis heeft zijn kruis en ieder hart zijn smart.
Het kan soms heel ver gaan. De levensdruk kan onzegbaar zwaar zijn. De levenspositie kan zo moeilijk en hopeloos worden, dat om komen het noodwendig gevolg is, tenzij de Heere Zelf tussenbeide komt.
In zulk een diepe ellende is de psalmdichter gekomen. Deze ellende is echter niet alleen van persoonlijke aard, maar zij strekt zich uit tot heel het volk.
Israël heeft gezondigd tegen de Heere. Telkens weer heeft het overtreden en de waarschuwingen in de wind geslagen. Daarom gaf God hen over in de handen der vijanden, die niemand ontzien en zich uitermate wreed betonen. En ziet, wat ze thans moeten ondervinden, schudt hen wakker. Levend onder grote druk komen ze eindelijk tot erkenning van hun kwaad.
Met name de dichter grijpt dit alles sterk aan. Hij is overstelpt van ellende en smart. Diep gevoelt hij de schuld voor God. Er is geen ontkomen meer aan.
Zij zullen in hun druk vergaan.
Niets is meer te wachten dan de dood.
Of de Heere moet hun lot wenden.
Als wij spreken over levensdruk, dan moeten wij die in verband brengen met onze zonde. Dat wil niet zeggen, dat elk leed te herleiden is tot het bedrijven van een bepaalde zonde. Wie deze lijn zoekt te volgen, begeeft zich op gevaarlijk terrein. De Joden stonden in dit opzicht spoedig klaar met hun oordeel. Ook de discipelen van Jezus waren zulk een beschouwing toegedaan, maar de Meester wijst hen terecht.
Stellig is alle ellende gevolg van de zonde, maar in het toeschikken daarvan houdt de Heere in Zijn ontferming nog met andere factoren rekening.
En voor Gods kinderen is het lijden geen straf op de zonde, maar een kastijding in liefde, om hen te leren en te heiligen. ja God houdt ook rekening met de verheerlijking van Zijn deugden. Hij heeft alle dingen geschapen om Zijns zelfs wil en doet met de inwoners der aarde naar Zijn welbehagen.
Zo zendt Hij beproevingen aan Abraham en aan Job, om de heerlijkheid van hun geloof - en dat is Zijn eigen werk - aan het licht te doen treden. In het vuur der beproevingen reinigt en loutert Hij het edel metaal des geloofs.
De gedachte der Joden is dus in 't algemeen genomen onjuist. Er zijn echter gevallen, waarin het verband tussen levensdruk en zonde direct aanwijsbaar is. Wij behoeven daartoe niet op anderen te zien, maar moeten ermede tot onszelf inkeren. Trouwens, als Gods Geest het geweten doet spreken, dan wordt het verband wel degelijk gevoeld. Ge kunt dan nog wel trachten dat geweten te stillen. Ge kunt er wel een tijd tegenaan vechten, maar als het waar Geesteswerk is, dan komt ge tenslotte in de schuld.
Zo kan het in de diepte wel ontzaglijk moeilijk zijn, doch als men daar zijn zonde leert zien, eigen onreinheid en doemwaardigheid, dan is dat een rijke vrucht. Daar gaat het om, dat ge komt tot waarachtig schuldbesef. Dat ge beseft tegen een heilig, maar tevens zo liefdevol en goeddoend, God te hebben gezondigd. Dat ge dit alles gaat belijden, zonder enige terughouding.
De mens, wiens zielsoog verlicht is, ziet het verschrikkelijke van de zonde.
Wie is echter in staat zich in te denken, wat de zonde in 's Hee-ren oog is ?
Hij ziet de volle werkelijkheid.
Hij peilt de diepte der zonde volmaakt.
Hij meet haar naar Zijn gerechtigheid en moet haar daarom als ongerechtigheid voor Hem aanmerken.
In de tekst is sprake van een „gadeslaan" door de Heere. „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat."
Deze uitdrukking is veelbetekenend. Zij zegt veel meer dan alleen maar een zien. Gadeslaan, dat wil zeggen God gaat Zijn maatstaf aanleggen. Hij blijft op de zonde zien en zal haar in gerechtigheid en toorn vergelden en straffen.
De psalmist voelt dat aan en het brengt hem in beroering. Het gaat hoe langer hoe meer voor hem klemmen en hij moet toestemmen, dat het verdiend is, geheel en al verdiend.
En nog zwaarder wordt het gewicht dezer zaak, als we er op letten hoe Israël hier staat tegenover Jehovah, de God des Verbonds. Hij is de Getrouwe, voorwaar, maar ook van Zijn volk eist Hij getrouwheid. Tegenover de trouw des Heeren komt het kwaad des te meer als zonde en ontrouw uit.
Tot dit inzicht moet het komen. Wie de grootheid van zijn kwaad ziet, die is het zo bitter zijn getrouwe, hemelse Vader smaadheid te hebben aangedaan en Zijn wet met voeten te hebben getreden.
Dan is er ook vrees, dat de Heere de ongerechtigheden zal blijven gadeslaan. Als Hij die alle eens in gedachtenis houdt en toerekent, zodat ze van de eerste tot de laatste moeten worden betaald ? Dat kan niet anders betekenen dan de ondergang en de dood. Tegenover de goddelijke gerechtigheid houdt niets en niemand stand. Zelfs niet de vrome en rechtvaardige. Hoeveel te minder dan de goddeloze en de zondaar.
Heere, wie zal bestaan.?
Ge komt voor de heilige God te staan, de Rechter der ganse aarde? Hoe zult ge dan vrijuit gaan en leven?
Opmerkelijk is in deze psalm de naamswisseling van de Allerhoogste. Nu eens noemt de dichter zijn God Jehovah, de onveranderlijke, getrouwe en ontfermende Verbonds-God. Dan weer Adonai, de rechtvaardige Rechter.
Deze wisseling komt ook in de tekst voor en dat maakt dit woord des te sprekender. Als de Verbonds-God de ongerechtigheden gadeslaat, dan wordt Hij ons een Rechter, die rechtvaardig oordeelt.
De vraag, die hier wordt gesteld, moge ons zo duidelijk zijn. Zij doet ons weten, dat er van het bestaan voor een heilig en. rechtvaardig God geen sprake kan zijn. De zondaar heeft het oordeel verdiend, het blijvend oordeel. Want de gerechtigheid Gods eist, dat de zonde, welke tegen de Allerhoogste majesteit is gedaan, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel, gestraft worde.
Dat is het stuk der ellende, waaraan de avondmaalganger niet vreemd mag zijn. Het is het eerste kenmerk van hem, die een plaats begeert aan de tafel des Heeren. Daar, aan die dis, komen zondaren. Zij, die zichzelf als zondaar hebben leren kennen en nu het leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken.
Hier moeten wij inderdaad spreken van een leren kennen. Van onszelf weten wij het niet en zien wij het niet. Een oppervlakkig toestemmen is niet genoeg. Ge moet hetgeen de tekst ons voorhoudt beamen met uw hart. Daartoe zijn vaak levensdiepten nodig, die we niet begeren, maar toch niet kunnen missen. En dan moet de Heilige Geest uw hart daartoe bearbeiden, anders raakt ge met uw nood en ellende eerder nog van de Heere af, dan dat ge u tot Hem zult wenden.
Geeft toch acht op de taal der Schrift, die hierin zo duidelijk is en zo recht op de man af. Het is 's Heeren ontferming, dat Hij ons oog wil geven voor onze ellende. Het is Zijn liefde, die ons de enige weg ten leven wil wijzen. Laat die hogere bedoeling u niet ontgaan, als ook de prediking telkens weer wijst op de noodzakelijkheid der ellendekennis.
Met name het jonge leven botst hier tegenaan. Men meent een zekere zucht op te merken om een zo donker mogelijke tekening van de heilsweg te geven. Wat zwart is, kan echter niet als wit worden voorgesteld. Het gaat om de werkelijkheid en wie daaraan voorbij loopt, bedriegt zich.
Wie, de werkelijkheid leert zien, kan daarvoor alleen maar dankbaar zijn, al werpt dat hem in de diepte, al voert dat hem in grote strijd.
Deze dingen hebben wij te overwegen bij onze voorbereiding tot de avondmaalsviering. Vindt die vraag van de dichter weerklank bij u? Leeft die in uw ziel ? Zegt ge er amen op?
Zo Gij in 't recht wilt treden,
O Heer en gadeslaan
onz' ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan ?
In uzelf kunt ge voor God niet bestaan. Uw ongerechtigheid is zo groot. En als de rechtvaardige Rechter de toetssteen aanlegt, als Hij uw schuld afweegt in alle zwaarte en die zal bezoeken, o...... ge voelt u verzinken in de eeuwige afgrond.
Hier hebt ge de werkelijkheid, die de tekst ons voorhoudt. Ge moogt niet bij de zonde en haar gevolgen blijven staan, maar ge moet afdalen tot haar diepte. En dat met de bedoeling om te komen tot de belijdenis van schuld.
De belijdenis, zoals wij die vinden bij David: „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen. Dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig."
Dat is de taal van de begenadigde. Hij vlucht met de nood tot de Heere en legt die nood open. De Heilige Geest doet hem spreken in alle ootmoed. Hij wekt het schuldgevoel, maar brengt ook tot schuldbelijdenis, tot buigen onder het recht Gods.
In en met die schuld kunt ge dan niet langer leven. Zij brengt in grote nood en benauwdheid. Het is een diepte, als waarin de dichter van psalm 130 zich bevond. Een diepte, die hem een bittere klacht ontlokt, maar tevens doet schreeuwen om behoud.
,,Uit de diepten roep ik tot U, o Heere. Heere, hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen."
Dat is geen gewoon bidden, geen gewoon roepen, maar een schreeuwen uit angst der ziel.
Hebt gij zo tot de Heere leren roepen ? Leeft ge misschien nu in grote benauwdheid? Is het mogelijk een smeken met die andere bekende psalmwoorden:
Ik lig gekneld in banden van de dood,
Daar d' angst der hel mij alle troost doet missen;
Ik ben benauwd, omringd door droefenissen,
O roep de Heer' dan aan in al uw nood:
Och Heer', och, wierd mijn ziel door U gered.
Weest er van verzekerd: dan hoort u God. Bij Hem is vergeving te vinden. Zijn woord predikt het ons.
Er is vergeving, genade in de enige Middelaar, Jezus Christus. Daarom kan er in de tweede plaats van de dichter gehoord worden een:
II. Pleiten op genade.
„Bij U is vergeving."
Het zijn slechts enkele woorden, die de ootmoedige bidder hier uitspreekt. Zij raken echter het machtige stuk der verlossing en houden dan ook een grote rijkdom in.
Juist deze korte uitspraak is zo veelzeggend. Vele woorden kunnen hier niet meer zeggen. Toch willen we trachten enige uitleg te geven aan deze korte pleitrede, die is opgeweld uit een ziel die in al haar nood van de Heere uitkomst verwacht.
Vergeving van zonden wordt alleen gevonden in Christus, die daartoe de dure prijs van Zijn bloed heeft betaald.
Weliswaar was de Messias in de tijd, waaruit psalm 130 dateert, nog niet gekomen, maar de Heere heeft Zich toch ook onder het oude Verbond als de genadige geopenbaard, als een gaarne-vergevend-God. Hij heeft Zijn volk de weg der verzoening gewezen en die afgebeeld door de offerdienst.
Dat moet de dichter houvast hebben gegeven. Wij moeten er namelijk goed op letten hoe hij zich uitlaat. Zijn woorden laten geen twijfel over.
De wetenschap, dat God de Genadige en Goedertierene is, doet op Hem alleen hopen. Hij gaat pleiten op die genade, pleiten op ‘s Heeren beloften. Wij mogen daarbij niet uit het oog verliezen, dat de dichter en zijn volk te doen hebben met de God des Verbonds.
Hij heeft hun gegeven de beloften van Zijn heil. Hij heeft Zijn zegen toegezegd op het wandelen in Zijn wegen. Als VerbondsGod openbaart Hij Zich in Zijn liefde en ontferming en zegt: „Ik zal uw afkeringen genezen." „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol."
Hoe rijk en bemoedigend is reeds de taal van het Oude Testament. Hoe hoopvol voor de door schuldbesef verslagen ziel.
Dit alles is de psalmist niet onbekend. Zijn geloof vindt daarin grond en steun. Hij vermoedt niet slechts, maar hij weet, dat de Heere tegenover Zijn volk niet handelt naar de strengheid van Zijn recht.
Neen, de Heere wil vergeven. Hij kan en wil en zal het doen op ‘t ootmoedig smeekgebed.
De tekst houdt daarom niet bij dat eerste gedeelte op. Het is met een „maar" aan het volgende verbonden. Dat woordje „maar" schakelt anderzijds dat eerste ook niet uit. Neen, dat blijft onverminderd van kracht, maar God Zelf opent een uitweg.
In Hem ontmoeten recht en genade elkaar. Beide deugden openbaren zich en ontmoeten elkaar echter ook in het hart van een zaligmakend ontdekt zondaar.
Doet de gerechtigheid des Heeren zich in haar strengheid gelden in dat hart tot veroordeling, de genade komt haar tegen met de lieflijke vrijspraak van verzoening en vrede.
Waar Woord en Geest hun werking doen in het hart, daar volgt ongetwijfeld erkenning, volledige erkenning van het recht Gods, maar evenzeer de gelovige aanvaarding van genade tot behoud en leven.
Dit is beleving, die we wel met een enkel woord in de grondtrekken kunnen aanduiden, doch die niet in al haar delen en verhouding valt te omschrijven. De tekst noemt hier ook alleen de elementen, maar wie de betekenis verstaat, peilt de werkzaamheid der ziel in de beleving dezer grondwaarheden. Dat doet ons ook spreken van het pleiten op genade.
Wanneer ge moogt komen tot rechte zelfkennis, tot waarachtig schuldbesef, tot de kennis van uw ongerechtigheid voor God, dan kan het gebeuren, dat ge tenslotte geen raad meer weet en geen uitkomst ziet. Dan kan het zijn, dat ge u benauwd gevoelt aan alle zijden en niet anders verwacht dan door de Heere te worden verstoten. Maar juist dan is er plaats voor Christus. Juist dan zal het lieflijke evangelie weerklank vinden in uw hart. Het is als verkwikkend water voor een vermoeide ziel. Dan geeft de Heere licht op Zijn Woord. Dan houdt de Heilige Geest u de beloften des heils voor. Dan leert Hij u de woorden van de tekst spellen, die als met gouden letters in de Bijbel geschreven staan : „Bij U is vergeving."
Dan moogt ge daarop pleiten met vrijmoedigheid en ge behoeft er niet aan te twijfelen of de Heere zal u Zijn Zoon openbaren als Middelaar en Borg, als de Behouder des levens.
Hij wil zich ook nu in uw leven doen gelden als de God des Verbonds, Die Zijn waarheid nimmer zal krenken. Hij doet u leven onder de verzegelde beloften en Hij is de Bereidwillige om u de weldaden van het verbond deelachtig te maken.
In Hem is een volheid en Hij wil u er uit bedienen. Zoudt ge dan in al uw ellende niet tot Hem gaan, pleitend op Zijn rijke genade, op Zijn heerlijke beloften ?
Heerlijk is het, als in die weg het geloof mag doorbreken en klimmen tot het „Bij U is vergeving." De zwarte nacht der zonde verdwijnt, de banden der ongerechtigheid worden losgemaakt en ge moogt 's Heeren vergevende liefde smaken.
Wij kunnen niet anders doen dan de lijn aangeven, waarlangs het geestelijke leven van Gods volk geleid wordt en tot ontwikkeling komt. Niettemin zijn de leidingen vaak verschillend. Hierin betoont de Heilige Geest zich een wijs leermeester.
Sommigen doormaken een geweldige diepgang. Anderen zien zich meer gelijkmatig geleid.
In het jonge leven reeds kunt ge rijke momenten hebben, ogenblikken van geestelijke blijdschap, van geloof, waarin ge u verbonden gevoelt aan de Heere Jezus. Maar de zonde brengt u aan t dwalen. En als dan Gods licht op uw levenspad valt, dan schrikt ge van uzelf. Dan ziet ge u zo schuldig! Dan weet ge u een loochenaar van de Meester. Bittere tranen worden dan geschreid, net als eens door Petrus, totdat de beangste ziel weer rust vindt in het „bij U is vergeving."
Moeilijker nog wordt het, als satan u aangrijpt en u benauwt door u steeds weer voor te houden, dat er voor u geen vergeving is. Uw schuld is te groot. Ge wordt geschud op zijn zeef.
Mocht dit van u gelden, laat u dan niet misleiden. Geeft de wanhoop geen plaats. Hebt ge het tekstwoord gehoord ? Is het u niet opgevallen hoe de psalmist zich aan de Heere vastklemt in de nood van zijn leven en Hem aanroept uit de diepte ?
Er is vergeving, altijd bij God geweest.
Komt zingen we het met de psalmist mee: ps. 130: 2.
Zo Gij in 't recht wilt treden,
o Heer, en gadeslaan
onz ongerechtigheden,
ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
altijd bij U geweest;
dies wordt Gij, Heer, met beving
recht kinderlijk gevreesd.
Voor ons heeft het woord van de tekst en met name dat tweede gedeelte, nog voller klank gekregen. Bij het licht van het Nieuwe Testament worden wij verder ingeleid in het heiligdom der verlossing.
Wij mogen aanschouwers zijn van het volbrachte heilswerk van Christus. Wij hebben de levende bewijzen van de vergevende liefde Gods. Wij beschikken over de volle openbaring der genade. De gangen van de Zaligmaker staan beschreven. Zijn heerlijk onderwijs kan steeds weer gevolgd worden.
En wordt hier gesproken over de diepte, bedenkt allen in welk een diepte de Zoon Gods is neergedaald om zondaren te redden. Hoort Hem, roepen: „Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet staan kan. Ik ben gekomen in de diepte der wateren en de vloed overstroomt Mij."
Hij is gekomen in de diepte van dood en hel en Hem is niets gespaard gebleven. Hier is een gadeslaan van de ongerechtigheden geweest, die op de Borg gelegd zijn. Om onze overtredingen is Hij verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Genezing en vergeving.
Golgotha meldt het. De opstanding bevestigt het. De hemelvaart kroont het. En de gelovige ervaart het.
Welk een aanbiddelijk wonder van genade.
En nu laat de Heere niets, niets achterwege om ons van Zijn genade en heil te overtuigen. Hij geeft ons in het sacrament van het H. Avondmaal de bewijzen en onderpanden van Zijn vergevende liefde. Moge bijzonder in de week van voorbereiding uw geloof zich richten op de Heere Jezus, om. in Hem de volkomen Zaligmaker te zien.
Bidt om de werking des Geestes, opdat uw geloof recht levendig moge zijn en ge op de komende rustdag het sacrament zo moogt ontvangen, dat ge daarin verzekerd wordt gemeenschap te hebben aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht en aan al Zijn goed.
Bij de rechte voorbereiding komt de vraag op : mag ik ten avondmaal gaan ? Het is goed en nodig deze vraag te overwegen, opdat onze avondmaalsgang geen sleurgang, maar een gezegende gang moge zijn.
Gelukkig als ge dit ernstig neemt en niet louter aangaat omdat het zo hoort of omdat het zo lijkt. Maar ook niet afblijft, omdat ge u niet geschikt genoeg acht. Wij moeten niet wijzer zijn dan God, Die ons in het sacrament tegemoet komt en lettende op onze grovigheid en zwakheid, Zijn beloften wil verzegelen en ons geloof wil voeden en onderhouden.
Voor wie het een vraag is of hij wel ten avondmaal mag gaan, die onderzoeke zich of hij kennis heeft aan de tekstinhoud. Weegt dat ,eerste op uw ziel en is er vrees voor het gadeslaan van uw
ongerechtigheden door God ? Zijt ge niet vreemd aan het belijden van uw schuld en het pleiten op genade ?
En is dit uw steun, uw hoop, uw troost, dat ge dat tweede moogt nazeggen: bij U is vergeving ? Laten wij u mogen wijzen op Hem, Die om onze ongerechtigheden is verbrijzeld en Die de weldaad van de vergeving der zonden daarmede heeft verworven.
Dit bemoedige U, dat ge als zondaar moogt komen, maar dan als een zondaar, die Christus nodig heeft. Geen volkomen of rechtvaardig mens, doch zulk een, die weet: ik lig midden in de dood, maar......
Ja, daar hebt ge dat „maar" weer.
Schuchter en bevend misschien, doch niettemin een „maar", een maar des geloofs. Ik lig midden in de dood, maar daarom zoek ik het leven buiten mijzelf in U, Heere Jezus.
Gij kunt mijn ongerechtigheden gadeslaan en het zal rechtvaardig zijn, wanneer Gij mij zult oordelen, maar...... bij U is vergeving.
Heerlijke levensvrucht, wellicht geleerd door de levensdruk. Ge komt niet om in de diepte van ellende, want als de Geest Zelf ons roepende maakt, dan geeft Hij op Zijn tijd ook het antwoord.
Uzelf kunt ge niet vergeven. Anderen kunnen u ook niet vergeven. Bovendien, als de mensen eens alles wisten, dan zouden ze u niet eens willen vergeven.
Maar bij de Heere, Die alles weet, is menigvuldige vergeving. Zeventig maal zevenmaal en nog meer. Vergeving op grond van Christus' zoenoffer. Zijn bloed is genoegzaam om al uw ongerechtigheden uit te delgen.
Om Zijnentwil wil God vergeven, zo volkomen vergeven, dat ze niet meer bestaan. En de gedachte, dat de Heere dit nu ook nog wil betekenen en verzegelen in het heilig sacrament brengt ons tot verwondering en innige blijdschap.
Allen, die zich verootmoedigen vanwege hun zonden, hun heil en gerechtigheid in Christus zoeken en van harte begeren voor Hem te leven, wil God gewis in genade aannemen en voor waardige medegenoten van de tafel Zijns Zoons Jezus Christus houden.
Daarentegen, die dit getuigenis in hun harten niet gevoelen, die eten en drinken zichzelf een oordeel.
Wie zichzelf niet kent en Jezus niet zoekt is ongelukkig en verkeert in groot gevaar. De levensdruk ontloopt ge niet, maar wanneer die geen levensvrucht werkt, wat dan? Dan blijft het begin van de tekst van kracht. Dan wordt de Verbonds-God u ten rechter en dan zal de eeuwige nacht zich om u leggen.
Geen vrucht, geen vergeving, zo zult ge sterven in uw zonden.
Het geloof is het houvast in uw leven. Het is een vast vertrouwen, door de Heilige Geest gewerkt, dat de vergeving der zonden van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus.
Dit deed Calvijn eens opmerken, dat in de tekst geen vage of verwarde kennis spreekt van Gods genade. Maar zulk een genade, als waardoor de zondaar tot de vaste overtuiging komt, dat hij - zodra hij God zoekt - ongetwijfeld met Hem verzoend zal worden.
De psalmist staat in het geloof. Hij pleit op genade en mag die ervaren tot behoudenis en leven.
Duidelijk wordt hier de evangelische geloofsweg, tot zaliging van zondaren getekend. Geloofd zij God, Die Zijn genade aan ons zo groot maakt. Die overtuigt van zonde, doet delen in de weldaad der vergeving en het nieuwe leven voedt en onderhoudt met de waarachtig geestelijke spijs en drank, Jezus Christus.
Wie daaraan kennis heeft verstaat, dat de tekst hier niet kan ophouden. Er moet nog een sluitstuk gelegd worden. De levensvrucht wordt vol in dat derde en laatste :
III. Staan naar de vreze Gods.
Om in de enige troost te leven en te sterven zijn drie stukken nodig te weten, nl. ellende, verlossing en dankbaarheid.
Onze tekst valt in gelijke delen uiteen. Het laatste deel, de dankbaarheid, komt uit in de rechte vreze Gods.
Moogt ge delen in het heil en hebt ge verlossing gevonden van zonde en ongerechtigheid in het bloed des kruises, dan kan het niet anders of ge gevoelt u gedrongen om de Heere te vrezen.
Het is alles Zijn werk. Voor ons is er geen enkele reden om te roemen. Neen, alleen de grote God zij eeuwig lof en eer.
Hij redt uit diepten van ellende.
Hij geeft Zichzelf in Zijn Zoon.
Hij openbaart Zich in volheid.
Hij is waardig te ontvangen lof en aanbidding.
De mens, die de weldaad der verlossing deelachtig wordt, verandert geheel. Stond hij eerst onwillig tegenover deze dingen; volgde hij voorheen eigen wegen, thans begeert hij niets anders dan de Heere gewillig te volgen. En zich in alles aan Hem te onderwerpen.
Dit kan echter alleen, als hij steunt op Gods genade. Zonder die genade is er slechts schrik en angst. Zonder die genade is geen recht dienen van de Allerhoogste mogelijk.
Van zulk een onderwerping kan ook alleen sprake zijn, als we weten de Heere in gehoorzaamheid welbehagelijk te zijn. Ware dit niet het geval, dan zou alle aansporing ontbreken.
Dienaangaande kunnen wij echter zekerheid verkrijgen. In algemene zin, naar de vele uitspraken van de Heilige Schrift. En meer bijzonder naar de overtuiging des harten, gewerkt door de Heilige Geest.
Wat moeten wij eigenlijk onder de vreze Gods verstaan? Het is de dienst des Heeren, ook zoals wij die vinden onder het Oude Testament. Echter alleen, indien dit dienen met het hart geschiedt, in oprechtheid en liefde.
Verstaat het woord „vrees" niet verkeerd ; niet in de zin van angst of schrik. Dat is meer een wettische of slaafse vrees. In de tekst wordt echter gedoeld op de kinderlijke vrees, gewekt door de openbaring van Gods liefde in de Middelaar.
Deze grote en oneindige liefde roept wederliefde op en dringt de zondaar die tot uiting te brengen in een leven tot Gods eer. Een leven in godzaligheid.
Dan heeft 's Heeren woord de voornaamste plaats in ons leven. Dan is het gebed ons onmisbaar. Dan leven wij in afhankelijkheid van de Heilige Geest en schamen ons de Naam van Christus niet.
Het vrezen van de Heere houdt voorts in: de strijd tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk. Het begint en het eindigt met de vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ?
Staat gij naar de rechte vreze Gods ? Hierin vindt ge voor uzelf een toetssteen. In veler hart is wel vrees voor God, maar het is min of meer een slaafse vrees.
Of men vreest Hem, als men in moeilijke omstandigheden verkeert, in grote levensdruk. Wordt de druk echter weer opgeheven, dan keert men zich weer van de Heere af.
Is uw hart door genade aangeraakt, dan zult ge staan naar die vrees, die verrijkt en verblijdt. Dan dient ge de Heere in oprechte liefde en waakt er voor Hem toch niet te bedroeven.
Inderdaad, hier is een toetssteen, die ge ook bij de voorbereiding moet aanleggen. Het is een kenmerk van de ware avondmaalsganger, dat zijn leven staat in het teken van de vreze Gods.
Meent echter niet, dat wij ten volle zullen kunnen beantwoorden aan de eis. Als alleen volkomenheid de toegang tot de dis des verbonds ontsluit, dan kan niemand toegaan. Dan blijft de tafel leeg.
Het gaat niet om de maat of trap. Het gaat om waarheid, om echtheid. Het formulier zegt het zo juist :
„Al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulke ijver om God dienen niet begeven, als wij schuldig zijn, maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben ; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven ; zo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen zonde noch zwakheid, die nog (tegen onze wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat ons God niet in genade zou aannemen, en alzo deze hemelse spijs en drank waardig en deelachtig make."
Dat is duidelijke, bemoedigende taal. Zet er uw hart op en zoekt zo te naderen. Niets uit ons, maar 't al uit Hem, zo kan het en zo mag het.
Gaan we zo dan de avondmaalszondag tegemoet. Laten we beoefenen hetgeen de tekst ons voorhoudt, opdat er zij:
een belijden van schuld;
een pleiten op genade;
een staan naar de vreze Gods.
Dit moet gekend worden tot zaligheid, door jong en oud. Hierin raken we evenwel nooit uitgeleerd. Strekke uw ziel zich dan uit naar die zaligmakende kennis. Naar de beleving van hetgeen de Heilige Geest werken wil. Dan zal uw leven groeien en bloeien en vrucht dragen.
Het gaat door de druk heen en door de strijd. Veel moet worden afgebroken. Dat kan niet buiten ons omgaan, maar moet welbewust doorleefd worden. Ook het nieuwe leven vraagt dagelijkse oefening en strijd.
Daarom is het een rijke zegen, dat de Heere ons komt verkwikken met spijs en drank. De weg zou ons anders te veel zijn.
Hij weet precies, wat wij nodig hebben. Op Hem dan te vertrouwen is het beste, wat ge doen kunt. Met Hem, Die de God des verbonds is, komt ge nooit bedrogen uit.
De dichter van psalm 130 steunt in het geloof op de genade Gods. En terwijl hij dit doet, komt er ruimte. Er wordt een verwachting gewekt, die zich vastzet in het diepst van zijn ziel.
In die verwachting wordt hij niet beschaamd. Door de Heere ondersteund, volhardt hij en lettend op eigen ervaring, kan hij ook anderen opwekken om op de Heere te hopen.
„Bij de Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden." Vanuit de diepte gaat het naar de hoogte. Zijn klacht loopt uit in een geloofsjubel, waarmede hij de zekerheid der verlossing voor Israël uitspreekt.
Het wezen dezer verlossing zal bestaan in de vergeving van hun zonden, in de bevrijding van al hun ongerechtigheden.
Hij maakt op hun gebeden gans Israël eens vrij van ongerechtigheden.
Hoe rijk als ons leven die vrucht mag dragen. Dat zal zijn niet door ons toedoen. De planting, de wasdom, de vrucht, 't is al uit God alleen.
Komt dan met al uw zorg en strijd, met al uw vragen en klagen tot Hem. Komt dan, want alle dingen zijn gereed.
Amen.
Slotzang : ps. 130: 4.

Juni 1954