De aanbidding van het Hoofd des hoeks.
Predikatie door Ds. P. van Zonneveld
Ps. 45 : 1
Lezen: Psalm 118
Ps. 118:11 en 12
Ps. 145:2
Ps. 29:6
„De steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. Dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft; laat ons op dezelve ons verheugen, en verblijd zijn. Och, Heere! geef nu heil; och Heere! geef nu voorspoed".
Psalm 118:22-25
Een tweeling kan verrassend veel op elkaar gelijken. Ouders hebben geen moeite met het onderscheiden van de tweeling. Voor een buitenstaander echter kan het nog al eens problemen geven. Een onderwijzer op school kan wel eens precies de verkeerde bij de haren nemen.
Bidden en aanbidden is als een tweeling. Ze lijken veel op elkaar. Toch zijn ze onderscheiden. Bidden en aanbidden is twee.
In de Bijbel wordt verhaald van de tweeling Jakob en Ezau. In deze volgorde noemen wij ze altijd!. Niet Ezau en Jakob. Doch Jakob en Ezau. Omdat door Goed deze orde gemaakt is. Evenwel Ezau kwam eerst. Daarna Jakob. Ezau had het eerstgeboorterecht.
Wat is - naar uw gedachte het eerst: bidden of aanbidden?
We zijn geneigd het bidden voorop te stellen. Als er goed, echt gebeden wordt, dan moet dat bidden overgaan in aanbidden. Althans zo menen we. Echter de gedachte is fout, dat bidden leidt tot aanbidden. 't Is precies andersom. Aanbidden leidt tot bidden. Bidden is de vrucht van aanbidden.
Op het Paasfeest zijn we geplaatst voor de Paaskoning. Die is opgestaan. Wie nu door het geloof zicht krijgt op deze opgestane Paaskoning, aanbidt, en gaat als gevolg daarvan bidden.
Weet u wie en wat u bent? Leren we verstaan dat in ons geen leven maar de dood is? Dan door het geloof Hem in het oog te krijgen, Hem, Die verkondigd wordt, Hem, Die dood is geweest en Die leeft, Die is opgestaan uit de dood, de Levensvorst. Dat geeft de aanbidding, en die aanbidding geeft het bidden; het bidden om de toepassing; het gebed om het heil door Hem verworven.
Gods Woord doet ons horen:
DE AANBIDDING VAN HET HOOFD DES HOEKS.
We letten op:
de persoon van deze aanbidding,
de wijze van deze aanbidding,
het gevolg van deze aanbidding.
„De steen, die de bouwlieden verworpen hadden". Daarmee begint hier het Woord van God.
Het beeld is niet moeilijk om te begrijpen. Zelfs voor de kinderen niet.
't Gaat om een bouwwerk. De bouwmaterialen zijn aangevoerd en liggen op het bouwterrein. Bouwlieden komen om aan de hand van de tekening het gebouw op te trekken. Stenen worden gebracht daar waar ze moeten komen. Dan opeens zien de bouwvakkers 'n steen, die ze achten als ondeugdelijk. Een steen, die ze niet geschikt vinden voor het bouwwerk, en daarom wegwerpen.
Echter - en daar moet u wel goed op letten - de afgekeurde en weggeworpen steen is er niet een van de vele die er nodig zijn voor 't te bouwen huis; niet een van de misschien wel vijfduizend die nodig zijn om het bouwwerk te voltooien. Neen - 't is een bepaalde steen. We moeten zeggen: de steen. Een steen, die voor heel het bouwwerk onmisbaar is, Zonder die steen zou de bouw tevergeefs en waardeloos zijn.
Bij ons is voor een bouwer, het meest belangrijk het fundament. Maar in Israël kende men niet het fundament zoals wij dat kennen. In Israël had men de hoeksteen. Dat was een uitgezochte, een uitgekozen steen. Een grote, een zware, een sterke steen. Die werd gelegd in een hoek van het te bouwen huis. Elke andere steen werd in verbinding gelegd met deze steen. Alleen zo was het huis hecht, stevig. Bestand tegen felle slagregen en gierende stormen.
Welnu - deze steen, de hoeksteen werd door de bouwlieden verworpen. Zie ze daar op het bouwwerk. 't Zijn goede bouwvakkers. Ze weten 't gaat om de meest belangrijke steen. Ze inspecteren goed. Ze keren en wentelen de hoeksteen. Ze noteren de gebreken: te klein, te onaanzienlijk, niet sterk genoeg. Daarom als hoeksteen niet geschikt. Ze pakken hem op, en werpen hem weg.
Die ene daad zegt voldoende. De steen deugt niet. Hij voldoet niet aan die gangbare eisen.
Het beeld hier gebruikt is gemakkelijk om te verstaan. Evenwel wat wordt bedoeld met dit beeld? De vragen komen op ons af. Op wie of op wat heeft dit beeld betrekking? Aan wie of aan wat denkt de psalmdichter als hij spreekt van de steen en de bouwlieden?
Op die vragen wordt wel heel verschillend antwoord gegeven. De een wil denken aan het jaar 165 vóór Christus toen door Judas de Maccabeër de nieuwe wijding van de tempel plaats had. Een ander denkt aan het jaar 444, toen de bouw van Jeruzalems muren voltooid was. Weer een ander ziet de woorden: „de steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden, slechts als een spreekwoord. Als gesproken wordt van de steen en de bouwlieden, moet men - zo wordt gezegd - niet aan iets bepaalds denken. Nog weer anderen menen, dat met de steen Israël zou bedoeld worden. Men wil dan denken aan de een of andere episode uit Israëls geschiedenis. Israël zou door genabuurde volkeren als niet geacht zijn, niet de moeite waard om er mee te vechten, zo onder de voet te lopen, zo te overwinnen. Evenwel Israël zou dan als door het wonder in zijn strijd met die vijanden als overwinnaar uit het strijdperk getreden zijn, en zou dan in de tempel de Heere de eer brengen voor die overwinning met de woorden „de steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden".
Calvijn en in navolging van hem de kanttekenaren denken aan David. Of daarmee verschillende moeilijkheden zijn opgelost is een andere zaak. Denkt u slechts aan het feit, dat in de psalm gesproken wordt van het huis des Heren. Het huis des Heeren is de tempel van het Oude Testament, en die was er nog niet ten tijde van David. De tempel is gebouwd door Salomo, Davids zoon.
Laten we het maar niet al te ingewikkeld maken. Daar zijn we niet voor in de kerk gekomen. 't Is voor ons het meest eenvoudig om te denken aan David. U weet hoe David als hoeksteen door de Heere is verkoren. Verkoren om als hoeksteen els koning te zijn voor Israël. Maar David door de bouwlieden verworpen; en die bouwlieden zijn dan Saul en de oversten van Israël. David niet als deugdelijk bevonden. Daarom veracht, weggeworpen. Evenwel David toch door de Heere als hoeksteen gelegd.
Dit oud-Testamentische Schriftwoord is in Christus, Davids grote Zoon vervuld. We behoeven niet in het onzekere te blijven ten aanzien van dit woord ,,de steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. Zonder enige reserve mogen, kunnen, ja moeten we zeggen: dit ziet op Christus. Immers Petrus na de Pinksterdag vol des Heiligen Geestes citeert dit Schriftwoord, en wel als hij verantwoording moet afleggen voor het sanhedrin. Dan zegt hij sprekend over de Christus, Die door het sanhedrin genomen was en aan het kruis genageld, sprekend over de Christus, Die opgewekt is: ,,Deze is de Steen, Die van u de bouwlieden veracht is, Welke tot een Hoofd des hoeks geworden is".
Vraagt u mij nu hoe weet Petrus dat? Hoe weet hij, dat dit oud-Testamentisclhe Schriftwoord z'n vervulling vindt in Christus? Dan antwoord ik u: hij is vol des Heiligen Geestes. De Geest leidt hem in alle waarheid. Daardoor weet hij: Christus is de Steen, Die door de bouwlieden veracht, verworpen is geworden; en de bouwlieden zijn de overpriesters, de schriftgeleerden, de leden van het sanhedrin, de geestelijke leidslieden van Israël van die tijd.
Deze laatsten worden genoemd bouwlieden; en dit niet zonder reden. Immers ze zijn bouwlieden vanwege het ambt waarmee Gd Zelf ze heeft bekleed. Ze hebben de opdracht gekregen om de kerk des Heeren te bouwen. Zoals de kerkelijke ambtsdragers.
Nu kunt u mij wederom een vraag stellen, en die vraag is helemaal terecht. Ook Calvijn wijst daarop. Deze vraag namelijk. Hoe is het mogelijk dat de Schrift en dat Petrus dezulken nog noemt „bouwlieden". Ze hebben zich toch het ambt onwaardig gemaakt? Ze hebben toch bewijs van het tegendeel gegeven? Ze zijn toch geen kerkbouwers? Ze hebben precies het tegenovergestelde gedaan! Ze zijn kerkafbrekers, De Steen door God verkozen om Hoeksteen te zijn door hen veracht en weggeworpen. Nauwkeurig geïnspecteerd, maar niet als deugdelijk bevonden, en daarom afgekeurd. Waarom dan nog „bouwlieden" genaamd? Dat is - acht ik - niet anders dan om hun zonde in het volle licht te plaatsen. De mens wil de zonde bedekken, wegstoppen; de zonde niet als zonde zien. Doch God gaat aan de zonde niet voorbij, noch aan persoonlijke noch aan ambtelijke zonde. Zij, die geroepen waren om te bouwen, hebben precies het tegenovergestelde gedaan. Ze hebben afgebroken.
De hoeksteen, het fundament hebben ze weggeworpen. Met als enig resultaat dat het gebouw, de kerk ineenstort. Derhalve waren deze „bouwlieden" instrumenten in de hand van satan. Van satan die geen andere bedoeling heeft dan dat het gebouw, de kerk één puinhoop wordt, volkomen vernietigd. Niettemin - ondanks die helse poging - is Christus tot een Hoofd des hoeks geworden. De verworpen Christus, de Gekruisigde, tot een Hoofd des hoeks geworden. Dé steen. Het fundament. Jezus Christus de uiterste Hoeksteen, op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Tot een Hoofd des hoeks geworden. Hier is profetisch de paaszang. Jezus Christus verworpen, gekruisigd, maar op Pasen is vervuld deze profetische zang: tot een Hoofd des hoeks geworden. De engelen boodschappen vanuit het geopende graf: „Hij is hier niet, Hij is opgestaan". Dat is: Hij is tot een Hoofd des hoeks geworden. Zou Hij in het graf gebleven zijn, zou Hij niet als triomfator uit het graf gekomen zijn, zou Hij niet de dood als de Levensvorst gedood hebben, Hij zou niet geweest zijn: Het hoofd des hoeks. Maar nu - Hij is het Hoofd des hoeks.
Gods Woord hier in deze psalm zingt dus profetisch van Hem, Die op de Paasdag tot Hoofd des hoeks is geworden. Gods Woord hier in deze psalm aanbidt ook profetisch Hem, die tot Hoofd des hoeks zou worden. Het ene is vervuld, en het andere wordt vervuld. Na Pasen komen ze aan door 't Goddelijke licht geleid om de Paasvorst te aanbidden als hét Hoofd des hoeks. Is er die aanbidding in ons leven? De aanbidding van Hem, Die tot hét Hoofd deus hoeks is geworden? de aanbidding van hét Fundament?
Hij, Jezus Christus, wordt u hier verkondigd als het Fundament van de kerk, als het Fundament van de zaligheid. Zult u zalig worden, dan alleen wanneer u als steen in verbinding wordt gelegd met de uiterste Hoeksteen, dan alleen wanneer u gebouwd wordt op dat Fundament. Er is geen ander Fundament van de zaligheid. Dat wordt hier duidelijk gezegd. Hij is tot een Hoofd des hoeks geworden. Niets of niemand. anders. Hij, die verworpen is geworden, alleen.
Evenwel - ook wij doen vanwege de kracht van ons ongeloof niet anders dan de bouwlieden van toen. Al zijn we dan geen bouwlieden, al zijn we geen ambtsdragers, theologen en Schriftgeleerden, ook wij van onszelf achten die kostelijke Steen niet. Ook wij van onszelf verachten deze Steen, en werpen Hein weg. Immers Christus als de Verworpene, als de Man van smarten, was veracht en de onwaardigste onder de mensen; en wij hebben Hem niet geacht. Het kruis blijft de joden een ergernis, en de grieken een dwaasheid. Wij willen niet dat Jezus Christus Koning over ons is. Wij willen zelf koning zijn en blijven. Daarom - wij willen niet deze Hoeksteen, dit Fundament. Wij hebben onze stenen, ons fundament, onze gerechtigheden, waarop wij bouwen.
Toch zullen we gebouwd moeten worden op dé Hoeksteen, op hét Fundament, op de Verworpene Die tot een Hoofd des hoeks is geworden. Dat moet terwille van onze zaligheid, terwille van onze onsterfelijke ziel. Gebeurt dat niet, dan is er straks een eeuwig wee, een eeuwige rampzaligheid. Daarom - leert u eigen hoekstenen, eigen fundamenten weg te werpen als niet deugdelijk? O neen - dat leren we onszelf niet. Dat leert de Heilige Geest nu. Door Zijn eigen werk worden al zijn deugden een wegwerpelijk kleed.. Door dat werk word ik tot de grond toe afgebroken. Fundamenten van degelijkheid en deugdelijkheid, van vormelijkheid en fatsoenlijkheid, van een tekstje en een versje, van godsdienst en vroomheid, van mijn bidden en mijn geloof, van gestaltes en bevindingen, van ijver en wetsvolbrenging gaan ondersteboven.
O zeker - arglistig is het hart meer dan enig ding. Wie zou het kennen? Het ene fundament wordt door de Heilige Geest gesloopt, het volgende ben ik al weer aan het bouwen; en elk fundament waarop ik bouw, betekent vijandschap tegen Hem, Die tot een Hoofd des hoeks is geworden, betekent een opnieuw verachten, wegwerpen van het Hoofd des hoeks. Een zonde waarvoor God mij als de bouwlieden van weleer tenvolle verantwoordelijk stelt.
Zalig niets meer te hebben, niets meer te zijn. Een arm, verloren zondaar. Onszelf aan te klagen, onszelf te mishagen, onszelf weg te werpen als ondeugdelijk voor God. O neen - dat niet als voorwaarde. 't Is die weg waarin. Dan zingen we dit lied: „De steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is toot een Hoofd des hoeks geworden". Dan aanbidden we Hem, Die op de Paasdag tot Hoofd des hoeks is geworden.
We hebben gehoord wie hier aanbeden wordt. De vraag kan nu gesteld worden: hoe is deze aanbidding? Deze vraag brengt ons dan tot het tweede:
de wijze van deze aanbidding.
Het vervolg van de tekst zegt ons hoe het Hoofd ''des hoeks wordt aanbeden. Daar wordt eerst gezegd: ,,dit is van de Heere geschied". Voorts: „het is wonderlijk in onze ogen"; en tenslotte: „dit is de dag die de Heere gemaakt heeft. Op drieërlei manier komt naar voren hoe die aanbidding is.
Allereerst zullen we weer aan David moeten denken. „Dit is van de Heere geschied, - dan denken we aan het moment, dat David tot koning over geheel Israel te Hebron werd gezalfd. Daar kwam niets van de mens bij. De Heere had geleid naar dit ogenblik; en die leiding was wonderlijk. Langs een wonderlijke weg was 't gegaan naar de kroning. Langs de weg van verwerping door Saul en door Israël. Daarom de dag van de kroning was van de Heere Zelf. Hij had die dag gemaakt.
Nogmaals - hier is profetische zang. Hier wordt profetisch gezongen van Davids grote Zoon, van Jezus Christus. Hier wordt gezongen van Zijn dag, van Zijn opstandingsdag, de dag waarop Hij als Triomfator uit het graf komt, de dag waarop Hem alle macht wordt gegeven in de hemel en op de aarde, de dag die is Zijn kroningsdag; en de aanbidders van deze Koning, van Hem als het Hoofd des hoeks, ze zeggen het uit in hun aanbidding: dit is van de Heere geschied; het is wonderlijk in onze ogen, en dit is de dag die de Heere gemaakt heeft,
De aanbidding is dus ten eerste met de woorden: ,;dit is van de Heere geschied". Neen - niet wij hebben het Hoofd des hoeks, het Fundament der zaligheid gemaakt. Het is geworden, het is van de Heere geschied. Als gevolg van Gods voornemen in de eeuwigiheid. Als gevolg van Gods Zelfverheerlijking, als gevolg van Gods liefde, als gevolg van Gods barmhartigheden. Als gevolg van de door Hem aan de gevallen Adam gegeven belofte.
Van de Heere geschied, van de Heere, van Jahwe, Ik zal zijn Die Ik zijn zal. De God der belofte. Die doet al hetgeen Hij heeft toegezegd. „'t Is trouw al wat 'Hij ooit beval; het staat op recht en waarheid pal, als op onwrikb're steunpilaren". Van die Heere, Die trouwe houdt tot in der eeuwigheid.
Zegt u het zo mee, aanbidt u zo mee? Als het Woord u predikt van de Heere geschied is, als het Woord u predikt Gods liefde en trouw, als het Woord u predikt het Hoofd des hoeks? Hebt u geen fundament meer tot zaligheid? O niets meer te hebben, niets meer te vinden dat tot Hoofd des hoeks kan dienen, niet meer zelf een hoofd des hoeks te kunnen maken, dan te zien wat van de Heere geschied is, dan geplaatst te worden voor Zijn liefde en trouw, dan aanbidden we mee: dit is van de Heere geschied.
Hoort u, luistert u goed! De echte aanbidders spreken niet wat door hen geschied is. Ze spreken alleen maar van wat door de Heere geschied is. Zalig worden gaat van Hem uit, van Hem alleen. Als er door ons nog zoveel kan geschieden, dan zijn de woorden van onze aanbidding slechts lege, ijdele klanken, holle frasen. Van de Heere geschied. Deze woorden houden in een rijke boodschap. O ik weet, als er door ons niets meer kan geschieden dan komen we de wanhoop nabij. Als we niet meer kunnen bidden, als we de zondige gedachten in het hart niet meer kunnen weg krijgen, als we geen enkele goede vrucht meer kunnen voortbrengen, hoe kunnen we dan denken dat we nooit meer zalig kunnen worden, dat het nu voor eeuwig verloren is. Hoor, moedeloze! Hoor, gij die het opgeeft! Hoor, gij die niet meer zalig kunt worden. Hier is de rijke boodschap. „Van de Heere geschied" - dat is: Hij maakt zalig, volkomen en alleen. Met die woorden vangt hier die aanbidding aan. Straks in de eeuwigheid, alle gezaligden, ze aanbidden met de woorden ,,dit is van de Heere geschied".
De tweede regel van het aanbiddingslied luidt: „het is wonderlijk in onze ogen". Ook dit hoort erbij; ook dit kan niet gemist worden. Ook dit zegt hoe aanbeden wordt.
In het algemeen kunnen we reeds zeggen: Gods werk zet de mens altijd in verbazing. Hoe verbaasd en verwonderd is Israël geweest toen God door Mozes een pad baande door de Schelfzee naar de andere oever. Hoe verbaasd en verwonderd is Israël geweest toen God door de Jordaan een weg gaf Kanaan in. Hoe verbaasd en verwonderd is het overblijfsel van Israël geweest toen God hen vanuit Babel in Kanaan bracht. Dichters hebben die verbazing en verwondering uitgezongen in hun psalmen. Ze hebben gezongen van de almacht en de grootheid Gods. Denkt u ook aan de natuurpsalmen. Mensen, van wie de ogen open gingen, ze hebben uitgezongen Gods grootheid in het werk van de schepping. Hoeveel te meer verbazing en verwondering als we gaan zien Gods heilswerk in Jezus Christus! Dat Christus in de weg van verwerping, van kruisiging, van het sterven van de vloekdood geworden is tot het Hoofd des hoeks, dat is niet iets waar we met het verstand bij kunnen. Dat is een zaak van het grootste wonder.
Een wijsgeer van vroeger heeft eens uitgesproken: „het is de hoogste wijsheid zich over niets te verbazen". Nu - het schijnt dat velen vandaag die wijsheid hebben. Men wil zich niet meer ver bazen over de wonderen van de schepping. Dat moet gezien worden alles als gewoon en natuurlijk. Verbazing moet en mag er zijn over de menselijke prestaties. Een mens die zich vergaapt aan techniek en wetenschap is ,,in". Maar o wee iemand, die spreekt over de grootheid Gods in het rijk der natuur. Die wordt bespot. De schouders worden honend opgehaald. Zulk een past niet in het beeld van de mondige mens. Zulk een plaatst die mens voor eigen kleinheid en nietigheid en afhankelijkheid. Zulk een plaatst die mens te zeer voor de grootheid God'.s.
Veel erger echter is het als we die wijsgerige uitspraak gaan invoeren op kerkelijk terrein. Als het wonder geen wonder meer is. Als we menen de dingen hier met het verstand te kunnen bevatten. Als Christus' verwerping om zo tot het Hoofd des hoeks te worden als begrijpelijk wordt voorgesteld. Als zalig worden een vanzelfsprekende zaak gaat worden.
Laat het u gezegd zijn: er wordt niemand zalig zonder die woorden, zonder die aanbidding: het is wonderlijk in onze ogen. Juist door het werk van Gods Geest komt er een volk, dat alleen maar door het wonder kan zalig worden. Een volk dat als maar meer in de onmogelijkheid komt van zalig worden, en het daarom als maar meer moet hebben van het wonder, van een God, Die dwars door onze onmogelijkheden heen komt in de weg van het wonder.
Dit is vanzelfsprekend: ik, ik moet verworpen worden. Ik ben het waard als God mij voor eeuwig wegwerpt. Vanwege mijn zonde, vanwege mijn schuld. Vanwege mijn Gods verwerping en vanwege mijn Christus' verwerping. Wie en wat ben ik? Eén stuk zonde, diep verdorven, één brok ongeloof! Niet meer beantwoordend aan het scheppingsdoel. Niet meer God lief boven alles, en de naaste als mijzelf. Niet meer God lovend en prijzend. Alles cirkelend om het ik. Als ik maar..., als ik maar... Daarom verdienden waard om voor eeuwig te worden weggeworpen. God is een heilig, een rechtvaardig en een waarachtig God! „Daarom zo eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde".
Wie zichzelf leert kennen als verwerpelijk, nu voor die is Christus verworpen. O zeker - de steen door de bouwlieden verworpen. Maar ten diepste God heeft de steen verworpen. Omdat het volk van Zijn welbehagen verdiend heeft. God Zijn eigen Zoon Zijn eniggeboren Zoon verworpen, opdat Zijn Zoon tot het Hoofd des Hoeks zou worden. Hier staan we in het hart van het Evangelie. In het wonder van het plaatsvervangend werk van Jezus Christus. Hij, Gods Enige door God verworpen, opdat er voor u zou zijn Gods ontfermingen, ja, de aanneming tot kind. Is dat niet wonderlijk? Is dat niet het grootste wonder? O dat u meeknielt en dat u mee aanbidt en dat u in verwondering meespreekt: het is wonderlijk in onze ogen. „Wij zien het, maar doorgronden het niet".
Ja, en dan ook dit laatste: „dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft".
Ook deze slotregel van dit aanbiddingslied kan niet gemist worden. In heel het heilswerk staat de Heere centraal. Het is een uitvinding van het vlees, van het Gode-vijandige vlees om in het stuk van zalig worden de mens centraal te stellen. Zeker - wij willen wel zalig worden. Wie wil er trouwens verloren gaan? Echter we willen niet zalig worden in de weg van de verheerlijking Gods. Evenwel daar loopt heel Gods werk voor en in de mens op uit. Hij wordt groot gemaakt. Wie nog roemt in vlees, wie zichzelf nog in het middelpunt plaatst, heeft nog niet geleerd het echte aanbiddingslied. Dat lied zingt zo zuiver, omdat het alleen zingt van wat de Heere gedaan heeft.
,;Dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft". Deze dag, de dag des Heeren, dat is de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus. De dag waarop Hij gelegd is als het Hoofd des hoeks, als het fundament der zaligheid. Niet meer de Oudtestamentische dag, de zaterdag. Die was schaduwachtig. Het werk is volbracht. Jezus Christus verworpen. Hij is gekruisigd, gestorven, begraven en nedergedaald ter helle. De Paasdag, de eerste dag der week door de Heere gemaakt; en elke zondag weer vindt z'n grond in die dag. de dag waarop Hij gelegd is tot het Hoofd des hoeks. De dag waarop Hij is uitgegaan uit het graf, niet slechts om het Hoofd des hoeks te zijn. Maar nu ook om als de Bouwer van dé tempel stenen te leggen in verbinding met Hem als het Hoofd des hoeks.
Een Christus derhalve, die niet slechts is het fundament der zaligheid, maar De nu ook door Zijn Geest brengt op dat enige fundament. Het Hoofd des hoeks is geen halve Zaligmaker, doch een volkomen Zaligmaker.
Deze Christus op deze zondag in het oog te hebben dan zingt u, neen dan aanbidt u, en in aanbidding spreekt u: „dit is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen. Dit is de dag die de Heere gemaakt heeft". Dan zingt u:
Ik zal, O Heer, dien ik mijn Koning noem,
Den luister van Uw majesteit en roem
Verbreiden, en Uw wonderlijke dan
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
De grote kracht van Uwen arm verhogen;
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren.
Psalm 145 : 2
We hebben gehoord wie als het Hoofd des hoeks wordt aanbeden. Toen hebben we geluisterd naar de wijze van deze aanbidding. Nu zijn we gekomen aan het derde:
het gevolg van deze aanbidding.
We kunnen zeggen dat gevolg komt naar voren in de woorden „laat ons op dezelve ons verheugen, en verblijd zijn. Och, Heere! geef nu heil; och Heere! geef nu voorspoed". Het effect van die aanbidding is dus tweeërlei. Er is sprake van een opwekking; en er is sprake van een smeekgebed.
De aanbidding van het Hoofd des hoeks geeft allereerst de opwekking van zichzelf om zich te verheugen en verblijd te zijn.
Die opwekking was wel gepast toen .David koning te Hebron werd. Wat al narigheid had men in Israël beleefd. Denkt u eens even aan hem die vóór David koning was over Israël. O zeker - Israël had gejuicht bij de aanvang van dat koningschap. Echter later - koning Saul met die boze geest - wat een soberheid had dat al niet gegeven in Israël. Toen later ook nog de Filistijnen heer en meester in 't land; en nog weer later, toen Juda David als koning had erkend, toen dreigde daar nog een broederoorlog met de andere stammen van Israël.
Op de kroningsdag van David kon men denken aan alles wat geweest was. 't Gevaar was echt niet denkbeeldig dat de herinnering aan alle ellende, het verdriet over alles wat men had meegemaakt, de overhand zou krijgen. Daarom de opwekking: laat ons op deze dag ons verheugen yen verblijd zijn. Op de dag die de Heere gemaakt heeft, past slechts verheuging en blijdschap.
Op dé dag, die de Heere gemaakt heeft, toen de verworpen steen tot het Hoofd des hoeks is geworden, past niet anders. Ook nu, juist nu moet er die opwekking zijn vanwege het Hoofd des hoeks: laat ons ons verheugen en verblijd zijn.
Op dé dag, die de Heere gemaakt heeft, komt de blijde boodschap. Zie ik verkondig u grote blijdschap dat Jezus Christus geworden is tot Hoofd des hoeks, dat Hij is de volkomen Zaligmaker, dat Hij door Zijn verwerping de zaligheid heeft verworven, en dat Hij als de Opgestane die verworven zaligheid toepast. O leert u het zien door de Heilige Geest dat u rechtens verworpen moet worden; leert u het zien dat u uzelf niet kunt verlossen, dat u uzelf niet kunt zaligmaken. Welk een blijde boodschap nu juist voor u, nu juist voor degenen die zichzelf met God niet kunnen verzoenen.
Echter ook u bedreigt een groot gevaar, echt ook niet denkbeeldig. Dit gevaar, dat u op de dag die de Heere gemaakt heeft, meer acht geeft op uzelf dan op Hem Die tot Hoofd des hoeks is geworden. U kunt letten op uw innerlijke verdorvenheid. Tranen kunnen er zijn vanwege het bedreven kwaad. U kunt uzelf wegwerpen, omdat gij u zo bevindt voor een goeddoend God. Al uw ellende, al uw zonde, al uw schuld kunnen u voor ogen staan. Hoe zoudt gij u dan kunnen verheugen; hoe zoudt gij u kunnen verblijden? Toch is daar die opwekking: laat ons ons verheugen en verblijd zijn; en die opwekking is nu juist voor u. Let er wel op: die opwekking is er niet om iets van u, Echter die is er nu, omdat de Heere deze dag gemaakt heeft, omdat Jezus Christus tot Hoofd des hoeks is geworden. O als gij u niet laat opwekken om verheugd en verblijd te zijn, dan doet u alsof de Heere dé dag niet gemaakt heeft, alsof Jezus Christus door Zijn verwerping niet tot Hoofd des hoeks is geworden, Dan bedroeft u de Heilige Geest. Dan doet u de Zoon smarten aan, dan onthoudt u God de eer. Dat, dat moet dan voor O de grootste smart zijn! O neen - nu moet u niet zeggen: nu is het in orde, nu ben ik verzoend, nu kan ik straks sterven en zonder verschrikking God ontmoeten. Dat doet alleen tijdgeloof. Dat is zo klaar. Dat kent niet de noodzakelijkheid van toepassing. Dat past het zichzelf toe; en dat is een verschrikkelijke zaak. Dan gaan we straks met een ingebeelde hemel voor eeuwig verloren; en ziel verloren dat is alles verloren.
De opwekking om verheugd en verblijd te zijn is niet het enige gevolg van de aanbidding van het Hoofd des hoeks. Wie het laat bij dat ene, heeft nooit recht leren aanbidden. Er is een tweede gevolg. Beiden behoren bij elkaar; beiden zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Samen zijn ze het effect van de echte aanbidding.
Dit tweede is het smeekgebed: „och, Heere! geef nu heil; och Heere! geef nu voorspoed".
Dat gebed is allereerst nationaal bedoeld. Israël bidt op de kroningsdag van David - anderen willen denken aan het Loofhuttenfeest - om heil en voorspoed voor land en volk.
Toch gaat het ook hier weer ten diepste om Davids grote Zoon. Hij is de Koning van Israëls God gegeven. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. De Paasdag is reeds Zijn kroningsdag. Hemelvaartsdag is de dag van Zijn intronisatie. Hij gaat zitten in Zijn troon aan de rechterhand van Zijn Vader. „Wat glans, wat majesteit, hebt Gij Die Vorst bereid". Verworpen, en daarom nu uitermate verhoogd. Gevaren ver boven alle macht en kracht. Alles Hem onderworpen.
Wie Hem door het geloof ziet als het Hoofd des hoeks, wie Hem als het Hoofd des hoeks aanbidt, zou zulk een niet gaan bidden het smeekgebed: och Heere, geef nu heil; och Heere, geef nu voorspoed? Ik zou haast zeggen: wie Hem zo in het oog heeft, bidt dit als vanzelf. Dat vloeit vanuit de aanbidding voort.
In dit gebed gaat het eerst om persoonlijk verlost, gezaligd te worden door Hem. De bidder denkt echter niet alleen aan zichzelf. Hij bidt hier ook om heil en voorspoed voor heel de kerk. Hij bidt dat stenen in verbinding worden gelegd met het Hoofd des hoeks, opdat de tempel van de levende God naar het gemaakte bestek in eeuwigheid gaat rijzen.
Och Heere, geef nu heil; och Heere, geef nu voorspoed. Hoe past deze bede. Omdat er is het Hoofd des hoeks, het fundament der zaligheid, een volkomen Zaligmaker.
Kent u deze vrucht van de aanbidding?
We hebben geluisterd naar de aanbidding van het Hoofd des hoeks. We hebben gehoord wie hier aanbeden wordt, op welke wijze Hij aanbeden wordt, en wat het gevolg is van deze aanbidding.
Nog twee dingen blijven over.
Allereerst dit. Elke zondag heeft z'n fundament in dé dag die de Heere heeft gemaakt. Zou Christus niet als verworpen steen door God als het Hoofd des hoeks gelegd zijn, er zou nooit geen sprake geweest zijn van de zondag. Daarom kan van elke zondag gezegd worden: dit is de dag die de Heere gemaakt heeft.
Jongens en meisjes, ouderen, besef het goed: de zondag door de Heere gemaakt. Het heeft Christus alles gekost, Hij moest verworpen wonden, opdat wij de zondag zouden hebben. Laat dit de bede op de dag des Heeren zijn: och Heere, geef nu heil; och Heere, geef nu voorspoed. De Heere komt Zelf door de verkondiging van het Woord met het Hoofd des hoeks, met het Fundament der zaligheid. Hij komt als een belovend God. Weet dit: niet gebouwd te worden op dat ene Fundament betekent voor eeuwig verloren te gaan. Daarom laat het toch uw gebed zijn: och Heere, geef nu heil; och Heere, geef nu voorspoed. Een smekeling wijst de Heere nooit af.
Tenslotte. Hier aanbidden en bidden. Neen - niet andersom. Dit is de volgorde. Steeds weer en steeds meer. Straks valt het tweede weg. Geen bidden meer. In de eeuwigheid slechts aanbidden. Dan slechts: „Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. Dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft".
Amen.
Juli 1976